Een half uur lang ben ik in blinde paniek en wandel ik in cirkels rond de Dom van Keulen. Daarnet viel mijn telefoon aan de oevers van de Rijn doodleuk uit zonder waarschuwing, maar ik ken de hard gecodeerde pincode van m’n simkaart niet uit m’n hoofd (enkel die van mijn telefoon). Op die telefoon staat echter mijn treinticket naar Brussel, en die trein is zopas afgeschaft zonder uitleg. Ik kan niemand appen of bellen om om hulp te vragen, want de telefoon is slechts gehuld in de homerische nacht – maakte Stanley Kubrick zijn 2001 vandaag, zou uit het opvliegende bot een telefoon ontstaan in plaats van een ruimtesonde – en iemand aanklampen om een telefoon te lenen kan ik ook niet want ik ken geen enkel telefoonnummer uit m’n hoofd behalve dat van mezelf. Enkele jaren terug verloor ik m’n telefoon in een taxi. Toen ik hem terug kwam halen bij de politie, zei de baliemedewerkster vrolijk “we hebben u nochtans proberen bellen meneer, maar u nam niet op”, waarop ik een paar keer met de ogen knipperde en vroeg: “op… de telefoon die ik hier kom halen?”. Maar nu is hij niet kwijt, maar dood.
Na enkele rondes ga ik zitten op de trappen voor de Dom. Ik beeld me de zorgen in die sommige mensen zich zullen maken als ze de komende 6 tot 10 uren niks meer van mij zullen vernemen. Dat zijn er niet veel, maar ze doen er wel toe. Megan in de eerste plaats, die bijna twee uur geleden eerder vertrok uit Keulen, op een trein die naar de normen van Deutsche Bahn haast miraculeus op tijd was. Belgen die voor het eerst kennismaken met het Duitse spoor zijn steevast onthutst door de chaos en het gebrek aan stiptheid van de treinen bij onze oosterburen, want Duitsland, dat is toch het land van obsessieve Pünktlichkeit en Gründigkeit? Niet zo. Deutsche Bahn wordt nog slechter gerund dan de NMBS een decennium geleden, en dat zegt wat. Het is een beetje als in je eerste keer Frankrijk vaststellen dat er nergens baguettes te vinden zijn, of een Fin tegenkomen die de oren van je kop praat.
Wat te doen? Ik haal diep adem en negeer het drukke gaan en komen van mensen in en uit het station op het grote, propere plein. Ik maak me onzichtbaar, in mezelf gedrukt, zelfs geen lokaas voor brolverkopers of psychotische daklozen, die stations in Europa steeds als een natuurwet lijken aan te trekken. Bidden doe ik niet, al is de aanwezigheid van ’s werelds grootste gotische kathedraal zonder meer verpletterend. De Dom is van de buitenkant eigenlijk nog indrukwekkender dan aan de binnenkant. Je mag er gratis binnen maar er zijn overal opzichtig collectebussen opgesteld in meerdere talen om je schuldgevoel aan te wakkeren: vintage katholicisme. Het bouwwerk zou overigens net zo goed kunnen dienen als tempel voor de Ecclesiarchie uit het 41ste millennium, waar de God-Keizer wordt aanbeden die al 10.000 jaar wegrot op zijn Gouden Troon. Maar zo veel tijd heb ik niet om thuis te raken.
Ik sluit de ogen en duik in mezelf. Drie cijfers komen naar boven geborreld. Over het vierde ben ik niet zeker. Ik open m’n ogen en probeer mijn eerste gok. Verkeerd. Dat had ik wel verwacht. Ik denk aan het kleine papiertje waar ik die code ooit op schreef. Het originele plastic uitdrukkaartje dat in een theekop staat op m’n bureau. De cijfers op dat kaartje. Het regent een heel klein beetje. Het miezert al weken af en aan, ook aan de oevers van de Rijn. Ook mislukt. Wat nu?
Ik adem uit. In de verte zie ik taxibusjes staan, allemaal in hetzelfde beige van behangpapier uit de jaren ’70. Hoe veel zou een rit vanaf hier naar Gent kosten? Of naar Brussel? Makkelijk €500, als er een chauffeur al zo waanzinnig is om de opdracht aan te nemen. Ik ben een buitenlander. Mijn Duits hier is onbetrouwbaar gebleken: mensen verstaan me heel goed, maar omdat ik een bepaalde mentale grens voorbij steek van niveau, doen ze geen enkele moeite om zelf verstaanbaar te zijn. Megan lachte gisteren met me dat mijn poging om een Vlaams accent in m’n Duits aan te dikken door meer te mompelen en slechter te articuleren eigenlijk Duitser klonk dan de schoolmeestertaal waarmee ik kom aanzetten. Ik denk aan haar koele hand in de mijne.
Derde poging, en daarna het begin van de verlossing of het begin van een waanzinnig en ongewild avontuur. Dat pad is grillig en breed: van proberen diverse taaie en humeurige instanties te overtuigen van mijn bonafides om ergens op een trein te geraken en maar tegen het putje van de nacht thuis te komen, tot ergens stranden in de grensgebieden tussen Duitsland en België en de nacht moeten doorbrengen in een elektriciteitscabine of een krot aan de rand van de spoorweg dat ik moet delen met een zwerver die naar kak ruikt (dit is iets waar ik ooit al over heb gedroomd), om vervolgens opgespoord te worden door de Cel Vermiste Personen, die ik vooreerst zal moeten vragen om een sigaret en een kop koffie. De telefoon ontgrendelt zich. Het pad vernauwt zich terug aanzienlijk. Mijn lijn naar mijn vrienden en geliefden is terug, en de hemelsblauwe telefoonachtergrond toont zich weer alsof er niets gebeurd is. Ik adem diep uit. Het angstzweet is al weg. Nu ik nog.