Dit is het derde deel van mijn avonturen in corporate. Lees eerst deel I en II.
Begin 2008 vond Ilse dat we een tweede copywriter nodig hadden. Ik zag daar zelf het nut niet onmiddellijk van in. De was weliswaar hoog, maar kon lager indien Ilse en een paar andere overwerkte managers zelf niet de flessenhalzen vormden waar mijn letters en zinnen niet doorgeraakten (“kan daar nog niet iets bijgeperst worden over hoe goed dat rode draadje er uit ziet?”, “mja, nee, misschien moeten we toch weer een volledig andere focus nemen”, “maar je hebt niks gezegd over onze herontworpen lenskap!”). Bij deze opmerking hoort eigenlijk een andere opmerking: er wordt vaak geklaagd dat grote bedrijven te zwaar doorwegende, overbetaalde middenkaders hebben, terwijl mijn observatie hier eerder het tegendeel zou moeten bewijzen. Toch ontsnapte ook Donning & Kruger niet aan die wetmatigheid. Het is namelijk niet omdat een collega niet rondkomt met z’n werk, dat hij daarom per se overwerkt is. Daarover sprak ik eerder al in mijn aantekeningen over overwerk. Bij het middenkader van Donning & Kruger deed zich precies hetzelfde fenomeen voor: de competenten waren enorm overbelast en hadden dus absoluut geen tijd om grondig te kijken naar de tekst van een copywriter, en de incompetenten schopten het proces in de war met nutteloze commentaar, vertragingstactieken en andere afleidingsmanoeuvres in hun voortdurende strijd tegen de ontmaskering.
Het mocht allemaal niet baten, volgens Ilse was er te veel tekstwerk. Eind januari arriveerde de nieuwe collega.
Jane Darrow kwam uit Australië en was met haar man naar Noord-Frankrijk verhuisd omdat hij daar Engelse les zou komen geven. Ilse, met haar gebruikelijke gevoel voor apocalyptiek, zag in de komst van Jane een definitieve versterking van de copywriting met een moedertaalspreker.
Jane en ik konden het erg goed vinden met elkaar. Om die reden scheidde Ilse na een maand als een ware schooljuffrouw ook onze bureaus, omdat we regelmatig zaten te kletsen (roddelen). Als je je gedraagt als een scholier, word je ook zo behandeld. Intussen had ik geheel in die stijl een Ilse-bingo ontworpen, omdat het me niet meer kon schelen wat Ilse of anderen over me dachten. De bingo bevatte haar gebruikelijke maniërismen, stopwoorden, verhakkelde Engelse, Duitse of Spaanse stokpaardjes, en haar nerveuze ongrappigheid. Ik begon me ook te bezinnen op andere mogelijke practical jokes, zoals het bureau van Didier vol aluminium hangen (tot zijn nietjesmachine toe), of de vensters en deuren van Bernds bureau volplakken met isomo, waardoor het van de buitenkant leek of het volgestort was met piepschuim. Jammer genoeg had ik er de energie niet voor. De winter van 2008 was een gure, strenge winter met erg veel plensbuien, bussen die te laat waren, Ilse en haar mentale spruitjeslucht, en het gevoel dat ik vastzat in een afschuwelijk drijfzand waar elke korrel alleen de taal Corporate sprak, Corporate met een West-Vlaams accent.
In februari kwam er een nieuw project aanwaaien: de lokale HR-mensen wilden een interne nieuwsbrief gaan rondsturen. Dat er op dat ogenblik binnen onze divisie alleen al twee soorten interne nieuwsbrieven circuleerden, plus nog een viertal van andere divisies, dat was blijkbaar geen argument. Werknemers konden vast niet genoeg krijgen van al die nieuwsbrieven, ook als er helemaal niks te vertellen viel. Ik schreef in die periode dan ook eens een onverstuurde nepnieuwsbrief waarin ik beweerde dat Shun, onze Antwerpse Chinees, per ongeluk een salesdeal verpest had door scheten te laten, of dat Ehud boos was opgestapt na een zakenlunch toen iemand een mopje had gemaakt over de Mossad (dit vond drie jaar later overigens werkelijk plaats, alleen bleef Ehud zitten en kon hij er smakelijk om lachen). In de nepnieuwsbrief werd ook gelachen met het Jommekeskapsel van divisiepresident Didier en het franglais van onze Franse collega’s. Het moet de beste nieuwsbrief zijn die in die periode schreef.
Terug naar het project van human resources, dat blijkbaar snakte naar erkenning voor alles wat ze deden voor hun kuddes ingenieurs, salesmensen en het uitschot van marketing. Jane en ik verdeelden de onderwerpen. Ik was eerder klaar met de mijne en stuurde mijn deel door naar haar. Bij haar onderwerpen had ik open plekken ingevuld met kleine zinnetjes onzin. Voor het onderwerp ‘International sales meeting’ bijvoorbeeld had ik geschreven ‘Lots of fat people snoring’ of voor het jaarlijkse nieuwjaarsfeest ‘Free drinks on the CEO, hooray’. In een vlaag van verstrooidheid stuurde ik die versie door naar Rick in Amerika, omdat de HR-mensen daar nerveus waren geworden van het idee dat er interne HR-nieuwsbrieven gingen komen. Argeloze Rick stuurde dit door naar zijn eigen oversten zonder mijn tekst te bekijken, waardoor het terreuralarm daar volledig in het rood ging. Ik had namelijk van het voorwoord van afdelingshoofd Didier Verbruggen de volgende voorlopige zin gemaakt: ‘Didier announces his conversion to Islam. Death to America!’ Dit voorval zou vanaf dan gaan bekend staan als Islamgate, volledig conform de Amerikaanse sfeer waarin het baadde.
Ik werd gesommeerd naar het kantoor van de HR-verantwoordelijke, een potige dame waarmee ik al eerder in de clinch had gelegen omwille van het onredelijke punctualisme rond de taxidienst van en naar het station en die me er allicht van verdacht bewust de nieuwsbrief te willen saboteren. Dat mijn uitschuiver met de nieuwsbrief eerder het product was van intense verveling en een groeiend cynisme met hoe het er aan toe ging bij Donning & Kruger, dat kwam blijkbaar niet bij hen op. Om de waarheid te zeggen zei ik ook in het kantoor van HR, in aanwezigheid van Ilse, niet de waarheid. Ik ging er ten eerste al van uit dat men mij zou ontslaan, en ten tweede was ik al aan het uitkijken naar ander werk, tenzij ik wilde eindigen als de zoveelste zure, kromgetrokken Donning & Krugeriaan.
“Wat heb je hierop te zeggen?” wilde de HR-directeur weten.
“Wat kan ik zeggen? Dat het een domme fout was en dat het niet meer zal gebeuren,” zei ik gelaten.
“Het probleem is dat dit tot in Amerika geraakt is, en je weet hoe gevoelig men daar al was voor dit initiatief. En nu dit... wat als men denkt dat Didier echt moslim geworden is het de Verenigde Staten niet meer binnen mag?”
Ik moest een lach onderdrukken door het absurde idee dat men bij de grenscontrole zou staan zwaaien met een kladnieuwsbrief van Donning & Kruger waarin stond dat Didier, oerbrave Didier met zijn suskewietkapsel, een fundamentalistische moslim geworden was die ‘Death to America!’ geschreeuwd zou hebben.
“Is dat niet... nogal onwaarschijnlijk?”
“Je weet nooit!” zei de HR-verantwoordelijke. Ook Ilse knikte wijs, alsof ze tegenover iemand zat die helemaal nog niet wist hoe de wereld in elkaar zat.
“Goed,” zei ik, “ik wil me hier zeker niet voor verdedigen, want hier bestaat geen verdediging voor. Wat gebeurt er nu?”
Dat ik hiervoor niet ontslagen werd maar ervan af kwam met een blaam – een heerlijk woord, overigens – en een aangetekend schrijven, was wonderbaarlijk en had ik te danken aan twee toevalligheden die in dezelfde week plaats hadden gevonden.
Ten eerste was Ilse ervan overtuigd geraakt dat Jane en ik incompetente nietsnutten waren en had ze haar copywriting-messias gevonden in een onafhankelijk bureau. Ik had die bui al een tijdlang voelen hangen, hoewel Ilse in alle toonaarden ontkend had dat er iets op til was (“copywriting is wel het laatste dat ik zou uitbesteden!”). In mijn week afwezigheid die aan Islamgate vooraf was gegaan, echter, was gebleken dat dat bureau dan toch niet zo geweldig was. Het was niet de eerste en zeker ook niet de laatste keer dat Ilse teleurgesteld zou zijn in externe bureaus, waarbij ze zich vast geen enkele keer de vraag stelde of die teleurstelling niet te wijten was aan haar eigen onmogelijkheid.
Ten tweede had Jane de dag dat Islamgate losbarstte, haar ontslag ingediend. De druppel voor Jane was een intense, agressieve meeting met Ilse geweest waarin onze onvolprezen chef op een nodeloos persoonlijke manier brandhout had gemaakt van alles waar Jane mee bezig was. Dat het geen gerucht was, kon ik ten overvloede bewijzen want Ilse had ook het tact gehad deze meeting te laten plaatsvinden aan ons bureau, waar iedereen alles kon horen. Exit Jane, die even later al terug het vliegtuig op zat naar Australië. Het was jammer voor haar dat haar beeld van Europa voorgoed bepaald zou zijn door de stedelijke agglomeratie Rijsel-Kortrijk. Het zou vast net zijn alsof ik naar Australië zou gaan en ik drie maand zou moeten kamperen in een buitenwijk van Sydney waar alleen de zogenaamde bogans wonen.
In 2008 droomde ik ook af en toe over Donning & Kruger. In één droom lag ik dronken in een goot en passeerde een hele parade aan collega’s die me afkeurend aankeek. Het ergste in die dromen waren hun stille gesprekken onder elkaar, de afkeuring en de veroordeling. Want ondanks alle kolder, mijn bingo’s, mijn mislukte practical jokes en mijn zwartgallige cynisme, had ik nog altijd een vorm van beroepseer en probeerde ik zo goed en zo kwaad ik kon mijn werk nuttig in te vullen. Tenslotte lag niet over alles wat ik deed de lange, gekrulde schaduw van Ilse.
Met Donning & Kruger ging het niet goed – al twee jaar op rij waren de resultaten slecht, en ook de voorspellingen voor het jaar erop zagen er somber uit. In de zomer kwam er een grote ontslaggolf op gang. Het is te zeggen, mensen werden druppelsgewijs ontslagen. De ene week werden twee oudere collega’s op brugpensioen gestuurd, een andere week hield er eentje het zelf voor bekeken (niet door zichzelf op te hangen, helaas), dan weer werd er een afdeling in Japan opgedoekt, daarna vond er een stoelendans onder managers plaats waarbij er één verdween met een gouden handdruk, en verderop werd er ook enkele collega’s onder tijdelijk contract een zak over hun hoofd getrokken en werden ze met een Mercedes met geblindeerde ramen weggevoerd naar een onbekende plek in een nabijgelegen bos. Die plakjes salami van het personeelsbestand afsnijden was zeer uitgekiend en vermeed een collectieve ontslagbemiddeling met de vakbond.
Bij ons was het oude Alfred die wegging, maar dat stond al lang in de sterren geschreven, en zijn vertrek viel eerder samen met de ontslagrondes dan dat het er veel mee te maken had. Daardoor viel een grote kostenpost weg voor marketing en mogelijk konden Elien en ik daardoor blijven. Ook van Ilse, de eeuwig rondcirkelende Stuka in aanvalsformatie, kwam er goed nieuws. We hadden in de wandelgangen opgevangen dat ze viste naar een vergelijkbare job bij een andere divisie. Elien en ik begrepen niet echt hoe ze er ook daar in zou slagen mensen om de tuin te leiden met retorische trucs en haar bekende combinatie van venijn en geslijm, maar blijkbaar werd ze serieus genomen als kandidate, wat voor ons een periode zou betekenen van perestroika en glasnost. Zo gebeurde het. Elien en ik verhuisden als ingekrompen marketingteam nadien naar het eiland van product management.
Bij de divisie van Donning & Kruger waar ik toen voor werkte, had product management een weinig benijdenswaardige job. Ze voelden voortdurend de geest van R&D-hoofd Henri Cattoir achter hun rug rondwaren, en de macht die hij had over vele andere machtigen binnen de divisie, waardoor product management vaak meer het gevoel had achter feiten aan te hollen dan om werkelijk te managen. De macht van R&D groeide echter nog door toen Didier wandelen werd gestuurd tijdens een wekelijkse ontslagronde. Bernd Aatz van sales, van zijn kant, vond dat zijn mensen zich helemaal niet met productkennis moesten inlaten. Zijn boutade was dan ook, in zijn flegmatieke Duitse accent: “een sales, die moet fe’kopen”.
De minst benijdenswaardige product manager van een toch al jammerlijke groep mensen was Frank. Hendrik en ik noemden Frank nooit bij zijn echte naam, maar hadden het over 'Gollem'. Gollem was een productmanager die letterlijk gebukt ging onder jaren van frustratie met het beleid van Donning & Kruger, zijn eigen werkverslaafde en meer geapprecieerde manager en het feit dat de wereld allicht tegen hem was. Dat ging van de kardinaal Richelieu die hoofd was van R&D en vond dat als zijn mannen een product konden maken, dat ze het ook moesten doen, of er nu vraag naar was of niet, tot Bernd en zijn macho salesbrigade die productmanagement overstelpten met onnozele vragen. Dat veroorzaakte ondermeer dat er een marketingmanager kloeg dat mijn brochures meer in technisch detail moesten gaan omdat onze eigen salesmensen anders niet genoeg verstonden, waaruit bleek dat de sales marketingmateriaal gebruikten om meer te leren over de producten die Donning & Kruger verkocht.
Hoewel ik nog steeds uitkeek naar ander werk, was ik terug meer van mijn job gaan houden door het verdwijnen van Ilse. Af en toe bereikten ons nog horrorverhalen over hoe ze als een harpij tekeer was gegaan op een meeting, of hoe ze een hele hoop ingenieurs tegen zich in het harnas had gejaagd door te getuigen van een ontstellend gebrek aan productkennis, maar het raakte ons niet meer. Product management liet het mini-marketingteam vooral zijn eigen ding doen, en het moet gezegd, dat deden we goed.
De onafhankelijkheidsbonanza had echter een beperkte houdbaarheidsdatum. We wisten dat men tegen begin 2009 alle marketingafdelinkjes wilde gaan samenvoegen tot één grote afdeling. Binnen de besparingsplannen die Donning & Kruger doorvoerde, was dat geen onverwachte zet. Ik zag die toekomst tegemoet met een milde berusting.
Mijn nieuwe chef zou vreemd genoeg de man worden die me in de eerste plaats had helpen aannemen, Luigi Bertoli, ondanks zijn naam een Vlaming pur sang, en ik zou ook nieuwe collega-copywriters krijgen van de andere divisies. Om al wat te proeven van dat nieuwe werkleven, bracht ik tegen december telkens een halve week door in de andere vestiging van Donning & Kruger, waar Bertoli zelf zat en ook het merendeel van mijn toekomstige collega’s. De sfeer was er opperbest, en hoe donker, mismoedig en zwartgallig 2008 begonnen was, des te beter leek het te gaan eindigen.
Begin 2008 vond Ilse dat we een tweede copywriter nodig hadden. Ik zag daar zelf het nut niet onmiddellijk van in. De was weliswaar hoog, maar kon lager indien Ilse en een paar andere overwerkte managers zelf niet de flessenhalzen vormden waar mijn letters en zinnen niet doorgeraakten (“kan daar nog niet iets bijgeperst worden over hoe goed dat rode draadje er uit ziet?”, “mja, nee, misschien moeten we toch weer een volledig andere focus nemen”, “maar je hebt niks gezegd over onze herontworpen lenskap!”). Bij deze opmerking hoort eigenlijk een andere opmerking: er wordt vaak geklaagd dat grote bedrijven te zwaar doorwegende, overbetaalde middenkaders hebben, terwijl mijn observatie hier eerder het tegendeel zou moeten bewijzen. Toch ontsnapte ook Donning & Kruger niet aan die wetmatigheid. Het is namelijk niet omdat een collega niet rondkomt met z’n werk, dat hij daarom per se overwerkt is. Daarover sprak ik eerder al in mijn aantekeningen over overwerk. Bij het middenkader van Donning & Kruger deed zich precies hetzelfde fenomeen voor: de competenten waren enorm overbelast en hadden dus absoluut geen tijd om grondig te kijken naar de tekst van een copywriter, en de incompetenten schopten het proces in de war met nutteloze commentaar, vertragingstactieken en andere afleidingsmanoeuvres in hun voortdurende strijd tegen de ontmaskering.
Het mocht allemaal niet baten, volgens Ilse was er te veel tekstwerk. Eind januari arriveerde de nieuwe collega.
Jane Darrow kwam uit Australië en was met haar man naar Noord-Frankrijk verhuisd omdat hij daar Engelse les zou komen geven. Ilse, met haar gebruikelijke gevoel voor apocalyptiek, zag in de komst van Jane een definitieve versterking van de copywriting met een moedertaalspreker.
Jane en ik konden het erg goed vinden met elkaar. Om die reden scheidde Ilse na een maand als een ware schooljuffrouw ook onze bureaus, omdat we regelmatig zaten te kletsen (roddelen). Als je je gedraagt als een scholier, word je ook zo behandeld. Intussen had ik geheel in die stijl een Ilse-bingo ontworpen, omdat het me niet meer kon schelen wat Ilse of anderen over me dachten. De bingo bevatte haar gebruikelijke maniërismen, stopwoorden, verhakkelde Engelse, Duitse of Spaanse stokpaardjes, en haar nerveuze ongrappigheid. Ik begon me ook te bezinnen op andere mogelijke practical jokes, zoals het bureau van Didier vol aluminium hangen (tot zijn nietjesmachine toe), of de vensters en deuren van Bernds bureau volplakken met isomo, waardoor het van de buitenkant leek of het volgestort was met piepschuim. Jammer genoeg had ik er de energie niet voor. De winter van 2008 was een gure, strenge winter met erg veel plensbuien, bussen die te laat waren, Ilse en haar mentale spruitjeslucht, en het gevoel dat ik vastzat in een afschuwelijk drijfzand waar elke korrel alleen de taal Corporate sprak, Corporate met een West-Vlaams accent.
In februari kwam er een nieuw project aanwaaien: de lokale HR-mensen wilden een interne nieuwsbrief gaan rondsturen. Dat er op dat ogenblik binnen onze divisie alleen al twee soorten interne nieuwsbrieven circuleerden, plus nog een viertal van andere divisies, dat was blijkbaar geen argument. Werknemers konden vast niet genoeg krijgen van al die nieuwsbrieven, ook als er helemaal niks te vertellen viel. Ik schreef in die periode dan ook eens een onverstuurde nepnieuwsbrief waarin ik beweerde dat Shun, onze Antwerpse Chinees, per ongeluk een salesdeal verpest had door scheten te laten, of dat Ehud boos was opgestapt na een zakenlunch toen iemand een mopje had gemaakt over de Mossad (dit vond drie jaar later overigens werkelijk plaats, alleen bleef Ehud zitten en kon hij er smakelijk om lachen). In de nepnieuwsbrief werd ook gelachen met het Jommekeskapsel van divisiepresident Didier en het franglais van onze Franse collega’s. Het moet de beste nieuwsbrief zijn die in die periode schreef.
Terug naar het project van human resources, dat blijkbaar snakte naar erkenning voor alles wat ze deden voor hun kuddes ingenieurs, salesmensen en het uitschot van marketing. Jane en ik verdeelden de onderwerpen. Ik was eerder klaar met de mijne en stuurde mijn deel door naar haar. Bij haar onderwerpen had ik open plekken ingevuld met kleine zinnetjes onzin. Voor het onderwerp ‘International sales meeting’ bijvoorbeeld had ik geschreven ‘Lots of fat people snoring’ of voor het jaarlijkse nieuwjaarsfeest ‘Free drinks on the CEO, hooray’. In een vlaag van verstrooidheid stuurde ik die versie door naar Rick in Amerika, omdat de HR-mensen daar nerveus waren geworden van het idee dat er interne HR-nieuwsbrieven gingen komen. Argeloze Rick stuurde dit door naar zijn eigen oversten zonder mijn tekst te bekijken, waardoor het terreuralarm daar volledig in het rood ging. Ik had namelijk van het voorwoord van afdelingshoofd Didier Verbruggen de volgende voorlopige zin gemaakt: ‘Didier announces his conversion to Islam. Death to America!’ Dit voorval zou vanaf dan gaan bekend staan als Islamgate, volledig conform de Amerikaanse sfeer waarin het baadde.
Ik werd gesommeerd naar het kantoor van de HR-verantwoordelijke, een potige dame waarmee ik al eerder in de clinch had gelegen omwille van het onredelijke punctualisme rond de taxidienst van en naar het station en die me er allicht van verdacht bewust de nieuwsbrief te willen saboteren. Dat mijn uitschuiver met de nieuwsbrief eerder het product was van intense verveling en een groeiend cynisme met hoe het er aan toe ging bij Donning & Kruger, dat kwam blijkbaar niet bij hen op. Om de waarheid te zeggen zei ik ook in het kantoor van HR, in aanwezigheid van Ilse, niet de waarheid. Ik ging er ten eerste al van uit dat men mij zou ontslaan, en ten tweede was ik al aan het uitkijken naar ander werk, tenzij ik wilde eindigen als de zoveelste zure, kromgetrokken Donning & Krugeriaan.
“Wat heb je hierop te zeggen?” wilde de HR-directeur weten.
“Wat kan ik zeggen? Dat het een domme fout was en dat het niet meer zal gebeuren,” zei ik gelaten.
“Het probleem is dat dit tot in Amerika geraakt is, en je weet hoe gevoelig men daar al was voor dit initiatief. En nu dit... wat als men denkt dat Didier echt moslim geworden is het de Verenigde Staten niet meer binnen mag?”
Ik moest een lach onderdrukken door het absurde idee dat men bij de grenscontrole zou staan zwaaien met een kladnieuwsbrief van Donning & Kruger waarin stond dat Didier, oerbrave Didier met zijn suskewietkapsel, een fundamentalistische moslim geworden was die ‘Death to America!’ geschreeuwd zou hebben.
“Is dat niet... nogal onwaarschijnlijk?”
“Je weet nooit!” zei de HR-verantwoordelijke. Ook Ilse knikte wijs, alsof ze tegenover iemand zat die helemaal nog niet wist hoe de wereld in elkaar zat.
“Goed,” zei ik, “ik wil me hier zeker niet voor verdedigen, want hier bestaat geen verdediging voor. Wat gebeurt er nu?”
Dat ik hiervoor niet ontslagen werd maar ervan af kwam met een blaam – een heerlijk woord, overigens – en een aangetekend schrijven, was wonderbaarlijk en had ik te danken aan twee toevalligheden die in dezelfde week plaats hadden gevonden.
Ten eerste was Ilse ervan overtuigd geraakt dat Jane en ik incompetente nietsnutten waren en had ze haar copywriting-messias gevonden in een onafhankelijk bureau. Ik had die bui al een tijdlang voelen hangen, hoewel Ilse in alle toonaarden ontkend had dat er iets op til was (“copywriting is wel het laatste dat ik zou uitbesteden!”). In mijn week afwezigheid die aan Islamgate vooraf was gegaan, echter, was gebleken dat dat bureau dan toch niet zo geweldig was. Het was niet de eerste en zeker ook niet de laatste keer dat Ilse teleurgesteld zou zijn in externe bureaus, waarbij ze zich vast geen enkele keer de vraag stelde of die teleurstelling niet te wijten was aan haar eigen onmogelijkheid.
Ten tweede had Jane de dag dat Islamgate losbarstte, haar ontslag ingediend. De druppel voor Jane was een intense, agressieve meeting met Ilse geweest waarin onze onvolprezen chef op een nodeloos persoonlijke manier brandhout had gemaakt van alles waar Jane mee bezig was. Dat het geen gerucht was, kon ik ten overvloede bewijzen want Ilse had ook het tact gehad deze meeting te laten plaatsvinden aan ons bureau, waar iedereen alles kon horen. Exit Jane, die even later al terug het vliegtuig op zat naar Australië. Het was jammer voor haar dat haar beeld van Europa voorgoed bepaald zou zijn door de stedelijke agglomeratie Rijsel-Kortrijk. Het zou vast net zijn alsof ik naar Australië zou gaan en ik drie maand zou moeten kamperen in een buitenwijk van Sydney waar alleen de zogenaamde bogans wonen.
In 2008 droomde ik ook af en toe over Donning & Kruger. In één droom lag ik dronken in een goot en passeerde een hele parade aan collega’s die me afkeurend aankeek. Het ergste in die dromen waren hun stille gesprekken onder elkaar, de afkeuring en de veroordeling. Want ondanks alle kolder, mijn bingo’s, mijn mislukte practical jokes en mijn zwartgallige cynisme, had ik nog altijd een vorm van beroepseer en probeerde ik zo goed en zo kwaad ik kon mijn werk nuttig in te vullen. Tenslotte lag niet over alles wat ik deed de lange, gekrulde schaduw van Ilse.
Met Donning & Kruger ging het niet goed – al twee jaar op rij waren de resultaten slecht, en ook de voorspellingen voor het jaar erop zagen er somber uit. In de zomer kwam er een grote ontslaggolf op gang. Het is te zeggen, mensen werden druppelsgewijs ontslagen. De ene week werden twee oudere collega’s op brugpensioen gestuurd, een andere week hield er eentje het zelf voor bekeken (niet door zichzelf op te hangen, helaas), dan weer werd er een afdeling in Japan opgedoekt, daarna vond er een stoelendans onder managers plaats waarbij er één verdween met een gouden handdruk, en verderop werd er ook enkele collega’s onder tijdelijk contract een zak over hun hoofd getrokken en werden ze met een Mercedes met geblindeerde ramen weggevoerd naar een onbekende plek in een nabijgelegen bos. Die plakjes salami van het personeelsbestand afsnijden was zeer uitgekiend en vermeed een collectieve ontslagbemiddeling met de vakbond.
Bij ons was het oude Alfred die wegging, maar dat stond al lang in de sterren geschreven, en zijn vertrek viel eerder samen met de ontslagrondes dan dat het er veel mee te maken had. Daardoor viel een grote kostenpost weg voor marketing en mogelijk konden Elien en ik daardoor blijven. Ook van Ilse, de eeuwig rondcirkelende Stuka in aanvalsformatie, kwam er goed nieuws. We hadden in de wandelgangen opgevangen dat ze viste naar een vergelijkbare job bij een andere divisie. Elien en ik begrepen niet echt hoe ze er ook daar in zou slagen mensen om de tuin te leiden met retorische trucs en haar bekende combinatie van venijn en geslijm, maar blijkbaar werd ze serieus genomen als kandidate, wat voor ons een periode zou betekenen van perestroika en glasnost. Zo gebeurde het. Elien en ik verhuisden als ingekrompen marketingteam nadien naar het eiland van product management.
Bij de divisie van Donning & Kruger waar ik toen voor werkte, had product management een weinig benijdenswaardige job. Ze voelden voortdurend de geest van R&D-hoofd Henri Cattoir achter hun rug rondwaren, en de macht die hij had over vele andere machtigen binnen de divisie, waardoor product management vaak meer het gevoel had achter feiten aan te hollen dan om werkelijk te managen. De macht van R&D groeide echter nog door toen Didier wandelen werd gestuurd tijdens een wekelijkse ontslagronde. Bernd Aatz van sales, van zijn kant, vond dat zijn mensen zich helemaal niet met productkennis moesten inlaten. Zijn boutade was dan ook, in zijn flegmatieke Duitse accent: “een sales, die moet fe’kopen”.
De minst benijdenswaardige product manager van een toch al jammerlijke groep mensen was Frank. Hendrik en ik noemden Frank nooit bij zijn echte naam, maar hadden het over 'Gollem'. Gollem was een productmanager die letterlijk gebukt ging onder jaren van frustratie met het beleid van Donning & Kruger, zijn eigen werkverslaafde en meer geapprecieerde manager en het feit dat de wereld allicht tegen hem was. Dat ging van de kardinaal Richelieu die hoofd was van R&D en vond dat als zijn mannen een product konden maken, dat ze het ook moesten doen, of er nu vraag naar was of niet, tot Bernd en zijn macho salesbrigade die productmanagement overstelpten met onnozele vragen. Dat veroorzaakte ondermeer dat er een marketingmanager kloeg dat mijn brochures meer in technisch detail moesten gaan omdat onze eigen salesmensen anders niet genoeg verstonden, waaruit bleek dat de sales marketingmateriaal gebruikten om meer te leren over de producten die Donning & Kruger verkocht.
Hoewel ik nog steeds uitkeek naar ander werk, was ik terug meer van mijn job gaan houden door het verdwijnen van Ilse. Af en toe bereikten ons nog horrorverhalen over hoe ze als een harpij tekeer was gegaan op een meeting, of hoe ze een hele hoop ingenieurs tegen zich in het harnas had gejaagd door te getuigen van een ontstellend gebrek aan productkennis, maar het raakte ons niet meer. Product management liet het mini-marketingteam vooral zijn eigen ding doen, en het moet gezegd, dat deden we goed.
De onafhankelijkheidsbonanza had echter een beperkte houdbaarheidsdatum. We wisten dat men tegen begin 2009 alle marketingafdelinkjes wilde gaan samenvoegen tot één grote afdeling. Binnen de besparingsplannen die Donning & Kruger doorvoerde, was dat geen onverwachte zet. Ik zag die toekomst tegemoet met een milde berusting.
Mijn nieuwe chef zou vreemd genoeg de man worden die me in de eerste plaats had helpen aannemen, Luigi Bertoli, ondanks zijn naam een Vlaming pur sang, en ik zou ook nieuwe collega-copywriters krijgen van de andere divisies. Om al wat te proeven van dat nieuwe werkleven, bracht ik tegen december telkens een halve week door in de andere vestiging van Donning & Kruger, waar Bertoli zelf zat en ook het merendeel van mijn toekomstige collega’s. De sfeer was er opperbest, en hoe donker, mismoedig en zwartgallig 2008 begonnen was, des te beter leek het te gaan eindigen.

0 reacties:
Een reactie plaatsen