Over 'Onklare taal'

'Onklare taal' is de verzamelnaam van diverse tekstprojecten van mijn hand. Dit is de afdeling columns en microstories daarvan. In 2017 bracht ik 'In de vorm van een vogel' uit, een bundeling van de beste 99 teksten van dit genre tot op dat punt, netjes geredigeerd en per seizoen geordend. Je kan die antologie gratis downloaden als je Patron wordt. De weg een beetje kwijt? Mijn eigenlijke website, die ook 'Onklare taal' heet, verwelkomt je.

zondag 8 maart 2026

Ne ring op nen Düsseldorf

Af en toe verlaat ik de hotelkamer en neem ik de lift naar beneden om te gaan roken. Het hotel heeft een enorme, cirkelvormige en overdekte binnenplaats en de hotelkamers zijn gebouwd in een ring rond die cirkel, tot zeven verdiepingen hoog. Elke gang kijkt uit naar beneden op de centrale plaats. De lift is aan drie zijden van glas. Goed voor mijn hoogtevrees is het niet, maar hoe vaker ik de lift neem, hoe minder ik dat gevoel krijg van duizeligheid en schrik. Te pletter storten is één van de ergste doodsscenario’s die ik me kan voorstellen na foltering en levend opgegeten worden door wilde dieren, maar dit is er zo één waar het kinderlijke idee helpt om gewoon je geest leeg te maken, niet te denken aan wat er zou gebeuren indien ik door de glazen wand zou vallen en ook niet niet daaraan te denken. Dit is niet hetzelfde als de fameuze opdracht om niet aan een roze olifant te denken, want de enige bewuste keuze is hier om niet te denken, niet om te reageren op een tekstuele of auditieve input.

Ik hoed me ervoor om vanuit het standpunt van een hotelinkom wat ik zie te nemen als pars pro toto voor een stad, maar er vallen altijd observaties te maken. In Düsseldorf ben ik nog nooit eerder geweest en de stad heeft ook nooit op m’n radar gestaan als een plek die ik wilde bezoeken. Ik maakte me vage voorstellingen van een saaie Duitse stad beheerst door industrieparken, onderling uitwisselbare kantoorgebouwen en onopvallende winkels. Bovendien vond ik het altijd raar dat een grote stad nog altijd door het leven kon gaan als “dorf”. Waarom niet Düsselstadt? Maar: ik vind Düsseldorf eigenlijk een best aangename plek. Een weekend kan bedrieglijk zijn, maar ik vind de mensen die ik zie rustig, de trottoirs zijn er breed, en ik heb al heel wat leuke winkels gezien in het centrum die zeker niet onderling uitwisselbaar zijn met die in de Nieuwstraten, Meirs en Veldstraten van de wereld (ze zijn er wel, maar niet zo overweldigend). Klein Tokio bezoeken was eveneens interessant. Ik eet hier vrij lekker aan degelijke prijzen. Kortom: de stad slaagt moeiteloos voor een vibe check.

Aan de rechterkant even verderop trekt een groot led-reclamepaneel in hoge resolutie constant de aandacht. Lokale concerten, sportwedstrijden, aankondigingen dat het kikkerseizoen weer begint, pakjes laten leveren door Amazon, verzekeringen en dies meer. Superinteressant is het niet, maar omdat het allemaal in het Duits is en ik de laatste maanden weer mijn Duits aan het aanscherpen ben, lees ik alles met genoegen. Een bestelwagen passeert met daarop “mich kann man mieten” (“mij kun je huren”) en ik vraag me af of dat een gebruikelijke grammaticale constructie is – instinctief zou ik zeggen “man kann mich mieten” of “mieten Sie mich”, maar als Nederlandstalige heeft Duits vele verraderlijke addertjes en kuiltjes. Je kan vaak letterlijk Nederlands vertalen waar je het niet verwacht (bijvoorbeeld “schoenlepel” is “Schuhlöffel”, wist Megan me te vertellen) maar het omgekeerde is even vaak waar (bijvoorbeeld “Mist” betekent “stront”).

Tijdens één van m’n avondlijke rookpauzes word ik aangesproken door een wat benevelde oudere man die tegen me begint te praten over de planten die buiten aan het hotel staan te verpieteren. Hij zegt dat hij hier nooit zou logeren enkel op basis van die trieste planten, maar hij geeft geen uitleg als ik hem vraag of planten soms zijn specialiteit zijn. Hij heeft een accent dat ik niet ken, vraagt waar ik vandaan kom en naderhand zegt hij met een glimlachje dat zijn moedertaal het Nederduits is. Vandaar dat ik vond dat zijn accent wat Nederlands klonk, misschien. Maar: gemoedelijke man. Even later leent een hippe dertiger waar Megan en ik enkele uren even mee in de glazen lift vast zaten, vuur van me. Misschien kan dat wel de temperatuur nemen van een stad waarin je verblijft, of vreemden je aanspreken? In Berlijn en Londen werd ik in hotelportieken genegeerd. In Aken en Oslo bijvoorbeeld niet. Het kan ook toeval zijn, of de wijk waarin het hotel is, of gewoon de wil van God.

De voormiddag erop, als ik terug het hotel binnen ga, word ik achtervolgd door een klein, kwispelend hondje. Wie laat hier zijn huisdier zo gewoon rondstruinen in het hotel? De hond is een prototype schoothondje waarvan ik automatisch uit ga dat het baasje een koket vrouwtje is van midden de vijftig. Ik krijg het baasje niet te zien en moet vrij snel de deur sluiten van de hotelkamer, of het dier glipt mee binnen. 

Nog één keer een sigaret voor het vertrek. Een volgende keer neem ik me voor op voorhand een aantal sigaretten uit te tellen om het roken verder te beperken. Ik wandel rond het hotel. Eén oneigenlijke, ronde doorgangssteeg lijkt uit te komen op de achterdeur van het hotel. De steeg buigt mee met het cirkelvormige ontwerp van de lobby. Aan de rechterkant is een aangebouwd schoonheidssalon met opschriften in het Engels en Arabisch. Ik probeer het Arabisch te lezen, maar ik raak niet ver. Van een cursus Duolingo in 2020 ben ik zo goed als alles vergeten. Aan de linkerkant is er een schnitzelrestaurant, want natuurlijk is er een schnitzelrestaurant. Ik dump de peuk de asbak in en kijk nog eens naar de planten. Ik snap niet waarom er dennenappels tussen de begroeiing liggen. Misschien had ik er een foto van moeten nemen of het erover hebben met de benevelde Nederduitser. Maar net zoals dit alles vervliegt het gewoon met de rook, en ben ik gewoon rustig aan het observeren als Ausländer die toch nabij is.
 

dinsdag 10 februari 2026

Donderen in Keulen

Een half uur lang ben ik in blinde paniek en wandel ik in cirkels rond de Dom van Keulen. Daarnet viel mijn telefoon aan de oevers van de Rijn doodleuk uit zonder waarschuwing, maar ik ken de hard gecodeerde pincode van m’n simkaart niet uit m’n hoofd (enkel die van mijn telefoon). Op die telefoon staat echter mijn treinticket naar Brussel, en die trein is zopas afgeschaft zonder uitleg. Ik kan niemand appen of bellen om om hulp te vragen, want de telefoon is slechts gehuld in de homerische nacht – maakte Stanley Kubrick zijn 2001 vandaag, zou uit het opvliegende bot een telefoon ontstaan in plaats van een ruimtesonde – en iemand aanklampen om een telefoon te lenen kan ik ook niet want ik ken geen enkel telefoonnummer uit m’n hoofd behalve dat van mezelf. Enkele jaren terug verloor ik m’n telefoon in een taxi. Toen ik hem terug kwam halen bij de politie, zei de baliemedewerkster vrolijk “we hebben u nochtans proberen bellen meneer, maar u nam niet op”, waarop ik een paar keer met de ogen knipperde en vroeg: “op… de telefoon die ik hier kom halen?”. Maar nu is hij niet kwijt, maar dood.

Na enkele rondes ga ik zitten op de trappen voor de Dom. Ik beeld me de zorgen in die sommige mensen zich zullen maken als ze de komende 6 tot 10 uren niks meer van mij zullen vernemen. Dat zijn er niet veel, maar ze doen er wel toe. Megan in de eerste plaats, die bijna twee uur geleden eerder vertrok uit Keulen, op een trein die naar de normen van Deutsche Bahn haast miraculeus op tijd was. Belgen die voor het eerst kennismaken met het Duitse spoor zijn steevast onthutst door de chaos en het gebrek aan stiptheid van de treinen bij onze oosterburen, want Duitsland, dat is toch het land van obsessieve Pünktlichkeit en Gründigkeit? Niet zo. Deutsche Bahn wordt nog slechter gerund dan de NMBS een decennium geleden, en dat zegt wat. Het is een beetje als in je eerste keer Frankrijk vaststellen dat er nergens baguettes te vinden zijn, of een Fin tegenkomen die de oren van je kop praat.

Wat te doen? Ik haal diep adem en negeer het drukke gaan en komen van mensen in en uit het station op het grote, propere plein. Ik maak me onzichtbaar, in mezelf gedrukt, zelfs geen lokaas voor brolverkopers of psychotische daklozen, die stations in Europa steeds als een natuurwet lijken aan te trekken. Bidden doe ik niet, al is de aanwezigheid van ’s werelds grootste gotische kathedraal zonder meer verpletterend. De Dom is van de buitenkant eigenlijk nog indrukwekkender dan aan de binnenkant. Je mag er gratis binnen maar er zijn overal opzichtig collectebussen opgesteld in meerdere talen om je schuldgevoel aan te wakkeren: vintage katholicisme. Het bouwwerk zou overigens net zo goed kunnen dienen als tempel voor de Ecclesiarchie uit het 41ste millennium, waar de God-Keizer wordt aanbeden die al 10.000 jaar wegrot op zijn Gouden Troon. Maar zo veel tijd heb ik niet om thuis te raken. 

Ik sluit de ogen en duik in mezelf. Drie cijfers komen naar boven geborreld. Over het vierde ben ik niet zeker. Ik open m’n ogen en probeer mijn eerste gok. Verkeerd. Dat had ik wel verwacht. Ik denk aan het kleine papiertje waar ik die code ooit op schreef. Het originele plastic uitdrukkaartje dat in een theekop staat op m’n bureau. De cijfers op dat kaartje. Het regent een heel klein beetje. Het miezert al weken af en aan, ook aan de oevers van de Rijn, en regen maakt de cijfers in m'n hoofd vager, alsof er een lens voor hangt die maar niet scherp kan worden. Tweede poging ook mislukt. Wat nu?

Ik adem uit. In de verte zie ik taxibusjes staan, allemaal in hetzelfde beige van behangpapier uit de jaren ’70. Hoe veel zou een rit vanaf hier naar Gent kosten? Of naar Brussel? Makkelijk €500, als er een chauffeur al zo waanzinnig is om de opdracht aan te nemen. Ik ben een buitenlander. Mijn Duits hier is onbetrouwbaar gebleken: mensen verstaan me heel goed, maar omdat ik een bepaalde mentale grens voorbij steek van niveau, doen ze geen enkele moeite om zelf verstaanbaar te zijn. Megan lachte gisteren met me dat mijn poging om een Vlaams accent in m’n Duits aan te dikken door meer te mompelen en slechter te articuleren eigenlijk Duitser klonk dan de schoolmeestertaal waarmee ik kom aanzetten. Ik denk aan haar koele hand in de mijne. 

Derde poging, en daarna het begin van de verlossing of het begin van een waanzinnig en ongewild avontuur. Dat pad is grillig en breed: van proberen diverse taaie en humeurige instanties te overtuigen van mijn bonafides om ergens op een trein te geraken en maar tegen het putje van de nacht thuis te komen, tot ergens stranden in de grensgebieden tussen Duitsland en België en de nacht moeten doorbrengen in een elektriciteitscabine of een krot aan de rand van de spoorweg dat ik moet delen met een zwerver die naar kak ruikt (dit is iets waar ik ooit al over heb gedroomd), om vervolgens opgespoord te worden door de Cel Vermiste Personen, die ik vooreerst zal moeten vragen om een sigaret en een kop koffie. De telefoon ontgrendelt zich. Het pad vernauwt zich terug aanzienlijk. Mijn lijn naar mijn vrienden en geliefden is terug, en de hemelsblauwe telefoonachtergrond toont zich weer alsof er niets gebeurd is. Ik adem diep uit. Het angstzweet is al weg. Nu ik nog. 

dinsdag 16 december 2025

Van hetzelfde laken een astronautenpak

Om één voor middernacht op 31 december 2025 zal ik kunnen terugkijken op een jaar waarin de buitenwereld zich heeft gedragen volgens alle grimmige voorspellingen die ik had gemaakt op het einde van 2024, en een persoonlijk leven waar totale onvoorspelbaarheid troef was. Had je me toen ik onder vrienden en clandestien bijgewoond vuurwerk toostte op 2025 verteld dat ik in het jaar dat eraan kwam slachtoffer zou zijn in twee verkeersongevallen, door twee pijnlijke revalidatieprocessen zou moeten lopen, twee keer naar Berlijn zou gaan, twee werkgevers zou kennen en geen enkele nieuwe publicatie zou maken, had ik je mogelijk wel geloofd maar zou dan depressief naar huis gegaan zijn. Voorkennis: not even once.

Hoog boven Europa heb ik op de achterste rij van een vliegtuig in stilte geweend. Ik wou dat ik kon zeggen dat het was om een heroïsche of tragische reden, maar het was een gewoon gebroken hart. Want ook gewone dingen zijn onverminderd pijn blijven doen in de kwartmijlpaal van deze eeuw. Maar het hart genas, net als mijn andere gebroken onderdelen (rug, dijbeen, knie). Sommige dingen zijn niet genezen, maar dat was nooit de hoop. Ik ben nog steeds chronisch ziek, omdat dat is wat “chronisch” betekent, en zo je al kan spreken van een ziel, is die nog altijd een dubieuze sterrennevel met wijd vertakte filamenten donkere materie. Mensenlief, als ik al niet meer pathetisch mag zijn, wat dan wel nog.

Mentaal ver (maar niet te ver) van deze verstopte regenwaterput die België heet heb ik het nieuws gezien als een paranoïde bejaarde die af en toe met z'n vingers twee strips van het rolluik open duwt om te verspieden welk krakeel nu weer. Het is zoals verwacht hetzelfde circus met dezelfde zieltogende circusberen geweest. De langste cafétoog ter wereld reikt comfortabel tot aan de ministerraden. En als je niet meer elke dag ingeplugd zit in wat moet doorgaan voor het publieke debat, is het vrij gemakkelijk om te doen alsof het er niet is. Dat is een privilege en ik weet het. Want ik ben ook maar een bumper verwijderd van het precariaat en dat kan je best letterlijk nemen. Het is trouwens niet alsof mijn mentale afstand ervoor zorgde dat onze nationale instituten hun interesse verloren in mij. Integendeel, ik mocht me verheugen in allerlei brief- en mailverkeer vol woorden en zinsneden die de sfeer opriepen van een luguber Sovjet-ziekenhuis of misvormde ambtenaren met grote hoornen brillen. In realiteit werd al die correspondentie wellicht semi-automatisch verstuurd door een Anja, een Karen, een Derk of een Matthias in een niet al te onaangenaam kantoor, wat het eigenlijk nog deprimerender maakte.

Rond de wereld cirkelend van hetzelfde laken een astronautenpak: af en toe stak ik eens een teen in het bruine rioolwater van het internationale nieuws en voorts weinig, maar dat betekende niet dat het internationale nieuws niet gewoon naar me toe kwam. Eén van mijn grote liefhebberijen, het Eurovisiesongfestival, werd voor het tweede jaar op rij opgeluisterd door een land dat haast schokkend openlijk genocide pleegt en hoopte via valsspelerij een schijn te wekken van legitimiteit binnen Europa. Ik heb nog niet beslist of ik in 2026 ga kijken. Maar ik vrees dat de volgende defensielijn wellicht evenzeer tijdelijk zal zijn. Wie weet komt op een volgend poëzie-evenement waar ik optreed ook een bloemlezing van de Discord-groep van Schild & Vrienden. Of komt er een loodgieter langs voor het jaarlijkse boileronderhoud een boompje opzetten over hoe misbegrepen Andrew Tate is.

Het woord “hoop” probeer ik niet uit te spreken voor 2026, uit schrik het tegendeel te sommeren. Noch wil ik me laten looien door nutteloze bitterheid. Ik heb ook geleerd dat ambities voor de poort van een nieuw jaar er eigenlijk weinig toe doen. Maak je de voornemens groot, ze verschrompelen of blijven hangen aan de eerste hinderpaal. Hou ze je bescheiden, dan gebeurt er vaak wel iets waar ze in verdrinken in de oneindigheid en ben je ze al vergeten bent nog voor januari uit is. Wel ga ik 2026 in met dezelfde sterke ploeg in mijn leven als die van het jaar ervoor - vrienden en medestrijders, dichte familie en kennissen. Op dat vlak beleef ik al jaren hoogdagen. En al minstens even veel jaren blijf ik verrast dat veel nieuwe mensen die ik ontmoet op mijn pad, me ondanks alles toch sympathiek lijken te vinden en ik hen. Nu nog een beetje geluk, en ik zal 2026 ook wel overleven. 

woensdag 19 november 2025

Sådan var våren om hösten

De aardas kantelt en de duisternis neemt elke dag toe, samen met de kou en de regen. De bladersterfte is haar hoofdfase ingegaan en weer zijn nutteloze bladblazers op pad om met irritant veel lawaai weg te blazen wat er bij de volgende sterke windbui toch weer zal liggen. Ik benijd de Sisyfussen niet die dit als job hebben, maar vechten we eigenlijk niet allemaal tegen entropie? Bij hen is het gewoon naakt, onverbloemd, terwijl ik werk aan een oeuvre dat zoals al de rest eveneens gedoemd is om ooit vergeten te worden. Maar dat raakt me niet echt. Een ander gevecht tegen entropie lever ik op de fiets, waar ik voor het eerst sinds twee maanden terug op mag rijden. Ondanks het regengordijn van de milde PTSD dat me vergezelt, voelt deze stap vooruit bevrijdend. Ik ben weliswaar nog geketend door vele kettingen, maar de fietsketting is er niet langer één van.

Ik rij terug van bij de fysiotherapeut, mijn bondgenoot tegen de entropie. Tevens ben ik ook in psychotherapie. In mijn verbeelding sta ik opgetild in een garage op een autolift en zijn dat de mecaniciens die aan me sleutelen, m'n olie helpen verversen, de deuken uit mijn carrosserie hameren en de software-updates downloaden. Af en toe mag ik uit de garage om een ritje te rijden, en die ritjes gaan steeds beter. Volgende week mag ik ook terug naar kantoor op diezelfde fiets. Ik ben weinig sentimenteel als het op collega's aankomt, maar het gaat toch deugd doen om hun gezichten terug te zien, terug samen te kunnen lunchen of samen rookpauzes te nemen met de jonge garde aan vapers en zelfrollers (ik ruïneer mijn longen nog op klassieke wijze, met peperdure pakjes die ik koop in de krantenwinkel of bij louche tankstations).

M'n jas en broek worden kou en nat van de regen, onder een hemel die velen zouden aanvoelen als terneerdrukkend, deprimerend, behept met een soort gereïficeerde Belgische malaise. Doorheen een mangeljaar als 2025 is er veel kapotgegaan, maar niet mijn hang naar complexe woorden en gedachten. Die gebruik ik overigens nooit om nodeloos te pronken, maar omdat ze me brandstof geven. Megan, die vorig weekend bij me gelogeerd heeft en die ik op sleeptouw heb genomen door het stadscentrum als de toeristische gids die ooit aan mij verloren is gegaan, toonde me gisteren een artikel waarin staat dat (meer)taligheid mensen jonger houdt. Alweer een tijdelijke nederlaag voor de entropie dus. 

Bij de supermarkt maak ik een tussenstop. In de winkel speelt 'Rehab' van Amy Winehouse, een jaargenote die haar strijd tegen de entropie jammer genoeg 14 jaar geleden al moest opgeven. Ik zou niet graag een jong gestorven held geweest zijn, maar ten andere zou ik dat niet eens weten als ik dood was. Na de dood denk ik niet dat er nog iets wacht op ons. Meer nog, het concept van als geest of ziel God weet waar eeuwig achter te blijven lijkt me een verschrikking. Hoe eeuwig is die eeuwigheid dan? Tot de Aarde geroosterd wordt door een almaar heter wordende zon? Totdat het universum uit elkaar getrokken wordt door donkere energie? Tot alles afkoelt naar het absolute nulpunt en tijd zelf stopt? We spreken hier over tijdschalen van miljarden tot centiljoenen jaren. Waar moet je je al die tijd mee bezighouden? 

Nee, dan liever deze vreemde lente middenin de herfst. Ik beleef die met een zekere zachtheid, met telefoongesprekken allerhande (als een soort inversie van de tomeloze tiran uit Luceberts 'Stand van zaken'), knus onder dekentjes en in het gezelschap van Reginald. Gisteren zat hij in al zijn zaligheid achter mij in de zetel, traag in- en uitademend, soezend tegen een paar kussens, terwijl ik werkte. Katten lijken het interessant te vinden als mensen arbeid leveren, zelfs geruststellend: “Aha, mijn baasje is weer aan het praten tegen een scherm en tikt met zijn poten op een rechthoek – dan is alles in orde.” Niet alles is in orde, natuurlijk. Ik sta nog steeds op de autolift in de garage, maar uit het oude wrak komt langzamerhand de herstelde wagen tevoorschijn. De reële ik rolt inmiddels de garage binnen met piepende remmen. Binnenkort gaat ook deze fiets nog eens binnen voor een onderhoudsbeurt, want ook hij is één van mijn vele bondgenoten tegen de entropie. 

woensdag 22 oktober 2025

Code oranje

Op de bus bedenk ik me niet voor de eerste keer deze ochtend dat op dagen dat ik niet hoef te werken, ik eigenlijk beter niet voor de middag afspreek met mensen, omdat het bioritme dat ik van nature aanneem me eigenlijk sterk in de richting duwt van slapen tot de middag. Je kan dat decadent vinden, maar ik heb even veel productieve uren op een dag als iemand anders, ik zit alleen langer op en hou ervan om te verpozen in het warme deken van de nacht, waar ik niet gestoord word door toeterende auto’s, schreeuwende kinderen, aanbellende pakjesbezorgers of de buurt bijeen blaffende honden. Wat dus nu wel het geval is. De buspassagiers tonen zich in al hun superdiverse marginaliteit. Dat riekt naar classisme en is tegelijk ironisch, want ik zit hier zelf ook, in mijn joggingbroek waarin de contouren van mijn beenbrace duidelijk zichtbaar zijn. Ik zit ergens halverwege mijn revalidatie na een operatie, en het is lastig om te dragen. Misschien daarom dat ik me zo veel sneller erger aan de ander, want ik zou dat ook wel willen, complexloos en schaamteloos zijn in mijn volslagen gebrek aan stijl, goede manieren of weigering om nog te doen alsof ik deze maatschappij iets wil betekenen. Maar het is niet anders.

Onderweg merk ik dat de opmars van de Engelse ziekte onverdroten verdergaat: “vis winkel”, “sfeer café”, “sleutel maker”. Ook veel kleine brolzaakjes die erin slagen kennelijk drie namen tegelijk te dragen, of in hun opschriften twee verschillende lettertypes combineren. Ik passeer de rijschool in de Brugse Poort die “NU SLAGEN” afficheert, wat voor iemand van Antwerpen of Brabant wellicht onbedoeld komisch overkomt. Maar weet je, liever dit soort semi-gereglementeerde kleine ondernemingen dan protserige petit bourgeois-huizen in fake fermettestijl met affiches in de voortuin waar zo’n snerende rechtse N-VA-smoel op staat. Want daar heb je er in de buurt waar ik woon al meer dan genoeg van. En de mentaliteit waar die vaak mee samengaat associeer ik met de ijskoude luchtstromen van de communicaties die ik de laatste weken weer mag ondervinden van verzekeringen, huisbazen en nutsmaatschappijen. Altijd weer die kille, haast robotische toon, afstandelijk vousvoyerend, verordenend, beschuldigend, eisend, afketsend. Nergens een vriendelijk woord. Gisteren schreef een verzekeraar zelfs m’n achternaam achteloos verkeerd. En er is niet eens kwade wil mee gemoeid: die mensen denken vast dat dat zo hoort. Wel, ik nodig hen uit eens door het proces te gaan van wat ik intussen zelf al 8 maanden moet doormaken, en ik zou dan willen zien hoe het gesteld is met hun goede luim.

Er zijn ook lichtpunten. Initieel zag ik enorm op tegen de kinesitherapie waar ik weer doorheen moest, maar de fysio is een aangename jonge vrouw met een wat ongepast gevoel voor humor waar ik goed op ga en is nog niet samengedrukt tot een bal bruine plasticine zoals zo veel andere mensen op deze wereld. De dame die ik even geleden aan de lijn had om m’n internet te fiksen toonde zich ook erg medelevend en menselijk – zoiets moet niet, het is niet verplicht, maar het maakt het aan mijn kant van de lijn allemaal zo veel draaglijker.

Ik word uit de bus gekieperd aan de Korenmarkt en stap dan naar de Wasbar aldaar, waar mijn brunchafspraak op me wacht. Ik probeer te letten op mijn postuur en wandelritme, beiden intussen misvormd door opeenvolgende revalidaties. Recht de rug en de nek. Hiel van de linkervoet eerst, niet de wreef. Het is niet al te druk en veel zaken zijn nog dicht. Weinig toeristen, ook. Ik sta er soms niet voldoende bij stil dat ik in een stad woon waar werelderfgoed huist omdat het voor mij al decennia gewoon het decor is waarbinnen mijn dagelijkse leven zich afspeelt, maar het is zeker een privilege. Net als, ondanks mijn bitterheid, in een land te mogen wonen waarin mijn gezondheidsproblemen geen enkele reis richting financiële ruïnering zijn. Als het lag aan de instanties die me nu zo belagen en bejegenen met de menselijkheid van een fascistische stationschef, zou dat wellicht anders zijn. Ik wil er niet aan denken. 

Ik vind de Wasbar, intussen al jaren een keten met vestigingen overal in Vlaanderen, maar initieel een Gents hipsterconcept waarvan het idee eigenlijk goed gevonden is, maar het was-gedeelte mettertijd verdwenen lijkt. Om een stom punt te maken had ik misschien wat vuil ondergoed moeten meebrengen. Ik zie opvallend veel mensen met oranje gekleurd haar op straat. Pas onlangs realiseerde ik me dat mensen die we roodharig noemen, eigenlijk oranje haar hebben, maar dat de term voor roodharigen ouder is dan de term voor de kleur oranje in onze taal. Ik heb zelf ook wat oranje in m’n baard, al beginnen de eerste grijze haren zich daar eveneens te tonen. En ik ga er vast nog een paar bij krijgen als ik nog vaak vroeg uit de veren moet op een dag dat ik niet hoef te werken, maar voor goede vrienden heb ik het er voor over. Als ik binnenstap, word ik op een brede, verwelkomende glimlach getrakteerd, en daar doet een mens het voor. Wel, en een grote kop koffie.