Over 'Onklare taal'

'Onklare taal' is de verzamelnaam van diverse tekstprojecten van mijn hand. Dit is de afdeling columns en microstories daarvan. In 2017 bracht ik 'In de vorm van een vogel' uit, een bundeling van de beste 99 teksten van dit genre tot op dat punt, netjes geredigeerd en per seizoen geordend. Je kan die antologie gratis downloaden als je Patron wordt. De weg een beetje kwijt? Mijn eigenlijke website, die ook 'Onklare taal' heet, verwelkomt je.

maandag 2 september 2013

De rand van gisteren

Door de rondzwervende gedachten en herinneringen voelt m'n hoofd aan alsof het niet één ding is, maar een namaakschedel waarvan verschillende stukjes nog terug moeten samengelegd worden om één coherent geheel te vormen. Ik sta aan het grote venster van m'n living en ik kijk naar de straat - een aquarium dat ik zo nu en dan voeder met asse. De wijn smaakt me niet, en ik proef nog altijd Chinese champignons op m'n tong. Beter dan de zoute pindanootjes van deze namiddag, alleszins, die ik nog niet zout genoeg vond en daarom vruchteloos met extra zout had proberen bedekken. Deze banale walgelijkheid werd ontdekt door Natasha, die me er dan ook prompt voor veroordeelde.

In m'n rug zit een druk gezelschap aan tafel, verzameld rond lege en halflege dozen van de afhaalchinees. Ik frons, de baan volgend van een lawaaibestelwagen, en ik vraag me af wie er nu nog, zondagavond laat, in de vele cafés zit die op het Heuvelpoort-kruispunt open zijn. Intussen voer ik een gesprek met een paar mensen die ook mee aan het raam zijn komen staan voor afdeling. Ik veeg de fragmenten van mijn imaginaire schedel bijeen. Er is een herinnering van de nacht voordien, van schuifelen over een plakkerige dansvloer, een herinnering aan armen vastnemen en een gegrom in donkere kamers, en ook aan gesprekken met onbekenden die nergens naartoe gingen. Het labyrint van het uitgaan. Wordt een mens daar ooit te oud voor? Alleszins wel voor de katers.

Magdalena en ik praten over geld. Zij die nooit wat tekort kwamen, weten zelden wat geld echt betekent, en zijn altijd zo snel om de rekening te maken van anderen. Ja, als ik nooit gerookt had, had ik met al dat gecombineerde geld al een vette SUV kunnen kopen voor m'n imaginaire familie, maar hoeveel niet-rokers hebben er een vette SUV, dan? Magda en ik verstaan elkaar op dat vlak. Hoe dan ook ben ik niet in de stemming om op de imaginaire pupiter te kloppen over de misverstanden in de wereld.

Al meermaals heb ik m'n liefde uitgedrukt voor de betere lulconversatie. Het is de verbale variant van kinderen die creatief een bal naar elkaar toekaatsen op het speelplein. Het hoeft niet echt over iets wezenlijk te gaan, het moet vooral gesmeerd lopen. Een element van verrassing, hier en daar, een onverwachte domme mop of een dolkstoot: het kan allemaal. Het is een zuiver taalspel dat Wittgenstein trots zou gemaakt hebben, om maar niet Shakespeares 'all the world's a stage' erbij te slepen, want ook originaliteit blijft belangrijk.

Als kind observeerde ik volwassenen graag in hun onderlinge gesprekken. Ik had al snel in de gaten welke strategieën grote mensen hanteerden. Er was een aangetrouwd familielid dat altijd traag praatte, met veel gevoel voor romantiek en retoriek. Er was ook een tante die zich specialiseerde in snedige one-liners, en er was natuurlijk de oom die compleet toondoof was voor wat er gebeurde. Voor hem waren gesprekken vooral een kans om te monologeren over zijn al dan niet ingebeelde verwezenlijkingen. Ik voel me overigens slecht op m'n gemak bij mensen die taalspelen aangrijpen om hun persoonlijke drama's tentoon te spreiden, ook al doen ze het niet opzettelijk. Dito voor wolven aan de rand van de conversatie die niet willen deelnemen aan bredere gesprekken en agressief enkel jouw aandacht blijven vasthouden. Luister, ik heb ook het boek met regels voor goede sociale interactie niet meegekregen bij m'n geboorte, maar door dat gebrek heb ik verduiveld goed m'n best leren doen om bij te benen, dus verwacht niet van mij dat ik een uur foto's zit te bekijken op je smartphone van je voettocht door de Peloponnesos.

Wat ook weer waar is: iedereen maakt zijn eigen verhaal over zichzelf. We zijn wandelende verhalen. De ene ziet zichzelf als de vervulling van een noodlot, de andere als een tragikomedie waar stukken van ontbreken. Iemands wereldbeeld zegt vaak meer over zijn zelfbeeld dan over hoe de dingen werkelijk zijn.

Ik sluit de ogen en voel via de maag, die ook op wandel lijkt te zijn door het lichaam, hoe gisteren zich in vandaag duwt als een kreukelzone van een gecrashte auto. Zo gaat het altijd met de dagen. De ene boort zich in de andere, de regenbui van de nacht laat sporen na in de natte ochtend en het hete zonlicht van vandaag zal er ook nog even over doen om zich terug te trekken uit mijn kamer. Ik koester al jaren de ijdele hoop dat het ritme van mijn dagen zich op een mooie keer eindelijk volmaakt om de contouren van week- en weekenddagen zal kunnen plooien, maar een modelburger zal ik wel nooit worden. Ik steel te graag de uren na middernacht.

Soms denk ik dat de samenleving een zwijgend complot heeft gesmeed tegen mensen als ik. Er is altijd zo veel bullshit waar je je hoort mee bezig te houden: papieren invullen, rekeningen betalen, de auto binnendoen voor groot onderhoud, formulieren en officiële stempels gaan krijgen, vertragingen verdragen van het openbaar vervoer, gedwongen tijd doorbrengen met familie en collega's of simpelweg de almacht van de media, die je langs alle kanten in je oor brullen met nieuws dat er niet toe doet.

Roman vindt me op dat vlak onverdraagzaam en te hard. Ik zeg: het is een bijzondere gevoeligheid om te weten wat er wel en wat er niet toe doet. Het is niet dat alles een explosie moet zijn van zorgeloos genot, integendeel. Het is dat de maatschappij gebouwd is op wat goed hoort te zijn voor de grootste gemene deler, en daar hoor ik niet bij. Het is niet dat ik daar trots op ben. Als tiener had ik niets liever gewild dan normaal zijn, handjes vasthouden met leuke meisjes en goed zijn in voetbal. Ik heb echter al lang aanvaard dat ik niet pas in de mal van tuinmeubelen en reality-tv.

Intussen raakt de drank op en gaan de gesprekken verder over bizarre seksuele handelingen (de Poltergeist, de Steamboat Willie, de Jelly Doughnut) of hoe verleidelijk een carrière als astroloog zou zijn. Er is geen reden tot klagen. Onzichtbaar is Natasha weer maar eens de perfecte gastvrouw en ruimt ze efficiënt de tafel af, terwijl de gasten één na één huiswaarts gaan. Roman onderhoudt me over m'n boeken die hij aan het proeflezen is, en Shinji kijkt uit naar zijn nieuwe kippen op stok zetten en verder zijn balzak te verzorgen waar hij onlangs hete thee over gegoten had. Je bedenkt zoiets niet.

In de laatste stralen warmte van het menselijke gezelschap gaat Odin de huiskater languit op de vloer liggen. Hij kijkt schalks op naar iedereen die om hem heen staat, om ze uit te dagen hem te strelen, waarna hij naargelang zal beginnen spinnen met gesloten ogen, of brutaal zal uithalen met zijn sterke voorpoten. Voor hem bestaan er maar drie soorten dingen: speelgoed, voedsel en kussentjes. Terwijl de laatsten vertrekken, maai ik door zijn pels alsof het mals gras is.

Het wordt weer stil in huis. De cd die tijdens het Chinees eten en de gesprekken nog stomende beats uit 2004 rondstuwde, is afgelopen. Alleen de lichten wachten nog om gedoofd te worden. Morgenochtend is nog zeven uur verwijderd van het moment waarop ik een laatste sigaret rook bij het venster, maar dat voel ik niet. Ik voel het nooit, tot op het moment de wekker afgaat en gisteren en vandaag in elkaar klappen. Tomorrow never comes until it's too late. De fragmenten van herinnering gaan langzaam op hun plaats liggen, en ik weet dat m'n bed op me wacht als een regeneratief bad. Geen nieuwe berichten op de gsm, niemand die me momenteel nodig heeft. Dat is goed. Ik heb alleen mezelf nodig, en zelfs daar twijfel ik regelmatig aan.

donderdag 8 augustus 2013

Anton in Dublin - dag 5

Kogel in de anus

De kortste dag breekt aan. Die dag is gereserveerd voor de National Gallery, een gratis museum. De cultuurtempel zelf is indrukwekkender dan wat hij herbergt. Het hoogtepunt van de kunstverzameling zijn enkele Caravaggio’s die me met verbluffing slaan. Er hangen ook een paar Vlaamse meesters en één van de mindere Picasso’s. Sculpturen van Ierse staatsmannen. In een ruimte waar bezoekers zelf kunnen tekenen, maak ik een clowneske demon met één nephand. Freona maakt een bescheiden karakterstudie van mijn hoofd.

Op straat is het zeer druk. Er zijn vooral jonge mensen. Lucius en ik bedenken een sexy versie van Tetris met commentaarstemmen van Isaac Hayes. Het is zeer warm, wat ook weer een mooie cirkel rond maakt en doet terugdenken aan ons vertrek uit het dampende België. Bij de St. Patrick-kathedraal liggen we loom in het gras en geven we ons over aan de nutteloze, meanderende gesprekken die horen bij een laatste reisdag.

De taxi naar de luchthaven komt er sneller dan verwacht. Ik krijg een klop van de hamer. In de luchthaven zelf is het gelukkig rustig. Het meisje achter de check-inbalie ziet er dodelijk vermoeid uit, zelfs onder haar lagen fond de teint, alsof ze al haar dodenmasker draagt voor een zwaar weekend. Ik word gefouilleerd, maar men vindt niets. Niet dat er iets te vinden valt, tenzij Miss Bucharest als weerwraak voor m’n nachtelijke gesnurk een kogel in m’n anus geduwd heeft.

De Power Rangers hebben zin in goedkoop vertier en slaan roddelboekjes en tabloids in. Natasha geeft met een exemplaar van de FHM, een Engels mannenblad dat ik vroeger graag las. Ik maak er terug kennis mee met terughoudendheid. Het is ongeveer wat ik me ervan herinner: in bepaalde mate wel seksistisch, maar ook met een bredere kijk dan men zou verwachten van zo’n machobastion. Het artikel over voetbal en types mannen op het strand doet me zelfs terwijl we opstijgen, hardop lachen.

Het vliegtuig landt en triomfantelijk trompetgeschal weerklinkt. Het heeft iets zwart: “Hoera, we leven nog!” Ook nog steeds zwart is het avondlijke Charleroi. Zonder omkijken wandelen we voorbij een frietstand, allicht bedoeld om ontheemde Belgen thuis te doen voelen en hen en passant vijf euro armer te maken, maar we hebben al genoeg (mottige) frieten gezien in Dublin.

Op de terugrit kan ik wel ademen. Ik zit namelijk aan het stuur. Als in de tien kleine visjes vallen we één voor één af. Als de koffer thuis opengaat, is er niks dat nog naar vis ruikt.

Anton in Dublin - dag 4

Liefde is... de hele dag naar zijn panfluitmuziek luisteren

Natasha en Freona reserveren de vierde dag voor shopping. Voor de ingewijden in de rituelen en de gebruiken in de shoppingwereld is dat een spannend vooruitzicht, vooral omdat blijkt dat kleren in Dublin een fors stuk goedkoper zijn dan in ye olde Gent. Tiësto, Lucius en ik zijn wat aan ons lot overgelaten. Daardoor beperken we ons tot het observeren van de shoppers in de straat en te schatten hoe hoog de Dublin Spire – een enorme naald in het centrum – precies zou reiken. Ik schat ongeveer 100 meter. Het blijkt 121 meter te zijn. Mensen zijn slecht in hoogtes inschatten van iets dat meer is dan vier meter.

De dienster in een goedkope bistro is geamuseerd door Tiësto’s bestelling van twee spuitwaters voor zichzelf. Ik neem de pizza deal. Er is een bordje frieten bij. De Indische zaakvoerder neemt alles op met een benevolente blik en een glimlach. We wisselen sterke verhalen uit over het uitgangsleven te Gent. Van zware feestjes hebben we in Dublin tot nu toe niet veel gemerkt, maar we zijn dan ook niet gekomen om te feesten, bedenk ik me.

De shoppingstraat heeft ook een zeer persistente panfluitist. Hij ziet er authentiek uit. We vragen ons af wie er in godsnaam graag luistert naar panfluitmuziek. Misschien dezelfde mensen die oprecht vrolijk worden van het kaboutervoetengestamp van Ierse folk. Naast de panfluitist staat er een vrouw cd’s te verkopen. We besluiten al gauw dat het de echtgenote van de muzikant moet zijn. Niemand anders zou de hele dag lang kunnen luisteren naar panfluit. Dat is muziek die je blijft achtervolgen tot op het toilet en tot tijdens seks.

Het shoppen van de dames strekt zich tot voorbij de middag uit. Lucius en ik geven er de brui aan en gaan terug richting hostel, wat een beproeving wordt voor ons gebrek aan oriëntatievermogen. Gelukkig is Dublin niet zo moeilijk te navigeren. Het lijkt ook niet groot. Nochtans wonen er meer dan één miljoen mensen. Misschien is het het gebrek aan hoogbouw, of dat de buitenwijken zich ver buiten het centrum uitwaaieren, zoals bij sommige andere steden op de Britse Eilanden het geval is.

We passeren een café waar uitgepakt wordt met het feit dat zich er een scène in James Joyces klassieker ‘Ulysses’ afspeelt. Het is niet de eerste verwijzing naar Joyce, maar wel de meest openlijke die ik zie. Het plan om de route van Leopold Bloom af te leggen door de stad, heb ik al lang opgeborgen. Waarom zou ik ook? Het Dublin van nu lijkt vooral een samenraapsel te zijn van architecturale beslissingen van na de tijd van Joyce en zijn hoofdpersonage. Ik zou me er ook pretentieus bij voelen.

Buiten aan het hostel maak ik kennis, via Freona, met de Britse sportmannen, die blijkbaar uit Leeds afkomstig zijn. Freona heeft hen onmiddellijk de uitdrukking ‘geil wijf’ geleerd. Hun cynische humor doet me terugdenken aan al die keren dat ik zelf in Leeds was. Ik verontschuldig me voor m’n Zuid-Engelse accent (“yeah, you do sound a bit posh mate”), maar dat vegen ze al snel van tafel door te zeggen dat ze zelf niet eens goed Engels spreken. Het inferioriteitscomplex van Noord-Engeland houdt hen niet tegen van later op de avond te proberen aanpappen met een Frans en twee Zwitserse meisjes.

Ik gebruik de tijd die ik heb gewonnen door mijn ontsnapping aan het woeste shoppen om te lezen. Er overvalt me een langzaam gevoel van melancholie als ik terugdenk aan de buurt waar we zijn, en in de verte enkele mensen die voorbijschuifelen die hier hun toekomstloze leven leiden. Dublin is geen rijke stad. Wat opgeschoond, dat wel, maar zoals men in boerenfamilies het zilver koestert dat bij patriciërs als onopmerkzaam zou gelden. Met m’n ogen volg ik de gang van een sigarettenschooiend boefje. Ik stel me voor hoe de rest van zijn leven er nog zal uitzien. Lelijk is hij niet echt, maar hij ziet er gemeen uit, met harde blauwe ogen die omrand worden door te lange zwarte wenkbrauwen. Ik zou hier niet kunnen wonen.

’s Avonds is Lucius’ gloriemoment aangebroken. Hij heeft zich verzekerd van een plaatsje op een lokale stand-up comedy-avond. Dat vindt plaats in de Temple Bar-buurt, waar tussen hipsters, toeristen en uitgaansvolk ook opvallend veel daklozen rondhangen. In het zaaltje boven de pub zit de sfeer er al onmiddellijk in. De presentator van de avond is een Noord-Ier die praat als een machinegeweer, en de ene grap na de andere het publiek in vuurt. Als buitenlanders moeten we het ook ontgelden (“I know fuck all about Belgium”), vooral als blijkt dat ik niet Natasha’s vriend ben en Tiësto ook niet. Slechts één oude man in het publiek antwoordt positief op de vraag of hij z’n lief op reis zou laten gaan met zijn broer.

Het niveau van de comedians ligt opvallend hoog. Eén man met een grappig krom gezicht doet iets over spraakgebreken en polsstokspringen, en hekelt de onnozele woede van dertigers tegenover jongeren die verkeerd een Kit Kat opeten. Een andere man treitert een Welsh koppel in het publiek (“Oh, people in Ireland love the Welsh! Even though you’ve never done anything for us. You’re not even funny”). Lucius brengt het er goed vanaf. Zijn tempo ligt laag, maar zijn timing is goed. Het publiek kan vooral zijn grappen over hemzelf smaken.

We willen nadien nog wel wat rondhangen in de buurt, maar de meeste pubs zijn dicht. Ook dat is typisch Britse Eilanden, en moeilijk om aan te wennen. ’s Nachts is Dublin mooier dan we gedacht hadden. De straten liggen er proper bij. Er hangt ook niet de dreigende sfeer die sommige grote steden in het donker kenmerkt. Incidenten zijn er niet. In het hostel zetten de mannen van Leeds hun beste beentje voor bij de Zwitsersen.

Buiten – tradities moeten in ere gehouden worden – raken Tiësto en ik nog in gesprek met een innemende Duitse uit Bremen. Ze spreekt zelfs een beetje Nederlands, en zegt dat ze “het sneeuwt” de allerschattigste zin vindt die ze kent. Tiësto en ik proeven het op onze tong en kijken elkaar aan met een lege blik. Vreemd hoe banaliteiten voor anderen exotisch zijn.

Anton in Dublin - dag 3

Een zelfvoldane hond

Voor de derde dag hebben we onder leiding van Natasha, die officieus onze dirigent en gps is, een busreisje geboekt dat ons door de Wicklow Mountains zal voeren tot in Kilkenny, en dan weer terug. Kilkenny kende ik voordien alleen maar van het biermerk. De bus, die opereert onder de naam ‘Wild Rover Tours’, wat onmiddellijk die cantushit in het geheugen brengt, blijkt vol te zitten met Duitsers. Het logo op de bus toont een zeer zelfvoldaan kijkende hond. We slapen veel.

De reisgids, een stevige vrouw met een zangerige stem, geeft tekst en uitleg bij het landschap. Ze vertelt over de Great Famine in de jaren 1840, hoe mensen uit verveling kleine muurtjes begonnen te bouwen die nog altijd overal in het landschap zichtbaar zijn, en over de massale emigratie naar Amerika. We rijden ook door het gehucht Hollywood, dat zijn naam zou verleend hebben aan het wereldberoemde mekka van de filmindustrie. Ze verhouden zich een beetje zoals beide Hobokens, denk ik.

Ik heb weinig zin in de korte voettocht rond een meer en een pittoresk kerkhof dat niet misstaan had in een set van een fantasyfilm. Ik ben er ook niet op gekleed. Mijn vuil hemd wappert in de wind en de aanslag van m’n laarzen is onnodig luid als ik alleen over het houten plankenpad langs het meer slenter. Het levert me een kritische blik op van een groep vrolijke, bolvormige wandelaars.

Kilkenny is weer wat anders. Terwijl Freona gaat shoppen, bezoeken wij een kasteel. Net zoals de vikingburcht in Dublin zelf, is het omliggende park eigenlijk mooier. Binnenin is er niet erg veel te zien, buiten enkele gereconstrueerde kamers van oude edellieden, en een hoge hal met staatsieportretten van diezelfde edellieden. Ik leg het meeste van de weg alleen af, onwillekeurig tegelijk met een meisje dat er ook alleen rondwandelt, een brunette met grote nootogen die de kleur van steenkool hebben. In een lokaal restaurantje – wat heeft Ierland ontzettend veel eetgelegenheden – laat ik me een lekkere dagsoep welgevallen. De uitbaatster heeft het koddigste accent ooit. Een hint van echt Gaelic, misschien.

De busreis terug naar Dublin wordt een martelgang. De temperatuur neemt niet alleen gestaag toe, ook heeft er iemand een tape opgezet met Ierse folkrock die onophoudelijk door de bus schalt. Buitenlanders die houden van die pseudo-Keltische folkmuziek, en zeker Vlamingen, verdenk ik er altijd van dat ze van die weeïge, conservatieve mensen zijn die verlangen naar een ingebeeld dorpsleven vol gezelligheid en sentiment. Het staat maar een trapje boven de schlagermuziek. De pastorale hymnes op de groene velden van het Smaragden Eiland persen er al onze energie uit, en we zijn dan ook blij als we terug uit de bus kunnen bij de Christchurch.

’s Avonds smokkelen we drank mee naar beneden in het ruime café van het hostel. Niemand blijkt er echt om te geven. Natasha en Freona ontmoeten de eerste andere Vlamingen die we op de reis zullen tegenkomen, en het geldt als waarschuwing dat ons regiolect, dat door de andere toeristen op orengespits of verstomming onthaald wordt, niet altijd zo onverstaanbaar is als we wel geloven. Vorsicht muss sein.

Bij het roken buiten ben ik getuige van een dronken nerd die vanuit de patio van een dakappartement tegenover het hostel hele stukken dialoog uit de ‘Lord of the Rings’ naar beneden brult. Hij krijgt weerwerk van een aantal tienermeisjes beneden. De hostelgasten staan erbij en kijken ernaar. Onder de verse lading citytrippers zijn er veel Duitsers bijgekomen, en hoor ik ook hier en daar Frans. Er is ook een ploeg sportmannen bij uit Engeland, luide kerels die elkaar voortdurend zitten de pesten.

Alsof het een traditie geworden is, sluit ik de avond af bij een buitenwipper, deze keer een man die zichzelf Tarzan noemt en uit Roemenië komt. Hij blijkt nog in Brussel gewoond te hebben, maar is er niet laaiend over. De andere reisgenoten vinden hem een onvriendelijk man. Hij kijkt gelaten toe terwijl ik aangesproken word door een rondwandelende religieuze gek, die vol hangt met kettinkjes en kruisbeeldjes. Hij zegt dat het einde nabij is. Ik denk dat het einde van zijn geestelijk welzijn al lang voorbij is. Hij heet Martin, zegt hij. Erg geïnteresseerd lijkt hij niet om me te overtuigen van zijn visie. Hij is boos, maar niet op mij persoonlijk, en schreeuwt me nog toe dat ik maar beter goed ga slapen als ik terug naar binnen ga.

Anton in Dublin - dag 2

Omdat je weggegaan bent, moeder

De tweede dag wordt onmiddellijk de meest prototypisch toeristische. De rondleiding door de brouwerij van Guinness loopt volgens het plan van een geoliede machine. Het stikt er van de Chinezen, Russen en Amerikanen. Tiësto, die zelf brouwer is, is in z’n nopjes. Intussen maak ik etnografische observaties. Amerikanen lijken altijd blij om landgenoten te ontmoeten in den vreemde. Een paar kranige tantes met lange gezichten wisselen onmiddellijk wetenswaardigheden uit over hun families als ze zich bij mij in de lift wringen die helemaal tot boven gaat. De skyline van Dublin oogt pover, bedenk ik me, terwijl we weer wegzakken in de industriële porno van de brouwerij. De Amerikaanse dames verlustigen zich in observaties over kinderen en hoe ze soms lastig kunnen zijn.

Het hoogtepunt van het brouwerijbezoek is het zelf tappen van een pint Guinness. Met het bier zelf heb ik nooit veel gehad. Ik vond het altijd te vlezig, te veel een afdronk hebben van ijzer. Eens we echter alle vijf samen keurend onze zelfgetapte Guinness zitten te drinken, wordt hij vanzelf beter. We hebben er ook een certificaat bij gekregen. Jammer genoeg liet Lucius toe dat ik zijn naam doorgaf, waardoor de naam ‘Rudi Balzak’ op z’n waardepapier prijkt. Hij kan er mee lachen. Je bent stand-up comedian of je bent het niet.

Ik ben als eerste weer buiten wegens een dringend behoefte aan verse lucht en nicotine. O tempora, o contradictiones. Ik raak er aan de praat met een Amerikaanse van middelbare leeftijd uit Chicago, maar het gesprek stokt. Daardoor steek ik uit nervositeit nog een tweede sigaret op, terwijl de binnenplaats van de brouwerij zich onder de grimmige bruine bakstenen vult met Chinese toeristen. Bij het gadeslaan van de vrolijke families in parka’s uit Beijing, Shanghai, Guangzhou of Confucius weet waar, valt me ook te binnen wat ik het vreemdste vind aan Chinezen: hun gevoel voor humor. Dat komt op mij altijd over als kinderachtig en onnozel. Misschien ligt dat aan mijn gebrek aan kennis van de Chinese cultuur, die tenslotte ook al 3.000 jaar meegaat. In 1.000 voor Christus voerden Chinese koningen en krijgsheren al complexe oorlogen met geraffineerd wapentuig terwijl mijn voorouders elkaar omgekeerd aan bomen ophingen in Germaanse moerassen.

Nog een gratuite observatie: Ieren zien er vaak vermoeid uit, alsof ze allemaal al meer dan een dag aan een stuk op zijn, of zich zorgen maken over het weer dat aan de horizon loert. Van die zorgen is echter weinig te merken als we in de namiddag eten en drinken in een pub even buiten het centrum, een authentieke Ierse pub waar constant sport op staat en oude mannen hun repertoire aan vaste moppen vertellen. In een achterkamer speelt er een muzikant. De waard bekent dat hij met Freona wil trouwen terwijl zijn dochter ons bedient. Die dochter ziet eruit alsof men, als ze haar in een laken zouden rollen, spontaan een tweede lijkwade van Turijn zou achterlaten.

Dat brengt me bij een andere gedachte. Wij, continentale Europeanen en de Belgen op kop, doen graag geschokt over hoe zwaar gemaquilleerd en kortgerokt veel Britse – en Ierse – jonge vrouwen er bij lopen. Die kritiek stoort me altijd. Laat mensen doen wat ze willen. Of het mooi is, is natuurlijk een andere vraag. Op de terugweg komen we een groepje meisjes tegen van hooguit 13 met zo veel lagen make-up dat Schliemann er Troje VIIIa in had kunnen terugvinden. Het contrast, of net het samenspel, met een muurgraffiti die de patriarchale en katholieke Ierse staat laakt, kan niet perfecter zijn.

Het begint te regenen. Enkele dagen later zal een komiek de relatie van Ieren met het weer omschrijven als die van een vrouw met haar alcoholistische echtgenoot: zelfs als er goed weer aangekondigd wordt, blijven ze achterdochtig. We laten het niet aan ons hart komen en ontdekken een indoor hipstermarkt. Het personeel is Victoriaans gekleed. Kleine subwinkeltjes bieden allerlei curieus waar aan. Ik twijfel om me vintage games aan te schaffen, puur uit nostalgie. De Sega Game Gear, een hebbeding uit m’n jeugd, lonkt. Freona twijfelt om zich een luipaardjas te kopen. Uiteindelijk kopen we niets en zitten we de regen uit in een minicinema waar zonder geluid ‘The Maltese Falcon’ speelt.

De moppen van de dag draaien om slechte titels van boeken en platen. De aanleiding is een foto van Tiësto, waar hij er bij zit als een ideale schoonzoon die net z’n eerste schlagerplaat uit heeft en dames van middelbare leeftijd welwillend toelacht. Lucius merkt op dat ‘moeder’ toevoegen aan het einde van een titel altijd werkt, evenals een titel beginnen met ‘waarom’ of ‘omdat’. Op straat word ik wonderwel vaak aangekeken door Ierse vrouwen. Het moet vast het land zijn waar me dat al het vaakst overkomen is – Amerikaanse vrouwen negeerden mij straal, bijvoorbeeld. Van onze Power Rangers word ik ook het meest onverhoeds aangesproken op straat. Philip de buitenwipper zal dat ’s avonds laat flegmatiek verklaren door te zeggen dat ik er nu eenmaal Iers uitzie.

Op het hostel trekken we naar de kamer met een voorraad drank. Miss Bucharest blijft onverstoord chatten. Een andere kamergenoot, van wie we al begonnen te vermoeden dat het een crossdressende Indiër was met een voorliefde voor fluoroze bh’s, blijkt een Russisch meisje te zijn. We drinken elk ons eigen vergif en discussiëren over de grenzen van humor en sociale vooruitgang. Voor de rest lijkt het hostel zo goed als verlaten. Dat merk ik bij de laatste sigaret, als de buitenwipper binnen gaat drinken en ik daar nog een kwartier sta, en daardoor spontaan gasten de procedure moet uitleggen om binnen te raken. Niemand van het hostel lijkt het erg te vinden dat ik voor security speel. De slaap volgt, en is kort maar verkwikkend.