Dit is het eerste deel van een beoogde reeks "Avonturen in corporate". Ik zal daarvan af en toe updates schrijven als ik daar zin in heb.
Niet iedereen weet dat ik met schrijven effectief een maandloon verdien. Jammer genoeg is dat niet met fictie, versregels of columns, maar met commerciële teksten. "De best betaalde dichters," noemen schrijvers soms de mensensoort waar ik professioneel toe behoor - copywriters. Copywriting is een deel van marketing. Die zin zal bij veel mensen al de haren ten berge doen rijzen, dus laat ik eerst even het clichébeeld zijn werk doen: verdacht gladde jongens en meisjes met net genoeg intelligentie om mooie praat te verkopen en wat te layouten, maar niet genoeg om iets nuttigs te verrichten als verkoopwerk, installatie, service of design. Na human resources en vaag incompetente managers vermoed ik dat marketingmensen behoren tot de meest geminachte werknemers binnen een bedrijf. Zoals overal zijn er marketingmensen die dat cliché belichamen als geen ander, en zijn er die zo goed zijn in hun job dat je hen helemaal niet zou aangeven dat ze überhaupt in de marketing werken. En dat is nu net ook de beste marketing.
1. Meneer de neger
Zelfs mensen met een slecht geheugen herinneren zich nog hun eerste schooldagen in het middelbaar, hun huwelijksdag, of een andere traumatische ervaring. Met de eerste echte werkdag is het niet anders. Ik was eind 2006 aangeworven als copywriter bij Donning & Kruger, een internationaal Belgisch technologiebedrijf. Mijn eerste werkdag viel samen met de eerste werkdag van 2007. Van die dag herinner ik me twee zaken haarscherp: Bernd Aatz, de sales director die volledig opgetrokken leek uit het op de tabel van Mendeljev vooralsnog afwezige natuurelement corporate (Cp), en Lutgard, die een bureau had dat omgeven werd door afschuwelijke kamerplanten. Lutgard vond mijn komst om een onbegrijpelijke reden hilarisch, en was er zich volledig onbewust van was dat ze weggelopen was uit een sketch van "In de Gloria".
Mijn eerste chef was Ilse, die men altijd van ver kon horen komen omdat ze door de lange gangen van Donning & Kruger stapte alsof ze meedeed aan een wedstrijd snelwandelen op hakken. Ze praatte ook erg snel en sprak bijzonder vloeiend verschillende varianten op het West-Vlaams om zich verstaanbaar te maken bij Amerikanen, Fransen, Duitsers en Spanjaarden. Ilse rook sterk naar mandarijnen, omdat ze die in de winter overal meesleepte als een tros granaten om het bureau mee te bombarderen. Conform haar hazenloop en hese mitrailleurstem was ze ook pezig en had ze een vaag poedelvormig haar dat permanent in brand leek te staan.
Mijn eerste tros collega's bestonden uit Elien (evenementen), Hendrik (grafiek en wat web) en Alfred. Alfred was zelf ooit manager geweest maar was gedegradeerd tot kobold in dienst van Ilse omdat zijn werkmethodes in principe sinds 1975 al niet meer veranderd waren. Hij leek op professor Gobelijn en had een probleem met zijn heup. De eerste dagen slaagde hij er al in zo hard op mijn zenuwen te werken dat ik me inbeeldde hem daar te slaan met een ijzeren staaf.
Ik leerde snel dat Ilse in constante staat van agitatie verkeerde. Ik ben er vrij zeker van dat het één van die mensen was wiens perfectionisme zodanig verlammend werkt dat ze niets gedaan krijgen. Daar kwam bij dat ze ook enorm bekwaam was in een favoriete techniek van incompetente mensen, namelijk steeds opnieuw een ander einddoel voor ogen houden, waardoor het voor iedereen onmogelijk wordt om te scoren, en je de schuld voor mislukking altijd bij een ander kan leggen. Ook Elien en Hendrik waren goed op de hoogte van Ilses vele tics en gewoontes. Op een bepaald ogenblik hadden we zelfs een Ilse-bingo ontworpen waarin haar favoriete uitspraken, haar favoriete gefleem en haar favoriete scheldtirades allemaal de revue passeerden, maar dat zou pas gebeuren in 2008.
Op persoonlijk vlak was 2007 een triest jaar. Een relatie eindigde, ik verhuisde binnen Gent en wist het die maanden even allemaal niet meer, zoals Frank Boeijen dat zo mooi kan zingen. Donning & Kruger droeg daar niet toe bij op een positieve manier.
De eerste grote vuurdoop kwam al na nauwelijks een maand. Om me persoonlijk op de hoogte te stellen van wat de concurrentie zoal uitvoerde, werd ik gesommeerd naar de grootste Europese beurs voor onze industrie, in Amsterdam. Hoofdhoncho van de marketingafdeling binnen onze divisie, Joop (geen Nederlander), nam me mee. Op de beurs had ik het na een halve dag al wel gezien. Omdat ik verder weinig van nut kon zijn, stuurde Ehud, de marketing manager voor de olie- en auto-industrie, mij naar de stand van een concurrent om prijzen van een bepaald system te ontfutselen. Dat was een firma uit Noorwegen, en aangezien ik een beetje Noors sprak, was dat een kolfje naar mijn hand. Ik loog dat ik zwart zag en kreeg de prijzen. Probleem: de sales die me te woord had gestaan, stalkte de dagen nadien onophoudelijk de stand van Donning & Kruger, en ik zou nooit zijn brandende blik vergeten toen hij doorhad dat ik helemaal geen medewerker was de Universiteit van Gent. Grootmoedig beloofde Ehud dan ook me niet meer op industriële spionage-opdrachten te sturen.
Ik maakte ook kennis van het grote hoofd van de divisie, Didier Verbruggen. Didier was in mijn ogen het schoolvoorbeeld van een corporate monnik - een man die leefde voor zijn werk en door zijn werk geleefd werd. Hij was bovendien een enorm saaie spreker en als hij al eens glimlachte, leek hem dat zichtbaar pijn te doen. De meeste van zijn communicatiezaken liet hij verzorgen door Joop, een man die qua modebesef ergens in 1998 was achtergebleven. Het moet gezegd worden dat Joop een publiek kon toespreken en niet geheel ongrappig was, maar voorts was onze grote chef marketing - en dus baas van Ilse - een gigantische windbuil die weinig te vertellen had. Bij korte, algemene mededelingen hoopte ik steeds dat Didier plots ging zeggen: "ok mannen... ik ken een mopje" maar dat gebeurde natuurlijk nooit. Het was meestal Joop die de show stal. Op een bijeenkomst van alle sales- en marketingmensen wereldwijd, was hij als een trouwfeesten-dj die net een nieuwe variant op de polonaise ontdekt had. In dit geval was dat een mechanische stier, waar iedereen op moest kruipen om zich belachelijk te maken. De oude Alfred werd gelukkig ontzien.
In die dagen had ik nog geen rijbewijs, en treinde ik naar het werk. Het eerste jaar legde Donning & Kruger voor het groepje pendelaars ook een taxidienst in. Alleen al daarover zou ik een boek kunnen schrijven. De baas van die kleine firma heette Mario, en was alles wat je van een man zou vermoeden die Mario heet. Hij had een krullend nekmatje, dure deodorant en een zwarte maîtresse. Zijn lakei die ons het vaakst vervoerde, Ronny, zei hoofdschuddend over Mario dat die "een echte vedette" was “als die een stapje in de wereld zet”.
Ronny zelf was echter, ondanks het feit dat hij bijna even breed als kort was, een karakter van formaat. Hij liep al tegen de zestig, en werkte in het zwart voor Gino. In alle dimensies was Ronny luid en duidelijk aanwezig. Soms bracht hij ook zijn dochter mee, die BSO volgde en wier voorhoofd en kin naar elkaar toegroeiden. Ronny kwam van Menen (“Miènde”) en leerde me de vele verschillende betekenissen appreciëren van het woord "godverdomme". Hij gebruikte het als hij moest remmen voor een onoplettende voetganger, als krachtterm om zijn eigen woorden extra waarheid te verlenen, of als hij een mooie vrouw zag.
De voertaal aan boord van de taxi was Engels, aangezien de drie frequentste medepassagiers een flegmatieke Italiaan, een Chinees uit Beijing en een zwarte uit Londen waren. De Londenaar heette Austin en werd consequent "Houston" genoemd door Mario, die weliswaar goed Frans maar geen Engels sprak.
Ronny was een volksmens. Hij was ooit dronken met zijn auto op een politiekantoor ingereden, had een verleden als gewichtheffer en rallypiloot, en had in verschillende episodes verteld over hoe zijn beste vriend ("een advocaat!") er vandoor was gegaan met zijn vrouw, hoe hij toen met een achttien jaar jonger meisje begonnen was en hoe dit ruzie in de familie had veroorzaakt, met een uiteindelijke verzoening toen zijn moeder kanker had gekregen.
Ronny's Engels was schabouwelijk, maar Austins Nederlands was onbestaande. Ronny vertelde uitvoerig over zijn luxevakanties aan de Turkse rivièra, en dat hij om de vier maand van auto veranderde. Zijn favoriete merk was "Mutsibutsi".
"How do you order a bread in a bakery in Flemish?" vroeg Austin op een keer.
"You just walk into a bakery and choose the type of bread you want. Something like "een groot wit brood alsjeblieft" should do the trick."
"Is it that simple? You don't actually say you're ordering it or want it?"
"Why would you? Since you're inside the bakery, they're pretty much assuming you're not going to steal it."
"Makes sense."
Austin was een ladies' man en kreeg voortdurend ongevraagd advies van Ronny, die zichzelf ook daarin erg deskundig achtte. Op enkele maanden tijd bestond Austins Nederlandse woordenschat uit enkele West-Vlaamse telwoorden, "godverdomme" en "poeze". Hij gaf wel toe dat een vrouw met een kat vergelijken logischer was dan hoe men het deed in het Engels, waar men bijvoorbeeld "a fit bird" kon gebruiken.
Er waren ook dagen dat ik mee mocht rijden met Elien, die net als ik in Gent woonde. Daarvoor was ik enorm dankbaar. Ik deed ook mijn best om geen onaangename passagier te zijn. Als vanzelfsprekend werd er vooral gelachen met andere collega's in de auto: de onmogelijkheid van Bernds doorgedreven, messcherpe corporate persoonlijkheid, Ilses voortdurende verwarring en ook wel het seksisme waar men als vrouw mee af te rekenen kreeg. Donning & Kruger was namelijk overwegend een mannenbedrijf. Alfred, onze gevallen oude man, kon men nog enigszins knarsetandend ontslaan van de zwaarste verwijten, want die man kwam effectief uit een soort pregeïnformatiseerd Bakelieten Tijdperk, maar de ranzigheid van sommige andere mannen was toch iets dat veel vragen opriep.
Van ranzige mannen had ik weinig last, buiten het feit dat ik nogal vaak genegeerd werd. De meeste andere mannelijke collega's waren de 30 al voorbij en hadden er zich bij neergelegd dat ze een groot deel van hun leven nog zouden doorbrengen aan de lichtgrijze bureaus tussen Lutgards kamerplanten. Het eiland van marketing werd omzwermd door salesmensen en het team van project management. De project managers zaten voortdurend tussen de hamer van onze eigen sales die onrealistische beloftes hadden gemaakt en het aambeeld van klanten die het onmogelijke wilden. Twee onder hen hadden de gewoonte opgepikt enorm luid te praten aan de telefoon, waardoor het soms meer leek op een improvisatietheater dan een bureau.
Na een paar maand klikten de zaken min of meer in een vaste routine. Ik at mijn brood met Hendrik, leurde met mijn teksten bij overkritische sales, market managers met hun eigen fetisjvocabularium ("scalability!", "leveraging!", "total cost of ownership!"), productmanagers met arendsblikken en uiteraard ook Ilse. Alfred, die maar om de andere week nog kwam werken en dat deed met het bravado van een geschopte hond, veroorzaakte ook nog maar weinig overlast. Wat me ook opviel: het overwerk. Toen ik mijn contract tekende, had de HR-persoon gezegd dat de meeste mensen "op tijd" naar huis gingen. Dat bleek alles behalve waar te zijn. Al van in het begin had ik een hekel aan die cultuur van overwerk. Je krijgt er haast niets voor terug, en het wordt op de duur als volkomen normaal beschouwd van nog tot 21u en later bereikbaar te blijven voor je werk. Dat begrijp ik niet. Ik ben ook nooit een prikklokman geweest en heb altijd begrepen dat er soms al eens een extra inspanning kan gevraagd worden als men zit met een dringende deadline of een prestigeproject. Maar de overuren die bij Donning & Kruger gedraaid werden deden soms eerder denken aan een Japans of Koreaans bedrijf dan een Belgisch. Ook Ilse deed voortdurend zware overuren, hoewel ze paradoxaal genoeg niks voor elkaar kreeg. Het deed me vaststellen dat veel overuren doen twee zaken kan betekenen: je bent ofwel incompetent, ofwel is je werklast te hoog. Als je incompetent bent, word je werklast al snel heel hoog, natuurlijk.
Elien had een probleem met Chinezen. En bij Donning & Kruger werkten er een pak Chinezen. Er was Lee, een goedlachse familieman die onder stress rondwandelde alsof hij zich tegen de wind schrap zette; Zhaosheng, een sarcastische sales met een hoge stem die in zijn auto naar de Backstreet Boys luisterde en stiekem porno downloadde op zijn externe HD van het bedrijf; Cheng, een jongen uit Beijing met een abnormaal breed gezicht; en tenslotte Shun, die reeds als kleuter naar Belgiê verhuisd was. Eliens toorn richtte zich vooral op Shun, die eigenlijk ook door de Chinezen niet als een echte Chinees gezien werd. Hij had dan ook een pak eigenschappen die pasten in een lange traditie van belgitude: plantrekker, bricoleur, profiteur, affairist en altijd onverwoestbaar optimistisch.
Cheng, de stadsjongen met het brede gezicht, vergezelde Austin en mij vaak in de taxi, zoals ik al eerder zei. Ik bedacht me wel eens dat, momenten dat we stonden te wachten tot Ronny de parking kwam opgescheurd, luid bulderend over het onderwerp van de dag, dat het perfecte begin was van een mop: "staan er een Chinees, een Afrikaan en een Belg te praten...". Ondanks de grote culturele verschillen, bleek echter dat we op zijn minst één onderwerp gemeen hadden, en dat waren natuurlijk vrouwen.
Op een avond verscheen Ronny op de parking met een matras op het dak van de taxi.
"Waar is dat voor nodig?"
"Haja, voor dingstje é, meneer de neger!"
Als Ronny het woord "neger" gebruikte, twijfelde ik er nooit aan dat hij het niet racistisch bedoelde.
"Hoezo?"
Blijkbaar had Austin problemen een woonplaats te vinden voor maar zes maand. Dus hadden Ronny en Mario het op hen genomen om Austin te installeren bij Mario's zwarte maitresse.
"That was some night, last night," liet Austin zich ontvallen.
"Did you go out?"
"Yeah, with Mario and his mistress. We got completely shit-faced."
"What did you guys talk about? Mario doesn't speak any English."
Austin haalde zijn schouders op en grinnikte.
"After a while, you get too drunk to care. You speak the language of love, man."
Dat hadden ook Ronny en Cheng begrepen, en daar moesten ze ook smakelijk om lachen.
Terwijl de maanden voortgleden, werd ik ingewijd in enkele kantoorgeheimen. Didier, de grote chef, bijvoorbeeld, zou een relatie hebben met Lutgard Van De Kamerplanten. Bernd Aatz dan weer, bij wie geen enkel ander woord dan "weledelgestreng" paste, bleek af te stammen van Duitsers die na Wereldoorlog II weggevlucht waren uit Pruisen, dat toen bij Polen aangehecht werd. Er werd ook gefezeld over een brand die jaren geleden uitgebroken was en Donning & Kruger veel geld had opgeleverd door de verzekering, waardoor een populaire theorie was dat men die brand dan wel niet zelf had aangestoken, maar zeker niet veel moeite had gedaan om hem snel te blussen. Shun, de bricolerende Chino-Belg, vond dat hilarisch.
Los van alle stoorfactoren deed ik mijn job graag. Halverwege 2007 werden de regelmatige taxigebruikers echter opgeschrikt door kwelgeesten uit de torens van human resources. Men had namelijk vastgesteld dat wij elke dag enkele minuten te laat aankwamen en enkele minuten te vroeg vertrokken. Het probleem was echter dat als men dit ging corrigeren - bijna alle regelmatige taxipassagiers gebruikten dezelfde trein - we allemaal een uur vroeger op moesten en een uur later thuis zouden zijn. Ik protesteerde daar nogal tegen. De HR-dame had na enkele minuten genoeg van mijn protest en zei boudweg dat het eigenlijk niet het probleem was Donning & Kruger hoe ik naar het werk kwam. Mijn kop eraf als dat niet waar was. Maar daardoor besloot ik ook dat men niet moest rekenen op mijn goede wil als er iets van mij werd verlangd buiten de werkuren. Ilse stak er niet veel energie in om op te komen voor haar werknemer. Ze probeerde onder andere te verwijzen naar een andere collega, "en die man moet wel van Leuven komen!" maar dat wrong ik de nek om door erop te wijzen dat die man van Leuven ook vier keer zo veel verdiende als ik. Een grimmiger periode brak aan, ondanks één van de warmste zomers in jaren.
Niet iedereen weet dat ik met schrijven effectief een maandloon verdien. Jammer genoeg is dat niet met fictie, versregels of columns, maar met commerciële teksten. "De best betaalde dichters," noemen schrijvers soms de mensensoort waar ik professioneel toe behoor - copywriters. Copywriting is een deel van marketing. Die zin zal bij veel mensen al de haren ten berge doen rijzen, dus laat ik eerst even het clichébeeld zijn werk doen: verdacht gladde jongens en meisjes met net genoeg intelligentie om mooie praat te verkopen en wat te layouten, maar niet genoeg om iets nuttigs te verrichten als verkoopwerk, installatie, service of design. Na human resources en vaag incompetente managers vermoed ik dat marketingmensen behoren tot de meest geminachte werknemers binnen een bedrijf. Zoals overal zijn er marketingmensen die dat cliché belichamen als geen ander, en zijn er die zo goed zijn in hun job dat je hen helemaal niet zou aangeven dat ze überhaupt in de marketing werken. En dat is nu net ook de beste marketing.
1. Meneer de neger
Zelfs mensen met een slecht geheugen herinneren zich nog hun eerste schooldagen in het middelbaar, hun huwelijksdag, of een andere traumatische ervaring. Met de eerste echte werkdag is het niet anders. Ik was eind 2006 aangeworven als copywriter bij Donning & Kruger, een internationaal Belgisch technologiebedrijf. Mijn eerste werkdag viel samen met de eerste werkdag van 2007. Van die dag herinner ik me twee zaken haarscherp: Bernd Aatz, de sales director die volledig opgetrokken leek uit het op de tabel van Mendeljev vooralsnog afwezige natuurelement corporate (Cp), en Lutgard, die een bureau had dat omgeven werd door afschuwelijke kamerplanten. Lutgard vond mijn komst om een onbegrijpelijke reden hilarisch, en was er zich volledig onbewust van was dat ze weggelopen was uit een sketch van "In de Gloria".
Mijn eerste chef was Ilse, die men altijd van ver kon horen komen omdat ze door de lange gangen van Donning & Kruger stapte alsof ze meedeed aan een wedstrijd snelwandelen op hakken. Ze praatte ook erg snel en sprak bijzonder vloeiend verschillende varianten op het West-Vlaams om zich verstaanbaar te maken bij Amerikanen, Fransen, Duitsers en Spanjaarden. Ilse rook sterk naar mandarijnen, omdat ze die in de winter overal meesleepte als een tros granaten om het bureau mee te bombarderen. Conform haar hazenloop en hese mitrailleurstem was ze ook pezig en had ze een vaag poedelvormig haar dat permanent in brand leek te staan.
Mijn eerste tros collega's bestonden uit Elien (evenementen), Hendrik (grafiek en wat web) en Alfred. Alfred was zelf ooit manager geweest maar was gedegradeerd tot kobold in dienst van Ilse omdat zijn werkmethodes in principe sinds 1975 al niet meer veranderd waren. Hij leek op professor Gobelijn en had een probleem met zijn heup. De eerste dagen slaagde hij er al in zo hard op mijn zenuwen te werken dat ik me inbeeldde hem daar te slaan met een ijzeren staaf.
Ik leerde snel dat Ilse in constante staat van agitatie verkeerde. Ik ben er vrij zeker van dat het één van die mensen was wiens perfectionisme zodanig verlammend werkt dat ze niets gedaan krijgen. Daar kwam bij dat ze ook enorm bekwaam was in een favoriete techniek van incompetente mensen, namelijk steeds opnieuw een ander einddoel voor ogen houden, waardoor het voor iedereen onmogelijk wordt om te scoren, en je de schuld voor mislukking altijd bij een ander kan leggen. Ook Elien en Hendrik waren goed op de hoogte van Ilses vele tics en gewoontes. Op een bepaald ogenblik hadden we zelfs een Ilse-bingo ontworpen waarin haar favoriete uitspraken, haar favoriete gefleem en haar favoriete scheldtirades allemaal de revue passeerden, maar dat zou pas gebeuren in 2008.
Op persoonlijk vlak was 2007 een triest jaar. Een relatie eindigde, ik verhuisde binnen Gent en wist het die maanden even allemaal niet meer, zoals Frank Boeijen dat zo mooi kan zingen. Donning & Kruger droeg daar niet toe bij op een positieve manier.
De eerste grote vuurdoop kwam al na nauwelijks een maand. Om me persoonlijk op de hoogte te stellen van wat de concurrentie zoal uitvoerde, werd ik gesommeerd naar de grootste Europese beurs voor onze industrie, in Amsterdam. Hoofdhoncho van de marketingafdeling binnen onze divisie, Joop (geen Nederlander), nam me mee. Op de beurs had ik het na een halve dag al wel gezien. Omdat ik verder weinig van nut kon zijn, stuurde Ehud, de marketing manager voor de olie- en auto-industrie, mij naar de stand van een concurrent om prijzen van een bepaald system te ontfutselen. Dat was een firma uit Noorwegen, en aangezien ik een beetje Noors sprak, was dat een kolfje naar mijn hand. Ik loog dat ik zwart zag en kreeg de prijzen. Probleem: de sales die me te woord had gestaan, stalkte de dagen nadien onophoudelijk de stand van Donning & Kruger, en ik zou nooit zijn brandende blik vergeten toen hij doorhad dat ik helemaal geen medewerker was de Universiteit van Gent. Grootmoedig beloofde Ehud dan ook me niet meer op industriële spionage-opdrachten te sturen.
Ik maakte ook kennis van het grote hoofd van de divisie, Didier Verbruggen. Didier was in mijn ogen het schoolvoorbeeld van een corporate monnik - een man die leefde voor zijn werk en door zijn werk geleefd werd. Hij was bovendien een enorm saaie spreker en als hij al eens glimlachte, leek hem dat zichtbaar pijn te doen. De meeste van zijn communicatiezaken liet hij verzorgen door Joop, een man die qua modebesef ergens in 1998 was achtergebleven. Het moet gezegd worden dat Joop een publiek kon toespreken en niet geheel ongrappig was, maar voorts was onze grote chef marketing - en dus baas van Ilse - een gigantische windbuil die weinig te vertellen had. Bij korte, algemene mededelingen hoopte ik steeds dat Didier plots ging zeggen: "ok mannen... ik ken een mopje" maar dat gebeurde natuurlijk nooit. Het was meestal Joop die de show stal. Op een bijeenkomst van alle sales- en marketingmensen wereldwijd, was hij als een trouwfeesten-dj die net een nieuwe variant op de polonaise ontdekt had. In dit geval was dat een mechanische stier, waar iedereen op moest kruipen om zich belachelijk te maken. De oude Alfred werd gelukkig ontzien.
In die dagen had ik nog geen rijbewijs, en treinde ik naar het werk. Het eerste jaar legde Donning & Kruger voor het groepje pendelaars ook een taxidienst in. Alleen al daarover zou ik een boek kunnen schrijven. De baas van die kleine firma heette Mario, en was alles wat je van een man zou vermoeden die Mario heet. Hij had een krullend nekmatje, dure deodorant en een zwarte maîtresse. Zijn lakei die ons het vaakst vervoerde, Ronny, zei hoofdschuddend over Mario dat die "een echte vedette" was “als die een stapje in de wereld zet”.
Ronny zelf was echter, ondanks het feit dat hij bijna even breed als kort was, een karakter van formaat. Hij liep al tegen de zestig, en werkte in het zwart voor Gino. In alle dimensies was Ronny luid en duidelijk aanwezig. Soms bracht hij ook zijn dochter mee, die BSO volgde en wier voorhoofd en kin naar elkaar toegroeiden. Ronny kwam van Menen (“Miènde”) en leerde me de vele verschillende betekenissen appreciëren van het woord "godverdomme". Hij gebruikte het als hij moest remmen voor een onoplettende voetganger, als krachtterm om zijn eigen woorden extra waarheid te verlenen, of als hij een mooie vrouw zag.
De voertaal aan boord van de taxi was Engels, aangezien de drie frequentste medepassagiers een flegmatieke Italiaan, een Chinees uit Beijing en een zwarte uit Londen waren. De Londenaar heette Austin en werd consequent "Houston" genoemd door Mario, die weliswaar goed Frans maar geen Engels sprak.
Ronny was een volksmens. Hij was ooit dronken met zijn auto op een politiekantoor ingereden, had een verleden als gewichtheffer en rallypiloot, en had in verschillende episodes verteld over hoe zijn beste vriend ("een advocaat!") er vandoor was gegaan met zijn vrouw, hoe hij toen met een achttien jaar jonger meisje begonnen was en hoe dit ruzie in de familie had veroorzaakt, met een uiteindelijke verzoening toen zijn moeder kanker had gekregen.
Ronny's Engels was schabouwelijk, maar Austins Nederlands was onbestaande. Ronny vertelde uitvoerig over zijn luxevakanties aan de Turkse rivièra, en dat hij om de vier maand van auto veranderde. Zijn favoriete merk was "Mutsibutsi".
"How do you order a bread in a bakery in Flemish?" vroeg Austin op een keer.
"You just walk into a bakery and choose the type of bread you want. Something like "een groot wit brood alsjeblieft" should do the trick."
"Is it that simple? You don't actually say you're ordering it or want it?"
"Why would you? Since you're inside the bakery, they're pretty much assuming you're not going to steal it."
"Makes sense."
Austin was een ladies' man en kreeg voortdurend ongevraagd advies van Ronny, die zichzelf ook daarin erg deskundig achtte. Op enkele maanden tijd bestond Austins Nederlandse woordenschat uit enkele West-Vlaamse telwoorden, "godverdomme" en "poeze". Hij gaf wel toe dat een vrouw met een kat vergelijken logischer was dan hoe men het deed in het Engels, waar men bijvoorbeeld "a fit bird" kon gebruiken.
Er waren ook dagen dat ik mee mocht rijden met Elien, die net als ik in Gent woonde. Daarvoor was ik enorm dankbaar. Ik deed ook mijn best om geen onaangename passagier te zijn. Als vanzelfsprekend werd er vooral gelachen met andere collega's in de auto: de onmogelijkheid van Bernds doorgedreven, messcherpe corporate persoonlijkheid, Ilses voortdurende verwarring en ook wel het seksisme waar men als vrouw mee af te rekenen kreeg. Donning & Kruger was namelijk overwegend een mannenbedrijf. Alfred, onze gevallen oude man, kon men nog enigszins knarsetandend ontslaan van de zwaarste verwijten, want die man kwam effectief uit een soort pregeïnformatiseerd Bakelieten Tijdperk, maar de ranzigheid van sommige andere mannen was toch iets dat veel vragen opriep.
Van ranzige mannen had ik weinig last, buiten het feit dat ik nogal vaak genegeerd werd. De meeste andere mannelijke collega's waren de 30 al voorbij en hadden er zich bij neergelegd dat ze een groot deel van hun leven nog zouden doorbrengen aan de lichtgrijze bureaus tussen Lutgards kamerplanten. Het eiland van marketing werd omzwermd door salesmensen en het team van project management. De project managers zaten voortdurend tussen de hamer van onze eigen sales die onrealistische beloftes hadden gemaakt en het aambeeld van klanten die het onmogelijke wilden. Twee onder hen hadden de gewoonte opgepikt enorm luid te praten aan de telefoon, waardoor het soms meer leek op een improvisatietheater dan een bureau.
Na een paar maand klikten de zaken min of meer in een vaste routine. Ik at mijn brood met Hendrik, leurde met mijn teksten bij overkritische sales, market managers met hun eigen fetisjvocabularium ("scalability!", "leveraging!", "total cost of ownership!"), productmanagers met arendsblikken en uiteraard ook Ilse. Alfred, die maar om de andere week nog kwam werken en dat deed met het bravado van een geschopte hond, veroorzaakte ook nog maar weinig overlast. Wat me ook opviel: het overwerk. Toen ik mijn contract tekende, had de HR-persoon gezegd dat de meeste mensen "op tijd" naar huis gingen. Dat bleek alles behalve waar te zijn. Al van in het begin had ik een hekel aan die cultuur van overwerk. Je krijgt er haast niets voor terug, en het wordt op de duur als volkomen normaal beschouwd van nog tot 21u en later bereikbaar te blijven voor je werk. Dat begrijp ik niet. Ik ben ook nooit een prikklokman geweest en heb altijd begrepen dat er soms al eens een extra inspanning kan gevraagd worden als men zit met een dringende deadline of een prestigeproject. Maar de overuren die bij Donning & Kruger gedraaid werden deden soms eerder denken aan een Japans of Koreaans bedrijf dan een Belgisch. Ook Ilse deed voortdurend zware overuren, hoewel ze paradoxaal genoeg niks voor elkaar kreeg. Het deed me vaststellen dat veel overuren doen twee zaken kan betekenen: je bent ofwel incompetent, ofwel is je werklast te hoog. Als je incompetent bent, word je werklast al snel heel hoog, natuurlijk.
Elien had een probleem met Chinezen. En bij Donning & Kruger werkten er een pak Chinezen. Er was Lee, een goedlachse familieman die onder stress rondwandelde alsof hij zich tegen de wind schrap zette; Zhaosheng, een sarcastische sales met een hoge stem die in zijn auto naar de Backstreet Boys luisterde en stiekem porno downloadde op zijn externe HD van het bedrijf; Cheng, een jongen uit Beijing met een abnormaal breed gezicht; en tenslotte Shun, die reeds als kleuter naar Belgiê verhuisd was. Eliens toorn richtte zich vooral op Shun, die eigenlijk ook door de Chinezen niet als een echte Chinees gezien werd. Hij had dan ook een pak eigenschappen die pasten in een lange traditie van belgitude: plantrekker, bricoleur, profiteur, affairist en altijd onverwoestbaar optimistisch.
Cheng, de stadsjongen met het brede gezicht, vergezelde Austin en mij vaak in de taxi, zoals ik al eerder zei. Ik bedacht me wel eens dat, momenten dat we stonden te wachten tot Ronny de parking kwam opgescheurd, luid bulderend over het onderwerp van de dag, dat het perfecte begin was van een mop: "staan er een Chinees, een Afrikaan en een Belg te praten...". Ondanks de grote culturele verschillen, bleek echter dat we op zijn minst één onderwerp gemeen hadden, en dat waren natuurlijk vrouwen.
Op een avond verscheen Ronny op de parking met een matras op het dak van de taxi.
"Waar is dat voor nodig?"
"Haja, voor dingstje é, meneer de neger!"
Als Ronny het woord "neger" gebruikte, twijfelde ik er nooit aan dat hij het niet racistisch bedoelde.
"Hoezo?"
Blijkbaar had Austin problemen een woonplaats te vinden voor maar zes maand. Dus hadden Ronny en Mario het op hen genomen om Austin te installeren bij Mario's zwarte maitresse.
"That was some night, last night," liet Austin zich ontvallen.
"Did you go out?"
"Yeah, with Mario and his mistress. We got completely shit-faced."
"What did you guys talk about? Mario doesn't speak any English."
Austin haalde zijn schouders op en grinnikte.
"After a while, you get too drunk to care. You speak the language of love, man."
Dat hadden ook Ronny en Cheng begrepen, en daar moesten ze ook smakelijk om lachen.
Terwijl de maanden voortgleden, werd ik ingewijd in enkele kantoorgeheimen. Didier, de grote chef, bijvoorbeeld, zou een relatie hebben met Lutgard Van De Kamerplanten. Bernd Aatz dan weer, bij wie geen enkel ander woord dan "weledelgestreng" paste, bleek af te stammen van Duitsers die na Wereldoorlog II weggevlucht waren uit Pruisen, dat toen bij Polen aangehecht werd. Er werd ook gefezeld over een brand die jaren geleden uitgebroken was en Donning & Kruger veel geld had opgeleverd door de verzekering, waardoor een populaire theorie was dat men die brand dan wel niet zelf had aangestoken, maar zeker niet veel moeite had gedaan om hem snel te blussen. Shun, de bricolerende Chino-Belg, vond dat hilarisch.
Los van alle stoorfactoren deed ik mijn job graag. Halverwege 2007 werden de regelmatige taxigebruikers echter opgeschrikt door kwelgeesten uit de torens van human resources. Men had namelijk vastgesteld dat wij elke dag enkele minuten te laat aankwamen en enkele minuten te vroeg vertrokken. Het probleem was echter dat als men dit ging corrigeren - bijna alle regelmatige taxipassagiers gebruikten dezelfde trein - we allemaal een uur vroeger op moesten en een uur later thuis zouden zijn. Ik protesteerde daar nogal tegen. De HR-dame had na enkele minuten genoeg van mijn protest en zei boudweg dat het eigenlijk niet het probleem was Donning & Kruger hoe ik naar het werk kwam. Mijn kop eraf als dat niet waar was. Maar daardoor besloot ik ook dat men niet moest rekenen op mijn goede wil als er iets van mij werd verlangd buiten de werkuren. Ilse stak er niet veel energie in om op te komen voor haar werknemer. Ze probeerde onder andere te verwijzen naar een andere collega, "en die man moet wel van Leuven komen!" maar dat wrong ik de nek om door erop te wijzen dat die man van Leuven ook vier keer zo veel verdiende als ik. Een grimmiger periode brak aan, ondanks één van de warmste zomers in jaren.

0 reacties:
Een reactie plaatsen