Over 'Onklare taal'

'Onklare taal' is de verzamelnaam van diverse tekstprojecten van mijn hand. Dit is de afdeling columns en microstories daarvan. In 2017 bracht ik 'In de vorm van een vogel' uit, een bundeling van de beste 99 teksten van dit genre tot op dat punt, netjes geredigeerd en per seizoen geordend. Je kan die antologie gratis downloaden als je Patron wordt. De weg een beetje kwijt? Mijn eigenlijke website, die ook 'Onklare taal' heet, verwelkomt je.

dinsdag 10 februari 2026

Donderen in Keulen

Een half uur lang ben ik in blinde paniek en wandel ik in cirkels rond de Dom van Keulen. Daarnet viel mijn telefoon aan de oevers van de Rijn doodleuk uit zonder waarschuwing, maar ik ken de hard gecodeerde pincode van m’n simkaart niet uit m’n hoofd (enkel die van mijn telefoon). Op die telefoon staat echter mijn treinticket naar Brussel, en die trein is zopas afgeschaft zonder uitleg. Ik kan niemand appen of bellen om om hulp te vragen, want de telefoon is slechts gehuld in de homerische nacht – maakte Stanley Kubrick zijn 2001 vandaag, zou uit het opvliegende bot een telefoon ontstaan in plaats van een ruimtesonde – en iemand aanklampen om een telefoon te lenen kan ik ook niet want ik ken geen enkel telefoonnummer uit m’n hoofd behalve dat van mezelf. Enkele jaren terug verloor ik m’n telefoon in een taxi. Toen ik hem terug kwam halen bij de politie, zei de baliemedewerkster vrolijk “we hebben u nochtans proberen bellen meneer, maar u nam niet op”, waarop ik een paar keer met de ogen knipperde en vroeg: “op… de telefoon die ik hier kom halen?”. Maar nu is hij niet kwijt, maar dood.

Na enkele rondes ga ik zitten op de trappen voor de Dom. Ik beeld me de zorgen in die sommige mensen zich zullen maken als ze de komende 6 tot 10 uren niks meer van mij zullen vernemen. Dat zijn er niet veel, maar ze doen er wel toe. Megan in de eerste plaats, die bijna twee uur geleden eerder vertrok uit Keulen, op een trein die naar de normen van Deutsche Bahn haast miraculeus op tijd was. Belgen die voor het eerst kennismaken met het Duitse spoor zijn steevast onthutst door de chaos en het gebrek aan stiptheid van de treinen bij onze oosterburen, want Duitsland, dat is toch het land van obsessieve Pünktlichkeit en Gründigkeit? Niet zo. Deutsche Bahn wordt nog slechter gerund dan de NMBS een decennium geleden, en dat zegt wat. Het is een beetje als in je eerste keer Frankrijk vaststellen dat er nergens baguettes te vinden zijn, of een Fin tegenkomen die de oren van je kop praat.

Wat te doen? Ik haal diep adem en negeer het drukke gaan en komen van mensen in en uit het station op het grote, propere plein. Ik maak me onzichtbaar, in mezelf gedrukt, zelfs geen lokaas voor brolverkopers of psychotische daklozen, die stations in Europa steeds als een natuurwet lijken aan te trekken. Bidden doe ik niet, al is de aanwezigheid van ’s werelds grootste gotische kathedraal zonder meer verpletterend. De Dom is van de buitenkant eigenlijk nog indrukwekkender dan aan de binnenkant. Je mag er gratis binnen maar er zijn overal opzichtig collectebussen opgesteld in meerdere talen om je schuldgevoel aan te wakkeren: vintage katholicisme. Het bouwwerk zou overigens net zo goed kunnen dienen als tempel voor de Ecclesiarchie uit het 41ste millennium, waar de God-Keizer wordt aanbeden die al 10.000 jaar wegrot op zijn Gouden Troon. Maar zo veel tijd heb ik niet om thuis te raken. 

Ik sluit de ogen en duik in mezelf. Drie cijfers komen naar boven geborreld. Over het vierde ben ik niet zeker. Ik open m’n ogen en probeer mijn eerste gok. Verkeerd. Dat had ik wel verwacht. Ik denk aan het kleine papiertje waar ik die code ooit op schreef. Het originele plastic uitdrukkaartje dat in een theekop staat op m’n bureau. De cijfers op dat kaartje. Het regent een heel klein beetje. Het miezert al weken af en aan, ook aan de oevers van de Rijn. Ook mislukt. Wat nu?

Ik adem uit. In de verte zie ik taxibusjes staan, allemaal in hetzelfde beige van behangpapier uit de jaren ’70. Hoe veel zou een rit vanaf hier naar Gent kosten? Of naar Brussel? Makkelijk €500, als er een chauffeur al zo waanzinnig is om de opdracht aan te nemen. Ik ben een buitenlander. Mijn Duits hier is onbetrouwbaar gebleken: mensen verstaan me heel goed, maar omdat ik een bepaalde mentale grens voorbij steek van niveau, doen ze geen enkele moeite om zelf verstaanbaar te zijn. Megan lachte gisteren met me dat mijn poging om een Vlaams accent in m’n Duits aan te dikken door meer te mompelen en slechter te articuleren eigenlijk Duitser klonk dan de schoolmeestertaal waarmee ik kom aanzetten. Ik denk aan haar koele hand in de mijne. 

Derde poging, en daarna het begin van de verlossing of het begin van een waanzinnig en ongewild avontuur. Dat pad is grillig en breed: van proberen diverse taaie en humeurige instanties te overtuigen van mijn bonafides om ergens op een trein te geraken en maar tegen het putje van de nacht thuis te komen, tot ergens stranden in de grensgebieden tussen Duitsland en België en de nacht moeten doorbrengen in een elektriciteitscabine of een krot aan de rand van de spoorweg dat ik moet delen met een zwerver die naar kak ruikt (dit is iets waar ik ooit al over heb gedroomd), om vervolgens opgespoord te worden door de Cel Vermiste Personen, die ik vooreerst zal moeten vragen om een sigaret en een kop koffie. De telefoon ontgrendelt zich. Het pad vernauwt zich terug aanzienlijk. Mijn lijn naar mijn vrienden en geliefden is terug, en de hemelsblauwe telefoonachtergrond toont zich weer alsof er niets gebeurd is. Ik adem diep uit. Het angstzweet is al weg. Nu ik nog. 

dinsdag 16 december 2025

Van hetzelfde laken een astronautenpak

Om één voor middernacht op 31 december 2025 zal ik kunnen terugkijken op een jaar waarin de buitenwereld zich heeft gedragen volgens alle grimmige voorspellingen die ik had gemaakt op het einde van 2024, en een persoonlijk leven waar totale onvoorspelbaarheid troef was. Had je me toen ik onder vrienden en clandestien bijgewoond vuurwerk toostte op 2025 verteld dat ik in het jaar dat eraan kwam slachtoffer zou zijn in twee verkeersongevallen, door twee pijnlijke revalidatieprocessen zou moeten lopen, twee keer naar Berlijn zou gaan, twee werkgevers zou kennen en geen enkele nieuwe publicatie zou maken, had ik je mogelijk wel geloofd maar zou dan depressief naar huis gegaan zijn. Voorkennis: not even once.

Hoog boven Europa heb ik op de achterste rij van een vliegtuig in stilte geweend. Ik wou dat ik kon zeggen dat het was om een heroïsche of tragische reden, maar het was een gewoon gebroken hart. Want ook gewone dingen zijn onverminderd pijn blijven doen in de kwartmijlpaal van deze eeuw. Maar het hart genas, net als mijn andere gebroken onderdelen (rug, dijbeen, knie). Sommige dingen zijn niet genezen, maar dat was nooit de hoop. Ik ben nog steeds chronisch ziek, omdat dat is wat “chronisch” betekent, en zo je al kan spreken van een ziel, is die nog altijd een dubieuze sterrennevel met wijd vertakte filamenten donkere materie. Mensenlief, als ik al niet meer pathetisch mag zijn, wat dan wel nog.

Mentaal ver (maar niet te ver) van deze verstopte regenwaterput die België heet heb ik het nieuws gezien als een paranoïde bejaarde die af en toe met z'n vingers twee strips van het rolluik open duwt om te verspieden welk krakeel nu weer. Het is zoals verwacht hetzelfde circus met dezelfde zieltogende circusberen geweest. De langste cafétoog ter wereld reikt comfortabel tot aan de ministerraden. En als je niet meer elke dag ingeplugd zit in wat moet doorgaan voor het publieke debat, is het vrij gemakkelijk om te doen alsof het er niet is. Dat is een privilege en ik weet het. Want ik ben ook maar een bumper verwijderd van het precariaat en dat kan je best letterlijk nemen. Het is trouwens niet alsof mijn mentale afstand ervoor zorgde dat onze nationale instituten hun interesse verloren in mij. Integendeel, ik mocht me verheugen in allerlei brief- en mailverkeer vol woorden en zinsneden die de sfeer opriepen van een luguber Sovjet-ziekenhuis of misvormde ambtenaren met grote hoornen brillen. In realiteit werd al die correspondentie wellicht semi-automatisch verstuurd door een Anja, een Karen, een Derk of een Matthias in een niet al te onaangenaam kantoor, wat het eigenlijk nog deprimerender maakte.

Rond de wereld cirkelend van hetzelfde laken een astronautenpak: af en toe stak ik eens een teen in het bruine rioolwater van het internationale nieuws en voorts weinig, maar dat betekende niet dat het internationale nieuws niet gewoon naar me toe kwam. Eén van mijn grote liefhebberijen, het Eurovisiesongfestival, werd voor het tweede jaar op rij opgeluisterd door een land dat haast schokkend openlijk genocide pleegt en hoopte via valsspelerij een schijn te wekken van legitimiteit binnen Europa. Ik heb nog niet beslist of ik in 2026 ga kijken. Maar ik vrees dat de volgende defensielijn wellicht evenzeer tijdelijk zal zijn. Wie weet komt op een volgend poëzie-evenement waar ik optreed ook een bloemlezing van de Discord-groep van Schild & Vrienden. Of komt er een loodgieter langs voor het jaarlijkse boileronderhoud een boompje opzetten over hoe misbegrepen Andrew Tate is.

Het woord “hoop” probeer ik niet uit te spreken voor 2026, uit schrik het tegendeel te sommeren. Noch wil ik me laten looien door nutteloze bitterheid. Ik heb ook geleerd dat ambities voor de poort van een nieuw jaar er eigenlijk weinig toe doen. Maak je de voornemens groot, ze verschrompelen of blijven hangen aan de eerste hinderpaal. Hou ze je bescheiden, dan gebeurt er vaak wel iets waar ze in verdrinken in de oneindigheid en ben je ze al vergeten bent nog voor januari uit is. Wel ga ik 2026 in met dezelfde sterke ploeg in mijn leven als die van het jaar ervoor - vrienden en medestrijders, dichte familie en kennissen. Op dat vlak beleef ik al jaren hoogdagen. En al minstens even veel jaren blijf ik verrast dat veel nieuwe mensen die ik ontmoet op mijn pad, me ondanks alles toch sympathiek lijken te vinden en ik hen. Nu nog een beetje geluk, en ik zal 2026 ook wel overleven. 

woensdag 19 november 2025

Sådan var våren om hösten

De aardas kantelt en de duisternis neemt elke dag toe, samen met de kou en de regen. De bladersterfte is haar hoofdfase ingegaan en weer zijn nutteloze bladblazers op pad om met irritant veel lawaai weg te blazen wat er bij de volgende sterke windbui toch weer zal liggen. Ik benijd de Sisyfussen niet die dit als job hebben, maar vechten we eigenlijk niet allemaal tegen entropie? Bij hen is het gewoon naakt, onverbloemd, terwijl ik werk aan een oeuvre dat zoals al de rest eveneens gedoemd is om ooit vergeten te worden. Maar dat raakt me niet echt. Een ander gevecht tegen entropie lever ik op de fiets, waar ik voor het eerst sinds twee maanden terug op mag rijden. Ondanks het regengordijn van de milde PTSD dat me vergezelt, voelt deze stap vooruit bevrijdend. Ik ben weliswaar nog geketend door vele kettingen, maar de fietsketting is er niet langer één van.

Ik rij terug van bij de fysiotherapeut, mijn bondgenoot tegen de entropie. Tevens ben ik ook in psychotherapie. In mijn verbeelding sta ik opgetild in een garage op een autolift en zijn dat de mecaniciens die aan me sleutelen, m'n olie helpen verversen, de deuken uit mijn carrosserie hameren en de software-updates downloaden. Af en toe mag ik uit de garage om een ritje te rijden, en die ritjes gaan steeds beter. Volgende week mag ik ook terug naar kantoor op diezelfde fiets. Ik ben weinig sentimenteel als het op collega's aankomt, maar het gaat toch deugd doen om hun gezichten terug te zien, terug samen te kunnen lunchen of samen rookpauzes te nemen met de jonge garde aan vapers en zelfrollers (ik ruïneer mijn longen nog op klassieke wijze, met peperdure pakjes die ik koop in de krantenwinkel of bij louche tankstations).

M'n jas en broek worden kou en nat van de regen, onder een hemel die velen zouden aanvoelen als terneerdrukkend, deprimerend, behept met een soort gereïficeerde Belgische malaise. Doorheen een mangeljaar als 2025 is er veel kapotgegaan, maar niet mijn hang naar complexe woorden en gedachten. Die gebruik ik overigens nooit om nodeloos te pronken, maar omdat ze me brandstof geven. Megan, die vorig weekend bij me gelogeerd heeft en die ik op sleeptouw heb genomen door het stadscentrum als de toeristische gids die ooit aan mij verloren is gegaan, toonde me gisteren een artikel waarin staat dat (meer)taligheid mensen jonger houdt. Alweer een tijdelijke nederlaag voor de entropie dus. 

Bij de supermarkt maak ik een tussenstop. In de winkel speelt 'Rehab' van Amy Winehouse, een jaargenote die haar strijd tegen de entropie jammer genoeg 14 jaar geleden al moest opgeven. Ik zou niet graag een jong gestorven held geweest zijn, maar ten andere zou ik dat niet eens weten als ik dood was. Na de dood denk ik niet dat er nog iets wacht op ons. Meer nog, het concept van als geest of ziel God weet waar eeuwig achter te blijven lijkt me een verschrikking. Hoe eeuwig is die eeuwigheid dan? Tot de Aarde geroosterd wordt door een almaar heter wordende zon? Totdat het universum uit elkaar getrokken wordt door donkere energie? Tot alles afkoelt naar het absolute nulpunt en tijd zelf stopt? We spreken hier over tijdschalen van miljarden tot centiljoenen jaren. Waar moet je je al die tijd mee bezighouden? 

Nee, dan liever deze vreemde lente middenin de herfst. Ik beleef die met een zekere zachtheid, met telefoongesprekken allerhande (als een soort inversie van de tomeloze tiran uit Luceberts 'Stand van zaken'), knus onder dekentjes en in het gezelschap van Reginald. Gisteren zat hij in al zijn zaligheid achter mij in de zetel, traag in- en uitademend, soezend tegen een paar kussens, terwijl ik werkte. Katten lijken het interessant te vinden als mensen arbeid leveren, zelfs geruststellend: “Aha, mijn baasje is weer aan het praten tegen een scherm en tikt met zijn poten op een rechthoek – dan is alles in orde.” Niet alles is in orde, natuurlijk. Ik sta nog steeds op de autolift in de garage, maar uit het oude wrak komt langzamerhand de herstelde wagen tevoorschijn. De reële ik rolt inmiddels de garage binnen met piepende remmen. Binnenkort gaat ook deze fiets nog eens binnen voor een onderhoudsbeurt, want ook hij is één van mijn vele bondgenoten tegen de entropie. 

woensdag 22 oktober 2025

Code oranje

Op de bus bedenk ik me niet voor de eerste keer deze ochtend dat op dagen dat ik niet hoef te werken, ik eigenlijk beter niet voor de middag afspreek met mensen, omdat het bioritme dat ik van nature aanneem me eigenlijk sterk in de richting duwt van slapen tot de middag. Je kan dat decadent vinden, maar ik heb even veel productieve uren op een dag als iemand anders, ik zit alleen langer op en hou ervan om te verpozen in het warme deken van de nacht, waar ik niet gestoord word door toeterende auto’s, schreeuwende kinderen, aanbellende pakjesbezorgers of de buurt bijeen blaffende honden. Wat dus nu wel het geval is. De buspassagiers tonen zich in al hun superdiverse marginaliteit. Dat riekt naar classisme en is tegelijk ironisch, want ik zit hier zelf ook, in mijn joggingbroek waarin de contouren van mijn beenbrace duidelijk zichtbaar zijn. Ik zit ergens halverwege mijn revalidatie na een operatie, en het is lastig om te dragen. Misschien daarom dat ik me zo veel sneller erger aan de ander, want ik zou dat ook wel willen, complexloos en schaamteloos zijn in mijn volslagen gebrek aan stijl, goede manieren of weigering om nog te doen alsof ik deze maatschappij iets wil betekenen. Maar het is niet anders.

Onderweg merk ik dat de opmars van de Engelse ziekte onverdroten verdergaat: “vis winkel”, “sfeer café”, “sleutel maker”. Ook veel kleine brolzaakjes die erin slagen kennelijk drie namen tegelijk te dragen, of in hun opschriften twee verschillende lettertypes combineren. Ik passeer de rijschool in de Brugse Poort die “NU SLAGEN” afficheert, wat voor iemand van Antwerpen of Brabant wellicht onbedoeld komisch overkomt. Maar weet je, liever dit soort semi-gereglementeerde kleine ondernemingen dan protserige petit bourgeois-huizen in fake fermettestijl met affiches in de voortuin waar zo’n snerende rechtse N-VA-smoel op staat. Want daar heb je er in de buurt waar ik woon al meer dan genoeg van. En de mentaliteit waar die vaak mee samengaat associeer ik met de ijskoude luchtstromen van de communicaties die ik de laatste weken weer mag ondervinden van verzekeringen, huisbazen en nutsmaatschappijen. Altijd weer die kille, haast robotische toon, afstandelijk vousvoyerend, verordenend, beschuldigend, eisend, afketsend. Nergens een vriendelijk woord. Gisteren schreef een verzekeraar zelfs m’n achternaam achteloos verkeerd. En er is niet eens kwade wil mee gemoeid: die mensen denken vast dat dat zo hoort. Wel, ik nodig hen uit eens door het proces te gaan van wat ik intussen zelf al 8 maanden moet doormaken, en ik zou dan willen zien hoe het gesteld is met hun goede luim.

Er zijn ook lichtpunten. Initieel zag ik enorm op tegen de kinesitherapie waar ik weer doorheen moest, maar de fysio is een aangename jonge vrouw met een wat ongepast gevoel voor humor waar ik goed op ga en is nog niet samengedrukt tot een bal bruine plasticine zoals zo veel andere mensen op deze wereld. De dame die ik even geleden aan de lijn had om m’n internet te fiksen toonde zich ook erg medelevend en menselijk – zoiets moet niet, het is niet verplicht, maar het maakt het aan mijn kant van de lijn allemaal zo veel draaglijker.

Ik word uit de bus gekieperd aan de Korenmarkt en stap dan naar de Wasbar aldaar, waar mijn brunchafspraak op me wacht. Ik probeer te letten op mijn postuur en wandelritme, beiden intussen misvormd door opeenvolgende revalidaties. Recht de rug en de nek. Hiel van de linkervoet eerst, niet de wreef. Het is niet al te druk en veel zaken zijn nog dicht. Weinig toeristen, ook. Ik sta er soms niet voldoende bij stil dat ik in een stad woon waar werelderfgoed huist omdat het voor mij al decennia gewoon het decor is waarbinnen mijn dagelijkse leven zich afspeelt, maar het is zeker een privilege. Net als, ondanks mijn bitterheid, in een land te mogen wonen waarin mijn gezondheidsproblemen geen enkele reis richting financiële ruïnering zijn. Als het lag aan de instanties die me nu zo belagen en bejegenen met de menselijkheid van een fascistische stationschef, zou dat wellicht anders zijn. Ik wil er niet aan denken. 

Ik vind de Wasbar, intussen al jaren een keten met vestigingen overal in Vlaanderen, maar initieel een Gents hipsterconcept waarvan het idee eigenlijk goed gevonden is, maar het was-gedeelte mettertijd verdwenen lijkt. Om een stom punt te maken had ik misschien wat vuil ondergoed moeten meebrengen. Ik zie opvallend veel mensen met oranje gekleurd haar op straat. Pas onlangs realiseerde ik me dat mensen die we roodharig noemen, eigenlijk oranje haar hebben, maar dat de term voor roodharigen ouder is dan de term voor de kleur oranje in onze taal. Ik heb zelf ook wat oranje in m’n baard, al beginnen de eerste grijze haren zich daar eveneens te tonen. En ik ga er vast nog een paar bij krijgen als ik nog vaak vroeg uit de veren moet op een dag dat ik niet hoef te werken, maar voor goede vrienden heb ik het er voor over. Als ik binnenstap, word ik op een brede, verwelkomende glimlach getrakteerd, en daar doet een mens het voor. Wel, en een grote kop koffie. 

maandag 25 augustus 2025

De meest humane executie ter wereld

Ik wenste dat ik niet zo veel voelde. Mijn hoofd gaat in en uit focus op het werk en ik ben misselijk. Ik sta op de rand van een hoge klif waar ik voortdurend over dreig te struikelen, het zwarte water in. Gisterenavond is het doek definitief gevallen over twee erg intense maanden met een persoon waar ik de hoop van had gekoesterd dat er iets duurzaams kon uit groeien - al van in het begin was het een riskante propositie, maar er bestaan ook bomen die tegen alle verwachtingen in kunnen groeien uit de kleinste barsten in beton en toch groot en sterk worden. Emotioneel exhibitionisme vind ik pathetisch en getuigen van weinig smaak, dus veel meer details over de persoon wil ik niet aan de publieke bühne toevertrouwen. Ik ga Nea nooit vergeten maar ik zal hen meer dan waarschijnlijk ook nooit meer zien.

Als ik naar buiten ga om te roken, gaat m'n zonnebril mee. Voor het eerst in een week moet ik weer nu en dan huilen. Ik wil het niet maar ik kan het niet tegenhouden.
 
Je kan je geen weg redeneren uit een gebroken hart en dat vind ik ontzettend frustrerend. Een afwijzing is geen discussie, geen kwestie van gelijk of geen kwestie van feiten en fictie: de afwijzing zelf IS het feit. Nea zei in essentie dat onze temperamenten te verschillend zijn. Aan de oppervlakte zou je nochtans zeggen van niet, want allebei ADHD-bijen met een biljoen interesses en een zin voor diepgang tot aan de aardkern. Maar ik denk dat ik hen eigenlijk al een beetje aan het uitputten was tegen dat we elkaar voor het eerst in levende lijve zagen. We zeiden zelfs tegen elkaar dat die enorme intensiteit van de eerste weken dat we contact hielden, op termijn nooit houdbaar zou zijn geweest en ons zou opgebrand hebben. Maar kennelijk beseften we toen nog niet dat het eigenlijk al te laat was. Of beter: het was te laat voor hen.

Misschien verklaart dat die curieuze holte die ik was beginnen voelen ongeveer twee weken voor we elkaar zouden zien. Alsof er iets uit de foto weggeknipt was. Ik weet het toen en ook op het moment dat die me een eerste keer afwees bij m'n bezoek aan het feit dat ik verliefd was en die niet. Maar misschien was het wat anders en misschien maakt het ook helemaal geen bal uit voor de gevoelens die de Grand Prix van Monaco door m'n lichaam en hoofd racen, rondje na rondje na rondje na rondje, zinloos, ziedend, onnozel.

En dan denk ik: "maar hoe kan ik nu te intens zijn als jij dat ook was?" Ik herinner me een dag waarop ik uit het niets meer dan 10 berichten had gekregen op diverse tijdstippen doorheen de dag. Of dat die een volledige playlist naar me gooide. Of nog volop voice notes zat te sturen om 4 uur 's ochtends. Ik zou m'n eigen intensiteit nooit zo opgeschaald hebben als Nea niet eerst begonnen was, want het was Nea die eerst suggereerde om op een app verder te praten, het was Nea die me eerst foto's stuurde, het was Nea die eerst voice notes stuurde en het was Nea die voor het eerst in mijn bijzijn huilde.

Maar ik geef toe dat er ook een ander aspect was aan Nea dat ik soms voelde als licht dat nu en dan flinterdun geschild van tussen dicht vergroeide boomkruinen kan komen. Nea was soms koel als een steen. Niet hard of ongevoelig, maar koel zoals veel mensen koel kunnen zijn. Ik denk dat ik dat niet wilde zien of beleven en bleef intussen zelf branden met de intensiteit van Betelgeuse zelf. Die had het vuur in me aangestoken en het ging. Gewoon. Niet. Meer. Uit. In m'n dagelijkse leven heb ik na meer dan vier decennia geleerd om dat te maskeren en te doseren. In m'n dichtste vriendschappen vertoont dat masker vaak barsten en m'n broers herinneren het zich maar al te goed: Matthias vroeg me ooit waarom ik altijd zo "relentless" was. En in liefde kan ik het simpelweg niet. Omdat het ook één van de meest intense emoties is die ik voel.

Wat ik me ook herinner is dat mijn relatie met Inna, nu 14 jaar geleden, in wezen opbrandde op een gelijkaardige manier, maar dan omgekeerd. Ik had haar toen al gevraagd niet meer alle kanalen te gebruiken voor ons contact (sms, Messenger, e-mail), maar na een tijdje gebeurde het toch weer opnieuw en hadden we allebei de onhebbelijke gewoonte snel op elkaars berichten te reageren, waardoor we op de duur weer aan tientallen berichten per dag kwamen maar geen ademruimte hadden om nog iets op te bouwen waar we effectief wat over te vertellen hadden.

Zo ging het niet bij Nea en we waren ook al niet samen. Ik dacht zelfs dat ik goed aan het doseren was. En luister, ik weet dat ik veel kan zijn, zeker voor mensen die een ontzettend groot verlangen in me weten aan te wakkeren. Het ging hier niet over zoiets banaals als berichtfrequenties, maar wellicht ook de volledige man die ik ben. Die man die ontzettend veel dingen voelt, de hele tijd, op elk moment, zelfs in de diepste droomtoestand. Soms verwonderen mensen er zich over hoe ik dat eigenlijk klaarspeel, gemiddeld op minder dan zes uur slaap een volledige werkdag afwerken, lezen, schrijven, nadenken, tijd maken voor vrienden en familie en er toch niet uitzien als een onverzorgde, half-verwilderde zonderling. Nea liet het ook eens vallen: "hoe ben jij zo productief?". Ik schampte dat ik gewoon niet veel beters te doen had maar eigenlijk is het gewoon een vloek.

Even later tank ik koffie en zit ik bij HR. Ik ben de vriendelijke werknemer met productieve ideeën. Het masker zit goed vast, het past bij me. Het is ook niet zo moeilijk - ik wil namelijk niet echt iets van deze dame, buiten hoe ik min of meer kan invullen wat die van me verwacht op het werk zodat m'n job niet in gevaar komt. Voor sommige mensen is dat vast al hachelijk genoeg en zoals Sia ooit zong hebben sommige mensen inderdaad echte problemen. Wat sneu voor me, al die gevoelens, die gevoeltjes, de dichter met hartzeer, de idioot die zich met wijdopen ogen te pletter smeet tegen een koele steen en zichzelf had wijsgemaakt dat het een verkwikkend bad zou worden. Als er al iemand is die me mag uitlachen, ben ik het zelf wel.

En Nea, ach Nea, wees me af op de meest vriendelijke, lieve en menselijke manier. Ik deed niks verkeerd, ik mag niet vergeten dat ik ook liefde verdien maar we gaan zelfs de platonische meubelen hier niet kunnen redden. Op het moment dat ik die woorden las was ik geraakt maar vooral door hoe hun laatste communicatie zo netjes was, zo genuanceerd en met zo veel mededogen geschreven. Ik denk niet dat ik ooit al op een liefdevollere manier ben afgewezen. Maar dat is natuurlijk ook wel wat als de meest humanitaire executie ter wereld. En dat voelde ik deze ochtend, het spinrag weggeblazen van hun woorden in de nacht. Tegen hen had ik de nacht zelf nog gezegd wat ik te zeggen had, hun bedankt voor een ongelooflijk mooie, intense periode van kennismaking, en geen spijt van het op z'n minst te hebben geprobeerd. Met iemand die heel, heel eventjes in m'n leven de mooiste persoon op Aarde was voor me. Ik wenste gewoon dat ik niet zo veel hoefde te voelen.