Over 'Onklare taal'

'Onklare taal' is de verzamelnaam van diverse tekstprojecten van mijn hand. Dit is de afdeling columns en microstories daarvan. In 2017 bracht ik 'In de vorm van een vogel' uit, een bundeling van de beste 99 teksten van dit genre tot op dat punt, netjes geredigeerd en per seizoen geordend. Je kan die antologie gratis downloaden als je Patron wordt. De weg een beetje kwijt? Mijn eigenlijke website, die ook 'Onklare taal' heet, verwelkomt je.

dinsdag 31 maart 2026

Hagalaz

Het is de tweede beurs op een maand tijd waar ik moet staan en praten met vreemden, en het is een grotere beurs, in een grotere hal, met meer mensen en meer standen en dus ook meer druk op m’n systeem. Ik ben hier vandaag met een HR-collega en de CTO. Ik moet bewust het geheel aan lawaai van alle stemmen, bewegingen, voetstappen en eventuele geluidseffecten van de standen buitensluiten om niet platgedrukt te worden. In tegenstelling tot de vorige beurs ontmoet ik hier geen prospectieve klanten, maar werknemers, en wel studenten die op het punt staan af te studeren. Het is enigszins bekend terrein. Als 21-jarige ben ik zelf naar zo’n “afstudeerbeurs” geweest, waar ik toen de indruk kreeg dat geen enkele werkgever zat te wachten op iemand met een diploma Taal- en Letterkunde, behalve bedrijven die me ontiegelijk saai leken, zoals banken en overheidsinstellingen. Voor mijn 21-jarige zelf werk ik nu wellicht ook voor zo’n bedrijf, maar in mijn carrière heb ik geleerd dat wat een bedrijf of organisatie precies aanbiedt of verkoopt er eigenlijk niet zo veel toe doet, zolang je een minimum aan geloof kan hebben in de kwaliteit ervan, de collega’s aangenaam zijn en je geen existentiële crises krijgt van het management. 

Vijf jaar geleden was ik hier ook, onder de vlag van Malendroit National, waar het grootste lokmiddel van onze stand gigantische lolly’s waren die we weggaven. Nadien vernam ik via via dat de grote baas van Corporate Marketing dat “vulgair” had gevonden. Dat zei meer over haar dan over mij. Maar vijf jaar geleden voelde ik dat de afstand tussen studenten en mij nog niet zo groot was als nu, wat ironisch is, aangezien veel vroege twintigers van nu zich kleden als volwassenen uit de jaren ’80 of middelbare scholieren uit de jaren ’90. De snor zonder baard is al jaren volledig terug acceptabel, alsof we Dutroux vergeten zijn. Zou die naam überhaupt nog iets betekenen voor jonge mensen die in 2005 geboren zijn? Misschien. Ik wist als tiener ook wie Freddy Horion was, hoewel hij zijn gruwelijke roofmoord had gepleegd in 1979.

Tussen 2014 en 2024 heb ik trouwens een aantal keren meegedaan aan een evenement van mijn alma mater zelf, waar laatstejaarsstudenten Taal- en Letterkunde aan tafels konden komen luisteren naar wat hun voorgangers nu zoal allemaal uitvraten in het werkende leven. Die trends die ik zie waren er enkele jaren geleden ook al, maar zijn nu heviger, en ik ben ouder, met minder voeling en ook minder zin om met dat jong geweld te praten. Maar ik moet. Ik gooi me door m’n eigen barrière en spreek mensen aan die aan onze stand passeren en even blijven staan of proberen om onze roll-upbanner te lezen om uit te vissen wat we precies doen. Op tafel speelt een video van vier werknemers die vertellen wat het zo fijn maakt om bij Onelock te werken, met brainrot-content erboven geplakt. Dat was een idee van mijn collega Selim, die ervan overtuigd was dat brainrot jongeren ging lokken of ging laten blijven staan. Maar de anekdotische observatie hier leert me dat het vooral de oudere bezoekers zijn die er naar staan te kijken. Misschien registreren de jongeren brainrot gewoon niet meer echt.

Op het dak van de expositiehal hagelt het.

Ik ga even de benen strekken van het lange en pijnlijke staan en verdwijn achter een zwart doek dat de grote hal in twee deelt, om de ruimte kleiner en gevulder te doen lijken dan ze is. Achter dat doek is er niets te zien buiten een lege helft van dit enorme gebouw. Waarschijnlijk hoor ik hier niet te zijn, maar niemand houdt me tegen. Ik zou hier doodgemoedereerd een sigaret kunnen roken of ergens tegen een muur pissen. Ik moet denken aan één van mijn weinige avonturen in urban exploration, toen ik met mijn broer Matthias in een voor de afbraak voorzien gebouw was terechtgekomen in het Citadelpark. Ook dat leek vroeger een expositiehal geweest te zijn. Het dak was er al uit en overal lagen brokstukken op de vloer. We namen enkele foto’s en draalden want rond als dwergen in een postapocalyptische schoendoos van beton. Er was niet zo veel interessants aan buiten de liminale sfeer die er hing.

Ongemerkt sluip ik terug de eigenlijke beurs binnen. Ik vraag me af hoe de studenten die hier rondwandelen tegenover hun eigen toekomst staan. De negende letter van het oude futhark-runenalfabet, hagalaz, betekende letterlijk “hagel” maar is symbolisch gaan staan voor een plotse, onafwendbare verandering, vaak rampspoed of verwoesting. Het dak hier beschermt ons tegen de letterlijke hagel, maar wie zal deze generatie beschermen tegen de figuurlijke kogels van bevroren regen? Ik moest pas tegen mijn late dertiger jaren ontdekken dat de meritocratische toekomst die me altijd voorafgespiegeld was, een leugen was. De jonge mensen hier hebben mogelijk altijd al geweten dat het een leugen was. Recent bleek uit een peiling dat één derde van de mannen van Gen Z nog conservatiever (lees: meer reactionair, “conservatief” is altijd een eufemisme) is dan zijn eigen grootouders. Misschien kijken ze hier niet op van ons breinrot, maar het is alleszins doorgesijpeld tot in hun hoofden via de almachtige algoritmes.

Terug aan de stand merk ik op dat hier vijf jaar geleden minder studenten waren die Nederlands niet als eerste taal hadden. Ik weet niet of we die een job kunnen bieden. In development en IT, misschien. In sales en marketing wellicht niet. Terwijl de HR-medewerker een plaspauze neemt, worden de CTO en ik geconfronteerd met een sjofele oude man die een trolley achter zich trekt en op elke stand balpennen komt verzamelen “voor de daklozen” (met een gelamineerd plakkaatje in vijf talen). Hij krijgt er eerst één, en na lang aandringen twee. De CTO en ik zeggen er niets over, ook niet als hij al lang buiten gehoorsafstand is. De CTO is geen man van de koetjes en kalfjes, of de roddel. 

Even later raak ik in gesprek met een jonge vrouw die gebrekkig Nederlands spreekt. Ze is lang, met diep-donkerbruine ogen en een jas met een goudkleurige voering. We switchen naar Engels. Ze heeft ervaring in de financiële sector en staat op het punt om haar tweede diploma te behalen. Oorspronkelijk komt ze uit Turkije. Ik geef haar het lokmiddel van onze stand – een logica-puzzel die studenten kunnen oplossen om onze kluis te kraken en een prijs te winnen. Tot hier toe zijn er nog maar twee prijzen gewonnen. De eerste door een groep studenten die met veel branie dacht freebies te komen scoren maar nadat ze herhaaldelijk het foute antwoord hadden, steeds serieuzer werden in hun ambitie om de kluis te kraken; de tweede door een innemend jong koppel. Mijn intuïtie zegt me dat deze Turkse vrouw de derde zal worden, maar dat zeg ik natuurlijk niet. Intussen is de pijn van het constante rechtstaan echt te veel geworden en begint de beurs op zijn laatste benen te lopen (die wellicht ook pijnlijk zijn, maar dat is vast projectie). Bovendien mag ik mijn afspraak niet missen bij de kinesiste, dus ik neem afscheid van de HR-collega en de CTO.

Onderweg naar de kinesiste hagelt het nog een beetje. De volgende dag, op kantoor, merken collega’s die altijd ergens in een tabblad onze LinkedIn-pagina volgen, dat we enkele vermeldingen hebben van studenten die op bezoek kwamen op onze stand. Eén post is van de Turkse vrouw die ik ontmoette – ze is inderdaad de derde en laatste persoon geworden die onze prijs wist te winnen door de code van de kluis uit te vissen. Ondanks alles blijkt mijn intuïtie, of zin voor connectie, toch niet helemaal dood.
 

zondag 8 maart 2026

Ne ring op nen Düsseldorf

Af en toe verlaat ik de hotelkamer en neem ik de lift naar beneden om te gaan roken. Het hotel heeft een enorme, cirkelvormige en overdekte binnenplaats en de hotelkamers zijn gebouwd in een ring rond die cirkel, tot zeven verdiepingen hoog. Elke gang kijkt uit naar beneden op de centrale plaats. De lift is aan drie zijden van glas. Goed voor mijn hoogtevrees is het niet, maar hoe vaker ik de lift neem, hoe minder ik dat gevoel krijg van duizeligheid en schrik. Te pletter storten is één van de ergste doodsscenario’s die ik me kan voorstellen na foltering en levend opgegeten worden door wilde dieren, maar dit is er zo één waar het kinderlijke idee helpt om gewoon je geest leeg te maken, niet te denken aan wat er zou gebeuren indien ik door de glazen wand zou vallen en ook niet niet daaraan te denken. Dit is niet hetzelfde als de fameuze opdracht om niet aan een roze olifant te denken, want de enige bewuste keuze is hier om niet te denken, niet om te reageren op een tekstuele of auditieve input.

Ik hoed me ervoor om vanuit het standpunt van een hotelinkom wat ik zie te nemen als pars pro toto voor een stad, maar er vallen altijd observaties te maken. In Düsseldorf ben ik nog nooit eerder geweest en de stad heeft ook nooit op m’n radar gestaan als een plek die ik wilde bezoeken. Ik maakte me vage voorstellingen van een saaie Duitse stad beheerst door industrieparken, onderling uitwisselbare kantoorgebouwen en onopvallende winkels. Bovendien vond ik het altijd raar dat een grote stad nog altijd door het leven kon gaan als “dorf”. Waarom niet Düsselstadt? Maar: ik vind Düsseldorf eigenlijk een best aangename plek. Een weekend kan bedrieglijk zijn, maar ik vind de mensen die ik zie rustig, de trottoirs zijn er breed, en ik heb al heel wat leuke winkels gezien in het centrum die zeker niet onderling uitwisselbaar zijn met die in de Nieuwstraten, Meirs en Veldstraten van de wereld (ze zijn er wel, maar niet zo overweldigend). Klein Tokio bezoeken was eveneens interessant. Ik eet hier vrij lekker aan degelijke prijzen. Kortom: de stad slaagt moeiteloos voor een vibe check.

Aan de rechterkant even verderop trekt een groot led-reclamepaneel in hoge resolutie constant de aandacht. Lokale concerten, sportwedstrijden, aankondigingen dat het kikkerseizoen weer begint, pakjes laten leveren door Amazon, verzekeringen en dies meer. Superinteressant is het niet, maar omdat het allemaal in het Duits is en ik de laatste maanden weer mijn Duits aan het aanscherpen ben, lees ik alles met genoegen. Een bestelwagen passeert met daarop “mich kann man mieten” (“mij kun je huren”) en ik vraag me af of dat een gebruikelijke grammaticale constructie is – instinctief zou ik zeggen “man kann mich mieten” of “mieten Sie mich”, maar als Nederlandstalige heeft Duits vele verraderlijke addertjes en kuiltjes. Je kan vaak letterlijk Nederlands vertalen waar je het niet verwacht (bijvoorbeeld “schoenlepel” is “Schuhlöffel”, wist Megan me te vertellen) maar het omgekeerde is even vaak waar (bijvoorbeeld “Mist” betekent “stront”).

Tijdens één van m’n avondlijke rookpauzes word ik aangesproken door een wat benevelde oudere man die tegen me begint te praten over de planten die buiten aan het hotel staan te verpieteren. Hij zegt dat hij hier nooit zou logeren enkel op basis van die trieste planten, maar hij geeft geen uitleg als ik hem vraag of planten soms zijn specialiteit zijn. Hij heeft een accent dat ik niet ken, vraagt waar ik vandaan kom en naderhand zegt hij met een glimlachje dat zijn moedertaal het Nederduits is. Vandaar dat ik vond dat zijn accent wat Nederlands klonk, misschien. Maar: gemoedelijke man. Even later leent een hippe dertiger waar Megan en ik enkele uren even mee in de glazen lift vast zaten, vuur van me. Misschien kan dat wel de temperatuur nemen van een stad waarin je verblijft, of vreemden je aanspreken? In Berlijn en Londen werd ik in hotelportieken genegeerd. In Aken en Oslo bijvoorbeeld niet. Het kan ook toeval zijn, of de wijk waarin het hotel is, of gewoon de wil van God.

De voormiddag erop, als ik terug het hotel binnen ga, word ik achtervolgd door een klein, kwispelend hondje. Wie laat hier zijn huisdier zo gewoon rondstruinen in het hotel? De hond is een prototype schoothondje waarvan ik automatisch uit ga dat het baasje een koket vrouwtje is van midden de vijftig. Ik krijg het baasje niet te zien en moet vrij snel de deur sluiten van de hotelkamer, of het dier glipt mee binnen. 

Nog één keer een sigaret voor het vertrek. Een volgende keer neem ik me voor op voorhand een aantal sigaretten uit te tellen om het roken verder te beperken. Ik wandel rond het hotel. Eén oneigenlijke, ronde doorgangssteeg lijkt uit te komen op de achterdeur van het hotel. De steeg buigt mee met het cirkelvormige ontwerp van de lobby. Aan de rechterkant is een aangebouwd schoonheidssalon met opschriften in het Engels en Arabisch. Ik probeer het Arabisch te lezen, maar ik raak niet ver. Van een cursus Duolingo in 2020 ben ik zo goed als alles vergeten. Aan de linkerkant is er een schnitzelrestaurant, want natuurlijk is er een schnitzelrestaurant. Ik dump de peuk de asbak in en kijk nog eens naar de planten. Ik snap niet waarom er dennenappels tussen de begroeiing liggen. Misschien had ik er een foto van moeten nemen of het erover hebben met de benevelde Nederduitser. Maar net zoals dit alles vervliegt het gewoon met de rook, en ben ik gewoon rustig aan het observeren als Ausländer die toch nabij is.
 

dinsdag 10 februari 2026

Donderen in Keulen

Een half uur lang ben ik in blinde paniek en wandel ik in cirkels rond de Dom van Keulen. Daarnet viel mijn telefoon aan de oevers van de Rijn doodleuk uit zonder waarschuwing, maar ik ken de hard gecodeerde pincode van m’n simkaart niet uit m’n hoofd (enkel die van mijn telefoon). Op die telefoon staat echter mijn treinticket naar Brussel, en die trein is zopas afgeschaft zonder uitleg. Ik kan niemand appen of bellen om om hulp te vragen, want de telefoon is slechts gehuld in de homerische nacht – maakte Stanley Kubrick zijn 2001 vandaag, zou uit het opvliegende bot een telefoon ontstaan in plaats van een ruimtesonde – en iemand aanklampen om een telefoon te lenen kan ik ook niet want ik ken geen enkel telefoonnummer uit m’n hoofd behalve dat van mezelf. Enkele jaren terug verloor ik m’n telefoon in een taxi. Toen ik hem terug kwam halen bij de politie, zei de baliemedewerkster vrolijk “we hebben u nochtans proberen bellen meneer, maar u nam niet op”, waarop ik een paar keer met de ogen knipperde en vroeg: “op… de telefoon die ik hier kom halen?”. Maar nu is hij niet kwijt, maar dood.

Na enkele rondes ga ik zitten op de trappen voor de Dom. Ik beeld me de zorgen in die sommige mensen zich zullen maken als ze de komende 6 tot 10 uren niks meer van mij zullen vernemen. Dat zijn er niet veel, maar ze doen er wel toe. Megan in de eerste plaats, die bijna twee uur geleden eerder vertrok uit Keulen, op een trein die naar de normen van Deutsche Bahn haast miraculeus op tijd was. Belgen die voor het eerst kennismaken met het Duitse spoor zijn steevast onthutst door de chaos en het gebrek aan stiptheid van de treinen bij onze oosterburen, want Duitsland, dat is toch het land van obsessieve Pünktlichkeit en Gründigkeit? Niet zo. Deutsche Bahn wordt nog slechter gerund dan de NMBS een decennium geleden, en dat zegt wat. Het is een beetje als in je eerste keer Frankrijk vaststellen dat er nergens baguettes te vinden zijn, of een Fin tegenkomen die de oren van je kop praat.

Wat te doen? Ik haal diep adem en negeer het drukke gaan en komen van mensen in en uit het station op het grote, propere plein. Ik maak me onzichtbaar, in mezelf gedrukt, zelfs geen lokaas voor brolverkopers of psychotische daklozen, die stations in Europa steeds als een natuurwet lijken aan te trekken. Bidden doe ik niet, al is de aanwezigheid van ’s werelds grootste gotische kathedraal zonder meer verpletterend. De Dom is van de buitenkant eigenlijk nog indrukwekkender dan aan de binnenkant. Je mag er gratis binnen maar er zijn overal opzichtig collectebussen opgesteld in meerdere talen om je schuldgevoel aan te wakkeren: vintage katholicisme. Het bouwwerk zou overigens net zo goed kunnen dienen als tempel voor de Ecclesiarchie uit het 41ste millennium, waar de God-Keizer wordt aanbeden die al 10.000 jaar wegrot op zijn Gouden Troon. Maar zo veel tijd heb ik niet om thuis te raken. 

Ik sluit de ogen en duik in mezelf. Drie cijfers komen naar boven geborreld. Over het vierde ben ik niet zeker. Ik open m’n ogen en probeer mijn eerste gok. Verkeerd. Dat had ik wel verwacht. Ik denk aan het kleine papiertje waar ik die code ooit op schreef. Het originele plastic uitdrukkaartje dat in een theekop staat op m’n bureau. De cijfers op dat kaartje. Het regent een heel klein beetje. Het miezert al weken af en aan, ook aan de oevers van de Rijn, en regen maakt de cijfers in m'n hoofd vager, alsof er een lens voor hangt die maar niet scherp kan worden. Tweede poging ook mislukt. Wat nu?

Ik adem uit. In de verte zie ik taxibusjes staan, allemaal in hetzelfde beige van behangpapier uit de jaren ’70. Hoe veel zou een rit vanaf hier naar Gent kosten? Of naar Brussel? Makkelijk €500, als er een chauffeur al zo waanzinnig is om de opdracht aan te nemen. Ik ben een buitenlander. Mijn Duits hier is onbetrouwbaar gebleken: mensen verstaan me heel goed, maar omdat ik een bepaalde mentale grens voorbij steek van niveau, doen ze geen enkele moeite om zelf verstaanbaar te zijn. Megan lachte gisteren met me dat mijn poging om een Vlaams accent in m’n Duits aan te dikken door meer te mompelen en slechter te articuleren eigenlijk Duitser klonk dan de schoolmeestertaal waarmee ik kom aanzetten. Ik denk aan haar koele hand in de mijne. 

Derde poging, en daarna het begin van de verlossing of het begin van een waanzinnig en ongewild avontuur. Dat pad is grillig en breed: van proberen diverse taaie en humeurige instanties te overtuigen van mijn bonafides om ergens op een trein te geraken en maar tegen het putje van de nacht thuis te komen, tot ergens stranden in de grensgebieden tussen Duitsland en België en de nacht moeten doorbrengen in een elektriciteitscabine of een krot aan de rand van de spoorweg dat ik moet delen met een zwerver die naar kak ruikt (dit is iets waar ik ooit al over heb gedroomd), om vervolgens opgespoord te worden door de Cel Vermiste Personen, die ik vooreerst zal moeten vragen om een sigaret en een kop koffie. De telefoon ontgrendelt zich. Het pad vernauwt zich terug aanzienlijk. Mijn lijn naar mijn vrienden en geliefden is terug, en de hemelsblauwe telefoonachtergrond toont zich weer alsof er niets gebeurd is. Ik adem diep uit. Het angstzweet is al weg. Nu ik nog. 

dinsdag 16 december 2025

Van hetzelfde laken een astronautenpak

Om één voor middernacht op 31 december 2025 zal ik kunnen terugkijken op een jaar waarin de buitenwereld zich heeft gedragen volgens alle grimmige voorspellingen die ik had gemaakt op het einde van 2024, en een persoonlijk leven waar totale onvoorspelbaarheid troef was. Had je me toen ik onder vrienden en clandestien bijgewoond vuurwerk toostte op 2025 verteld dat ik in het jaar dat eraan kwam slachtoffer zou zijn in twee verkeersongevallen, door twee pijnlijke revalidatieprocessen zou moeten lopen, twee keer naar Berlijn zou gaan, twee werkgevers zou kennen en geen enkele nieuwe publicatie zou maken, had ik je mogelijk wel geloofd maar zou dan depressief naar huis gegaan zijn. Voorkennis: not even once.

Hoog boven Europa heb ik op de achterste rij van een vliegtuig in stilte geweend. Ik wou dat ik kon zeggen dat het was om een heroïsche of tragische reden, maar het was een gewoon gebroken hart. Want ook gewone dingen zijn onverminderd pijn blijven doen in de kwartmijlpaal van deze eeuw. Maar het hart genas, net als mijn andere gebroken onderdelen (rug, dijbeen, knie). Sommige dingen zijn niet genezen, maar dat was nooit de hoop. Ik ben nog steeds chronisch ziek, omdat dat is wat “chronisch” betekent, en zo je al kan spreken van een ziel, is die nog altijd een dubieuze sterrennevel met wijd vertakte filamenten donkere materie. Mensenlief, als ik al niet meer pathetisch mag zijn, wat dan wel nog.

Mentaal ver (maar niet te ver) van deze verstopte regenwaterput die België heet heb ik het nieuws gezien als een paranoïde bejaarde die af en toe met z'n vingers twee strips van het rolluik open duwt om te verspieden welk krakeel nu weer. Het is zoals verwacht hetzelfde circus met dezelfde zieltogende circusberen geweest. De langste cafétoog ter wereld reikt comfortabel tot aan de ministerraden. En als je niet meer elke dag ingeplugd zit in wat moet doorgaan voor het publieke debat, is het vrij gemakkelijk om te doen alsof het er niet is. Dat is een privilege en ik weet het. Want ik ben ook maar een bumper verwijderd van het precariaat en dat kan je best letterlijk nemen. Het is trouwens niet alsof mijn mentale afstand ervoor zorgde dat onze nationale instituten hun interesse verloren in mij. Integendeel, ik mocht me verheugen in allerlei brief- en mailverkeer vol woorden en zinsneden die de sfeer opriepen van een luguber Sovjet-ziekenhuis of misvormde ambtenaren met grote hoornen brillen. In realiteit werd al die correspondentie wellicht semi-automatisch verstuurd door een Anja, een Karen, een Derk of een Matthias in een niet al te onaangenaam kantoor, wat het eigenlijk nog deprimerender maakte.

Rond de wereld cirkelend van hetzelfde laken een astronautenpak: af en toe stak ik eens een teen in het bruine rioolwater van het internationale nieuws en voorts weinig, maar dat betekende niet dat het internationale nieuws niet gewoon naar me toe kwam. Eén van mijn grote liefhebberijen, het Eurovisiesongfestival, werd voor het tweede jaar op rij opgeluisterd door een land dat haast schokkend openlijk genocide pleegt en hoopte via valsspelerij een schijn te wekken van legitimiteit binnen Europa. Ik heb nog niet beslist of ik in 2026 ga kijken. Maar ik vrees dat de volgende defensielijn wellicht evenzeer tijdelijk zal zijn. Wie weet komt op een volgend poëzie-evenement waar ik optreed ook een bloemlezing van de Discord-groep van Schild & Vrienden. Of komt er een loodgieter langs voor het jaarlijkse boileronderhoud een boompje opzetten over hoe misbegrepen Andrew Tate is.

Het woord “hoop” probeer ik niet uit te spreken voor 2026, uit schrik het tegendeel te sommeren. Noch wil ik me laten looien door nutteloze bitterheid. Ik heb ook geleerd dat ambities voor de poort van een nieuw jaar er eigenlijk weinig toe doen. Maak je de voornemens groot, ze verschrompelen of blijven hangen aan de eerste hinderpaal. Hou ze je bescheiden, dan gebeurt er vaak wel iets waar ze in verdrinken in de oneindigheid en ben je ze al vergeten bent nog voor januari uit is. Wel ga ik 2026 in met dezelfde sterke ploeg in mijn leven als die van het jaar ervoor - vrienden en medestrijders, dichte familie en kennissen. Op dat vlak beleef ik al jaren hoogdagen. En al minstens even veel jaren blijf ik verrast dat veel nieuwe mensen die ik ontmoet op mijn pad, me ondanks alles toch sympathiek lijken te vinden en ik hen. Nu nog een beetje geluk, en ik zal 2026 ook wel overleven. 

woensdag 19 november 2025

Sådan var våren om hösten

De aardas kantelt en de duisternis neemt elke dag toe, samen met de kou en de regen. De bladersterfte is haar hoofdfase ingegaan en weer zijn nutteloze bladblazers op pad om met irritant veel lawaai weg te blazen wat er bij de volgende sterke windbui toch weer zal liggen. Ik benijd de Sisyfussen niet die dit als job hebben, maar vechten we eigenlijk niet allemaal tegen entropie? Bij hen is het gewoon naakt, onverbloemd, terwijl ik werk aan een oeuvre dat zoals al de rest eveneens gedoemd is om ooit vergeten te worden. Maar dat raakt me niet echt. Een ander gevecht tegen entropie lever ik op de fiets, waar ik voor het eerst sinds twee maanden terug op mag rijden. Ondanks het regengordijn van de milde PTSD dat me vergezelt, voelt deze stap vooruit bevrijdend. Ik ben weliswaar nog geketend door vele kettingen, maar de fietsketting is er niet langer één van.

Ik rij terug van bij de fysiotherapeut, mijn bondgenoot tegen de entropie. Tevens ben ik ook in psychotherapie. In mijn verbeelding sta ik opgetild in een garage op een autolift en zijn dat de mecaniciens die aan me sleutelen, m'n olie helpen verversen, de deuken uit mijn carrosserie hameren en de software-updates downloaden. Af en toe mag ik uit de garage om een ritje te rijden, en die ritjes gaan steeds beter. Volgende week mag ik ook terug naar kantoor op diezelfde fiets. Ik ben weinig sentimenteel als het op collega's aankomt, maar het gaat toch deugd doen om hun gezichten terug te zien, terug samen te kunnen lunchen of samen rookpauzes te nemen met de jonge garde aan vapers en zelfrollers (ik ruïneer mijn longen nog op klassieke wijze, met peperdure pakjes die ik koop in de krantenwinkel of bij louche tankstations).

M'n jas en broek worden kou en nat van de regen, onder een hemel die velen zouden aanvoelen als terneerdrukkend, deprimerend, behept met een soort gereïficeerde Belgische malaise. Doorheen een mangeljaar als 2025 is er veel kapotgegaan, maar niet mijn hang naar complexe woorden en gedachten. Die gebruik ik overigens nooit om nodeloos te pronken, maar omdat ze me brandstof geven. Megan, die vorig weekend bij me gelogeerd heeft en die ik op sleeptouw heb genomen door het stadscentrum als de toeristische gids die ooit aan mij verloren is gegaan, toonde me gisteren een artikel waarin staat dat (meer)taligheid mensen jonger houdt. Alweer een tijdelijke nederlaag voor de entropie dus. 

Bij de supermarkt maak ik een tussenstop. In de winkel speelt 'Rehab' van Amy Winehouse, een jaargenote die haar strijd tegen de entropie jammer genoeg 14 jaar geleden al moest opgeven. Ik zou niet graag een jong gestorven held geweest zijn, maar ten andere zou ik dat niet eens weten als ik dood was. Na de dood denk ik niet dat er nog iets wacht op ons. Meer nog, het concept van als geest of ziel God weet waar eeuwig achter te blijven lijkt me een verschrikking. Hoe eeuwig is die eeuwigheid dan? Tot de Aarde geroosterd wordt door een almaar heter wordende zon? Totdat het universum uit elkaar getrokken wordt door donkere energie? Tot alles afkoelt naar het absolute nulpunt en tijd zelf stopt? We spreken hier over tijdschalen van miljarden tot centiljoenen jaren. Waar moet je je al die tijd mee bezighouden? 

Nee, dan liever deze vreemde lente middenin de herfst. Ik beleef die met een zekere zachtheid, met telefoongesprekken allerhande (als een soort inversie van de tomeloze tiran uit Luceberts 'Stand van zaken'), knus onder dekentjes en in het gezelschap van Reginald. Gisteren zat hij in al zijn zaligheid achter mij in de zetel, traag in- en uitademend, soezend tegen een paar kussens, terwijl ik werkte. Katten lijken het interessant te vinden als mensen arbeid leveren, zelfs geruststellend: “Aha, mijn baasje is weer aan het praten tegen een scherm en tikt met zijn poten op een rechthoek – dan is alles in orde.” Niet alles is in orde, natuurlijk. Ik sta nog steeds op de autolift in de garage, maar uit het oude wrak komt langzamerhand de herstelde wagen tevoorschijn. De reële ik rolt inmiddels de garage binnen met piepende remmen. Binnenkort gaat ook deze fiets nog eens binnen voor een onderhoudsbeurt, want ook hij is één van mijn vele bondgenoten tegen de entropie.