Over 'Onklare taal'

'Onklare taal' is de verzamelnaam van diverse tekstprojecten van mijn hand. Dit is de afdeling columns en microstories daarvan. In 2017 bracht ik 'In de vorm van een vogel' uit, een bundeling van de beste 99 teksten van dit genre tot op dat punt, netjes geredigeerd en per seizoen geordend. Je kan die antologie gratis downloaden als je Patron wordt. De weg een beetje kwijt? Mijn eigenlijke website, die ook 'Onklare taal' heet, verwelkomt je.

dinsdag 19 januari 2010

Sign o' the times

De Sumeriërs zijn het oudste bekende volk dat kon schrijven. Naar verluidt beklaagt een anoniem gebleven Sumeriër zich in één van die logge, in spijkerschrift opgestelde tabletten, dat de jeugd er niets van bakt. Hij beschuldigt hen van zedenverval, respectloosheid voor ouderen en algemene domheid. De schrijver was ervan overtuigd dat de wereld spoedig zou vergaan. Dat spijkerschrift nu niet bepaald even een blogtekst uit de losse pols schudden was, maar veel werk en voorbereiding vergde, toont aan dat de arme Sumeriër het best de moeite moet gevonden hebben om het op te schrijven.

Intussen zijn we zo'n zevenduizend jaar verder. De wereld bestaat nog altijd, en nog steeds is jongeren overladen met de zonden van Israel een populair tijdverdrijf. Ik zit nog niet op de derde tram en heb geen ring aan mijn vinger, maar ik voel ook al de zenuwen knetteren als een groep uitgelaten jonge honden op de trein te hard lacht, te oninteressante dingen zegt of zit te spelen met te luide mp3-spelers waar steevast te slechte muziek uit komt geschald. De jeugd is rotverwend, mondig maar zonder diepgang, seksueel losbandig maar liefdeloos, en allicht nog gewelddadig ook.

Als dat al allemaal waar is, dan hebben ze dat zeker niet alleen aan zichzelf te danken. Men wijst naar de ontzielde televisiecultuur die een eindeloze stroom voorverpakte banaliteit afvuurt op de onnozele kinderen. Of men zet een boompje op over de hyperseksuele muziekcultuur waarin alleen plaats lijkt voor de meest ge-airbrushte clichés van schoonheid en machismo. En dan die porno, en de gewelddadige games. Dat was er allemaal niet in de jaren '50. Nee, toen was het nog normaal om door een in een habijt geklede maagd van door de zestig slaag te krijgen om linkshandig te zijn. Toen was de dorpskermis, met een tent mismaakten, met DDT bespoten maaltijden en idioten die zich voor vijf frank een oplawaai lieten verkopen, nog het hoogtepunt van een jaar. In de jaren '50 wist men nog wat respect was, omdat men bang was om gestraft te worden.

Mensen die zich nog vaag herinneren of gebladerd hebben door oude foto's, zullen nu de vinger heffen en me tegenhouden nog enkele spijkers in dit tablet te staan. De autoritaire leefwereld was ook niet goed, maar zijn we nu niet te veel naar de andere kant doorgeslagen? Moeten we niet op zoek naar het compromis. Als iedereen de mentaal gehandicapte versie van Aristoteles wil uithangen door te pleiten voor een vage middenweg, dan belandt men vanzelf in het kielzog van verstokt links dat dweept met de late jaren '60. Wat een goede middenweg was dat, die hippieperiode. Men bereikte meer burgerrechten en homo's werden langzaamaan niet meer levend verbrand in het Westen, maar men maakte zich makkelijk af van de dekolonisatie door de Derde Wereld in een permanente staat van infantilisatie te houden (nog zilverpapier voor de negertjes, iemand?). En die brave hippies smoorden hun brein leeg, of besloten dan toch maar te gaan voor een rijhuis met hond en kinderen - bevrijd opgevoede jongeren die twintig jaar later met een nekmatje in Millet-jassen zouden rondlopen.

Laat me dus nog even verderspijkeren. Ik mag me graag ergeren aan slecht opgevoede etters, maar ik ben democratisch in mijn ergernis. Het klopt, klopletter ik, dat we allemaal tenonder gaan. Maar aan de overgediagnostiseerde, jeugdige jeugd die al te vroeg kan kijken naar de goorste porno, zal het niet liggen. Het zal liggen aan de mannen en vrouwen die elk twee auto's wilden, of vreemdelingen de schuld gaven van hun eigen problemen. En de generaties voordien, die systemen uitvonden om te discrimineren, te overorganiseren, om wolven in schaapsvacht te kunnen blijven en om excuses te blijven verzinnen waarom ze zelf de verantwoordelijkheden niet moesten dragen die ze met het gewicht van negenduizend ton hebben doen neerdalen op hun eigen nakomelingen. Het is niet van luide muziek dat ik bang ben. Het is van een korte hoofdknik van iemand in een veel te hoge toren, of het fervente staren van een paranoïde buurman. Nog leeft Sumer. Maar hoe lang nog?

zondag 20 december 2009

Lichtmis

De tijd van de bijtende kou, tranende ogen en de loopneuzen is weer aangebroken. De dag heeft zich nog maar net goed en wel aangekondigd, of hij eindigt alweer in een sombere stemming met een vroeg duister. De winter maakt specifieke herinneringen en verwachtingen los. Ik verwacht sneeuw, en krijg die vandaag ook. Met pakken valt ze uit de hemel, om troosteloze bebouwde kommen plots te omzwachtelen in een halo van pure romantiek. Dat langs de talloze donkergrijze wegen de sneeuw straks bruine ijsmodder, en op uitgesleten paden in het park glijbanen zal worden, kan niemand nu deren.

Ik denk terug aan de eerste winters die ik me kan herinneren, toen ik over landwegels hobbelde en mislukte pogingen ondernam om een sneeuwman te maken. Of dat ik nog nooit gaan skieën ben omdat ik er enerzijds nooit de middelen voor had, en het anderzijds ook niet echt wou vanwege mijn hoogtevrees. Ik ben een man van vele angsten, zoveel is duidelijk. Terwijl ik op de warme bus zit, glijd ik weg in een schemertoestand vol onafgewerkte gedachten. Ik denk aan het fluwelen bed dat ik twee uur geleden achterliet, of dat ik ijslucht in- en uitademend hijgend in mijn sjaal de trein nog haalde. Of gesprekken onder een glas van koning alcohol de nacht voordien. Intussen blijft het sneeuwen, en schept de plaksneeuw een nieuw landschap, een leeg blad waarin slechts stompen van muren, geparkeerde wagens en wilgen overeind blijven staan als donker contrast.

De hemel is van een egaal wolfsgrijs. Ik sluit de ogen en dommel opnieuw in. Meer gesprekken. Mijn vriendin die me aanmaant wakker te blijven, maar eens ik de ogen open, er niet blijkt te zijn. Een hondenslee met onverschrokken ontdekkingsreizigers en de nauwelijks verstaanbare geluiden van anderen die voortdurend wisselen van plaats en gezicht telkens als ik enkele seconden inslaap. Warmte binnen, koude buiten. Zo hoort het, en is in dit kleine universum alles even op zijn plaats.

Later kraakt de sneeuw gedurig onder mijn voetstappen. Ik kijk niet uit voor gras, borduren of greppels, en ben slechts geïnteresseerd in de langwerpige sporen die ik achterlaat, bevlekt met verse sneeuw op de schouders, in mijn haar en op mijn sjaal. Ik geef geen blijk van emotie, versteend als mijn gezicht is door de kou, maar diep vanbinnen gloeit een warme kachel vol waardering voor de verstildheid van deze winter. Voor het feit dat ik geen verwondering zou mogen voelen voor iets dat zich elk jaar herhaalt, maar het toch doe. En voor het feit ook, dat het goed is op die manier. Ik laat die stemmen in mijn hoofd onafgewerkt, en ik laat het gedurig snel donker en traag licht worden. Ik weet dat het licht waar ik me aan verwarm zich elders bevindt.


woensdag 2 december 2009

Het boek van Job

De schoonheid van vele dingen zit in hun eindigheid. Als kleuter wist ik al, terwijl ik met brandweerwagens speelde, in waterverf op school het Laatste Avondmaal schilderde, een kartonnen doos tot auto ombouwde waar ik in kon zitten en ik hardop droomde van een carrière als garagist, dat het ooit uit zou zijn met de pret en dat ik naar de grote school moest. Die grote school was bij nader inzien ook al een eindig werkstuk, een voorspel op de nog grotere school, waar pauzes nog schaarser waren, we de vrijdag niet vroeger stopten en waar ik voor het eerst echt moest studeren om er door te raken. Aan de andere kant maakte ik ook kennis met ideëen en mensen die me voorgoed veranderden. En dan was er dat eveneens eindige studentenleven, waarvan ik volop de mooie eindigheid bezong door lessen te brossen, halfbakken taken in te dienen en met een gaargemarineerd hoofd op het einde van de rit toch op de normale vier jaar tijd een diploma ontving. Wat daarna wachtte, leek me echter niet zo eindig: werken.

Toen ik jaren terug zelf voor een auditorium bomvol versgeboende eerstejaars stond, verkondigde ik met veel aplomb dat talen studeren aan de universiteit een éénrichtingsstraat richting stempellokaal was. Om de kritiek maar voor te zijn van mensen die weinig heil zien in het bestuderen van genderproblematiek in 19de-eeuwse Duitse literatuur of het achterhalen van een etymon van drie cognaten, lachte ik er zelf maar mee. Tegelijk had ik niet zozeer schrik voor de werkloosheid en alle geriefelijkheden die daar bij hoorden (zoals Cara Pils, klagen over het systeem en een rechtse zuurzak worden), maar mijn grootste angst was om te verzeilen achter een bureau waar ik langzamerhand een schim van mijn vorige zelf zou worden. Ik zou vast en zeker beginnen stinken naar koffie, alleen nog écrukleurige hemden dragen en tegen mijn vijfendertigste ofwel een trieste vrijgezel zijn, ofwel gevangen in een al even lamentabel huwelijk met twee kinderen die hard op weg zouden zijn om even ongelukkig te worden als hun vader. Dat schrikbeeld werd geen waarheid.

Net zoals ik de voordelen onderschatte van vlot lezen en schrijven toen ik nog maar net uit de pampers was, of ik nog geen idee kon hebben hoe Griekse filosofie mijn denken helderder kon kristalliseren, had ik ook niet de minste notie van de voordelen van werken. Bovendien waren mijn ideëen over werken grotendeels gebaseerd op steeds terugkerende tv-beelden van boze midlifers bij ontslagdrama’s of in schaamlachopwekkende sitcoms enerzijds, en mijn eigen vakantiejobs anderzijds, waarbij ik me na drie dagen al een aap voelde die steeds op dezelfde knop moest drukken. De waarheid bleek echter dat ik aan een job raakte die nog half zo slecht niet was. Ik mocht dan wel niet naar feestjes gaan waar we de Véronique De Kocks van deze wereld vinden, maar in de voorbije drie jaar ben ik wel al een paar nachten in Londen geweest, heb ik woorden van mijzelf zien verschijnen in kranten en vakpublicaties, of kon ik me verdiepen in onderwerpen waar ik voor mijn werkend bestaan geen flauw benul van had. En dan is er natuurlijk ook geld. Stinkend rijk zal ik allicht nooit worden, maar na jaren van creatieve zuinigheid en dronken spilzucht als student, is de gestage, gekanaliseerde stroom op de bankrekening een zacht hoofdkussen. Wie zegt dat geld niet gelukkig maakt, heeft misschien wel een punt (en doorgaans zeggen alleen rijke mensen dat, die niet weten wat het is om arm te zijn), maar het is alleszins verdomde handig.

Men wordt soms smartelijk bij het terugdenken aan de eigen studententijd, en men zegt dan zuchtend, achteroverleunend in de bureaustoel, dat het “de mooiste tijd van mijn leven” was. Maar ach, was die idyllisch beschermende wereld van de kleuterklas dat ook niet? Toen waren er geen examens, toen was er geen liefdesverdriet en hartverscheurende angst. In die tijd was succesvol naar de wc gaan al een overwinning. En terwijl ik terug vooroverleun op mijn bureau, me bedenk dat ik hier zo gek nog niet zit, tussen aangename mensen en met een nog steeds volle agenda thuis, had ik terug in de tijd willen gaan om mijn jongere zelf in te fluisteren dat piekeren over die sombere donderwolktoekomsten geen enkele zin had. Niet alleen omdat het onweer er van ver dreigender uit zag dan het was, maar ook omdat ik moest weten dat ik het leven altijd onvoorspelbaar zou houden.

vrijdag 23 oktober 2009

Hagen en kubussen

Ik moet mezelf eraan herinneren dat ik morgen vroeg op moet om te werken als ik het glas gemengde pastis, water, suiker en absint aan mijn mond zet. Dat glas is daar niet vanzelf gekomen - het werd me in de handen gedrukt door B, die binnenkort voor enkele maanden naar Australië vertrekt. Hoewel ik in mijn leven via geheel toevallige wegen al veel Australiërs ontmoet heb, kan ik me bij het land niets meer voorstellen dan die rare accenten, het operagebouw van Sydney, Ayers Rock en enkele chronisch slecht behandelde aboriginals. Het vergt in elk geval moed om zo'n radicale vlucht in het onbekende te wagen. Maar buiten zijn vele vrienden is er niet iets dat B hier echt houdt. Geen relatie, geen kinderen, geen werk, geen studies. Hij doet het omdat het nu nog kan, en, zo vermoed ik, misschien ook om dat totaal vreemde op te zoeken dat een puzzelstuk zou kunnen toevoegen aan zijn zoektocht naar wat een mens gelukkig maakt, al is dat een behoorlijk flauwe zondagspsycholoogbespiegeling. Ik geef het glas door aan S, die tegen me aan leunt alsof ik een vleesgeworden zetel ben, en kijk rond door het appartement. S zal later gelijk hebben dat we niet erg lang hadden hoeven blijven, want per slot van rekening kenden we er iedereen en konden we er gesprekken voeren die we al vaak gevoerd hebben, grappen gemaakt hebben die we op elk moment van de dag konden maken, en ons lazarus drinken zoals we ook zouden kunnen hebben gedaan in ons vertrouwde stamcafé.

Dan liever even de koelte van het balkon, dat uitkijkt over een nieuwe, fris ogende sociale wijk en een klein park met vreemd gesneden, hoge hagen. De fietsen van S en mij leunen tegen het hekken van dat park, "alsof ze verliefd zijn," zo merkte ik in al mijn meligheid even later op. We zullen B voor een half jaar niet zien, en ik weet dat hij ons en al die anderen in het diepste van zijn zelf niet echt zal missen, omdat hij beseft dat niemand volledig onmisbaar kan zijn, enkele grote uitzonderingen niet te na gesproken. Het moet bevrijdend zijn, niemand te hoeven missen. Het moet ook bevrijdend zijn om te leven zonder angst om iets te verliezen. Uiteindelijk bezit een mens niet echt iets. Het ego stribbelt tegen. Het wil niets liever dan bezitten - vriendschap, rijkdom, kennis, liefde en macht. Ik neem nog een slok van de aangelengde absint, en besef dat ze al in mijn hoofd zit, die negentiende-eeuwse, groene duivel. Ik denk ook aan het feit dat vrouwen altijd meer aandacht voor me hebben als ik in een relatie zit, alsof dat ruikbaar en zichtbaar is. Het is een eigenaardige wereld. We kunnen parken met rare hagen aanleggen alsof het kubistische kunstwerken zijn, en tegelijk zo geregeerd worden door oeroude, haast onbedwingbare instincten.

Even later gaan we huiswaarts, nadat we samen het glas suikerwater met absint en pastis plichtsbewust geleegd hebben (er was ook ergens wel vodka bij betrokken, maar geen haan die daar naar kraait). Ik voel me gerust dat ik mijn heilige zes uur slaap zal kunnen koesteren, en heb op dat ogenblik geen weet van collega's die op een bedrijfsfeestje een dikke dag later licht aangeschoten luchtgitaar zullen spelen, noch dat ik me ongewoon berustend zal voelen met een onderstroom van constante ongerustheid, hoewel ik zoiets wel zou moeten kunnen voorspellen. Ik ben vooral blij dat ik me straks naast S zal kunnen aanschurken, en me zal afvragen wat voor gedachtenpluis er in haar rondwaart, terwijl we samen onder dikke dekens zullen liggen en gesprekken zullen voeren die betekenisvol lijken op dat moment, maar mogelijk de dag erop al half vergeten zullen zijn. Terwijl we met de fiets door Gent hobbelen, over kasseien, fietsstroken en langs vervaarlijke tramsporen, denk ik aan wat er mij toe aan zou kunnen zetten om ook zo'n sprong te wagen, weg uit mijn vertrouwde stad met de torens, de bekende winkels en het altijd veranderende gezicht van de uitgaansbuurten. Ik weet het niet. Ik laat alleen mijn verlangens die diepgeworteld zijn in het nu spreken.

Eenmaal thuisgekomen is het net middernacht gepasseerd, en sta ik al met één been in de vrijdag. Ik voel dat het hele raderwerk van de ochtend erop voorbereiden, met het rituele zetten van de wekker, het avondlijke voorbereiden van het ontbijt en de rosse kater triest achter te laten in de living met zijn eten en zijn kattenbak, zich volmaakt afspeelt als een Zwitsers horloge. Ik rook nog een sigaret terwijl S zich in bed nestelt als een grote poes, nadat ze zichzelf eveneens ritueel van haar lenzen ontdaan heeft. De gedachte komt opzetten dat ik misschien hartelijker afscheid had moeten nemen van B, maar dat wordt tegengesproken door het gevoel dat ik nu eenmaal niet iemand ben die goed is in dat soort gevoelens, omdat afscheid als vanzelfsprekend komt. Misschien dat dat minder met het nu dan met de toekomst te maken heeft. Die toekomst, die altijd tantaliserend dichtbij en veraf is, en exotische plaatsen, frisse gedachten en hartverscheurende gevoelens belooft. Het is allicht permanente verliefdheid op een verlangen. Ik neem er nota van dat dit ondanks de speciale gelegenheid op zich bekeken een dag was als een ander, en dat het niet de moeite zou zijn om er ook maar een letter van op te schrijven.

zondag 20 september 2009

Ik laat mezelf wel uit

In een leven is het onvermijdelijk dat je mensen tegenkomt. Men kan dit beschouwen als gelukkig, ongelukkig, tragisch of komisch, en het enige juiste antwoord is dat het natuurlijk alles tegelijk is. En toch zijn vriendschappen met die andere, rare mensen niet vanzelfsprekend. Volgens een enquête van een tijd terug beweert een groeiend deel onder de Vlamingen dat ze eigenlijk niet echt vrienden hebben. Wie zijn die mensen? Zijn het verstokte vercyberden, die doelloos rondzwerven over de digitale golven, van porno-eiland naar porno-eiland? Of is het die keurig geklede man die nooit langer dan een kwartier een middagpauze neemt en tijdens de verplichte bedrijfsuitjes niet komt opdagen? We zijn dan weliswaar een maatschappij die assertiviteit viert als een hoog goed, maar als het er op aan komt zijn er nog steeds velen onder ons die eerder verlegen zijn, niet goed weten wat ze moeten zeggen tegen vreemden of eigenlijk nog het liefste met rust zouden gelaten worden door de hele wereld.

Maar als je een beetje sociaal ingesteld bent, word je haast belaagd door mensen die graag je vrienden willen worden, en als je in de juiste omgevingen verkeert, dan houdt dat niet meer op van de dag dat je de kleuterschool binnendrentelt met een volgeplaste broek, tot het moment dat je ingehaald wordt als de jeugdigste bewoner van een bejaardentehuis. Er zijn vriendschappen die ontstaan uit onnozel toeval – mijn vrienden S. en B. zijn al veertien jaar bevriend, gewoon omdat ze op de eerste schooldag van het eerste middelbaar naast elkaar zaten, hoewel ze dag en nacht verschilden van elkaar. S. was een competitieve sportfreak met een droog gevoel voor humor, en B. was het soort stoethaspel en Boergondiër die Breugel met veel flair afbeeldde in zijn schilderijen. Er zijn ook vriendschappen die haast voortbestemd leken, zoals in dat tweede jaar aan de universiteit, waar ik wat ontheemd terechtkwam naast een jonge man die net als ik een passie bleek te hebben voor schrijven, en naderhand ook voor alcohol.

Er bestaan echter ook ongemakkelijke vriendschappen, de naam niet waardig. En daar wil ik je voor waarschuwen. Ze sluipen je leven in als aangename mensen, die na verloop van tijd onthutstend weinig blijken te vertellen hebben. Ze nemen een vaste plaats in op je feestjes, maar je vraagt hen meer uit gewoonte dan wat anders. Of je zit voortdurend als medepassagier op de denderende dramatrein van hun leven, zonder dat er iets ten goede lijkt te veranderen in de rijrichting of de spoorvastheid van die trein. Dan wordt het tijd om aan de noodrem te trekken, of desgewenst de schietstoel te activeren. Er bestaat niet echt iets als een vriendschap officieel beëindigen, zoals men een lief dumpt of een scheiding aangaat, maar het kan minstens evenveel pijn doen. Toch zie ik vaker mensen zonder scrupules relaties verbreken die misschien nog een kans hadden, dan dat ze zouden overwegen weg te gaan bij slechte vrienden of mensen die er alleen maar zijn als het is om plezier te maken en een beetje mee te profiteren. Als men ‘slechte vrienden’ hoort, denkt niemand aan zichzelf, laat staan aan zijn vrienden. Maar je hebt slechte vrienden. En je moet die durven opzij zetten.

Men zou kunnen zeggen dat ik de zaken te eenduidig zie. Je kan je bevinden in een groep van vijf vaste vrienden met maar één rotte appel, en jij kan best de enige zijn die dat probleem ziet, waardoor er hogere emotionele wiskunde aan te pas komt om een kosten-batenanalyse op te stellen. Maar als je er niets aan doet, dan pleit dat ook niet in je voordeel in andere facetten van je leven. Je bent dan wel geen vereenzaamde vogelverschrikker die in de les altijd alleen zat en dassen droeg naar school, maar je voelt je diep vanbinnen erg alleen omdat je niemand durft zeggen waar het op staat. Omdat je op je vijfendertigste nog altijd moet luisteren naar de voorbijgestreefde, neoliberale preken van je baas. Of omdat je ook nooit iets hebt durven weigeren wat je tirannieke, veel knappere en dus uiteraard meer waardevolle vriendin je vroeg. Het is echter nooit te laat om te veranderen. In zelfs de laagste deurmat schuilt iemand die de ketenen van onderdrukking kan afleggen, omdat dat tenslotte iets is waar je ook zelf mee schuld aan hebt. Dat de meesten dat nooit zullen doen, is niet jouw probleem. Je bent het aan jezelf verplicht gelukkig te worden, zelfs al betekent dat dat je eens niet naar dat feestje gaat, dat je eens alleen je lunch opeet of dat je masturbeert met een harde schijf vol porno in plaats van tot wenens toe seks te hebben met een onaangenaam persoon.