Over 'Onklare taal'

'Onklare taal' is de verzamelnaam van diverse tekstprojecten van mijn hand. Dit is de afdeling columns en microstories daarvan. In 2017 bracht ik 'In de vorm van een vogel' uit, een bundeling van de beste 99 teksten van dit genre tot op dat punt, netjes geredigeerd en per seizoen geordend. Je kan die antologie gratis downloaden als je Patron wordt. De weg een beetje kwijt? Mijn eigenlijke website, die ook 'Onklare taal' heet, verwelkomt je.

maandag 31 augustus 2009

De sprinkhaan ligt zwaar

Het schijnt dat Europeanen een stuk honkvaster zijn dan Amerikanen, die er geen bezwaar in zouden zien honderden, zelfs duizenden kilometers te verhuizen voor een job, waardoor families zich als eenzame, verbrokkelde atollen uitstrekken over het hele land. In België is honderd kilometer verder gaan wonen al een hele daad. Mijn eerste levensjaar als kruipende en kwijlende baby niet te na gesproken, heb ook ik steeds in een straal van twintig kilometer rond dezelfde stad gewoond. Niet dat dat betekende dat ik nooit van onder de kerktoren ben uit gekomen, maar het betekent alleszins dat ik me steeds met enige terughoudendheid geworteld voelde in de streek met de kasseibanen, moerassen, landwegen en wisselende decors van lintbebouwing en scheefgemetste stallen. Nu is een deel van die grond weg.

Het huis waarin ik woonde tot ik een jaar of zeven was, wordt momenteel gesloopt. Al wist ik wel dat het vanbinnen intussen onherroepelijk veranderd was, gaf het toch een vaag vertrouwd gevoel om er voorbij te rijden, alsof het een grafsteen was van een oud familielid dat ik even had mogen kennen. In dat huis beleefde ik mijn eerste kwajongensstreken, toerde ik rond met kleine autootjes, probeerde ik gordijnen in brand te steken en besloot ik ook niet meer in God te geloven omdat ik er schrik van had. Die plek is nu weggeveegd. Het andere huis, waar ik meer dan tien jaar gewoond heb en steeds terugkwam om mijn ouder wordende ouders en broers te bezoeken, is nu verkocht en volop in ombouw. Het is wennen om mijn ouders plots te zien rondwaren in een kleiner appartement, met een aantal vertrouwde maar vreemd geplaatste meubels, en de kat die gedesoriënteerd en aanhankelijk als een peuter tussen hen in slaapt.

Er zijn nog foto's en er zijn tal van herinneringen, maar dat zijn maar surrogaten die de werkelijkheid niet kunnen verbloemen - alles is voortdurend in verandering, en meestal ongemerkt. Dat besef vervult me met een stille, stugge melancholie die steeds op de achtergrond aanwezig is, zoals pakken wolken in de verte op een goed geschilderde nazomerdag. Er zijn steeds deuren die zich sluiten en andere poorten die opengaan, en het blijkt er op aan te komen in momenten te leven in plaats van in het verleden of een onpeilbare toekomst.

En ook, wat is dat tenslotte, een verleden? Een verzameling aan misvormde anekdotes met vele zwarte gaten, een interpretatie van een interpretatie en een schetsmatig gevoel dat zich niet laat buigen volgens wetten van taal of poëzie. Maar dat is niet erg. Het is een zaak vol ruwe schoonheid, en hoeft ook niets meer te zijn. Omdat de moderne Europese mens zo ontworteld is, zitten de grondvesten des te meer diep verankerd in het eigen innerlijk, waar stemmen uit het heden en het verleden voortdurend met elkaar dialogeren over later. Het later van toen, toe ik nog garagist wilde worden of architect, en het later van even later, toen ik dacht dat ik politicus moest worden, of het later van nu, waarin mijn ouders gepensioneerd zijn en ik ergens verblijf op een nieuw huisnummer met nieuwe geuren en nieuwe mensen die zich nog niet kenbaar gemaakt hebben.

In het moment zijn is minder eenvoudig dan het lijkt, want het vergt aandacht. Er is niet veel voor nodig om alles om ons heen te zien veranderen en vaak ook te zien verslechteren. Om de schoonheid te appreciëren van het voorbijgaande, is er echter een voortdurende concentratie nodig, een middelpunt dat precies een middelpunt is omdat het er geen is, een manier van moeiteloze moeite. Of het is een hoop opeengebouwde sloopwoorden die nooit kan uitdrukken wat ik bedoel. Maar dat het mooi is, daar wil ik niet aan twijfelen.

maandag 10 augustus 2009

Hoge hoed


In elke nieuw tikkende nanoseconde ontstaan en vergaan weer werelden. Ik kan niets en ik kan er ook niets aan veranderen dat die onvermijdelijke cadans zijn werk gaat, stap voor stap. De massa drukt en zwelt aan, neemt af en neemt koortsachtig de temperatuur van haar eigen jachtigheid. Broodjes, trappen, blikjes, blikken. Ik lees de krant maar mijn ogen zijn gesloten. Al die letters. Misdaad tiert welig, en de betonnen vloer van het perron is een maanlandschap vol microscopische, bacteriële beschavingen en resten van absolute vergetelheid, uitgesleten kloven en barsten, kraters van harde voeten en winterse hagelbuien. Maar het is zomer. Gevangenen zijn ontsnapt en weer ingerekend. Een vrouw vlucht weg van haar familie. Mist rond het station wordt tot volwassen bewolking en lijkt daarmee ook een zomerse dag te gaan onthullen. Sport. Ze bakten er weer niets van.

“Excuseer?”

Extreemrechts in de Verenigde Staten, ver van deze treinsporen en deze kadukke wachtzalen waar één venster al meer dan twee jaar niet hersteld is geweest en het daardoor in de winter geen reet uitmaakt of je binnen zit te wachten of niet. En dan de mensen. Aan de overkant onbereikbare geesten, gescheiden door sporen, turend en wachtend. Een sigaret is wat we allemaal wel eens kunnen gebruiken, toegeven of niet. Zonverbrande dikke mensen in shorts protesteren tegen dingen die ze niet begrijpen, en een zwarte president die hen volksvreemd overkomt. Amerikanen. Een zwaarbeladen goederentrein vol clichés. Had ik niet zo’n tere maag, ik had zelfs op deze ochtend wel een hamburger kunnen eten met een vettige, romige saus. God, vergeef mij als vleeseter. Ik beoordeel anderen en veroordeel mijzelf. Flagellantisme, masochisme om steeds opnieuw dat slechte nieuws te lezen. Met de beurs gaat het beter. Leugenaars en luchtverkopers, de vrolijke alchemisten van de internationale zwendel. Ik kan me niet wenden tot het communisme, echter.

“Excuseer?”

Nu pas besef ik dat je daarnet ook al gehoord had maar te zeer half aan het lezen en half aan het mijmeren was over in stukken gehakte gedachten en me zelfs trachtte te herinneren of ik dit niet ook al ‘ns eerder gedroomd had. Ik ken je wel. Je bent er alle dagen, en als sloom gewoontedier zit ik net als jij bijna elke dag ook in de coupé van je trein, en ik zal je wat meer zeggen wat ik niet ga zeggen, maar je bent schattig en ik heb op een avond gesproken met de vriendin waar je altijd mee zit te kletsen toen ik al behoorlijk dronken was en haar herkend had. Ik had toen eigenlijk niets te vertellen en nu ook niet, maar ik denk niet dat iemand die avond ook maar iets te vertellen had dat de geschiedenis had moeten ingaan als memorabel, lovenswaardig of anderszins de moeite waard om neer te schrijven in een geheim dagboek met gouden slot. Het was een rockcafé vol zatlappen en toekomstige ex’en van elkaar.

“Ja?”
“Heeft u soms vuur?”

En of ik dat heb, ja. Iedereen heeft vuur en hoewel dat bij sommigen volkomen uitgedoofd lijkt, geloof ik altijd opnieuw dat die mensen slechts de juiste omstandigheden nodig hebben om die passie opnieuw te doen ontbranden. Een zwarte president die de diepgewortelde racistische reflexen bij oude blubberzakken in onmodieuze shorts aanwakkert, bijvoorbeeld. Of die gestoorde vrouw die duiven komt voederen en dan in een Tsjetsjeense straatmuzikant haar man herkent die er dertig jaar terug met een Congolese prostituée in Brussel vandoor is gegaan. Al dat vuur, elke dag om ons heen, en we moeten ons inhouden om de boel niet voortdurend en bij herhaling kort en klein te slaan, want dat zou geen zicht zijn. En ja, je bent nog altijd best wel schattig, maar uiteindelijk heb je ook wat het gezicht van een Duplo-mannetje en is mijn eigen lief met haar donkere manen en die grote, soms zwarte en soms erg lichtbruine ogen nog van een ander en beter kaliber. Daarover moeten we klaar en duidelijk en vooral ook eerlijk durven zijn. Die curves en rondingen van die donkerblauwe jeans, of hoe een weerbarstig krullend haar langs haar voorhoofd dreigt te ontsnappen na de ultieme daad van weldadige zondigheid. Zware literatuurstemmen.

“Absoluut.”

Geen tijd en geen zin om meer woorden vuil te maken aan wat een zakelijke transactie is. Die aansteker heb ik gekocht in een nachtwinkel in Waregem, waar een ontheemde vreemdeling de zaakvoerder was die aandachtig mijn handen gadesloeg om te zien of ik niet van plan was iets te stelen en aldus hem letterlijk letterlijk letterlijk de kaas van het brood te stelen. Zo ben ik niet. Beursgoeroes, ik steel andermans geld niet. En jullie horen of zien dat niet. Ik zou gestraft worden voor misdaden, maar de goede daden beloont de politie niet met rozen en bonbons. Overal rook, ook aan de overkant en in de achterkant, en het station binnenspoedende treinen met lichten die de steeds dunner wordende mist doorklieven. Idioten, allemaal. En ik ben de mede-idioot, de meta-idioot. De krant is verrassend dun maar ik moet nog doen alsof er iets te lezen valt, want anders doe ik mijn bestendige reputatie als intellectueel oneer aan tegenover mijzelf. Conditionering.

“Dank je.”
“Geen probleem.”

En wat als het wel een probleem was? Je hebt misschien of misschien ook niet gezien dat de aansteker een licht bevat waarmee men makkelijk uit benarde, donkere plaatsen kan wegnavigeren. De trein moet er bijna gaan zijn. Ik hou van stiptheid op z’n Duits, en ook een worst gaat er steeds wel in. Fallisch voedsel, en voedsel is een vorm van seks, net als consumptie of dat personage Dr. Strangelove die op het einde van de film een levensgrote erectie is vlak voor de ontploffing van alle atoombommen. Zo zijn we weer terug in de Verenigde Staten, en het charisma van Barack Obama, waar mijn lief wel ‘ns van bil mee zou durven gaan. Maar ook ik zou geen nee zeggen tegen de machtigste man van de wereld, behept als hij is met een oratorisch talent waar ik een drol voor zou opeten om het te hebben. De wind speelt door mijn haar en brengt het achteloos uit model. Ik heb een kapper nodig, constant, op elk moment van de dag, om mezelf belangrijk te voelen. Ooit zal ik gaan werken in een hoge hoed en met een wandelstok, maar het zal niet vandaag zijn, als me gewoon om vuur gevraagd wordt. En ik blijf altijd afgesloten van jouw gedachtenwereld en die van al de rest. De letters in de krant zijn oefenzwemmers die slechts proberen drie gedachten tegelijk door de trechter van mijn geest naar binnen te wurmen, maar tegen dat ze binnen zijn, zijn ze al onherroepelijk van mij. Interpretatieproblemen. Geen hond die er wakker van ligt. Ik vouw de krant op als een heer, en druk mijn sigaret uit tegen de rand van de metalen bank. De trein komt er immers aan.

woensdag 22 juli 2009

Goed genoeg

De Feesten staan garant voor onverwachte ontmoetingen met vreemden, en hoe dieper in het hol van de nacht, hoe vreemder de vreemdelingen en hoe eigenaardiger de verhalen achteraf nog doorklinken. Stoners in speeltuinen, groezelige gezelschappen die het met elkaar aan de stok krijgen vanwege een vrouw of een gemorste pint, afgeleefde veertigers, jongeren die voor het eerst losgelaten worden, en gerateerde B-artiesten die voor een halfironisch publiek de warme waardering krijgen waar ze naar snakken. Als ik God was, dan kon ik op Gent kijken vanuit de hemel vol donkere, zwoele wolken, en kon ik zeggen dat het goed was. Dat mijn volk zich amuseert, en probeert de drukkende aanwezigheid van de zovele massa’s met een zekere berusting te ondergaan. God zou er bij God zelf zin van krijgen om mee te feesten en ergens een pita te gaan eten, of in de nachtwinkel die fles spijtjenever te kopen die vierentwintig uur later een afschuwelijk idee zou blijken. Maar meer nog dan de locaties, de tenten en het gratis vertier draait het om de mensen. Omdat ik God niet ben, zit ik daarom graag neer op bankjes, leuningen en grasheuvels om het volk alle richtingen te zien uitstuiteren, terwijl ik me ook probeer te kwijten van mijn taak om een sociaal mens te zijn onder de andere sociale mensen. Ik tracht de conversaties oppervlakkig te houden, omdat dat precies is wat ik nodig heb om me af te leiden van die draaikolk aan indringende, eigenaardige en soms dieptragische gedachten.

Ik mag mezelf stilaan een Feestenveteraan beginnen noemen, en ik weet niet of dat nu wel iets positiefs is. Wat ik wel weet, is dat ik dit jaar nog nooit zo schizofreen heb gestaan tegenover die tien dagen gekte. Dit jaar sta ik alweer sterker en dieper verankerd in zekerheid, zonder dat ik het gevoel heb dat ik deprimerende weken moet goedmaken met waanzinnige weekends. En er is veel meer liefde en echte vriendschap aanwezig, dat helpt ook. Maar ik blijf over messen lopen. De laatste weken, vol overtollige warmte en grote verplichtingen die me uiteindelijk vooruit zullen helpen in het leven, waren er ook waarin ik niet kon schuilen in een exoskelet van onverschilligheid zoals vroeger. Enkele melancholische noten van muziek op een verder afgelegen plein doen me wegzinken in een zacht neuriënde melancholie, terwijl het altijd geïmpliceerde geweld van massa’s angstbeelden oproept van één nacht ergens beurs geslagen en beroofd te eindigen. Die denderende goederentreinen vol onbevatbare gevoelens kan alleen maar stilgelegd worden door me zo moe te amuseren dat ik niets liever wil dan slapen. De Gentse Feesten zijn één lang weekend.

Hoe lang zullen wij dit leven nog kunnen volhouden? Het is een vraag die in mijn mistige achterhoofd prikt terwijl ik op weg ben naar huis, langs groepen dronkelappen, dranghekkens, vermoeide agenten, vensterbanken vol bierblikjes en verlepte feestvierders die zonder veel animo een hamburger of een pak friet eten. We zijn een cultuur die gebouwd is op gemak. Een supermarkt is dichtbij en heeft het hele jaar rond alles in huis, winter of zomer, droog of vers. In de strijd om de wensen van de etenden, drinkenden en zich amuserenden tegemoet te komen, pleegt men gewetenloze roofbouw op de wereld. Het lijkt bizar dat ik in mijn toestand, waarbij mijn stappen niet helemaal recht meer zijn en uit alle straathoeken een vreemdsoortig gezang lijkt te komen dat altijd welwillend en boeiend lijkt, daar aan moet denken. Aan de andere kant is dat niet onlogisch – wat is er een groter culminatiepunt van volslagen zinloze massa-consumptie, niet verder denken dan het volgende uur en het wij-gevoel ten koste van de anderen dan een evenement als de Gentse Feesten? En ook ik doe mee. Ik ben geen verheven, taaie heilige op wie dit alles geen aantrekkingskracht uitoefent. Wel integendeel, het is net in een soort grenzeloos, collectief hedonisme dat ik een allesdoordringend verlangen voel om nog verder te gaan dan de rest. Ik zal een enorme fles leegdrinken en ik zal buiten drie pakken sigaretten ook nog wel een paar joints roken. En daarna op grandguignoleske wijze tegen een lagere school overgeven, of in wartaal aan een beste nieuwe vriend wijsmaken dat alles goed gaat met de wereld, dat we allemaal vrienden zijn geworden en alle negatieve opmerkingen van de hand wijzen met het magische “… maar het zijn Gentse Feesten.” Het is precies dat soort onnozelheid waarvan ik mijzelf wil doordringen, om later ook nog te kunnen denken aan het exact tegenovergestelde. Het is zelfs geen excuus, want het is wat het is.

Als ik eenmaal mijn vuile kleren uitgedaan heb, en wegzink in mijn grote bed, zijn de meeste innerlijke stemmen intussen uitgedoofd als een oud kampvuur. Het is deels ontnuchterend, en deels ook bevrijdend. En bovenal voel ik ook dat ik niet alleen ben. Naast mij slaapt haar lichaam, waar evenzeer moeilijk uitspreekbare gevoelens en gedachten in rondwoekeren, en ik overtuig mijzelf ervan dat door welke afgronden en langs welke besneeuwde bergtoppen ik ook gevoerd word, dat het gelukkig een lot is dat ik weliswaar zelf moet dragen, maar verzacht wordt door haar aanwezigheid. Ook al implodeert de maatschappij morgen, of ook al kom ik morgen thuis met bloed nog op mijn gezicht.

dinsdag 2 juni 2009

Cycles d'oppositions

Ik probeer het. Ik zweer het – ik probeer het echt. Elke dag probeer ik mezelf ervan te overtuigen dat het beter zal gaan, dat als ik dit of dat doe, dat als ik iets kan bereiken en dat als ik dat maar kan veranderen, dat ik me door therapeutische daden zal stellen, ook daadwerkelijk beter zal voelen. Maar het gebeurt niet. Niet omdat er geen reden lijkt te zijn om gelukkig te zijn. De zon schijnt, de rokken zijn kort, de liefde zit in elke uithoek van mijn appartement verborgen, er breken andere tijden aan, ik heb vrienden met busladingen en ik heb geen hangsnor of een bilgewij in de vorm van Paris Hilton. Toch is mijn gevoel in tegenspraak met deze indicaties, die allemaal zouden moeten wijzen op een voortdurende, in zichzelf genoegzaam neuriënde vrolijkheid en tevredenheid. Ik ben terminaal ontevreden. Voor de neus van mijn konijnenziel hangt een onzichtbare wortel die zichzelf elke dag opnieuw herstelt, zelfs al heb ik hem de dag tevoren nog kunnen pakken met veel stunt- en vliegwerk.

Ik ben geen weeskind in Darfoer, ik zit niet in een rolstoel, noch ben ik een teneergeslagen randvedette die met droefheid moet vaststellen dat hij zelfs de fait divers van de TV Story niet meer haalt. En toch kan ik niet uit dat drijfzand raken. Woorden die mogelijk gedichten zouden kunnen vormen over deze toestand zijn slecht bijeen passende kraaltjes die ik bovendien al veel eerder, vaker en beter gebruikt heb. Teveel ongewilde deixis, teveel terugkerende patronen en verbale graancirkels. Het doek gaat open en een spot schijnt fel, maar de schrijver zit op zijn emotionele tandvlees. Ik zal vandaag geen moppen vertellen of een politiek geladen mening verkondigen, eenvoudigweg omdat ik dankzij de chemische achtbanen en het onstuitbare heen-en-weer-vuren van neuronen in dat hoofd van me ergens in een sloot ben gesukkeld. Daar bestaat medicatie tegen (die ik al een tijd niet meer gebruik) en er zijn ook nog veel mensen zoals ik (die me bij het schrijven van deze tekst maar matig kunnen boeien).

We leven dan wel in een cultuur die in sommige van haar aspecten emotioneel exhibitionisme vergoddelijkt en zinloos lijden in een luxecultuur tot een ware levensstijl verheven heeft, maar dat hoeft niet te betekenen dat ik trots ben omdat ik stemmingswisselingen moet belijden die komen en gaan op een willekeurig tempo en op willekeurige tijdstippen die zich nog het best laten vergelijken met het treinschema in een bananenrepubliek. Steeds blijf ik koppig proberen er weerstand aan te bieden, alsof positieve gedachten en nuttige activiteiten deze stromen zouden kunnen beïnvloeden. En opnieuw en opnieuw moet ik tot de conclusie komen dat dat niet gaat. Dat ik gebroken en zwak ben, een speldenkussen of een voodooslachtoffer van een mysterieuze sjamaan die per ongeluk het verkeerde slachtoffer gekozen heeft. Die conclusies maken me bang. Ze verwijderen me verder van de man die ik bijna kan zijn als ik dit masker op hou of als die long and winding road door mijn neuronengebergte weer een nieuwe top bereikt heeft.

En steeds opnieuw komt daar de niet aflatende, gloeiende druk bij van het Moeten. Ik moet een gevecht leveren tegen de entropie die alles in mij en rond mij aantast – de orde op de kamer, de veelheid aan stofvangende boeken en nostalgische parafernalia, de projecten die niet af raken, de spieren en de pezen, en tenslotte ook het brein dat langzaam maar zeker degenereert. Ik vlieg elke dag opnieuw uit de startblokken van de dagelijkse wedlopen met een achterstand, en na een matige prestatie ben ik doodmoe. En elke keer als de volgende cyclus met zijn verpletterende vermalende wiel weer een dieptepunt bereikt, dan schaam ik mij diep omdat ik me zo klein en nutteloos voel, en word ik boos omdat dat recht me tegelijk ook ontzegd wordt door de niet aflatende kritiek die ik heb op mensen die in mijn ogen dat recht ook al niet bezitten en het toch doen.

Vandaag scheen de zon, en men zong een lied. Vandaag was ik op het werk, en deed ik naarstig voort. Vandaag kwam ik thuis en moest ik al snel ergens anders heen. Vandaag was ik de hele dag een open wonde van nauwelijks beheersbare gevoelens en ingedamde woorden. Vandaag schreef ik een trieste tekst die des te tragischer werd omdat hij zoveel onblusbare waarheid bevatte.

zondag 8 maart 2009

De witte kamer

Deze kamer is groot, vierkant en wit. Een breed venster toont langs één kant de stad, langs de andere kant de heuvels en de velden van het platteland. Er kan vanalles in die kamer: bedden, tafels, stoelen, biedermeiermeubels, kitscherige stillevens en bloemenbehang. Er kunnen ook muren in gezet worden die kleinere compartimenten van elkaar afschermen, ze kan omgebouwd worden tot een nagebootst binnenste van een ruimteschip, en ze kan ook leeg blijven met slechts een matras op de vloer en enkele half-opgegeten etenswaren die nog ruiken naar wanhoop. De kamer kan een oneindig aantal mensen bevatten, werkend, wonend, ademend, slapend, manifesterend, roepend, liefkozend, dromend. Er is plaats voor politiek, voor herinneringen, voor toekomstvisies en utopieën. Het is het volmaakte onbewoonde eiland, verankerd in een landschap waar het tegelijk deel van uitmaakt en tegelijk ook niet bij hoort. De buitenmuren kunnen afgebroken worden om de gehele kamer te maken tot een alziend oog over de wereld. Desgewenst kunnen die vensters langs één kan ondoorzichtig gemaakt worden, om te vermijden dat de wereld op haar beurt kan binnenkijken in die kamer. Langs één kant kan er licht zijn, langs een andere kant duisternis. Er kunnen deuren uitgehakt worden, of de muur kan verlucht worden met religieuze inscripties die zich richten tot de mensheid, tot een godheid of tot alle wezens, ingebeeld of echt, die daar tussenin zitten. Er is plaats voor lampen en boeken, voor jazz en voor de bonkende basdrums van minimalistische techno of loeiharde rave. Het kan ook een tijdmachine zijn naar een vervlogen vooroorlogse manier van leven, volledig met oude staklokken en bijgewerkte zwartwitfoto’s van statige overgrootouders wier blikveld in de kamer beperkter was dan dit, en die ook de kamer op hun eigen manier zouden ingevuld hebben. Vast tapijt of parket? Of gewoon de koude witte vloer, die zich niet laat vervullen van menselijke en dierlijke warmte? Grote olifanten kunnen erin: Jumbo, Dumbo en desnoods ook Dombo. Alles wat bezield is, heeft zijn plaats in een lang magazijn met een veelheid aan gangpaden, sommigen zo smal als een kinderhand, anderen zo breed als een viervaksbaan voor tientonners en monstertrucks. Maar bovenal is de kamer vervuld van stemmen: dreunende monotonen die spreken over plicht, eer, trouw, moeten moeten moeten. Flinterdunne echo’s van vervormde vrouwen- en mannenstemmen, flarden van conversaties die nadampen en –gisten van alcohol, beledigingen en kreten van verbazing, of ook wel moppen en weinig amusante anekdotes. Geschreven woorden: de muren stonden er al vol van, en worden uiteindelijk volledig zwart, zodat men terug met witte inkt kan beginnen schrijven. Zwart wit wit zwart dag nacht. Het is een podium en een parlement, een tribune en een rechtzaal waar men op abstracte wijze tot besluiten komt en veroordeelt. Of men schort er alles op om gezellig te gaan barbecuen tussen vliegen en uitgezakte familieleden. Men speculeert er over de eindigheid van het bestaan en fantaseert hardop over zijn uitvaart, de muziek die daarbij moet horen en de voorganger die vooral niet mag vermelden dat de dierbare overledene rust in de vrede van God. Ook God kan bevat worden door de kamer, zij het dan fragmentarisch en met dien verstande dat Hij zich zowel binnen als buiten bevindt, maar uiteindelijk toch meer binnen dan wat anders. Is de kamer deel van een netwerk aan kamers, of is de kamer de enige witte kamer die er bestaat? Kunnen we tot een conclusie komen? Welk merk hondevoer is ook eetbaar door mensen, en wat zit erin? Hoe komen al die mensen hier die we helemaal niet uitgenodigd hebben, en waarom ligt het hier altijd vol troep en rommel? Laden en kasten puilen uit van de prullaria en komen soms met donderend geraas naar beneden. Alle foto’s grijnzen ons toe. En voortdurend die muziek en die stemmen. We kunnen moeilijk slapen. Het is een gevangenis en een bevrijding tegelijk, een ritmische oefening in vertrouwdheid en het vreemde. Men weegt af hoeveel men van beide nodig heeft en verdragen kan, zoals men ook probeert sinds mensenheugenis lood in goud te veranderen. Bovenal is de witte kamer een onbetwistbaar gegeven, het moederaxioma van alle axioma’s en de bron van de euclidische wiskunde. Zij is echter niet zo vierkant als men denkt: in principe is zij rond. In principe is zij in principe.