Recent las ik een gedicht dat het surreële probeert te beschrijven van leven in een wereld die wegzakt in een meer van magma – dictators, miljardairs, oorlogen, genocide, klimaatcrisis, overal idioten en kwaadwilligen aan de macht – terwijl je naar de supermarkt gaat en naar de aanbiedingen kijkt. De relatieve rust van zo’n frisse super, de mensen die er al 3.000 jaar lijken te werken, een mini-universum waar je die verlopen, domme smoel van Trump niet moet zien of je niet de brandende bossen kan ruiken van Frankrijk en Spanje. Maar is dat zo surreëel? Je kan toch niet uitentreuren zitten doomscrollen thuis terwijl je uit boetedoening leeft op water en beschuit?
De supermarkt is waar ik zelf altijd oude bekenden tegenkom. Ik ken hen niet, maar in de bijna 11 jaar dat ik in deze buurt woon, heb ik een bijna parasociale relatie ontwikkeld met sommige onbekenden die ik er vaak zie. Eén van hen is in feite werkelijk een BV, een acteur die oorspronkelijk uit de Kempen komt. Hij ziet er steeds licht paranoïde uit, alsof iemand hem gaat vragen om een handtekening of hem zal komen lastigvallen over zijn televisiewerk, of zal bespieden welk soort appelen hij koopt en of hij toch niet te veel wijn inslaat. Interessanter zijn de mannen en vrouwen die ik intussen allemaal bijnamen gegeven heb. Er is de Hobbit, een wat kleinere man met dik grijs haar in een klein staartje. Hij draagt altijd shorts, ook in de winter. Er is de Bange Boulet, een enorm traag winkelende oudere vrouw (die na de kassa, waar ze ook zo traag is, haar boodschappen één voor één overlaadt in een andere tas) die diep voorovergebogen loopt, haar winkelkar omklemmend als een reddingsboei, schichtige blikken werpend. Er is de Artiest, een enorme vijftiger die zeer boho-gekleed is en grijs haar heeft tot op de schouders, en een wat nors gezicht dat verraadt dat deze man Opinies heeft over kunst. Het Ex-Lief (niet mijn ex-lief, maar de ex van iemand waarmee ik ooit studeerde), die me steeds bijna lijkt te herkennen maar niet weet van waar (en ik ga het niet zeggen). De Rosse, een erg lange vrouw die ook erg ros is. De Afro-Mama, een (Maghrebijnse?) vrouw die altijd vergezeld is van minstens één kind en een enorme afro heeft. Of de Trieste Man, een hele dikke man met een bedroefd gezicht en uitdunnend, vettig grijs haar die er uit ziet alsof de gebroeders Dardenne vier films kunnen draaien over zijn leven.
Er zijn nog mensen die dit doen, zoals ik. Jaren geleden kwam ik iemand tegen op de Gentse Feesten die me begroette als “Busman”, omdat ik ’s ochtends kennelijk altijd op zijn bus zat, en er “altijd erg slecht” uit zag (meestal was ik op dat moment nauwelijks een half uur op). Ik herkende hem niet en zei hem nadat hij dat “erg slecht” nog twee keer had herhaald, dat het wel genoeg was. Maar het punt is dat al die mensen (en ik misschien voor hen) een soort normaliteit voor me belichamen, vaste figuranten in mijn leven, terwijl zij misschien helemaal niet zijn wat ik denk dat ze zijn en ik hen allerlei eigenschappen toeschrijf die ze niet bezitten, al is de Rosse echt wel ros. Wie weet is de Trieste Man juist heel vrolijk, is de Artiest een cybersecurity-consultant en is de Bange Boulet thuis een briesend, tiranniek mens. Vandaag, alweer zo’n bloedhete zomerdag, ben ik enkelen onder hen weer tegengekomen en ik vroeg me af of ze de normaliteit van het boodschappen doen soms ook afmeten tegen de wereld die afbrandt. Ik heb ooit ergens gelezen dat mensen van heet weer gewelddadiger en impulsiever worden, maar daar is hier weinig van te merken, buiten een labiele dronkaard die gisteren een steen naar mij probeerde te gooien op m’n balkon (hij miste). Nee, hier is weinig geweld. Misschien zelfs te weinig. Deze hittegolven zijn letterlijk moorddadig en een akelige voorafspiegeling van wat de komende decennia zal blijven gebeuren, ook al maken alle landen nu een bocht van 180°. En eigenlijk had ik beter moeten weten dan te verwachten dat de urgentie in meer en meer mensen zou ontwaken. Herinner je je de covid-periode nog, waar een minderheid tot op het bittere einde hardnekkig ontkende dat er een probleem was, of talloze boomers met hun lulneus uit hun mondmasker bleven rondkuieren, iedereen behoestend. Nee, bij sommigen zal het licht nooit aan gaan, zelfs niet al brandt hun eigen huis af, want toegeven dat je het fout hebt is in sommige gevallen erger dan de dood.
Je kan rustig gaan winkelen terwijl er zo vele crises wild om zich heen slaan inderdaad zien als een vorm van ontkenning, maar tot op zekere hoogte ondervraag je dan de verkeerde mensen en de verkeerde situatie. Je kan kritiek hebben op supermarkten als één van de ultieme tempels van kapitalistisch gedreven consumentisme, maar dan is het probleem toch dat kapitalisme en niet dat mensen inderdaad graag goedkoper brood willen als ze het kunnen krijgen? De Hobbit kan niet zomaar even naar de Barad-dûr gaan van Netanyahu om daar zijn phylakterion te vernietigen. De Afro-Mama kan niet de telefoon uit de handen meppen van Musk die met miljarden geld gezellig een NSDAP-clubhuis heeft gebouwd op X. We kunnen wel allemaal niet stemmen op minkukels die niets willen doen aan de klimaatcrisis, maar we kunnen er niets aan doen dat die minkukels nu – in een nieuwe twist – het ontbreken van een goed beleid afschuiven op de mensen die dit wel wilden. Wat is het dan? Dat we het niet hard genoeg wilden, of juist te graag? Het maakt niet uit, want het is toch een rookgordijn, één met de grootte van – komt-ie – één dat uit stijgt boven een afbrandend bos dat voorgoed weg is. Ja, ik wil graag de korting op de kiwi’s die ik hier koop, en geef die mensen ook allemaal maar iets van mij, een drankje, een ijsje en een trap onder hun kloten. Alleen de Steengooier krijgt niets, want die zag er toch als een nazi uit.