Over 'Onklare taal'

'Onklare taal' is de verzamelnaam van diverse tekstprojecten van mijn hand. Dit is de afdeling columns en microstories daarvan. In 2017 bracht ik 'In de vorm van een vogel' uit, een bundeling van de beste 99 teksten van dit genre tot op dat punt, netjes geredigeerd en per seizoen geordend. Je kan die antologie gratis downloaden als je Patron wordt. De weg een beetje kwijt? Mijn eigenlijke website, die ook 'Onklare taal' heet, verwelkomt je.

maandag 30 april 2018

Anton in Malta - Dag -1 en 1

Dit is het eerste deel van mijn reisverslag van 6-daagse reis naar Malta. Wil je nog reisverslagen lezen? Check dan zeker mijn neerslag van een week Dublin, een weekend Parijs, een week Chicago en 11 dagen Noorwegen!

Subsidieslurpen en drinken bij de tsjeven

Vooraleer ik beroep doe op de goede oude traditie van reisverslagen, moet ik twee kleine items meegeven voor la petite histoire: het eerste is dat mijn reiscompagnon naar Malta ook Anton heet, en dat ik hem dus consequent bij zijn achternaam zal noemen. Ik ben Anton Voloshin en hij is Anton Jeltsin. Het tweede feit is dat het een haar gescheeld had of de hele reis was niet doorgegaan. Ik was namelijk mijn identiteitskaart kwijt en had daarbij geen grote haast gehad om die te laten vervangen aangezien ik er (verkeerdelijk) van uitging dat je Schengen-landen kan bezoeken zonder identiteitskaart. Een vriendelijke Gentse ambtenaar en een zaterdagochtendrit naar Brussel later was dit euvel gelukkig verholpen, waardoor we maandagochtend 30 april toch konden beginnen aan de reis naar Malta.

“En waarom Malta?” vroegen mensen me wel eens in de aanloop er naartoe. In de eerste plaats omdat het eens wat anders is dan de gebruikelijke Balearen, Zuid-Italië of ruïnes in Griekenland. In de tweede plaats omdat bijna alle Maltezen op zijn minst een mondje Engels spreken, wat de zaken aanzienlijk bespoedigt ter plekke. Tenslotte is het ook een land(je) met een erg rijke geschiedenis. De Carthagers, de Romeinen, de Arabieren, de Normandiërs en de Britten hebben er allemaal gezeten – een beetje de who’s who van de gereputeerde oude rijken, zeg maar. Daar komt bij dat Malta een linguïstisch buitenbeentje is in Europa. Maltees is de enige Europese taal met Semitische wortels, en is dus verwant aan Arabisch en Hebreeuws. Het is ook de enige Semitische taal die met Latijns schrift wordt geschreven.

Tegen 6:45 onder een grijze hemel treffen Jeltsin en ik elkaar in de hallen van Gent-Sint-Pieters. Op de trein dutten we, en in Zaventem gaan we vlot door de check-in van Air Malta, waar exact twee man en een paardenkop staat te wachten. Eens op het vliegtuig slaap ik nog wat. Ik droom dat ik zelf vlieg, en wel aan hele hoge snelheden, als een ongeleid projectiel. Jeltsin zit wat te lezen in academische lectuur. Tegen de middag landt het vliegtuig in Luqa, de luchthaven van Malta, en daar gooi ik maar onmiddellijk een klets aardrijkskunde bij voor de lezer: Malta omvat drie grote eilanden en een reeks onbewoonde kleine rotsjes. De drie grote eilanden zijn Malta zelf, Gozo en Comino. Op Comino woont bijna niemand. Malta-het-eiland is ongeveer even groot als de provincies Vlaams en Waals Brabant samen, terwijl Gozo ongeveer de oppervlakte heeft van de Kempen.

Vanuit Luqa vertrekken we met een huurauto richting Senglea, één van de ‘Three Cities’, drie landtongen die loodrecht onder de haven van Malta en de hoofdstad Valletta liggen. Malta rijdt links, dankzij de Britten, die de archipel bestierden van 1814  tot 1964. Aangezien Jeltsin geen rijbewijs heeft, vormt hij een heel goede copiloot. Hij chillt en helpt mee de GPS lezen in plaats van in paniek te schieten bij de minste onverwachte beweging op en rond de weg, en daar zijn er dan ook heel wat van. Maltezen rijden als Italianen. Verkeersregels gelden als goedbedoeld advies, niet als de wet. En al snel dreigt het helemaal scheef te lopen. In de buurt van het huisje dat we huren, schraapt de linkerspiegel van onze wagen tegen een stilstaande verhuistruck, die onmiddellijk de achtervolging inzet en ons blokkeert op een kerkpleintje (waarvan je er op Malta naar schatting één miljard hebt) om verhaal te halen. Pogingen tot ouderwetse omkoperij lukken niet, de chauffeur haalt de politie erbij. Hij is echter niet bijzonder kwaad (hij zet zelfs verkeerskegels uit voor ons zodat we straks een parkeerplaatsje hebben aan de kerk), en ook de flikken die komen opdagen nemen alles rustig in zich op, doen het nodige papierwerk en sturen ons terug op weg. Geen afperserij van toeristen dus.

Eens de flikken weg zijn, staan we voor een nieuw probleem: het adres van ons huisje klopt niet. Ten eerste is het adres in het Engels en zijn in Senglea (L-Isla in het Maltees) alle straatnamen in het Maltees. Ten tweede kloppen de huisnummers langs geen kanten. Een oudere dame bij wie we ons licht opsteken op straat, waar het intussen erg heet geworden is, weet ons te zeggen dat de huisnummers onlangs veranderd zijn en dat de straat die we zoeken niet loopt volgens even-oneven-nummers, maar opeenvolgende nummers heeft tot het eind en dan aan de andere kant verder loopt, een beetje als een boustrofedon dus. Maar dan op Malta. En terwijl het zweet mijns aanschijns intussen al druppels maakt op de afgesleten, sjofele voetpaadjes. Uiteindelijk vinden we ons huis, een verbouwde woning in wat eigenlijk de hoofdstraat van Senglea is. Dat is een ruim begrip: hoewel Senglea dicht opeengepakte, hoge huizen heeft, meestal in een charmante Mediterrane stijl, is het in essentie meer een dorp dan een stad. Rommelige kruideniertjes en andere kleinhandelaars wisselen elkaar af, en vele oude herenhuizen herbergen vandaag meerdere woningen. 

We slaan Maltezers in (want uiteraard), voorraad voor als op 1 mei alles dicht zou zijn, en in mijn overmoed koop ik een gigantische pot olijven die er zeer appetijtelijk uitziet. De mensen in de winkeltjes zijn vriendelijk en behulpzaam, en duidelijk nog niet van de gehaaide soort die je elders aantreft waar er toerisme is. Al bij al is onze eerste indruk dat Malta wel gewoon is aan toeristen, maar dat het geen hotspot is waar je om de vijf meter door straatventers wordt lastiggevallen, laat staan dat het er bulkt van de souvenirwinkels die uitpuilen van overgeprijsde waar van lage kwaliteit.

Ons huisje is vrij geriefelijk, ook al ruikt het er een beetje bedompt. Jeltsin neemt de slaapkamer op het eerste verdiep, en ik neem mijn intrek in de slaapkamer van het souterrain, een soort klamme grot met twee smalle bedden, standbeeldjes en sta-ventilators. Daarna gaan we op goed geluk een Cisk drinken aan het water. Cisk is het Maltese equivalent van Jupiler en smaakt een beetje naar de Spaanse San Miguel-pils. Al bij al geen slecht biertje, zeker niet bij warm weer. Opnieuw treft het me hoe losjes Maltezen zijn: de uitbater van het waterterrasje vraagt niet direct naar geld na de bestelling. Integendeel, hij trekt zich terug aan zijn eigen tafeltje om te keuvelen met een vriend en verdwijnt daarna zelfs. We zouden net zo goed kunnen tafelschuimen. Het zegt iets over het vertrouwen dat men hier nog heeft in de medemens, en dat voelt prettig.

Een wandeling leert ons verder dat er serieuze bouwwerken gaande zijn aan de andere waterkant (Senglea heeft ruwweg de vorm van een vinger, het terrasje was aan de oostkant, de bouwwerf aan de westkant), en geen kleine. Gigantische kranen en enorme vrachtschepen tonen de logistieke ambitie van Malta, dat altijd zijn geld heeft verdiend aan de scheepvaartindustrie. Het andere fortuin van Malta was uiteraard militair: het eiland is van nature gebouwd als een fort, met zo goed als nergens platte stranden en bijna overal steile kliffen. Bovendien heeft het een diepzeehaven, wat het sinds de tijd dat de Johannieters – een soort Tempeliers – er hun uitvalsbasis van maakten in de 16de eeuw een strategisch erg gunstige positie opleverde. De Ottomanen, Italianen en de Duisters beten er allemaal hun tanden op kapot. Dat maakt deel uit van de trots van het land, en dat voel je overal. Je ziet vaak vlaggen, Maltese kruizen en monumenten voor deze of gene generaal die de zoveelste bestorming van de eilanden wist af te slaan.

Eerst springen we binnen bij de apotheek aan de overkant van de straat, waar we zonnebrandcrème inslaan en ik deodorant en haargel koop. “How strong would you like it?” vraagt de apothekeres, een knappe vrouw met gitzwart haar. “Not super-strong, my hair doesn’t need to look like iron,” zeg ik. In de winkel helpt een meisje met blauwe ogen en donkerblond haar. Britse roots of zeldzame witte raaf onder de Maltezen? ’s Avonds eten we weer aan de waterkant, in de buurt van waar we onze Cisk dronken, en ik probeer de populaire Maltese frisdrank Kinnie, die een beetje smaakt als Dr. Pepper. Het eten is erg lekker en zeer betaalbaar: €21 voor een filet pur met smakelijke champignonsaus. Voorafgaand heb ik me laten verleiden tot een typische Maltese vissoep met bonen en rijst. Opnieuw erg lekker en heel divers qua smakenpalet en textuur.

Daarna wandelen Jeltsin en ik verder langs het water. Er is veel volk op straat, en al snel blijkt waarom. Aan de overkant van het water, in Valletta, is er een optreden gaande van coverbands. Donna Summer, Pink Floyd, Coldplay, Boney M en tal van andere trouwfeesten-dj-klassiekers passeren de revue. Tegen dat we hoog op de oude wallen van Senglea staan, barst er een enorm vuurwerk los over het water. Kosten noch moeite blijken gespaard. Het spektakel duur ongeveer drie kwartier en de kleuren, knallen en patronen zijn indrukwekkend. “Daar gaat de EU-subsidie in rook op,” merk ik op tegen Jeltsin. We beelden ons in dat Malta aan een commissie zure eurocraten lege handen toont en schokschoudert als hen gevraagd wordt wat ze met al dat EU-geld gedaan hebben.

Jeltsin en ik besluiten nog ergens een afzakkertje te gaan drinken. De bar van de socialisten enkele huizen verderop van waar we slapen heeft de deuren al gesloten. Misschien om morgen goed wakker te zijn voor 1 mei. De katholieke bar (‘The Queen’s Own’) is nog open. We krijgen er elk een vodka-cola aan €1,5 per glaasje. De lokale stamgasten zijn al even uitgewoond als het café zelf en slaan niet veel acht op de twee blekerds die aan de bar zitten. Aan de overkant, op het dorpsplein, staat een telefooncabine waar je ook wifi kan krijgen, en lonkt de gesloten winkel ‘Surprise Market’ naar ons. Maar dat is voor morgen. De eerste dag Malta bleek er één in stijgende lijn, en we zijn nieuwsgierig naar wat de rest van het land te bieden heeft. 

Verder naar deel twee.

vrijdag 20 april 2018

Het discours langs het kanaal

Meditatie is goed voor mij, of mindfulness, als je het zo wil noemen, als je schrik hebt om over te komen als iemand die indigo aura's kan waarnemen en bomen hoort praten. Mijn mediatie gebeurt best 's avonds laat, op wandelingen waar ik niemand tegenkom. Ik wandel bewust traag langs de Brugse Vaart. Op regelmatige afstand schommelen de oranje reflecties van de straatlampen aan de overkant in het donkere water. Geen maan en geen wolken om boven elkaar over de rivier te schuiven, noch een boot op de rivier onder de wolken en maan. Alleen bewegingsloos riet en slanke waterkantstruiken. Hier en daar een v-vormig vorenspoor van een avondlijke eend, net als ik meditatief drijvend naar het imaginaire noorden.

Het hoofd koelt af en wordt langzamer leger om terug helderheid te kunnen vinden. Datzelfde hoofd zit vervat in de schaduw die mijn stappen voorafgaat op het fietspad. Ik denk aan het circus dat gisteren vertrok uit m'n buurt - een echt circus, zo'n anachronistisch geval met een rood- en geelgestreepte grote tent, wilde dieren en heel veel kleuters. De kleuters waren de bezoekers, natuurlijk, voor de goede verstaander. Toch is het nog maar 60 jaar geleden dat we het tentoonstellen van mensen ter vermaak van de massa achter ons hebben gelaten. Expo '58 in Brussel: uitgelaten Belgen gooiden bananen naar Congolezen in een nagemaakt Congolees dorp. Het is bijna ondenkbaar dat dit gebeurde in het jaar waar mijn eigen vader werd geboren.

"Maar Anton," zullen sommige mensen zeggen, "waarom dat witte schuldgevoel? Wij hebben die mensen toch niet tentoon gesteld?" Dat is juist, maar daarmee gaan we vlot voorbij aan het feit dat onze welvaart geaccumuleerd is door onder andere ongeveer 75 jaar lang een stuk van Afrika uit te buiten en dat wij daar indirect nog steeds van kunnen genieten. En zelfs vandaag is het voor bepaalde segmenten in de maatschappij te veel gevraagd om iemand met een andere kleur of een andere kledingstijl te zien als medemens in plaats van een wandelend stereotype.

Een auto rijdt langs, een "éénoog", met één koplamp die veel feller schijnt dan de andere. Autolampen staan vaak te fel, vind ik. Ik kijk dan maar naar boven en zie de sterren. Als kind kon ik eindeloos vanuit m'n bed door de open gordijnen 's nachts naar de sterrenhemel staren en me afvragen wat er gebeurde om al die verre, verre hemellichamen. Deel kunnen zijn van zoiets enorms en uitgebreids gaf me een gevoel van diepe voldoening en rust, je zou het zelfd een kinderlijke vorm van transcendentie kunnen noemen. Hetzelfde dat ik innerlijk ervaar bij muziek die de snaren van mijn geest weet te bespelen, of met traag oscillerende continue baslijnen een bad geeft om in weg te zakken, een woordeloos gesprek dat vanbinnen plaatsvindt.

Ik blijf even staan en tuur naar de overkant, waar de N9 als een goede oude chaussée nog loopt tot in Eeklo, na een lange reis vanuit Brussel. Ik weet dat omdat een dierbare Brusselse op een steenworp woonde van de Gentsesteenweg, het begin van de N9 in Brussel. Zo leek het alsof er op een bizarre manier, als draden tussen twee lege groentenblikken, toch een directe lijn was tussen ons in. Er is weinig verkeer op de N9, nu. Baanrestaurants en supermarkten zijn dicht, en daar voorbij doemen de contouren op van moderne woonblokken. Ik herinner me nachtmerries als kind, waar ik me 's nachts alleen bevond op uitgestrekte weides en meersen, zo plat als een pannenkoek, met slechts in de verte de skeletale silhouetten van winterse populieren die nauwelijks afgetekend waren in de aardedonkere nacht. Het nadeel van een donker bos 's nachts is dat je kan verrast worden door onverhoeds gevaar. Het nadeel van een open vlakte is erger: je bent je elke seconde bewust van het noodlot dat nadert en je weet dat je nergens heen kan.

Naar analogie met mijn jongensnachtmerries is slecht nieuws het slechtste als het zich al lang aangediend heeft. Een verrassing brengt tenminste een onmiddellijke reactie in het geweer. Zoals toen Donald Trump verkozen werd, en ik een dag later al dacht, rokend aan de poorten van mijn toenmalige werkgever: "mijn overgrootouders hebben veel erger overleefd, en als zij dat konden, dan kan ik dat ook." Moed is een moment. Maar moed kan afbrokkelen door gestage belaging. En al te vaak lijken het waarheden zelf die onder vuur liggen. Taal wordt mismeesterd door de machtigen van de wereld om wol over ieders ogen te trekken. Russische spin die met de dag absurder wordt. De zogezegde pipi-tapes van Trump. De meeslepende toespraken van Macron, die snel hol aanvoelen.

Ik wandel, alweer als enige wandelaar een zijstraat in met discrete villa's die allemaal voortuinen hebben. Even sta ik stil bij een huis dat met de zijgevel naar de straat gewend staat en waar op de bovenverdieping een gordijnloos venster openstaat. In de kamer - zo te zien de kamer van een jongere of een student - is het licht aan maar er is geen geluid noch beweging. Ik kijk terug naar de sterren en dan terug naar het huis, en hoop dat iedereen er zich goed voelt, zich geliefd weet. In één woord thuis is. "Een dak boven je hoofd" wordt vaak gedachteloos opgelijst als één van de menselijke basisbehoeften, maar het is meer dan enkel een plek te hebben uit te regen. Het huis is waar het zelf zichzelf kan voelen. Waar soms de muren op ons af komen, of ze even goed kunnen dienen om wat daarbuiten op ons loert te weren.

Intussen ben ik terug in m'n eigen straat, maar ik wandel aan de overkant. Stilletjes hebben er zich al kermiswagens geparkeerd. De kermis is hier de opvolger van het circus. In het midden van de wei is er nog een lege plek voor waar de paardenmolen moet komen, goddank zonder echte paarden of pony's. Paarden zijn curieuze dieren. Zoals een vriendin ooit zei toen ik zei dat ik in het daten vrouwen die te veel met paarden bezig zijn vermijd: "tja, dat is het met paarden hé, ofwel doet het je niets, ofwel ben je compleet geobsedeerd". Ook de botsauto's (vroeger in mijn dorp "boksauto's" genoemd, wat dichter tegen de feiten zat) zijn er nog niet.

Een vroegere vriend gebruikte vaak het woord "discours". Als historicus hoorde dat bij één van zijn beroepsmisvormingen. Ik wist aanvankelijk ook niet erg goed wat er mee bedoeld werd, maar naderhand ging het mij dagen. En het is jammer dat we in het herkennen van terugkerende discursieve elementen in het alledaagse niet beter zijn. Cultuurpessimisten laken soms dat we de voeling kwijt zijn met de grote verhalen die een dak van het denken konden bieden aan een hele maatschappij, maar mij lijkt dat een te rooskleurige visie. De mensen wisten van niet beter en wie er anders over dacht eindigde op de brandstapel. Bovendien waren er toen al mensen voor wie in het grote verhaal geen plaats was ingeruimd. Op de meeste vlakken doen we het beter dan toen. Maar vooruitgang betekent vooral ook beseffen wat voor gigantische berg we nog te beklimmen hebben.

Aan de poorten van mijn basiskamp dampt er iets als rust van me af. De gedachten lijken er zich bij neergelegd te hebben dat het niet grootser gaat worden dan dit. Toch niet nu. 

zondag 11 februari 2018

Raar

Soms zie ik er tegenop, tegen al dat geschrijf. Niet omdat ik gebrek heb aan inspiratie (dat is vrij zeldzaam) of omdat ik me er niet kan toe brengen om letters op papier te zetten. Ook niet, uiteindelijk, uit schrik dat het eindproduct slecht zal zijn. Maar omdat ik het hele gedoe zo vermoeiend vind van bij elke nieuwe tekst die ik publiceer, met het lepeltje tegen de champagnefluit te tikken om de aandacht te vragen. Er zijn al zo veel dingen die de aandacht van mensen vragen. En toch zou ik natuurlijk tegelijk niet schrijven en geen dingen online zetten als ik niet dacht dat er misschien een publiek voor zou bestaan.

En soms is dat schrijven een oefening in de bruutheid tegenover je eigen vooroordelen, misstappen en minder prettige kanten. Ik zat vandaag op de bus te lezen over winkelcentra en hoe hun architectuur iets religieus heeft, hoe die constant inspelen op onze meest basale verlangens en driften om hun waar te slijten, en ik denk dan "dat gevoel heb ik nog nooit gehad". Niet dat ik ascetisch leef, maar naakt materialisme is me vreemd. Als kind kon ik gelukkig worden van nieuw speelgoed te kopen met m'n eigen spaarcentjes, maar ik kon even blij zijn als ik met m'n broers samenlegde om tweedehands iets te kopen dat nieuw voor ons te duur zou geweest zijn. "Zo zijn wij opgevoed, toch," zegt broer Roman even later als we door de straat wandelen. Ja, dat is waar. En wij zijn raar.

Eén van mijn heilige motto's is niet te nemen wat me niet vrijelijk gegeven werd. Maar niet alleen is mijn herinnering aan die waarde van in m'n jeugd vertekend (ik stal namelijk ooit wel snoep bij de lokale kruidenier en heb ook ooit speelgoedautootjes gepikt van een speelkameraadje), die te heilig willen doorvoeren als volwassene is soms nadelig. Ik moet nog altijd even slikken als ik in een sollicitatie mijn looneis moet opbiechten. Ik voel me nog altijd een hondenlul als ik weer een pakketje teksten stuur naar een uitgever. Dit is niet het gevolg van een lage eigenwaarde, maar meer dat ik geen zin heb om anderen iets op te leggen, en dat ik gewoon wil dat iedereen me kan accepteren op zijn of haar eigen termen.

"Dat is nog zoiets," zeg ik dan tegen Roman, "ik ben er eindelijk achter waarom Sofia zo'n impact op me had, naast het feit dat ze zo ontzettend mooi was. Ze accepteerde mij. Wij accepteerden elkaar, donkere vlekken, dubieuze voorgeschiedenissen en alles. In het jaar dat we optrokken, hadden we natuurlijk wel eens een meningsverschil, maar niets aan haar was wreed, in niets wilde ze me veranderen of ombuigen, of sprak er minachting tegenover mij."
"Ze was wel tamelijk egoïstisch," zegt Roman nuchter.
"Dat is waar. Maar misschien vond ik dat minder erg dan in een soort hamsterwiel te zitten van voortdurende evaluatie."
En daar steekt de waarheid weer de kop op, vanuit de strooisneeuw en de snoeiharde wind op straat: ik doe dat zelf ook natuurlijk. Evalueren, quoteren, beoordelen. Zoals toen ik daarnet zo boos was op die man die niet door had dat het zijn fout was dat de tramdeuren niet dicht gingen. Misschien was hij gewoon één moment onoplettend, verzonken in gedachten over zijn zwaar zieke vrouw.

Een schrijvende heilige ben ik zeker niet. Ik vind applaus geweldig. Of nog geweldiger dat ik iemand kan doen veranderen van perspectief. Valse bescheidenheid siert niet. Of, zoals mijn doopmeter ooit tegen m'n moeder zei terwijl ze samen in hun ouderlijke serre plantjes aan het potten waren: "Ja maar, Anton moet zich ook zeker niet dommer voordoen dan hij is, of wel?" Ik was toen een uk van 8 en mijn misplaatste arrogantie had de juf vertoornd. Die juf ging vorig jaar op pensioen. Ik heb haar een kaartje geschreven waarin ik zei dat ik het wellicht verdiend had, die keer dat ze haar balpen naar me had gegooid, maar dat ik desondanks toch een vrij productief lid van de samenleving ben geworden. Volgens haar dochters heeft ze enorm gelachen met het kaartje.

Je moet ergens toch een kern van onverzettelijkheid bewaren, hoe goed je het ook meent met de wereld en hoe zeer je graag wil dat de vogeltjes altijd fluiten. Noem het de wil tot macht, de satyagraha, de ataraxia. Roman en ik zijn nu bij hem thuis beland en pakken onze frietjes uit. In het ene aspect gaat disciplinair streven al makkelijker dan het ander. In taal en in schrijven ben ik een ware sherpa die steeds op zoek gaat naar de volgende bergtop. In culinaire verfijning blijf ik rustig ronddobberen in het kinderzwembad. Sofia, Natasja, Emma en de Kims, ik hoor ze het nog zo allemaal zeggen: "Dat moet toch fijn zijn, weten waarin je goed bent? Ik weet niet waarin ik goed ben." Misschien, maar het is ook een wolfsklem. Ik permitteer me slechte gewoontes omdat ik mezelf sus met het idee dat ik in een aantal specifieke gebieden wellicht bekwamer ben dan 99% van mijn tijdsgenoten.

Het sneeuwen buiten is intussen kille motregen geworden. Ik beken dat ik me een beetje onrustig voel. Zo veel ideeën die rondstuiteren tussen de oren, en de toekomst die razendsnel op me afkomt. Vanaf volgende week heb ik weer ergens vast emplooi. Ook in de drie maanden theoretische werkloosheid heb ik het best druk gehad met mijn bijberoep. Ik hoop telkens dat ik het goed doe. Had ik niet diep vanbinnen dat rotsblok in m'n hart gehad, dan was na m'n ontslag m'n zelfvertrouwen mogelijk volledig gekelderd, al moet ik daar nu ook niet heroïsch over doen. Ik heb hulp van medicatie. Ik zou 2018 graag eindigen zonder medicatie (en liefst ook met een herstelde potentie). En ook met meer en geslaagde teksten, waarvan ik ofwel minder schroom heb ze te promoten, of waarvan het publiek - die schimmige, anonieme hydra - ze meer vanzelf ontdekt.

Waar ik wel al een tijd vrede mee heb, is dat ik anders ben. Ja, iedereen is anders en vreemd en idiosyncratisch en wat je ook kan lezen in de boeken van piemelhoofd Alain de Botton, maar ik bedoel anders als in oneigentijds. De fantasiewereld van de Nieuwe Rechtse Politieke Correctheid staat even ver van me af als het Smurfendorp. 'Temptation Island' vind ik vooral een deerniswekkende parade van inhoudsloze platitudes en uitlach-tv, waarbij iedereen zogezegd de grap volledig mee beleeft maar het in feite niet anders is dan de lokale debiel die zich lachend op volkskermissen de pleuris liet meppen. Aan ersatz-spiritualiteit heb ik een broertje dood (live, laugh, love!) en de meeste zogezegde comedians vind ik pijnlijk ongrappig. Maar ach, ik eet graag frietjes met Roman. Toch iets waar ik een volkse jongen in kan zijn.

Niet dat ik per se wil toetreden tot het volk. Als je je kritisch opstelt buiten de gangbare parameters van het 'debat' - tussen aanhalingstekens want wat voor debat moet doorgaan in de media is om in je broek bij te kakken qua kwaliteit - dan ben je automatisch raar. Daar ben ik niet trots op en ik voel me er ook geen speciaal sneeuwvlokje bij. Het is wat het is. Roman ruimt intussen de koude frieten op en ik ga naar zijn binnenkoertje om een sigaret te roken in de motregen. Ten huize Roman mag er niet gerookt worden. Hij is meer een asceet dan ik, en dat bewonder ik ergens wel. Hij looft dan wel regelmatig mijn kennis, maar wat is kennis als je ergens ligt te creperen in een ziekenhuis, met als nalatenschap zeven onuitgegeven boeken en zes gratis op het internet gepleurde titels? Ik ben er alleszins op bedacht, want mijn testament staat al klaar op de externe HD. Geen prefab-uitvaart voor deze meneer, met een pastoor die me nooit gekend heeft en die staat te lullen over een God waar ik niet in geloof, woordvoerder van een instituut dat het beste zou weggesast worden door de wc van de geschiedenis.

Roman staat in het deurgat terwijl ik over het één en ander sta te badineren in de regen. Hij lacht me graag en vaak uit, en ik doe dan steeds alsof ik daarover verontwaardigd ben. Maar ik weet wel dat er iets inherent komisch aan me is, zoals aan de meeste brompotten of hobbyschrijvers die meer dan 20 jaar hebben gespendeerd aan een sf-cyclus schrijven. Je moet jezelf relativeren of anders ga je kapot aan je eigen verwaandheid. Even later bedank ik Roman voor het gezelschap bij het eten en stap ik richting tram, al lezend. Ik mag mijn zegeningen tellen. Ik leef niet in abjecte armoede of heb geen zware handicap. Ik ben wit en man. En hetero. En ik veronderstel dat ik blij zou moeten zijn dat zo veel anderen niet voorbij de mijlpaal zijn geraakt van verder studeren of een carrière vinden die bij hen past. Maar moet ik daar blij mee zijn? Streven naar uitmuntendheid is vooral beseffen hoe veel andere bergtoppen er nog te beklimmen zijn.

Met zijn kenmerkende grimmige humor zei m'n andere broer, Matthias, ooit: "het is niet genoeg dat ik slaag - anderen moeten falen." Ik deel die opvatting niet. Ik wil slagen en dat is alles wat telt. Ook al is dat excelleren in oneigentijds zijn, mededogend of denkend. En ik zou willen dat alle mensen van goede wil kunnen slagen of uitblinken, niet het ratjetoe dat ons regeert en dicteert, niet de Batavus Droogstoppels en de Pralinsky's van deze tijden. Laat het maar eens aan de mensen die raar zijn.

dinsdag 13 juni 2017

'Gedachten' wordt voor onbepaalde tijd vergrendeld

Het moest er misschien ooit van komen. Al bijna tien jaar zet ik hier korte gedachten uiteen, fragmentjes over wandeltochten en gesprekken, of een soort verhalende essays, om niet dat gehate tsjevenwoord 'cursiefje' in de mond te nemen. Dat woord smaakt naar oude crème au beurre en pantoffels van oude mensen.

Dit (voorlopige?) einde betekent niet dat ik stop met schrijven. Er zullen nog altijd gedichten, beschouwingen en ander werk verschijnen op m'n andere blogs. De redenen dat ik er hier de brui aan geef, voor wie ze wil weten:

(1) Tijdsgebrek


Geloof het of niet, maar ik kan niet leven van fictie, poëzie en egodocumenten. Ik heb een veeleisende dagjob en dat betekent dat ik moet focussen waar ik m'n vrije tijd aan besteed. En dat brengt me snel bij het volgende punt...

(2) Ik heb er zelf niet zo veel meer aan

Ik heb het gevoel dat ik deze vertelvorm wat heb uitgeput en daardoor te vaak uitkom bij dezelfde procédés, dezelfde verhaalelementen en dezelfde gedachten. Op restaurant vind ik het niet zo erg met te houden aan m'n vertrouwde steak béarnaise, maar in m'n schrijven ben ik toch op zoek naar grotere uitdagingen. Over uitdagingen gesproken...

(3) Ik gruw van emotioneel exhibitionisme

Het is niet dat ik niets wil delen over mijn gevoelswereld, maar het is een fiks stuk makkelijker schrijven als de dingen goed lopen. Nu ben ik nooit het type vrolijke Frans geweest - zeker niet op papier - maar de laatste twee jaar heb ik toch vooral emotionele kwetsuren opgelopen die voor mij te larmoyant zijn om met de wereld te delen. Kort proza is niet de manier om die te laten helen, en naar medelijden zoek ik al helemaal niet. En over wat ik dan wel zoek...

(4) Dit type teksten brengt me niet dichter bij publicaties


Het zou fijn zijn om op een dag met een hardcover te mogen pronken waar de naam op staat van een gerenommeerd literair huis en een dubieuze foto van yours truly, maar het zal allicht niet door dit soort teksten komen. Hoe dan wel, dat weet ik ook niet. Misschien moet ik ergens aan een lul gaan zuigen. Gesproken over publiceren...

(5) In de wachtzaal blijven zitten werkt demotiverend

Ik gun iedereen zijn of haar plekje in de zon, maar ik ben de goedbedoelde (maar irrelevante) adviezen van anderen wat beu over hoe ik meer succes kan boeken. Ofwel heb ik die adviezen al geprobeerd, ofwel zijn ze niet van toepassing op mijn geval.

Nu rest me nog enkel om de mensen te bedanken die de laatste jaren m'n teksten hier hebben gelezen en nu en dan eens hebben gedeeld via sociale media. Van letterlijk zo goed als geen bezoekers te hebben in 2009 tot nu een paar dozijn per week is voor een literaire nobody toch al iets, dus ik dank alle lezers uit de grond van m'n hart voor de tijd die ze hier hebben gespendeerd. Hopelijk hebben jullie er iets aan gehad en kon ik jullie vermaken, verstrooien of aan het denken zetten.

Blijf zeker mijn hoofdwebsite in de gaten houden. Daar staan voor de rest van het jaar nog een aantal projecten gepland die in productie zijn, te beginnen met een bundeling en redactie van het beste wat hier de laatste 8 jaar is verschenen, in een handig formaat voor aan het zwembad, in een bergchalet of gewoon voor op de wc.

maandag 12 juni 2017

Kompas op nul

Ik sta aan het einde van een weg en voor me ligt een vlak landschap dat gehuld is in nevel. Dit lag weliswaar ergens in de lijn der verwachtingen, maar dat maakt het daarom niet ineens prettiger. Mijn hart is door een blender gehaald, al voor een keer die ik niet eens meer wil tellen. Ik ben 34 en afhankelijk van de definitie ben ik al door 11 relaties gegaan. Daarvan eindigde er één in onderlinge overeenstemming, beëindigde ik er zelf vier en werd ik in de overige zes gevallen zelf gedumpt. Die cijfers zeggen op zich niets.

Ze zei dat ze tot zichzelf moest komen en een tijd alleen moest zijn. Daarna wil ze me wel terugzien. Maar blijven wachten op iets wat er misschien niet gaat komen, dat gaat niet. Dan verleng je enkel maar de pijn en hou je een wonde open. Dus ik heb mijn stapschoenen aangetrokken, mijn rugzak omgegord en ben na een diepe ademtocht het vlakke landschap in gewandeld. Het kan zijn dat ik haar terugzie op het einde van die tour, het kan ook zijn van niet. Als aanhanger van positieve psychologie probeer ik te kijken welke lessen ik kan trekken uit de episode van het voorbije halfjaar om die toe te voegen aan het dikke boek van de amoureuze wijsheden.

Eén van die lessen is dat ik niet aan 11 relaties was geraakt als ik meer had vertrouwd op een combinatie van instinct en ratio, in plaats van overmatig te steunen op één van de twee. Of die relaties hadden allicht minder lang geduurd. In onze vrije, blije wereld hebben we zo weinig omkadering voor de relaties die we aangaan. Vriendschap, seks, liefde, genegenheid en partnerschap zijn allemaal elementen die we geneigd zijn in één Kinepolis-goodiebag te gooien, ofwel scheiden we die strikt op zo'n eetbordje voor kleuters, maar de waarheid is een stuk fijnmaziger dan dat. Dat krijg je niet uitgedrukt op een Tinder-profiel.

Een andere strijd is te beseffen waar je genoegen mee kan nemen. Op dat vlak ben ik een eigenaardige reiziger. Aspecten waar veel anderen van zouden weglopen, zoals een geschiedenis van mentale problemen, trauma, existentiële crises, disfunctionele families en slepende ziektes ben ik bereid er op de koop toe bij te nemen. Waar ik blijkbaar niet tegen kan, is het gevoel dat ik ofwel niet zo belangrijk ben ofwel te belangrijk, of dat ik te veel uiterlijkheden ontdek die me tegenstaan. Zelfs in die laatste categorie is het doorgaans niet wat je zou denken. Ik vind brede heupen en een buikje bijvoorbeeld schattig. Een lelijk kapsel of te veel moedervlekken staan me dan weer enorm tegen.

Alles is hier nieuw en toch weer niet. Ik ken deze nevels. Er zijn periodes geweest dat ik er twee jaar door ronddoolde zonder iemand tegen te komen, en dan weer fases waar ik op twee maand drie, vier verschillende vrouwen tegenkwam die wel wat met me of van me leken te willen. Op metaniveau, overigens, wil ik nooit meer één vent horen klagen dat vrouwen niet geïnteresseerd zijn in een man die het goede probeert te doen. Het klopt wel dat het er veel minder zijn dat je zou denken als je feministisch geïnspireerde artikels leest, maar ze zijn er, en het zijn doorgaans geweldige vrouwen.

De weinige vijanden die ik heb verheugen zich mogelijk in de aanhoudende troebele waters waar ik steeds in lijk terecht te komen. Die mogen dat doen. Ik denk dat er weinig mensen bestaan bij wie liefde niet ergens ettert, monsters verhult in schaduwen of iemand confronteert met pijnlijke waarheden. En ook, wie zich verkneukelt in het relationele ongeluk van een ander die staat maar net een trapje hoger dan iemand die blij is om te horen dat iemand kanker gekregen heeft. Het zegt meer over hen.

Soms wil ik geen enkel verlangen meer voelen, naar niets meer willen zoeken dat buiten mij om ligt, maar het is all zu menschlich, neem ik aan. Wil je niet verbonden zijn met anderen, dan veroordeel je je tot barre eenzaamheid, en wat voor goeds komt daar nu uit? Het landschap helt. Naar boven, altijd. Ik zet de stappen voorzichtig, kijk behoedzaam om me heen. M'n kompas wijst naar wie er altijd voor me zijn: de goede vrienden, de dichte familie, en een heerschap op vier poten met een onstuitbare honger en een vacht die nog rosser is dan m'n snor. Maar nu is er even enkel de kille lucht en de sobere begroeiing van het zachtste leed ter wereld.