Over 'Onklare taal'

'Onklare taal' is de verzamelnaam van diverse tekstprojecten van mijn hand. Dit is de afdeling columns en microstories daarvan. In 2017 bracht ik 'In de vorm van een vogel' uit, een bundeling van de beste 99 teksten van dit genre tot op dat punt, netjes geredigeerd en per seizoen geordend. Je kan die antologie gratis downloaden als je Patron wordt. De weg een beetje kwijt? Mijn eigenlijke website, die ook 'Onklare taal' heet, verwelkomt je.

donderdag 13 augustus 2026

Aardbeien met zout

Dit had een gedicht moeten worden, maar de woorden kwamen met te veel tegelijk en bouwden zich al snel tot in elkaar klikkende bakstenen, niet de art nouveau-krullen of de bestudeerd nonchalante vijvers van de poëzie. Het zij zo. Ik zit misselijk aan de schrijftafel. Het is moeilijk te zeggen door wat die misselijkheid komt - een te sterke koffie, het aanhoudend mottige weer, een sluimerende paniekaanval die als een sinistere zeeslang door mijn onderbewustzijn zwemt? Mijn demonen zijn als vanouds talrijk. Daarnet dacht ik een half bakje aardbeien op te eten, maar ik had er per ongeluk zout op gestrooid in plaats van poedersuiker. Ik ben bijna beschaamd omwille van het stereotype. Wie me een idioot wil vinden, zal niet lang moeten zoeken naar bewijzen. Twee dokters hebben me kort op elkaar ten strengste aanbevolen om te stoppen met roken om sommige van mijn gezondheidsproblemen te verbeteren. Denken die nu werkelijk dat als het makkelijk was, ik het niet al lang gedaan had? Rokers zijn zowat de laatste minderheid in dit land die je ongestoord de volle laag mag geven. Er zijn natuurlijk rokers die er zelf aan meewerken door te doen alsof hun behandeling gelijk staat aan een Jodenster opgespeld krijgen. Ik ben nog wel even veilig van in een concentratiekamp gestopt te worden.

Over Jodensterren gesproken, ik was enkele weken geleden weer in Duitsland. Hoe vaker ik er kom, hoe liever ik er ben. Soms kan ik me voorstellen dat ik er zou wonen, soms jaagt het idee me schrik aan omdat ik alles wat me echt vertrouwd is, zou moeten achterlaten voor een onzekere toekomst. En vergeet niet dat m'n demonen ook zullen meereizen met me, zoals ze altijd doen. Het zijn entiteiten bij uitstek die zich te goed doen aan onzekerheid, twijfel en angst. Dat daar nog geen Chaos-god uit ontstaan is: er is er één voor geweld, ambitie, decadentie en verrotting, maar geen van angst. Het is ironisch dat de laatste jaren diep geïnteresseerd ben geraakt in het legendarium van Warhammer 40K als een vorm van escapisme uit een wereld die almaar feller brandt van de leugens, het fanatisme en de domheid, terwijl het universum van WH40K nog apocalyptischer, fanatieker en dommer is. Misschien is het vergelijkbaar met mensen die verdrietig zijn en dan naar muziek luisteren die hen nog verdrietiger maakt. Een vorm van katharsis. Dagen van angst volgen vaak op nachten met weinig slaap, en soms voeden ze elkaar. 

Maar slaap maar eens lekker in deze weersomstandigheden. Het gras is overal roestbruin. We beleven moordzomer na moordzomer, maar je kan er je klok op gelijkzetten dat wie z'n mond opendoet over het klimaat, met medewerking van sympathiserende media wordt weggezet als een hysterische drukmaker of het eigenlijke probleem. Tegelijk krijgen rechtse types al decennia vrije baan om al hun spastische paroxysmes rond migratie met overslaande stem in het rond te spuien. Geen enkele publieke intellectueel of mediamagnaat heeft er ooit al op gewezen dat die figuren constant arbeidsmigranten, asielzoekers en afstammelingen van migranten op één hoop gooien. Dat er niemand in dat "debat" (dat tegenwoordig enkel een spectrum van milde tot harde xenofobie bestrijkt) bijvoorbeeld toegeeft dat er migratie nodig is om onze sociale zekerheid betaalbaar te houden of arbeidsplaatsen aan te vullen in de zorg en de diensten? Ook dat maakt me misselijk. Altijd weer dat geblaat over "bruin mannen" maar tegelijk wegkijken van problemen die er echt toe doen, of die problemen boudweg verergeren met beleid. Subsidies aan luchthavens voor rijke papzakken? Passeert. Uitholling van sociale zekerheid met meer flexijobs? Uiteraard. Rechterlijke beslissingen steenkoud negeren? Cool. 

Gisteren was een zeldzaam moment in de buurt. Vele mensen - groepen vrienden, familie, eenlingen zoals ik - stonden op de Mariakerkebrug of in de Zomerliefweide met een plastic brilletje te kijken naar de zonsverduistering. Ik kan me heel goed voorstellen dat voor wie niet wist wat dit was, in vroegere tijden, dit een omineus gebeuren moet zijn geweest. Het is ook knettergek dat het antropoceen gebeurt op een wereld met een satteliet die voor het blote oog even groot is als haar moederster. De kans daartoe is letterlijk astronomisch klein. Ik heb al vaker gedacht dat als er een reden zou zijn voor buitenaards intelligent leven om Aarde te bezoeken, dat een reden zou kunnen zijn. Waar vind je elders zulke vista's? Ik vroeg me af wat er zou gebeuren als het bruine gras van de Zomerliefweide zou beginnen branden. Zouden mensen zich toch blijven vergapen aan de eclips? Of wat als het gebeurde in een oorlogszone? Hier kwam iedereen vreedzaam naar buiten, er waren zelfs geen hints tot onvrede of geweld zoals je wel eens hebt op pakweg een kerstmarkt of een kermis.

Ja, apocalyptiek zit me vertrouwd, maar het is wel grappig: toen ik me serieus begon te wijden aan poëzie in mijn studententijd, greep ik vaak terug naar mythische, apocalyptische beelden. Zeemeerminnen met voorspellende krachten. Achtergelaten profeten op onbewoonde eilanden. Schreeuwende goden. Maar hoe meer een echte apocalyps nadert, hoe minder ik erover schrijf. Misschien ook omdat ik niet meer de overmoed heb van een knappe twintiger. Met de jaren word ik dommer. Ik kan moeilijker op namen komen van kennissen of beroemdheden. Soms schiet een woord me eerst te binnen in het Engels en dan pas in Nederlands. Mijn Frans en Duits zijn er op achteruit gegaan. En ik mag dan nog niet eens klagen, want sommige mensen hebben in de eerste plaats nooit geweten wat ik vergeten ben. Maar ook dat doet me soms zweten: iets niet meer weten. Bijvoorbeeld hoe laat ik gaan slapen ben. Of achteraf in de keuken een half opgegeten koekje vinden dat ik 's nachts wel moet gegeten hebben, maar me niets meer van herinner.

Verval is natuurlijk, zegt men. Maar ook kanker bij kinderen is natuurlijk, en dat bestrijden we. Er is aan ons als mensheid op dit punt zo goed als niets dat natuurlijk is, en wat "natuurlijk" nu is, is ook steeds vaker het gevolg van onze eigen activiteiten. Ik weet dat ik moet hopen dat we het halen en ik weet dat Grote Leugenaars van ons tijdperk er wel bij varen als ik de hoop verlies, maar soms is het ontzettend lastig. 

donderdag 30 juli 2026

Oude bekenden

Recent las ik een gedicht dat het surreële probeert te beschrijven van leven in een wereld die wegzakt in een meer van magma – dictators, miljardairs, oorlogen, genocide, klimaatcrisis, overal idioten en kwaadwilligen aan de macht – terwijl je naar de supermarkt gaat en naar de aanbiedingen kijkt. De relatieve rust van zo’n frisse super, de mensen die er al 3.000 jaar lijken te werken, een mini-universum waar je die verlopen, domme smoel van Trump niet moet zien of je niet de brandende bossen kan ruiken van Frankrijk en Spanje. Maar is dat zo surreëel? Je kan toch niet uitentreuren zitten doomscrollen thuis terwijl je uit boetedoening leeft op water en beschuit? 

De supermarkt is waar ik zelf altijd oude bekenden tegenkom. Ik ken hen niet, maar in de bijna 11 jaar dat ik in deze buurt woon, heb ik een bijna parasociale relatie ontwikkeld met sommige onbekenden die ik er vaak zie. Eén van hen is in feite werkelijk een BV, een acteur die oorspronkelijk uit de Kempen komt. Hij ziet er steeds licht paranoïde uit, alsof iemand hem gaat vragen om een handtekening of hem zal komen lastigvallen over zijn televisiewerk, of zal bespieden welk soort appelen hij koopt en of hij toch niet te veel wijn inslaat. Interessanter zijn de mannen en vrouwen die ik intussen allemaal bijnamen gegeven heb. Er is de Hobbit, een wat kleinere man met dik grijs haar in een klein staartje. Hij draagt altijd shorts, ook in de winter. Er is de Bange Boulet, een enorm traag winkelende oudere vrouw (die na de kassa, waar ze ook zo traag is, haar boodschappen één voor één overlaadt in een andere tas) die diep voorovergebogen loopt, haar winkelkar omklemmend als een reddingsboei, schichtige blikken werpend. Er is de Artiest, een enorme vijftiger die zeer boho-gekleed is en grijs haar heeft tot op de schouders, en een wat nors gezicht dat verraadt dat deze man Opinies heeft over kunst. Het Ex-Lief (niet mijn ex-lief, maar de ex van iemand waarmee ik ooit studeerde), die me steeds bijna lijkt te herkennen maar niet weet van waar (en ik ga het niet zeggen). De Rosse, een erg lange vrouw die ook erg ros is. De Afro-Mama, een (Maghrebijnse?) vrouw die altijd vergezeld is van minstens één kind en een enorme afro heeft. Of de Trieste Man, een hele dikke man met een bedroefd gezicht en uitdunnend, vettig grijs haar die er uit ziet alsof de gebroeders Dardenne vier films kunnen draaien over zijn leven.

Er zijn nog mensen die dit doen, zoals ik. Jaren geleden kwam ik iemand tegen op de Gentse Feesten die me begroette als “Busman”, omdat ik ’s ochtends kennelijk altijd op zijn bus zat, en er “altijd erg slecht” uit zag (meestal was ik op dat moment nauwelijks een half uur op). Ik herkende hem niet en zei hem nadat hij dat “erg slecht” nog twee keer had herhaald, dat het wel genoeg was. Maar het punt is dat al die mensen (en ik misschien voor hen) een soort normaliteit voor me belichamen, vaste figuranten in mijn leven, terwijl zij misschien helemaal niet zijn wat ik denk dat ze zijn en ik hen allerlei eigenschappen toeschrijf die ze niet bezitten, al is de Rosse echt wel ros. Wie weet is de Trieste Man juist heel vrolijk, is de Artiest een cybersecurity-consultant en is de Bange Boulet thuis een briesend, tiranniek mens. Vandaag, alweer zo’n bloedhete zomerdag, ben ik enkelen onder hen weer tegengekomen en ik vroeg me af of ze de normaliteit van het boodschappen doen soms ook afmeten tegen de wereld die afbrandt. Ik heb ooit ergens gelezen dat mensen van heet weer gewelddadiger en impulsiever worden, maar daar is hier weinig van te merken, buiten een labiele dronkaard die gisteren een steen naar mij probeerde te gooien op m’n balkon (hij miste). Nee, hier is weinig geweld. Misschien zelfs te weinig. Deze hittegolven zijn letterlijk moorddadig en een akelige voorafspiegeling van wat de komende decennia zal blijven gebeuren, ook al maken alle landen nu een bocht van 180°. En eigenlijk had ik beter moeten weten dan te verwachten dat de urgentie in meer en meer mensen zou ontwaken. Herinner je je de covid-periode nog, waar een minderheid tot op het bittere einde hardnekkig ontkende dat er een probleem was, of talloze boomers met hun lulneus uit hun mondmasker bleven rondkuieren, iedereen behoestend. Nee, bij sommigen zal het licht nooit aan gaan, zelfs niet al brandt hun eigen huis af, want toegeven dat je het fout hebt is in sommige gevallen erger dan de dood. 

Je kan rustig gaan winkelen terwijl er zo vele crises wild om zich heen slaan inderdaad zien als een vorm van ontkenning, maar tot op zekere hoogte ondervraag je dan de verkeerde mensen en de verkeerde situatie. Je kan kritiek hebben op supermarkten als één van de ultieme tempels van kapitalistisch gedreven consumentisme, maar dan is het probleem toch dat kapitalisme en niet dat mensen inderdaad graag goedkoper brood willen als ze het kunnen krijgen? De Hobbit kan niet zomaar even naar de Barad-dûr gaan van Netanyahu om daar zijn phylakterion te vernietigen. De Afro-Mama kan niet de telefoon uit de handen meppen van Musk die met miljarden geld gezellig een NSDAP-clubhuis heeft gebouwd op X. We kunnen wel allemaal niet stemmen op minkukels die niets willen doen aan de klimaatcrisis, maar we kunnen er niets aan doen dat die minkukels nu – in een nieuwe twist – het ontbreken van een goed beleid afschuiven op de mensen die dit wel wilden. Wat is het dan? Dat we het niet hard genoeg wilden, of juist te graag? Het maakt niet uit, want het is toch een rookgordijn, één met de grootte van – komt-ie – één dat uit stijgt boven een afbrandend bos dat voorgoed weg is. Ja, ik wil graag de korting op de kiwi’s die ik hier koop, en geef die mensen ook allemaal maar iets van mij, een drankje, een ijsje en een trap onder hun kloten. Alleen de Steengooier krijgt niets, want die zag er toch als een nazi uit.

dinsdag 9 juni 2026

Zeehond

Het is bijna Wereldbeker Voetbal, een evenement waar ik steeds naar uitkijk maar net zoals sociale media en het Eurovisiesongfestival compleet bedorven is geraakt door de coalitie aan fascisten, techmiljardairs en dictators die de wereld regeert, en ik neem dat bijzonder persoonlijk. Ik ben er zeker van dat ze in achterkamers op Davos samen hebben gezeten en besloten hebben dat ze er alles aan zouden doen om alle plezier uit mijn leven weg te nemen. Ik sta zo goed als machteloos. Sinds eind 2024 heb ik afstand genomen van de dagelijkse mallemolen van het nieuws, dat er enkel erger op wordt, zowel in binnen- als buitenland. De volumeknop staat ongezien luid. De beunhazen waar ik vroeger over kloeg die zich opiniemakers noemden, zijn nog beunhaziger geworden, hypocriete politici zonder geweten nog hypocrieter en gewetenlozer, en genocides nog genocidaler. O ja, en als het al een bende debielen was, zijn ze ook nog eens debieler geworden. 

Er is zo weinig verzet, en ik besef dat ik deel ben van het probleem, al heb ik nooit fysiek op de barricaden gestaan. Mezelf opbranden voor wat uiteindelijk futiel is, is zinloos. Ik wil gerust m'n kar hangen aan een echt verfrissende beweging die iets kan bereiken, maar ik ga zelf niet het steekvlammetje zijn. Niet omdat ik bang ben om veel te verliezen, eerder omdat ik al weinig heb. M'n chronische ziekte maakt me kwetsbaar, m'n gevoeligheid ook. En de energiereserves waar ik spaarzaam op moet zijn besteed ik liever aan creativiteit, leeswerk, archieven cureren, vrienden en mijn lief (nadat werk en administratie al met 75% zijn gaan lopen). Dat lief ga ik trouwens binnenkort nog eens bezoeken. Het maakt me blij dat ze er is, dat ze bestaat. Met het glijden van de maanden ben ik haar almaar mooier gaan vinden, en dat heb ik haar ook gezegd. Het is belangrijk om zoiets te zeggen, vind ik.

Het zijn warme maar ook natte dagen met veel regen, en door die regenvlagen hoor ik nu en dan 'Wish I didn't miss you anymore' van Angie Stone, een nummer waar ik al jaren niet meer aan heb gedacht, maar ik weet waarom. Rond deze periode, 24 jaar geleden, was het weer gelijkaardig warm en nat, kwam er ook een Wereldbeker Voetbal aan en was dat nummer één van de soundtracks van het einde van mijn tweede relatie. Het is niet de terugkeer van Saturnus (dat zou 29 jaar moeten zijn), maar het is niet raar dat met de terugkeer van de cycli van sport en weer ook muziek terugkeert. Laten we hopen dat Megan niet hetzelfde besluit als Fien indertijd, maar op dat front zien de zaken er goed uit. 

De 24 jaar die beide fases scheiden voelen aan als veel sneller verlopen dan de 19 jaren daarvoor en de wetenschap helpt dat simpel te verklaren, want één jaar op 43 is een 43ste van je leven, terwijl één jaar op 20 een 20ste van je leven is. De paradox is wel dat veel mensen zich van de allertraagste jaren weinig tot zelfs niets herinneren, iets wat ik me altijd heel moeilijk kon voorstellen omdat ik van die eerste jaren wel veel herinneringen heb. Je zou die herinneringen "formatief" kunnen noemen maar dat lijkt me eerder een Hineininterpretierung, vooral omdat veel memorisatie niet bewust gebeurt en al zeker niet voor een zekere leeftijd. De eerste keer dat ik me kan herinneren iets bewust te herinneren, gebeurde toen ik een jaar of 4 was. Ik zat ik naar televisie te kijken en vroeg ik me af hoe lang het mogelijk was om iets te onthouden, dus nam ik me voor de volgende zin die ik hoorde, zo lang mogelijk te onthouden. Ik herinner me die zin nog altijd: "Het was Panda". Ik zat te kijken naar de cartoon Seabert, over een zeehond en twee kinderen in Groenland. Over cycli gesproken: 39 jaar later is Groenland nauwelijks uit het wereldnieuws te bannen. Maar ook hier speelt een vooroordeel en rol, want een éénmalige vermelding van een locatie of een gebeurtenis die één keer plaatsvindt ga je weren uit je instinctief patroonzoekende brein, waardoor veel zaken misschien cyclischer lijken dan ze zijn.

Ik probeer het verleden niet te zien door een roze bril. Maar ik ben er zeker van dat ik op m'n 4de nog niet zo veel symptomen had van mijn ziekte als op m'n 19de, en op m'n 19de nog niet zo veel als nu. De pijn en de huidproblemen zijn over de jaren gemigreerd, maar eens ze ergens in of op m'n lichaam zijn geweest, blijven die plaatsen gevoeliger voor opstoten in de toekomst. De genetische loterij is niet fair. Het DNA dat me perceptiever heeft gemaakt en sneller doet nadenken dan anderen, heeft me ook kwetsbare gewrichten opgeleverd en een mentale dispositie tot mistige melancholie en het schrijven van dubieuze poëzie. 

"Het is hoe je ermee omgaat dat telt," zeggen veel mensen, gaande van de m/v in de straat tot filosofen als Zeno en Marcus Aurelius, en dat zal best wel zo zijn, maar het zou toch mooi zijn als het allemaal niet hoefde. Ik wenste dat ik niet hoefde te vechten, of steeds weer te incasseren. Het "niet hoeven", dat lijkt me toch een mooie gelukstoestand. "Niet hoeven" is trouwens niet hetzelfde als "niets doen", "niet hoeven" betekent meer betekenisvolle keuzes kunnen maken. Je kan argumenteren dat ik op dat vlak een luxueuzer leven lijd dan 95% van mijn voorouders, maar dat maakt mijn problemen niet minder reëel. Integendeel, de Grote Problemen die ons omringen zijn macro-existentieel op een ongezien niveau: wereldwijde verhitting, globaal fascisme en techbro-miljardairs bestonden simpelweg niet in 1826, 1226 of 226 en waren nog maar een glimp aan de horizon in 2002. 

dinsdag 31 maart 2026

Hagalaz

Het is de tweede beurs op een maand tijd waar ik moet staan en praten met vreemden, en het is een grotere beurs, in een grotere hal, met meer mensen en meer standen en dus ook meer druk op m’n systeem. Ik ben hier vandaag met een HR-collega en de CTO. Ik moet bewust het geheel aan lawaai van alle stemmen, bewegingen, voetstappen en eventuele geluidseffecten van de standen buitensluiten om niet platgedrukt te worden. In tegenstelling tot de vorige beurs ontmoet ik hier geen prospectieve klanten, maar werknemers, en wel studenten die op het punt staan af te studeren. Het is enigszins bekend terrein. Als 21-jarige ben ik zelf naar zo’n “afstudeerbeurs” geweest, waar ik toen de indruk kreeg dat geen enkele werkgever zat te wachten op iemand met een diploma Taal- en Letterkunde, behalve bedrijven die me ontiegelijk saai leken, zoals banken en overheidsinstellingen. Voor mijn 21-jarige zelf werk ik nu wellicht ook voor zo’n bedrijf, maar in mijn carrière heb ik geleerd dat wat een bedrijf of organisatie precies aanbiedt of verkoopt er eigenlijk niet zo veel toe doet, zolang je een minimum aan geloof kan hebben in de kwaliteit ervan, de collega’s aangenaam zijn en je geen existentiële crises krijgt van het management. 

Vijf jaar geleden was ik hier ook, onder de vlag van Malendroit National, waar het grootste lokmiddel van onze stand gigantische lolly’s waren die we weggaven. Nadien vernam ik via via dat de grote baas van Corporate Marketing dat “vulgair” had gevonden. Dat zei meer over haar dan over mij. Maar vijf jaar geleden voelde ik dat de afstand tussen studenten en mij nog niet zo groot was als nu, wat ironisch is, aangezien veel vroege twintigers van nu zich kleden als volwassenen uit de jaren ’80 of middelbare scholieren uit de jaren ’90. De snor zonder baard is al jaren volledig terug acceptabel, alsof we Dutroux vergeten zijn. Zou die naam überhaupt nog iets betekenen voor jonge mensen die in 2005 geboren zijn? Misschien. Ik wist als tiener ook wie Freddy Horion was, hoewel hij zijn gruwelijke roofmoord had gepleegd in 1979.

Tussen 2014 en 2024 heb ik trouwens een aantal keren meegedaan aan een evenement van mijn alma mater zelf, waar laatstejaarsstudenten Taal- en Letterkunde aan tafels konden komen luisteren naar wat hun voorgangers nu zoal allemaal uitvraten in het werkende leven. Die trends die ik zie waren er enkele jaren geleden ook al, maar zijn nu heviger, en ik ben ouder, met minder voeling en ook minder zin om met dat jong geweld te praten. Maar ik moet. Ik gooi me door m’n eigen barrière en spreek mensen aan die aan onze stand passeren en even blijven staan of proberen om onze roll-upbanner te lezen om uit te vissen wat we precies doen. Op tafel speelt een video van vier werknemers die vertellen wat het zo fijn maakt om bij Onelock te werken, met brainrot-content erboven geplakt. Dat was een idee van mijn collega Selim, die ervan overtuigd was dat brainrot jongeren ging lokken of ging laten blijven staan. Maar de anekdotische observatie hier leert me dat het vooral de oudere bezoekers zijn die er naar staan te kijken. Misschien registreren de jongeren brainrot gewoon niet meer echt.

Op het dak van de expositiehal hagelt het.

Ik ga even de benen strekken van het lange en pijnlijke staan en verdwijn achter een zwart doek dat de grote hal in twee deelt, om de ruimte kleiner en gevulder te doen lijken dan ze is. Achter dat doek is er niets te zien buiten een lege helft van dit enorme gebouw. Waarschijnlijk hoor ik hier niet te zijn, maar niemand houdt me tegen. Ik zou hier doodgemoedereerd een sigaret kunnen roken of ergens tegen een muur pissen. Ik moet denken aan één van mijn weinige avonturen in urban exploration, toen ik met mijn broer Matthias in een voor de afbraak voorzien gebouw was terechtgekomen in het Citadelpark. Ook dat leek vroeger een expositiehal geweest te zijn. Het dak was er al uit en overal lagen brokstukken op de vloer. We namen enkele foto’s en draalden want rond als dwergen in een postapocalyptische schoendoos van beton. Er was niet zo veel interessants aan buiten de liminale sfeer die er hing.

Ongemerkt sluip ik terug de eigenlijke beurs binnen. Ik vraag me af hoe de studenten die hier rondwandelen tegenover hun eigen toekomst staan. De negende letter van het oude futhark-runenalfabet, hagalaz, betekende letterlijk “hagel” maar is symbolisch gaan staan voor een plotse, onafwendbare verandering, vaak rampspoed of verwoesting. Het dak hier beschermt ons tegen de letterlijke hagel, maar wie zal deze generatie beschermen tegen de figuurlijke kogels van bevroren regen? Ik moest pas tegen mijn late dertiger jaren ontdekken dat de meritocratische toekomst die me altijd voorafgespiegeld was, een leugen was. De jonge mensen hier hebben mogelijk altijd al geweten dat het een leugen was. Recent bleek uit een peiling dat één derde van de mannen van Gen Z nog conservatiever (lees: meer reactionair, “conservatief” is altijd een eufemisme) is dan zijn eigen grootouders. Misschien kijken ze hier niet op van ons breinrot, maar het is alleszins doorgesijpeld tot in hun hoofden via de almachtige algoritmes.

Terug aan de stand merk ik op dat hier vijf jaar geleden minder studenten waren die Nederlands niet als eerste taal hadden. Ik weet niet of we die een job kunnen bieden. In development en IT, misschien. In sales en marketing wellicht niet. Terwijl de HR-medewerker een plaspauze neemt, worden de CTO en ik geconfronteerd met een sjofele oude man die een trolley achter zich trekt en op elke stand balpennen komt verzamelen “voor de daklozen” (met een gelamineerd plakkaatje in vijf talen). Hij krijgt er eerst één, en na lang aandringen twee. De CTO en ik zeggen er niets over, ook niet als hij al lang buiten gehoorsafstand is. De CTO is geen man van de koetjes en kalfjes, of de roddel. 

Even later raak ik in gesprek met een jonge vrouw die gebrekkig Nederlands spreekt. Ze is lang, met diep-donkerbruine ogen en een jas met een goudkleurige voering. We switchen naar Engels. Ze heeft ervaring in de financiële sector en staat op het punt om haar tweede diploma te behalen. Oorspronkelijk komt ze uit Turkije. Ik geef haar het lokmiddel van onze stand – een logica-puzzel die studenten kunnen oplossen om onze kluis te kraken en een prijs te winnen. Tot hier toe zijn er nog maar twee prijzen gewonnen. De eerste door een groep studenten die met veel branie dacht freebies te komen scoren maar nadat ze herhaaldelijk het foute antwoord hadden, steeds serieuzer werden in hun ambitie om de kluis te kraken; de tweede door een innemend jong koppel. Mijn intuïtie zegt me dat deze Turkse vrouw de derde zal worden, maar dat zeg ik natuurlijk niet. Intussen is de pijn van het constante rechtstaan echt te veel geworden en begint de beurs op zijn laatste benen te lopen (die wellicht ook pijnlijk zijn, maar dat is vast projectie). Bovendien mag ik mijn afspraak niet missen bij de kinesiste, dus ik neem afscheid van de HR-collega en de CTO.

Onderweg naar de kinesiste hagelt het nog een beetje. De volgende dag, op kantoor, merken collega’s die altijd ergens in een tabblad onze LinkedIn-pagina volgen, dat we enkele vermeldingen hebben van studenten die op bezoek kwamen op onze stand. Eén post is van de Turkse vrouw die ik ontmoette – ze is inderdaad de derde en laatste persoon geworden die onze prijs wist te winnen door de code van de kluis uit te vissen. Ondanks alles blijkt mijn intuïtie, of zin voor connectie, toch niet helemaal dood.
 

zondag 8 maart 2026

Ne ring op nen Düsseldorf

Af en toe verlaat ik de hotelkamer en neem ik de lift naar beneden om te gaan roken. Het hotel heeft een enorme, cirkelvormige en overdekte binnenplaats en de hotelkamers zijn gebouwd in een ring rond die cirkel, tot zeven verdiepingen hoog. Elke gang kijkt uit naar beneden op de centrale plaats. De lift is aan drie zijden van glas. Goed voor mijn hoogtevrees is het niet, maar hoe vaker ik de lift neem, hoe minder ik dat gevoel krijg van duizeligheid en schrik. Te pletter storten is één van de ergste doodsscenario’s die ik me kan voorstellen na foltering en levend opgegeten worden door wilde dieren, maar dit is er zo één waar het kinderlijke idee helpt om gewoon je geest leeg te maken, niet te denken aan wat er zou gebeuren indien ik door de glazen wand zou vallen en ook niet niet daaraan te denken. Dit is niet hetzelfde als de fameuze opdracht om niet aan een roze olifant te denken, want de enige bewuste keuze is hier om niet te denken, niet om te reageren op een tekstuele of auditieve input.

Ik hoed me ervoor om vanuit het standpunt van een hotelinkom wat ik zie te nemen als pars pro toto voor een stad, maar er vallen altijd observaties te maken. In Düsseldorf ben ik nog nooit eerder geweest en de stad heeft ook nooit op m’n radar gestaan als een plek die ik wilde bezoeken. Ik maakte me vage voorstellingen van een saaie Duitse stad beheerst door industrieparken, onderling uitwisselbare kantoorgebouwen en onopvallende winkels. Bovendien vond ik het altijd raar dat een grote stad nog altijd door het leven kon gaan als “dorf”. Waarom niet Düsselstadt? Maar: ik vind Düsseldorf eigenlijk een best aangename plek. Een weekend kan bedrieglijk zijn, maar ik vind de mensen die ik zie rustig, de trottoirs zijn er breed, en ik heb al heel wat leuke winkels gezien in het centrum die zeker niet onderling uitwisselbaar zijn met die in de Nieuwstraten, Meirs en Veldstraten van de wereld (ze zijn er wel, maar niet zo overweldigend). Klein Tokio bezoeken was eveneens interessant. Ik eet hier vrij lekker aan degelijke prijzen. Kortom: de stad slaagt moeiteloos voor een vibe check.

Aan de rechterkant even verderop trekt een groot led-reclamepaneel in hoge resolutie constant de aandacht. Lokale concerten, sportwedstrijden, aankondigingen dat het kikkerseizoen weer begint, pakjes laten leveren door Amazon, verzekeringen en dies meer. Superinteressant is het niet, maar omdat het allemaal in het Duits is en ik de laatste maanden weer mijn Duits aan het aanscherpen ben, lees ik alles met genoegen. Een bestelwagen passeert met daarop “mich kann man mieten” (“mij kun je huren”) en ik vraag me af of dat een gebruikelijke grammaticale constructie is – instinctief zou ik zeggen “man kann mich mieten” of “mieten Sie mich”, maar als Nederlandstalige heeft Duits vele verraderlijke addertjes en kuiltjes. Je kan vaak letterlijk Nederlands vertalen waar je het niet verwacht (bijvoorbeeld “schoenlepel” is “Schuhlöffel”, wist Megan me te vertellen) maar het omgekeerde is even vaak waar (bijvoorbeeld “Mist” betekent “stront”).

Tijdens één van m’n avondlijke rookpauzes word ik aangesproken door een wat benevelde oudere man die tegen me begint te praten over de planten die buiten aan het hotel staan te verpieteren. Hij zegt dat hij hier nooit zou logeren enkel op basis van die trieste planten, maar hij geeft geen uitleg als ik hem vraag of planten soms zijn specialiteit zijn. Hij heeft een accent dat ik niet ken, vraagt waar ik vandaan kom en naderhand zegt hij met een glimlachje dat zijn moedertaal het Nederduits is. Vandaar dat ik vond dat zijn accent wat Nederlands klonk, misschien. Maar: gemoedelijke man. Even later leent een hippe dertiger waar Megan en ik enkele uren even mee in de glazen lift vast zaten, vuur van me. Misschien kan dat wel de temperatuur nemen van een stad waarin je verblijft, of vreemden je aanspreken? In Berlijn en Londen werd ik in hotelportieken genegeerd. In Aken en Oslo bijvoorbeeld niet. Het kan ook toeval zijn, of de wijk waarin het hotel is, of gewoon de wil van God.

De voormiddag erop, als ik terug het hotel binnen ga, word ik achtervolgd door een klein, kwispelend hondje. Wie laat hier zijn huisdier zo gewoon rondstruinen in het hotel? De hond is een prototype schoothondje waarvan ik automatisch uit ga dat het baasje een koket vrouwtje is van midden de vijftig. Ik krijg het baasje niet te zien en moet vrij snel de deur sluiten van de hotelkamer, of het dier glipt mee binnen. 

Nog één keer een sigaret voor het vertrek. Een volgende keer neem ik me voor op voorhand een aantal sigaretten uit te tellen om het roken verder te beperken. Ik wandel rond het hotel. Eén oneigenlijke, ronde doorgangssteeg lijkt uit te komen op de achterdeur van het hotel. De steeg buigt mee met het cirkelvormige ontwerp van de lobby. Aan de rechterkant is een aangebouwd schoonheidssalon met opschriften in het Engels en Arabisch. Ik probeer het Arabisch te lezen, maar ik raak niet ver. Van een cursus Duolingo in 2020 ben ik zo goed als alles vergeten. Aan de linkerkant is er een schnitzelrestaurant, want natuurlijk is er een schnitzelrestaurant. Ik dump de peuk de asbak in en kijk nog eens naar de planten. Ik snap niet waarom er dennenappels tussen de begroeiing liggen. Misschien had ik er een foto van moeten nemen of het erover hebben met de benevelde Nederduitser. Maar net zoals dit alles vervliegt het gewoon met de rook, en ben ik gewoon rustig aan het observeren als Ausländer die toch nabij is.