donderdag 22 september 2011

De spiegel van Satraoron

I

Maharbal opende zijn ogen, die zoals gewoonlijk ’s ochtends dik stonden en droog aanvoelden van het roet. Het was dag 673. Elke dag leek hier zo sterk op de vorige en de volgende, dat Maharbal al van in het begin de dagen was beginnen tellen om niet waanzinnig te worden. Bij het aanschuiven in één van de vele lange ochtendrijen voor zijn waterrantsoen voor de dag, werden zijn oren weer gevuld met kreten, gedempte ontploffingen in de verte, en het monsterlijke gebrul van de opzichters. Het leven in de Oven was de hel op aarde.
“Morgen,” hoorde hij naast zich. Het was de stem van Alexander, één van zijn medegevangenen. Alexander was verbannen geweest naar de Oven omdat hij een belangrijke afgezant van de keizer had vermoord. Alleen zijn volledig zwartgeblakerde harnas herinnerde aan zijn vorig bestaan als ridder, en zijn donkerblonde haar hing altijd nat, slap en vuil langs zijn gezicht.
Maharbal gromde een groet terug. Beide mannen vonden elkaar vaak terug in één van de lange waterrijen. Gang na gang stond vol gevangenen, haveloos, mager en verminkt. In het oranjezwarte onlicht van de Oven ging elk ras op elkaar lijken. Waar Alexander onderscheiden werd door zijn harnas, dat hij nooit uit deed, viel Maharbal op door zijn donkere, kale kop en zijn enorme gestalte.
“Ik heb gisteren nieuws gehoord dat je zal interesseren,” zei Alexander. Maharbal keek hem zijdelings aan. Ze werkten dikwijls samen in de gevaarlijkste vuurputten en smeltovens waar de wapens voor het Rijk gesmeed werden. De reden hiervoor was dat Maharbal niet alleen enorm sterk was, maar bovendien bestand tegen veel hogere temperaturen dan de gemiddelde gevangene. Alexander dan weer had een beperkte macht over bliksem en donder, waarmee hij eenvoudig problemen kon oplossen.
Maharbal kreeg een gedeukte, lekkende emmer water van een ork met holle ogen. Alexander volgde.
“Naar de diepoven, jullie,” zei een andere ork, die bij de uitgang wachtte. In de verte, in de dikke ovensmog, kon Maharbal de reusachtige vorm onderscheiden van Ogul, de hoofdopzichter. Maharbal noch Alexander kregen een zweepslag, omdat ze als speciale dwangarbeiders net een beetje verheven waren boven de duizenden gewone gevangenen die hier elke dag ploeterden, hoestten, geslagen werden en doorgaans na enkele maanden ontbering stierven.
“Wat is dat nieuws dan?” vroeg Maharbal. Alexander glimlachte vermoeid, terwijl ze langs een rotsrichel wandelden en gloeiende stenen verpulverd werden onder hun voetstappen. Een walm van magma en hitte rees op uit de diepte. Aan de overkant sleepten enkele mensen en elfen een kar vol verse wapens voort. De kar zat vast in de half-gesmolten rots.
“Heb je ooit gehoord van Satraoron?”
“Ja. Tovenaar.”
Alexander knikte.
“Ik heb gehoord van Xelsa dat hij een magisch voorwerp heeft uitgeleend aan Vlinder.”
Vlinder was de mysterieuze prefect die de algemene leiding had over de Oven. Niemand had haar ooit gezien.
“Het een spiegel die ook een portaal is.”
Alexander en Maharbal hadden al verschillende ontsnappingsplannen beraamd, maar er waren altijd problemen. Er was Ogul, die de gave had op te duiken waar hij net het minste welkom was, er waren verraders onder de andere gevangenen, er waren kolkende lavamuren die uitgangen afsloten, en als men al buiten kon raken, zat men midden in de woestijn van Akhnath. Als bijkomend probleem had Maharbal ook nog af te rekenen met Garrhenus, een huurmoordenaar die geïnfiltreerd was in de Oven om de gevallen prins uit te schakelen.
“Een portaal naar waar? En die spiegel staat in de kamers van Vlinder?”
“Ik zal het Xelsa zelf laten vertellen,” zei Alexander. Met een schok van zijn hand opende hij een zware, dubbele poort. De intense hitte van de diepovens sloeg beide mannen vol in het gezicht. Hier werden de grote, brede schilden gesmeed voor het rijk. Uit één van de poelen lava rees een donkerrode gestalte op.
“Goeiemorgen, Xelsa,” zei Alexander, “Ik heb Maharbal ingelicht over de spiegel.”
“De spiegel is een portaal dat je laat kiezen waar je heen gaat. Ik weet waar hij staat,” zei ze. Xelsa was een meermin die als natuurlijke afwijking door lava kon zwemmen. Ze was een gevangene in de Oven vanwege haar ketterse opvattingen.
Andere gevangenen werden onder begeleiding van een ork en een elf met één arm de diepovens ingeleid.
“We praten verder over de middag,” besliste Maharbal.

II

Ondanks de drukkende warmte in de Oven, was er nooit zonlicht. Het zicht op het plafond van de rotszalen en de smeltkamers werd onttrokken door netwerken van stoombuizen, pijpen en een dikke, permanente wolk van roet en opwaaiende asse. En de diepoven was de allerergste kamer, het dichtst gebouwd bij de vulkanische kern van de Oven. Een labyrint aan kleine gangen, schachten en kamers kwam uit op de centrale lavapoelen, waar voortdurend ijzer aan- en afgevoerd werd. Maharbal en Alexander stortten het ijzer en bewerkten het. Xelsa zorgde ervoor dat geen van de poelen explodeerde, want zelfs in de Oven kon Vlinder het zich niet veroorloven veertig gevangenen per dag te verliezen aan de onvoorspelbare bekken en beken van vuur, waarin de beste wapens van het Rijk gesmeed werden. Maharbal stond er niet bij stil dat zijn grote, bruine handen het gesmolten ijzer aanraakten, en dacht er niet meer bij na dat Alexanders stroomstoten ervoor zorgden dat het spaarzame, vale licht in de hete kamers aan bleef, noch dat Xelsa’s vis-vrouwenvorm nu en dan door de lavakanalen zwom, stomend opdook en dan weer verdween. De Oven omvatte de hele basis van drie vulkanen, en toch was deze werkplek uren, misschien zelfs dagen of weken Maharbals hele universum.

Bij de middagpauze zaten Maharbal en Alexander weg van de andere gevangenen op een rotsrichel. Uit een nabijgelegen lavastroom zat Xelsa aan land. Zwijgzaam aten ze alledrie steenbrood en dronken ze van hun dagrantsoen water, dat alweer warm en vies smaakte.
“Ging je nu nog iets zeggen over die spiegel?” vroeg Alexander toen aan Xelsa.
“Hij staat in de vertrekken van Vlinder,” antwoordde Xelsa tussen twee happen door. Haar ogen gloeiden goudgeel op, en ze ging verder terwijl haar lange tong haar lippen aflikte, “Voorbij de stoomturbines op het derde niveau. Mijn bron vertelde me dat alleen Ogul daar af en toe komt, en dat de deur bewaakt wordt door vier legionairs.”
“Dat klopt niet,” rommelde Maharbals stem, die aanvoelde als puimsteen, “Garrhenus loopt daar ook ergens rond. Ogul is het grootste probleem niet.”
Alsof zijn naam noemen hem had doen verschijnen, zagen ze in de verte de cyclopische gestalte van Odul rondwaren. Hij brieste en tierde tegen één van de lagere opzichters, die helemaal ineendook.
“In theorie moet het niet moeilijk zijn om hem af te leiden,” zei Alexander, terwijl hij zijn mat haar van uit zijn ogen veegde, “Hij heeft maar één oog.”
“Ik wil nog niet dood, bedankt,” zei Xelsa. Maharbal grimaste. Ogul sloeg de opzichter neer en gaf hem een trap. De man bleef roerloos liggen. Ook de andere gevangenen hadden het tafereel gadegeslagen.
“We moeten snel zijn. Het avondeten overslaan. Dan is er de grootste drukte, en wisselen de legionairs ook van wacht,” zei Xelsa na een tijdje. Een diep gegrom borrelde op uit een nabijgelegen poel.
“En wat als we Ogul tegenkomen?” vroeg Alexander.
“Wil jij hier voor altijd zitten?” vroeg Xelsa spottend.
Het was even stil. Vanuit de ingangen van de zaal kwamen de opzichters. De in elkaar getrapte opzichter was nog steeds blijven liggen. Maharbal voelde alles behalve medelijden. Hij dacht aan Garrhenus, die tijdens nachten of op onverwachte momenten jacht op hem maakte.
“Ik kan de lichten onklaar maken,” zei Alexander, “Genoeg verwarring zaaien en dan snel zijn.”
Het laatste stuk steenbrood was op, en Maharbal nam een slok water.
“Garrhenus zal weten dat wij het zijn. We gaan wapens nodig hebben.”
De opzichters keken er streng op toe dat de gevangenen zelf geen wapens achterhielden. Niet dat dat erg moeilijk was – door de hitte werkten veel gevangenen in vodden, of naakt, en waren ze ook niet sterk genoeg om de wapens te hanteren.
“Als ik een lading goeie wapens zie komen uit de smidse, geef ik wel een teken,” zei Maharbal, “Leg die even opzij en zeg dat ze slecht zijn. Vlak na het avondeten gaan we ervandoor, doet Alexander het licht uit en nemen we de wapens mee.”
“Ik zie jullie bij de lavakamer die aan Vlinders kamers grenst. Ik kan de legionairs uitschakelen,” zei Xelsa.
De opzichters brulden dat iedereen weer aan het werk moest.

III

Net toen de laatste hap van de avondpap naar binnen was, ging in de hele sectie van de diepovens het licht uit. Alleen het verblindende, drakenrode en vurig gouden licht van de lavakanalen zelf was er nog. Tegen de tijd dat de opzichters in gang schoten, waren de drie gevangenen al weg.

Maharbal en Alexander waren zonder problemen tot aan de trap naar het derde niveau geraakt. Ze keken elkaar aan. Voor het eerst in maanden brak er iets in Maharbals gezicht door van een grijns. Zijn gelaatsspieren deden er pijn van. Op de lager gelegen niveaus hoorden ze nog steeds tumult. De duisternis had een schijn gegeven van algemeen oproer. In de verte hoorden ze Ogul tieren en brullen.
“Daar zijn we ook van af,” zei Alexander.
Op de trappen troffen beide mannen echter een onaangename verrassing. De trap lag bezaaid met lijken van bewakers en opzichters. Orks, mensen, elfen en zelfs een arachnide die nog stuiptrekkingen vertoonde. Maharbal snoof de geur op van de dood. Hak- en snijwonden.
Bovenaan de trap, in het begin van de kromme, hoge gang die leidde naar de vertrekken van Vlinder, stond Garrhenus. De hoorns van zijn minotauruskop leken kromgetrokken door de hitte, en zijn lip was gescheurd. Hij droeg een lange jas, en aan elke sterke hand drie zegelringen. In het vage lavalicht langs de rotswanden van de gang blonken zijn vleeshaken.
“Ik wist wel dat jullie het gingen proberen,” zei hij ruw, “En ridder, mijn probleem is niet met jou. Help mij en ik haal je hieruit. Of je kan samen sterven met Maharbal.”
Alexander trok zijn zwaard, dat nog warm had van de smidse. Er kwamen vonken uit.
“Vergeet het.”
Maharbal trok eveneens zijn zwaard. Garrhenus verspilde geen tijd meer, stormde vooruit en werd achteruitgeslagen door een straal elektriciteit die uit Alexanders vrije hand schoot. Met zijn ene vleeshaak weerde de gevallen Garrhenus een slag af van Maharbal die gelijk welke normale man in tweeën had gehakt, en met de andere rukte hij het zwaard uit diens greep. Alexander vuurde nogmaals, maar Garrhenus was al weggerold. Hij hield zijn stierenpoot op Maharbals zwaard. Alexander viel toen uit met zijn zwaard. Garrhenus bukte voor een wijde zwaai, haalde met zijn ene haak Maharbals borst open en raakte met het ronde deel van zijn haak toen Alexanders kin.
Op dat ogenblik scheurde het hoge plafond van de gang en gutste er een stroom kolkende lava naar beneden. Garrhenus brulde als een dier. Blind en in brand sloeg hij wild om zich heen en viel hij tegen de rotswand. Maharbal week uit voor de snelle, dunne lava en gooide een versufte Alexander, met rinkelend harnas en al, over zijn schouder. Met zijn vrije hand raapte hij het knetterende, roodgloeiende zwaard op en stak het door de kaken van de minotaurus. Het monsterlijke geloei hield op. Uit de opening van het plafond liet Xelsa zich naar beneden zakken.
“Ik had het moeten weten dat hij achter die informatie zat,” zei Xelsa, “Het spijt me.”
Maharbal spuwde en keek achter hem. Lava stroomde langs de trappen naar beneden.
“Niet veel dat we er nu nog aan kunnen doen. Geen weg meer terug.”
Alexander kwam terug bij positieven.

Op het einde van de gang waren geen legionairs. Niemand vroeg wat er met hen gebeurd was. De deur gaf mee. De kamer was gezellig verlicht, en verrassend koel. Er was niemand. In het midden stond de spiegel van Satraoron – een lange, manlange spiegel met een ondoorzichtig, geboend oppervlak. Met hun gedrieën namen ze het ding in ogenschouw. Er straalde een koele gloed vanaf. Als eerste stak Maharbal zijn hand uit naar de spiegel, en voelde hij hoe het glas meegaf als een membraan.
“Zou je dat wel doen?” klonk er plots een vrouwenstem. Die was afkomstig van een erg kleine citroenvlinder die bovenop de spiegelrand zat.
“Vlinder,” zei Alexander verbaasd.
“Waarom zouden we het niet doen?” vroeg Maharbal bars.
“Misschien was de informatie die jullie gekregen hadden verkeerd?” suggereerde Vlinder speels.
“Hebben we een keuze?” vroeg Xelsa.
“Er is altijd een keuze.”
Maharbal blies naar de citroenvlinder, die ogenblikkelijk wegfladderde en op het plafond ging zitten.
“Zeg niet dat ik jullie niet gewaarschuwd heb.”
Alexander leek te overwegen een stroomstoot naar Vlinder te sturen, maar bedacht zich. Beide mannen en Xelsa wisselden kort een blik van verstandhouding uit, knikten, en stapten door de spiegel.

Maharbal opende zijn ogen, die zoals gewoonlijk ’s ochtends dik stonden en droog aanvoelden van het roet. Het was dag 673. Elke dag leek hier zo sterk op de vorige en de volgende, dat Maharbal al van in het begin de dagen was beginnen tellen om niet waanzinnig te worden.

0 reacties:

Een reactie plaatsen