Over 'Onklare taal'

'Onklare taal' is de verzamelnaam van diverse tekstprojecten van mijn hand. Dit is de afdeling columns en microstories daarvan. In 2017 bracht ik 'In de vorm van een vogel' uit, een bundeling van de beste 99 teksten van dit genre tot op dat punt, netjes geredigeerd en per seizoen geordend. Je kan die antologie gratis downloaden als je Patron wordt. De weg een beetje kwijt? Mijn eigenlijke website, die ook 'Onklare taal' heet, verwelkomt je.

dinsdag 17 januari 2017

In de ban van de binnenring

Mijn auto laat me weten dat ik de ruitenwisservloeistof dien aan te vullen. Ik weet het. Er ligt een bidon in mijn kofferbak, maar het kinderslot erop is verdomd lastig om open te krijgen, en de laatste keer dat ik het probeerde, eindigde erin dat ik per ongeluk m'n sleutels in de kofferbak achterliet en twee uur in de kou moest wachten op een vriend die reservesleutels kwam brengen vanuit Zellik. Het vuil op de voorruit valt nog mee en het is bovendien een heldere winterdag. Blue Monday, zeggen ze. Daar heb ik iets op gevonden. Ik begin namelijk pas vandaag met m'n voornemens, zodat teleurstelling haast onmogelijk is. Ik rol de parking van het werk af, en voeg me naadloos in op de druk aangezwollen R4, zowat de eerste snelweg waarvan ik als kind de naam leerde kennen. De R0, de beruchte Ring rond Brussel, las ik als kind overigens steevast als 'Ro', wat toevallig ook de naam was van een land dat ik had bedacht op de eindeloze, bijeen gefantaseerde landkaarten die ik zat te tekenen op al even eindeloze vellen printerpapier van de oude matrixprinter van m'n vader. Dan beeldde ik me in dat wat ik gefantaseerd had, ergens echt bestond, voorbij de struiken in de berm en de geluidsmuren aan de vangrails.

Ik rij niet rechtstreeks naar huis. Het eten voor huiskater Tyr is bijna op, en aangezien normaal katteneten zorgt voor problemen met zijn nieren, moet ik naar een speciaalzaak. Op de radio is er popnieuws. Naar het schijnt heeft Justin Bieber recent The Weeknd afgebrand in een interview omdat die nu zou daten met zijn ex, Selena Gomez. Waarom geven mensen hierom? Popsterren, topsporters en acteurs zijn onze Griekse goden, uitvergrotingen van menselijk kunnen en menselijk falen, een soort lingua franca waar we willens nillens allemaal aan deelnemen. Zelfs mensen die er zich op beroemen van er niets van te kennen, nemen op die manier toch positie in. Ik heb er doorgaans geen oordeel over en ook niet de energie om diep na te denken over waar de Kardashians mee bezig zijn of dat Fifth Harmony op splitten staat. Er zijn belangrijker dingen, maar daar heb ik al even weinig controle over.

Vloeiend, alsof ik niks anders gewoon ben, neem ik de afslag aan de Blaarmeersen en schuif ik geduldig aan in een mini-file tussenin de Watersportbaan en de Ringvaart. Gent is dan wel niet het Venetië van het noorden, het water is er alomtegenwoordig. De boordcomputer geeft aan dat ik me bevind op negen meter hoogte. Op zich is dat weinig bemerkenswaard, maar het doet me eraan denken dat toen ik enkele weken geleden naar Den Haag moest, diezelfde computer vertelde dat ik zat op min acht meter. Dat brengt het kunstmatige van onze westerse wereld plots heel dichtbij. Het besef dat als de mens er niet zou zijn, dat waar ik toen was, deel zou zijn van de Noordzee. Ik rij de baan op langs de Ringvaart, en meen nog een vleugje te bespeuren van de passagier die ik gisteren thuis afzette.

Het was toen een nachtrit door een Brussel waar alle tunnels waren afgesloten, nadat we de auto opgevist hadden uit een parkeergarage waar we enkel nog in binnen raakten via de toegang voor auto's. Ze zat moe en volstrekt kalm naast me, en leek niet bijzonder geschokt door het feit dat ik me bijna rechtdoor over een rond punt had geslingerd. Het was een avond geweest van diepe gesprekken, jazz en het over-en-weer van stekelige grappen die alle kanten uit schoten. Een avond die je doet beseffen hoe goed het kan zijn om tegelijk de open horizon te zien van het ideale gesprek zoals Jürgen Habermas dat aanprees, en tegelijk intiem genoeg om niet onpersoonlijk te zijn. Ik glimlach, al ben ik niet zeker of dat komt door de bespottelijke reclame die ik nu hoor op de radio, die staat op een lokale zender waar ook parfumerieën, horlogewinkels en foute discotheken hun reclamespots hebben. Reclames waarin 'Destelbergen' wordt uitgesproken op z'n Engels en er nog slogans voorkomen in rijmvorm alsof 1990 nooit is gestopt.

Intussen heb ik een parkeerplaats gevonden en ben ik al in de dierenwinkel, die altijd ruikt naar vogelstront en zaagsel. Ik denk een miljoen gedachten die ik nooit meer zal onthouden en zie een tiental klanten in de winkel die ik ook terstond zal vergeten, en zij mij, buiten het oude besje dat voor meer dan €200 producten inkoopt en daardoor de hele rij aan de kassa ophoudt. Gelukkig betaalt ze niet met cash. Daarna ga ik naar de aanpalende supermarkt, die me altijd in de war brengt, omdat het een Delhaize is die niet de lay-out heeft van andere Delhaizes waar ik al vaak ben geweest. Het melancholischere deel van mij denkt dat het misschien ook zo gaat met mensen. Je vindt dezelfde items, soms dezelfde eigenschappen, maar op een manier gesorteerd die je niet gewoon bent, en dat brengt je een beetje in de war. Ik zei het gisteren nog tegen haar, dat je met iemand nieuw altijd ergens van nul begint, ongeacht wat je ervaring is. Koekendozenwijsheid, natuurlijk. Maar je kan niet altijd de meest originele persoon in de kamer zijn.

Als ik terug buiten ben, kruis ik een man die een baard heeft en geen snor. Beseft hij dat dat anno 2017 fout is? Dat hij eruit ziet als een soort cosplayer van Ivan Sonck? Of zal hem dat worst wezen en is hij de hipste persoon die hij zelf kent? Ik sorteer keurig al m'n inkopen in de herbruikbare zak van Delhaize en ik besef dat ik honger heb en dat het donker is. Dat ik misschien later deze avond nog een tekst zal schrijven. Ook, dat ik zo rond m'n 20, jaloers was op muzikanten, voor wie de beheersing van een instrument blijkbaar genoeg was om vrouwenharten sneller te doen slaan, terwijl je daar als schrijver lekker voor lul staat met je teksten. "Dat is omdat iedereen kan schrijven," zei ze gisteren, en ze had een heel goed punt. Als iets een gemeenschappelijk gegeven wordt, valt uitmuntendheid erin niet meer op. Wie heeft bewondering voor iemand die goed kan parkeren of een kei is in een spaghetti bolognese bereiden? Maar uiteindelijk maakt me dat zo veel niet uit. Ik schrijf voornamelijk omdat ik niet anders kan. Die drang zit er al zo lang dat het vastgeklonken zit aan hoe ik mezelf zie.

In de final stretch naar huis gebeurt er weinig dat ophefmakend is, buiten een loeiende ambulance die me inhaalt. Typisch voor de Gentse binnenring, waar ik zeven jaar lang gewoond heb, in interessante en in slechte tijden. Telkens als ik passeer aan m'n oude appartement, kijk ik even naar boven, gewoon om te zien hoe het is met m'n vroegere appartementje. Ik krijg steeds de indruk dat er mensen zijn komen wonen die er goed zorg voor dragen, en dat stemt me mild. Nu echter ben ik al op de Brugsesteenweg en zit ik vrolijk mee te zingen met één of andere recente hit. Zoals ik al zei, willens nillens ken ik mijn pantheon van sterren. En de gedachte overvalt me als één of andere struikrover dat ik me gewoon ok voel. Dat alles wat nu fout loopt in de wereld - en dat is heel veel - eventjes op afstand is, dat de afwas die ik straks ga doen en de kattenbak die ik straks ga verversen met heet water en bleekwater, dat dat iets zal uitmaken, ook al is het maar voor dat miniscule eilandje dat mijn thuis is. Soms, los van grote idealen, los van epische vriendschappen en los van seks en relaties, kunnen de dingen gewoon ok zijn.

zondag 1 januari 2017

Tien jaar hoop

Ik steek een sigaret op. Niet mijn eerste van de dag, en zeker ook niet mijn laatste. De kat is nerveus omdat de meubels in het appartement verplaatst zijn. De reden daarvoor is dat er vanavond volk komt om te oudejaren. Het drukt me met de neus op de feiten dat, inderdaad, 2016 weldra voorbij zal zijn, ondanks alle jaaroverzichten die ik heb proberen te ontlopen. Wat stond er weer meer in dan een droevige roll-call van dode artiesten, terreur en de lelijke tronies van rechtse beunhazen? “Maar er is een kleine panda geboren in de zoo!” Met alle respect voor die doodlopende straat van Moeder Natuur: fuck die panda’s. Eén beer weegt toch niet op tegen de afgrijselijke beerput (pun unintended) waar de mensheid toch elk jaar weer angstvallig dicht rond aan het cirkelen is?

Vanuit de living knalt de Tijdloze van Studio Brussel uit de boxen, elk jaar goed voor een potje haatluisteren. Straks zal ik op de tonen van één of andere dode rockgod de toiletpot nog schoonmaken en de borden op tafel plaatsen. Ik ontvang graag gasten. Het leidt me af van de onvermijdelijke eindejaarsmelancholie. Nee, voor mij is het glas zelden halfvol. Het is niet dat ik het positieve niet zie of niet wil zien, maar elk jaar zie ik ook weer een parade aan gemiste kansen om het beter te doen, voor zowel de mensheid als ikzelf. Ik heb alweer een “hele wc-rol” bijeen geschreven, zoals een voormalige vriend zich ooit grappend liet ontvallen over mijn productiviteit als schrijver, alweer wat zieltjes gewonnen die mijn exploten willen lezen, maar de vooruitgang is te traag. Geduld is al niet mijn sterkste kant.

Ik tik de askegel af en kijk in de asbak, die er ronduit smerig uitziet. Zie ik er vanbinnen ook zo uit? En hoe staat het met die ziel van me? Ben ik een goed persoon? Ik kan dat moeilijk bevestigen. Tenslotte, zoals Ulrich het zegt in ‘De man zonder eigenschappen’, “Dat gelooft iedereen makkelijk over zichzelf, dat hij niets slecht zou doen, omdat hij toch een goed mens is.” En rechtvaardigingen zijn altijd snel te vinden om het geweten te sussen. Wat zou Mitt Romney hebben verteld tegen zichzelf toen hij ging eten met Donald Trump, nadat hij hem maandenlang als gevaarlijk en ongekwalificeerd had beschouwd voor het presidentschap (en nadat hij vier jaar voordien Trumps steun tijdens zijn eigen campagne met open armen had ontvangen)? De beulen van IS zijn tenminste rechtlijnig, ook al loopt hun rechte lijn dwars door alles wat humaan is.

Daarnet ben ik de traiteurmaaltijden voor deze avond gaan oppikken bij een vriendin. De straten van Gent zaten verstopt met rond tuffende bejaarden, invoegende en afslaande gezinnen in dikke gezinswagens, stilstaande bestelwagens met vier pinkers en overstekende fietsers met een doodswens. Dat ik deel was van het probleem weerhield me er niet van “kom, nog tràger, pépé,” te foeteren op de zoveelste zeventiger die even traag reed als de lijkwagen waarin hij binnen een decennium in zal liggen. Maar hoe zielig is dat eigenlijk? Op kosmische schaal zal ik hem snel in het graf volgen, en als ik ongeluk heb, misschien zelfs eerder.

Op de radio gaat de Tijdloze onverdroten door. Ik heb een milde vorm van Witzelsucht waardoor ik teksten die ik goed ken, altijd omvorm naar vieze of absurde versies. Het is goedkoop vertier voor donkere harten. “What if I said you’re not like the otters,” brul ik mee met de Foo Fighters, en ik beeld me in hoe Dave Grohl dat met veel passie brult naar zijn hond. Zo’n geweldig nummer vind ik dat eigenlijk niet, maar het staat me ook niet tegen. Is dat het zwaktebod dat we ook moeten beginnen zien als positief, dat iets ons niet actief ergert of tegenwerkt? Ik ga er even bij zitten in de zetel en de kat springt op mijn schoot. Voor hem moet het een vrij saai jaar geweest zijn. Hij is mee met me verhuisd, maar moet zich tevreden stellen met een kleiner territorium dan voorheen, en aan de vooravond van zijn tiende levensjaar is hij dikker dan ooit.

Ik aai zijn kopje en krab hem achter zijn oortjes. Hij is half ambetant van de muziek die te luid staat, maar dan moet hij zelf maar de radio stiller zetten. De verzorgingsstaat die ten huize Voloshin heerst voor Zijne Donzigheid kent ook zijn grenzen. En wat heeft hij ooit voor mij gedaan? Ach, mijn hart zou breken als zijn tijd om te gaan gekomen is. Tien jaar is langer dan de gemiddelde vriendschap in mijn leven – slechts vier vrienden gaan al langer mee dan dat. Op die tien jaar heb ik gegeten, gelezen, geschreven, gedronken en bemind. En elk jaar dat afgelegd werd, dacht ik “volgend jaar wordt eens echt mijn jaar”. Nu denk ik dat niet. Misschien dat het daarom wel zal lukken, hoop ik, tegen de hoop in. Ik heb nog altijd veel te geven, maar ik wil niet dat het vergeefs is.

woensdag 14 december 2016

Out of context

Voor hoe weinig ik er geweest ben in vergelijking met mijn thuisbasis Gent en mijn zanderige adoptiebakstenen aan de Noordzee, laat staan de verkavelde heuvels van Merelbekistan waar ik opgroeide, heb ik al buitenmatig veel geschreven over Brussel. Dat is omdat Brussel prikkelt. Indien niet goedschiks, dan wel kwaadschiks. Het is een stad met een miljoen gezichten, letterlijk. Lange stukken kil en doods beton hangen loom over de boulevards waar aan het ene eind een upscale hotelketen met kristallen belettering en snoeverige broekhoesten achter de balie arrogant uitkijkt over het verkeer, en het andere eind een soort neon anus is van telefoonwinkeltjes en vervallen voorgevels met dichtgetraliede vensters. Ik verlies er ook constant de weg. Zelfs een GPS heeft moeite met onze labyrintische hoofdstad.

Ik bevind me in een café dat er vanbinnen uitziet alsof het interieur is blijven stilstaan in de vroege jaren '90. De playlist is een afwisseling van muziek die zo had gekund in de drollige sketches van Benny Hill, over klassieke rock en dan weer een hypermodern dansnummer. Het cliënteel zijn oudere Brusselaars en hippe jonge bobo's. We spreken over de kooien waar mensen in vast zitten, steeds rondjes draaiend tot ze er gek van worden, als een metafoor voor de mensen die door ons systeem worden belaagd maar niet lijken te kunnen denken buiten die kooi. Of is dat hoogmoed? Want misschien zien wij onze tralies ook niet. In een extreem geval is dat het 'out of context'-probleem in de kennisleer, bijvoorbeeld bij een hypothetisch contact met een buitenaardse beschaving. Omdat we geen context delen, kunnen we niet komen tot communicatie. Vandaar dat het SETI-project altijd opteerde voor het weergeven van vrij makkelijk te decoderen universalia: atoomgetallen, radiofrequenties. Die zijn overal in het universum dezelfde.

Hoe ouder je wordt, hoe meer er blijft kleven aan je gemoed. Je kan je ook ontdoen van bagatellen - ik haal er de schouders bij op dat ik gewoon niet heel goed ben in de weg vinden. Vreemd genoeg komen daardoor soms dingen bovendrijven die lang vergeten leken, zoals daarnet op een pleintje, dat ik plots herkende toen ik er bij daglicht 9 jaar geleden had gestaan, twijfelend met vrienden over welk restaurant we zouden kiezen. Ik had me toen geërgerd aan de besluiteloosheid van die vrienden. Het was tenslotte maar eten. En ik vond dat we ons gedroegen als een bende futloze toeristen in onze eigen hoofdstad. Toegegeven, in die tijd was Brussel voor mij ook niet veel meer dan de Grote Markt, treinstations, het Atomium en Manneken Pis. Als ik nu aan Brussel denk, denk ik aan heel andere dingen. Zoals het Warandepark waar ik ooit een andere wereld binnengestapt leek met een bevriende dichter, om een nachtelijk optreden bij te wonen onder fantasierijke lampions. De hele omgeving had toen gebaad in een halfdronken gloed, alsof we hallucinogene pollen hadden opgenomen van de bomen en planten. Ik denk ook terug aan anekdotes uitwisselen in een merkwaardig Nederfrans met collega's van vroeger.

Ik heb het warm. Dat komt ervan, van al dat gebabbel en een glas alcohol. In principe heb ik een milde intolerantie tegenover alcohol, maar als ik volledig principieel leefde, dan zou ik een humorloze zak zijn. Het gesprek gaat over ethische keuzes maken. In hoeverre is dat eigenlijk nog mogelijk? Van individu tot individu misschien, maar in een wereld waar alles zo verbonden is dat bij alles wat je doet, een gevolg kan ontstaan dat er ergens iemand lijdt, of dat alles wat ons blij maakt, begon met iemand die ergens uitgebuit wordt, dat is een droeve gedachte. Er komt argeloos een man bij ons zitten, druk in de weer met zijn telefoon. Het gesprek staakt. Pas als hij opkijkt, merkt hij dat hij aan de verkeerde tafel is gaan zitten. Hij excuseert zich en zijn vrienden lachen hem een beetje uit. Ik denk aan straks, als ik terug naar de parkeergarage moet wandelen. Ik moet ergens een tippelzone zien te ontwijken en ik hoop dat er niets zal gebeurd zijn met m'n auto, want conform de Brusselse logica was ik niet zeker of ik op een plek stond waar ik echt wel mocht parkeren, met slechts half-aangegeven plaatsen in een configuratie die ik nooit eerder zag in een parkeergebouw.

Het is een bedrukkende dag geweest, zo'n dag die een voorsmaakje biedt van de winter die nog moet komen, met dagen waar de zon niet eens een lichtere vlek vormt achter de wolken, maar alles permanent lijkt bevangen in een Belgisch spookverdriet. Ik vertelde eerder dat ik hoopte verlichting mee te nemen deze avond, maar ik weet niet of dat gelukt is. Het zijn dagen die ook mijn eigen littekens nu en dan doen opgloeien, daar waar er ooit gepookt werd en gesneden werd. Maar al bij al leid ik alles behalve een beklagenswaardig bestaan en kan ik in vrede genieten van sfeer, muziek en conversatie. De wereld buiten de halvegare sneeuwbol die deze stad is, is andere koek - "zullen we het nooit leren?" had ik me afgevraagd, na de onvermijdelijke foto's te hebben gezien van Aleppo. In mijn geest zag ik er de foto's bij van afslachtingen in Rwanda, in Sabra en Chatilla, in Srebrenica, in Babi Yar. De menselijke wreedheid is even diep als het menselijke vermogen om te proberen om te begrijpen wat een ander voelt en wat er in andere mensen omgaat. Met alle macht klamp ik me daar aan vast als een leidraad om iets zinnigs uit te richten in de jaren die me gegeven zijn.

Even later ben ik onderweg naar de auto. Het is niet zo ver meer van middernacht en ik ben in de meeste straten alleen, buiten hier en daar een dakloze en een gast die een sigaretje bietst en me dan fluks een telefoon probeert te verkopen. De ondernemers van de nacht, wie drijft hen, wie zijn ze, waarom doen ze het? Hij merkt op dat ik eruit zie alsof ik met mijn gedachten "de loin" kwam en hij heeft gelijk. In mijn slipstroom komt mijn legioen herinneringen aan autoritten door de nachtelijke, oranjegeel belichte metropool, toen ik ooit eens een half uur lang niet voorbij de Basiliek van Koekelberg raakte omdat bijna alle straten afgesloten waren en de tunnels ook. Ik haal me ook de Kerstmarkt voor de geest, dat in glühwein gedrenkte feest voor commerçanten van de kitsch dat thans 'Winterpret' heet, of in suggestiever Frans, 'Plaisirs d'Hiver'. Vanavond is die vakkundig vermeden geweest, maar twee jaar geleden inspireerde dat boschiaanse schouwspel me nog tot een gedicht over het verpletterende veelvoud dat hier altijd aanwezig is. En ik was niet eens dronken, zoals een commentator bij het gedicht later beweerde op het internet.

Wonderbaarlijk genoeg kom ik in de garage aan zonder één omweg gemaakt te hebben. Alweer een bagatellistisch puntje verdiend. Ik verlaat Brussel even graag als ik er aankom. Thuis wacht er een waakvlam. Misschien telt dat ook een beetje als verlichting.

dinsdag 22 november 2016

Onder de jeuk

Beginnen op een nieuwe job is een beetje als de eerste dagen op een nieuwe school zijn. De dingen zijn er altijd weer wat anders dan op een andere school, de kinderen zien er vreemd uit, iedereen lijkt er gewoon aan tal van onuitgesproken regels en gewoontes, en daar tegenover sta jij daar maar wat te dremmelen. Sinds gisteren mag ik mezelf tot het legioen mensen rekenen dat zichzelf consultant mag noemen. Het is een klasse mensen waar ik altijd met een mengeling van scepsis en afgunst naar gekeken heb. Scepsis omdat er tussen die hoop professionele verstrekkers van professioneel advies een hoop windbuilen zitten die als huurlingen meer lijken te dienen om de legitimiteit van een manager te versterken dan om werkelijk positieve veranderingen te brengen. Afgunst, omdat ik zelf ook niets liever doe dan mijn kennis delen en verder mijn kennis vergroten door overal eens m’n neus tussen de deur te steken.

En hoe meer je weet, hoe meer je beseft dat je niet weet, zei Socrates. Ook nu. Ik word bedolven onder nieuwe afkortingen, lokaal jargon, productiviteitstoepassingen en nieuwe vista’s. De meest in het oog springende van die vista’s is een royaal uitzicht op een stuk Ringvaart waar de Schelde die even kust. De hele dag door passeren er vrachtschepen, diep in het water, soms met de auto van de kapitein op het dek. Er is ook het autoverkeer dat zich sierlijk om ronde punten, over en onder bruggen beweegt, zoals het dat ook deed in de kronkelende straten en bruggen van de steden die ik bouwde in de zandbak. Ik maakte toen ook op tandenstokertjes verkeersborden en stoplichten van papier.

Ondanks de onwennigheid, en een zeker gemis dat ik voel tegenover de collega’s van mijn vorige baan, ben ik blij dat het nieuwe werk een grote afleiding vormt voor wat er buiten mijn bubbel omgaat. De laatste twee weken ben ik wat weggebleven van het nieuws, ook al is er geen ontkomen aan. Als opinies een vorm van neerslag waren, zaten we al twee weken in een ongeziene stortvloed. Maar hier hebben we het (nog) niet over politiek. Daarvoor kennen we elkaar nog niet goed genoeg. Ik probeer wel al een eerste poging tot humor, door te bekennen dat het in m’n hoofd vreemd klinkt dat ik deze avond naar de supermarkt moet enkel om mayonaise en toiletpapier, alsof die twee dingen samen een onbedoeld perverse combinatie vormen. “Dat zou wel vies zijn, mayonaise met wc-papier eten,” zegt een collega. Ik moet lachen. Het is zo één van die vele dingen die je kan bedenken die niet verboden zijn, ethisch verkeerd of een duidelijk teken van waanzin, maar er gaat iets burlesk-unheimisch van uit. Hoe werkt de geest immers van een man die wc-papier eet met mayonaise?

Om die boodschappen mag ik straks met een nieuwe wagen. Ik ben een klein beetje nerveus. Een nieuwe auto is ook altijd wennen aan zo veel kleine dingen, zoals remafstand, draaicirkel, geluiden en geuren. En ik word er ook weer deel me van het leger problematische mensen dat alle dagen steeds uitgerekter files veroorzaakt. Maar hoe kan het anders? Vrienden en kennissen die de trein nemen, zijn de wanhoop nabij door de Poolse landdagen die het spoor steeds lijkt te kunnen organiseren. Ik herinner me de dagen dat ik me stond op te winden op een vettig Brussels perron of vlekken voor m’n ogen zag dansen als ik geconfronteerd werd met de zoveelste uiting van onbeleefdheid in de treinwagon. In een auto hoef je tenminste geen ongewenst gezelschap te tolereren. #1stworldproblems, absoluut.

De relativiteit van verkeersellende komt weer keihard binnen als ik tijdens een pauze dan toch even verwijl bij een publicatie die de schokkende moord op de zwarte jongen Emmett Till in 1955 ophaalt. De witte daders werden allemaal vrijgesproken door een witte jury. Al maanden gaan er stemmen op dat racisme door veel media te vaak genuanceerd wordt waar het niet nodig is, of dat men hardnekkig weigert om rechts-radicale lastercampagnes, leugens en zelfs terreur als dusdanig te benoemen. En ook dat we te veel proberen te begrijpen wat racisten drijft, terwijl diezelfde mensen helemaal geen moeite doen om “ons” te begrijpen – “ons”, de progressieven, de misdienaars van een Linkse Kerk die enkel bestaat in de samenzweringstheorieën van reactionaire geesten.

Waar ik al maanden, zo niet jaren mee worstel, is om te verstaan hoe iemand zich bekent tot irrationele haat en wreedheid. Natuurlijk laat de ene persoon zich al makkelijker opruien dan de andere. En ik heb ook reportages gezien van ex-racisten die vertellen dat ze zich voor hun opname bij een groep gelijkgezinden verloren voelden, niet gerespecteerd. Hetzelfde verhaal dat je bij sommige jihadi’s hoort, quoi. Maar die haat moet ook iets activeren in het beloningscentrum, denk ik dan. De Ander wordt dan een soort bliksemafleider, een jeukende wonde die je, door eraan te krabben, enkel lelijker wordt, maar God wat voelt dat krabben in eerste instantie goed. Dat denk ik terwijl ik sta te roken onder een overhang, en ineens gaat het licht aan. Ik rook terwijl ik weet dat het slecht voor mij is. Ik ben er ook vrij zeker van dat ondanks alle prietpraat over integratie, dierenrechten en dies meer, de meeste racisten diep vanbinnen heel goed weten wat ze zijn. Net zoals veel rokers zeggen dat het zo gezellig en rustgevend is.

Is dat het, dan? Een enorme fuck you naar de redelijkheid en de waarheid? Het klassieke nazisme appelleerde daar openlijk aan. Het ‘Fanatismus’ was bij Hitler een uitgesproken positief woord, een verhoogde uiting van passie en drang naar actie. Ik blaas een rookpluim uit naar boven. De rede en bovenal de redelijkheid, die zo vereerd werd door humanisten, filosofen uit de Verlichting en democratische ethici, heeft misschien te vaak de kracht onderschat van het irrationele en het zelfdestructieve in de mens. Ik heb dan wel de premium package van bijna alle sociale privileges, maar ook ik voel hoe een mondiaal systeem dat ons wordt voorgesteld als normaal, redelijk en neutraal, dat in de grond allesbehalve is. En misschien komt daar de jeuk vandaan die me soms zo immens tevreden doet voelen als ik een sigaret kan opsteken en een glas kan drinken. En misschien dat het daarom zo intens fijn voelde voor sommige mensen om te stemmen op Donald Trump of om vrouwen met dood en verkrachting te bedreigen op het internet. Het maakt roken niet minder dodelijk en het is al helemaal niet hetzelfde als voorbereidingen treffen voor genocide.

Als ik terug in de lift naar boven ben, staan we op een kluitje met een hoop andere werknemers. Ik weet niet wie van hen collega’s van me zijn. Wat zouden hun donkerste, meest irrationele kanten zijn? Het komt er op aan die kant niet te ontkennen of die kant voor te stellen als redelijk, maar om die te kanaliseren, veronderstel ik. Het is geen toeval dat sport dikwijls een uitweg is uit een pad dat leidt naar vernieling en dood, want ook sport doet beroep op die kant van het redeloze. De lift gaat open en ik herinner me plots een uitspraak die ik ergens las in een gesprek tussen twee boeddhistische monniken over masturbatie. De ene monnik bekent dat hij nog regelmatig aan zelfbevrediging doet en wil af van die gewoonte. De andere monnik zegt laconiek: “Als je jeuk hebt, moet je krabben. Maar het is beter om helemaal geen jeuk te hebben.” Dat een politieke partij daar eens aan zou werken.



maandag 31 oktober 2016

De brug maken

Bovenop de brug over de vaart heeft de omgeving om negen uur 's avonds op een oktoberavond iets mystieks. Het roept een oud gevoel op, dat ik me de eerste keer bewust herinner toen ik als kind 's avonds uit het autovenster keek en al die lichten zag branden in diverse kamers van het Universitair Ziekenhuis. Het besef dat er achter elk van die vensters, verlicht of niet, een volledig gerealiseerd leven school, met vriendschappen, herinneringen, verdriet, vreugde en verhalen, deed me duizelen. En tegelijk warm voelen. Ik heb dat gevoel nog altijd als ik kijk over rijen van flatgebouwen of woonblokken. Er spreekt ook melancholie uit, want ik zal nooit al die levens leren kennen, of écht beseffen wat het is om iemand anders te zijn. We kunnen enkel benaderen.

Mijn adem blaast voorzichtige wolken. Recht voor me uit is de vaart donker water, alsof het olie is. Er hangt een herfstmist boven de einder, die zo nu en dan ook uit de struiken en bomen komt die ik langs de vaart kan zien. Er is weinig verkeer op dit uur. Misschien vreest de toevallige passant dat ik een potentiële zelfmoordenaar ben. Toegegeven, hier staan in een lange zwarte jas, bewegingloos uitstarend over de duisternis, het komt allemaal nogal sinister over. Maar het zal alleszins niet meer sinister zijn dan deze wereld zelf al is. Ja, dat is bathos. Het is ook gewoon de waarheid. Nieuwe belastingen die we niet verdienen; Donald Trump, wiens opgezwollen-slappe smoel ik intussen niet meer kan zien; CETA en de politieke recuperatie; Boekenbeurs 2016 die dreigend dichterbij komt als de jaarlijkse confrontatie met mijn gebrek aan realisaties; en zo veel meer.

Ik draai mij om en kijk over een rij kleine huisjes aan de waterkant het Bouüaertpark in. Ik begrijp niet waarom dat met een 'ü' moet geschreven worden in plaats van een 'w', maar dat is een erg milde irritatie vergeleken bij al die andere dingen die scheef lopen. Bij de huisjes laat er iemand z'n hond uit. Uit diverse schoorsteentjes komt er rook, of ontsnapt er langs metalen buizen stoom uit de keuken. Het Gallische dorp van Asterix aan de Gentse buitenrand, quoi. Thuis wacht er echter geen toverdrank op me, tenzij Cola Zero van de Aldi als zulks mag gelden. Het zal me alleszins bijstaan bij mijn noest schrijfwerk.

Gisteren zag ik in mijn eigen straat, waar ik ook binnen kan kijken dankzij mijn hoge positie op de brug, een troep kinderen verkleed rondlopen, op jacht naar snoep. Tien jaar geleden was er nog protest van zowel cultuurpausen als kribbige conservatieven dat we een Amerikaanse traditie aan het proberen enten waren op een context waar ze niet in thuis hoort, nu hoor ik er niets meer over. Is dit niet allemaal deel van een langzame convergentie van de Westerse cultuur? Drie eeuwen geleden was er niet zoiets als "het Westen". Dat is uitgevonden door de inspanningen van aan de ene kant kosmopolitische intellectuelen, en aan de andere kant reactionairen die het als een wapen ontdekten om hun racisme te legitimeren.

Een auto passeert traag, de chauffeur werpt een fronsende blik op mijn rokende gestalte. Zolang ik rook, zal ik wel niet springen, lijkt hij te denken, vooraleer met extra kracht op te trekken, naar het centrum toe. De eilanden van licht zijn talrijk in de buurt, maar samen allemaal kleiner dan de duisternis en de mist. Ik inhaleer de rust die ze brengen en ik hoop dat ze dit jaar niet gaan overhellen naar een depressie. Het is al een hele poos geleden dat ik depressief was. Eén van de redenen dat ik hier sta is om te testen hoe ik me nu voel, met de sneller vallende avonden, de soms onbehoorlijke stilte en de komst van de kou, die alles altijd wijder uit elkaar lijkt te doen wijken. Het valt mee. Misschien is het ook een vorm van vaccinatie: een beetje donkerte inademen om het ergste scenario te vermijden.

Ik begin terug naar beneden te stappen, langs het kleine bosje dat mijn straat scheidt van de baan die naar de brug leidt. Als ik thuis op mijn balkon sta, zie ik soms dieren rondscharrelen in dat bosje. Onder andere een poes die door één van mijn buren als vermist werd opgegeven, maar omdat ik het dier altijd zie als het rond middernacht of zelfs later is, kan ik moeilijk gaan aanbellen. Ik heb het wel al laten weten dat ik de kat gezien heb. Zouden ze hem erg missen? Of aanvaard hebben dat hij nu in de buurt rondkuiert en moet leven van zijn eigen vangsten? Het leken me aardige mensen. Dat wil ik toch alleszins graag geloven, want soms is dat moeilijk, als je overal geconfronteerd wordt met zo veel haat, egoïsme en domheid.

Een bus stopt aan de overkant van de straat en er stapt een vrouw op met een kinderwagen. Waar moet die nu nog heen na negen uur 's avonds, op een zondag dan nog? Misschien vraagt zij zich hetzelfde af over mij: "wat doet die eenzame wandelaar daar nog?". Momenteel zijn neus optrekken. Zich een beetje beklagen dat hij de brug morgen niet maakt naar Allerheiligen. Uit de mist rijzen geen spoken op, terwijl ik m'n appartement nader, buiten die van eigen makelij. De straatlichten tonen de grillige, door een lichte bries voortgestuwde patronen in de mist. Laten we afspreken om daar geen metaforen in te zien. Straks moet er immers weer geschreven worden.