Over 'Onklare taal'

'Onklare taal' is de verzamelnaam van diverse tekstprojecten van mijn hand. Dit is de afdeling columns en microstories daarvan. In 2017 bracht ik 'In de vorm van een vogel' uit, een bundeling van de beste 99 teksten van dit genre tot op dat punt, netjes geredigeerd en per seizoen geordend. Je kan die antologie gratis downloaden als je Patron wordt. De weg een beetje kwijt? Mijn eigenlijke website, die ook 'Onklare taal' heet, verwelkomt je.

donderdag 27 maart 2014

Onder het schild

Er is Werelddierendag, er is de Dag Tegen Extreme Armoede, Openmonumentendag, en er is blijkbaar ook een Internationale Dag van het Geluk. Dat zullen we vandaag geweten hebben. Ik kom aan op het werk en ik merk dat m'n bureaublad veranderd is. In de lift hangen omineuze posters die ons met een dubieuze spreuk van Tolstoj, vertaald in slecht franglais, aansporen om gelukkig te zijn. Want gelukkig zijn, dat kan blijkbaar door het gewoon te willen. Er zijn allerlei activiteiten gepland, zo blijkt. Een verrassingsbord paella met een glas sangria, een gadget en een toespraak van een corporate geluksexpert, en in de namiddag komt er een lachsessie in een vergaderzaal op het zesde. Al dat geluk, en het wordt me hier gewoon in de schoot geworpen.

Van de weeromstuit erger ik me aan het initiatief, niet omdat ik dat aan een denkbeeldige staat van cynisme verplicht ben, maar omdat het geforceerd aanvoelt. In plaats van werknemers te vragen naar wat hen gelukkig maakt of gelukkiger zou kunnen maken, beslist men aan de top dat geluk voor ons bestaat uit een motivational speaker en lachgas. Wel. Ik probeer de oren niet te hard te laten doorhangen. Ik begraaf me in m'n werk en negeer zo veel mogelijk de medewerkers van HR, die van verdiep naar verdiep gaan en er voor de gelegenheid uit zien als een groep stewards en stewardessen. Ze lijken nu al allemaal dronken. En ach, is het ook geen bijzonder mooie dag vandaag? Een blauwe hemel, een beetje wind, en de lente die in elke bloemenschaduw zit.

Ik probeer om niet Die Gast te zijn, maar na een halfuur in de refter door te brengen terwijl 'Happy' van Pharell op oneindige herhaling staat en de motivatiespreker het ene cliché na het andere afvuurt onder goedkeurend gebrom, vlucht ik naar buiten. Ik ga in de buurt naar een bankautomaat. Ik flaneer langs de Tervurenlaan. Allemaal ambassades, groot en klein. De meeste herken ik aan hun vlaggen, omdat ik als kind een obsessie had met vlaggen. Ik herken aan mijn linkerkant de vlag van Cambodia en aan de overkant die van Oeganda, die ik eerst verwar met die van Mozambique. Veelkleurige affaires. Verderop is er ook de Spaanse ambassade, waar altijd rokers buiten staan.

Met mijn blik op de grond gericht, wandel ik verder. Er is nog iets dat me aan dat hele geluksinitiatief stoort, omdat het het allemaal zo doodeenvoudig doet lijken. Voel je gewoon goed en alles komt vanzelf. Dat is simpel voor mensen wiens hoofd geen cyclotron is. Ik bal de vuisten. Ik heb angst. Alle dagen minstens één keer, soms om futiele redenen, soms om gegronde redenen, soms zomaar, zonder object. Die angst ligt telkens op de loer, net om de hoek, de ongenode schoonfamilie voor de deur, de overvaller in het steegje. Ik doe alles wat ik kan om die angst te overschilderen of om die op afstand te houden, maar dat is niet altijd gemakkelijk, want het enige wat die angst doet verdampen, is me terugtrekken uit de drukte en stil blijven zitten als een rotsblok. Een fobie is concreet. Angst heeft een miljoen gezichten zonder ogen.

Bij de slager bestel ik m'n broodje, en laat ik m'n blik ronddwalen over de toonbank met charcuterie. Het helpt niet dat ik nog eens een grote verbeelding heb, maar gelukkig heb ik fantasie en werkelijkheid altijd kunnen onderscheiden van elkaar. Soms ben ik bang dat ik dat op een dag niet meer ga kunnen, en dat alle deuren uit hun hengsels zullen geblazen worden door een oerkracht die al veel te lang verbannen is naar de diepte. Er zijn ook momenten dat ik denk dat het specifiek die angst is, die me helpt om door de realiteit te navigeren. Had ik die niet, dan zat ik misschien nu al lang ergens in een isoleercel.

De naamloze protagonist uit 'Aantekeningen uit het ondergrondse' van Dostojevski lijdt aan een hyperbewustzijn, wat hem voor alles en iedereen, inclusief zichzelf, met afkeer vervult, en hijzelf de grootste barrière wordt tot zijn zelfverwezenlijking. Het heeft ook te maken met je basisingesteldheid, veronderstel ik. Ik begreep de mentale toestand van de Ondergrondse Man, en het inzicht dat elke samenleving een bizar marionettenspel is waar ideologieën nog sneller bankroet gaan dan dat ze uitgevonden worden, maar deelde zijn minachting voor anderen niet. Ik hou best van mensen, met verstandige reserve.

Eens ik weer op straat ben, inhaleer ik de lente zo diep mogelijk. Ongelukkig voel ik me niet. Een mens kan heel veel dingen tegelijk voelen die elkaar enkel schematisch tegenspreken. Of in speeches van goedbedoelende gelukscoaches. Hij had het over positieve psychologie, een discipline die zich richt op het verbeteren van wat al goed is, in plaats van altijd te timmeren aan de slechte kanten van de mens. Er valt iets voor te zeggen. Maar hoe moet je verder met dat blok aan je been, al je goede kanten ten spijt? De meeste mensen met mentale problemen die ik ken, compenseren dat al door hun betere kanten te cultiveren. Mag ik dat eigenlijk wel zeggen, dat ik mentale problemen heb? Ik ben niet psychotisch en kan vrij goed functioneren op het werk en in mijn sociale omgeving. Maar ja, voor je het weet zit je bij de verhongerende kinderen in Zuid-Soedan en mag niemand nog spreken over zijn of haar problemen.

M'n hartslag gaat omhoog. Misschien komt dat omdat ik gisteren zo weinig geslapen heb. Ik rond de hoek van het bedrijf en marcheer naar binnen. In de lift weer die posters. "Elke minuut dat je boos bent, heb je zestig seconden geluk verloren". Gelukkig staat het er niet in Comic Sans. Met opgetrokken wenkbrauw zie ik dikwijls reposts passeren van sites als Upworthy, of zucht ik eens bij de uitroeptekens omtrent de zoveelse TEDx-talk. Je kan me dan afserveren als een knorpot die altijd wel iets negatief te zeggen heeft, maar het punt is dat dit soort diepzinnigheid op bestelling vaak enkel een goed gevoel geeft. Het verandert niets.

Op het derde stopt de lift en stappen twee HR-mensen in, die me onmiddellijk vragen wat ik vond van de middagactiviteit. Die was wel "ça va" zeg ik zo enthousiast mogelijk, maar ik weet dat ik met alles wat minder is dan het hoogste lof, op hun hart aan het trappen ben. Morgen zijn ze dat misschien al vergeten, en vroeger zou ik me er schuldig over gevoeld hebben. Dat heb ik tenminste toch al geleerd. Ik laat sneller los. Opnieuw één van de voordelen van die kraken die in m'n hoofd woont. Hij heeft me gedwongen eigenschappen te ontwikkelen die anderen niet hebben om aan zijn tentakels te ontsnappen. Zwaar nieuws verdraag ik gelijkmoediger dan anderen. Ik verlies me niet in geluk zoeken waar ik het toch niet zal vinden, zoals het najagen van andermans dromen, en ik accepteer dat iedereen monsters heeft in zijn mentale spelonken.

Op m'n eigen verdiep tap ik een stevige koffie en sla ik een praatje met een baas. Ik kan zeer moeilijk praten over hoe ik me echt voel omdat het mij niet is aangeleerd. Sterker nog, de les die ik in het leven heb meegekregen, is dat gevoelens delen met iemand op hetzelfde neer komt als alle deuren van je huis wagenwijd openzetten. Poëzie is eigenlijk slechts een garageverkoop, of de lichtshow die Kevin McAllister opzet voor de vensters van zijn huis om inbrekers te misleiden. Niet dat het geen schijn van waarheid bevat, maar intussen weet ik al lang dat waarachtigheid belangrijker is dan onversneden waarheid. Het is mooi meegenomen dat ik er iets uit kan puren dat op kunst lijkt en dat sommige mensen die goed vinden, en nog fantastischer dat ik er recht het hart van sommige mensen mee aanspreek, maar die uitingen zijn niet de cosmetica waarvoor ze soms gehouden worden. Laat staan dat ze bedoeld zijn als emotioneel exhibitionisme, waar ik van gruw.

Achter m'n bureau is het te warm, omdat elke namiddag het zonlicht recht naar binnen schijnt op die plaats. Ik nip van de koffie, waar ik iets te veel suiker in gedaan heb. Matiging is moeilijk. Ik klaag dan wel dat we constant overgestimuleerd worden door duizenden indrukken tegelijk, maar waad al te vrijwillig door diezelfde poel op sociale media. Tenslotte is het niet al kommer en kwel, denk ik terwijl ik m'n handen verwarm aan de koffiemok. Er is een reden dat ik lachrimpels heb en geen huilrimpels, en dat m'n mondhoeken niet naar beneden staan. Toch vraag ik me af hoe dat moet voelen, gelijkmatigheid. Voor zondagskinderen lijkt dat vanzelf te komen.

Waar het allemaal op neer komt is een doordringend gevoel van stuurloosheid die deze dag accentueert. Ik ben niet de kapitein van mijn eigen lotsbestemming, zoals ons wordt voorgehouden door allerlei feel good-artikels en geblubber over empowerment. Om te kunnen bestaan moet ik geld verdienen, en dat doe ik met een job die me maar zeer matig boeit, onder mijn intellectueel niveau ligt en waarvoor ik elke dag in totaal drie uur onderweg ben. Met toenemend afgrijzen kijk ik terug en zie ik dat ik de voorbije acht jaar zo goed als stilgestaan heb. Ik heb geld verloren en een beetje geld gespaard, ik heb oude meubels weggedaan en nieuwe gekocht, vrienden zijn hier en daar van plaats gewisseld, en ik ben door de draaideur gegaan van verschillende relaties en non-relaties. Maar wat, buiten een kapitaal dat we dan maar zullen omschrijven als 'menselijk', heb ik werkelijk gewonnen? Wat kan ik in de plaats krijgen voor die cheque van de Bank der Levenswijsheden?

Na een tijdje kniezen besluit ik om eerder van het werk te vertrekken. Die brochure wordt wel een andere keer geschreven. Het is nog niet eens vier uur, maar de brave soldaat Voloshin zit anders plichtsgetrouw te werken tot even na het officiële einde van de werkdag, dus niemand maalt erom. Ja, ik zou in theorie alles kunnen achterlaten, de eerste vlucht nemen naar Tahiti en daar proberen om een nieuw bestaan op te bouwen, maar het leven is geen Hollywood-film. Ik plooi terug op mezelf, en merk dat het tijd wordt dat ik gewoon de hoorn van de haak leg. Woorden en gedachten kunnen maar zo veel. Dat betekent een boek vanavond, een verblijf op de zetel, weinig licht, misschien een bad met veel schuim. En vooral die kakofonie die niet meer langs de muren van m'n appartement naar beneden sijpelt en in de kleren kruipt. Laten we vanavond gewoon beginnen met stil zijn.

zaterdag 8 maart 2014

Steak masqué

Het woord 'kostuum' is een prachtig woord omwille van zijn Dietse dubbelzinnigheid, omdat het zowel avondkledij met das en jasje als een ensemble aan verkleedkleren kan aanduiden, en dus impliciet toegeeft dat de typische garderobe op recepties en evenementen met klasse ook niet meer is dan een verkleedpartij voor gevorderden. Bovendien zitten we volop in het carnavalsseizoen, denk ik, terwijl ik in pak en das wacht op m'n eten in een restaurant nabij Sint-Katelijne, in hartje Brussel. De reden dat ik zo uitgedost ben, is omdat m'n werk me daartoe verplicht. In het jaar dat ik geboren werd, werd ons bedrijf opgericht door twee vooruitziende aristocraten, en die vonden het vanzelfsprekend dat hun personeel de bijbehorende klasse zou uitdragen. De reden dat ik dan weer alleen zit te dineren, is omdat ik in de buurt dadelijk op het appel moet verschijnen bij het Vrouwen Overleg Komité, compleet met progressieve spelling - die intussen al meer dan 15 jaar een eerder regressief effect heeft. Het VOK heeft me niet gesommeerd wegens misdaden tegen de vrouwelijkheid, maar omdat ik deel uitmaak van een feministische groepering en dat er vanavond verzamelen geblazen wordt met een aantal van die groeperingen.

Ik eet een malse steak, die geserveerd is op een houten plank met drie gaten in voor drie verschillende sausjes. Voor die steak is een koe gestorven en is het broeikaseffect weer dat beetje erger geworden, dus ik kan er maar beter van genieten en alles netjes opeten. De maaltijd smaakt. Intussen word ik in de gaten gehouden door een ouder Nederlands koppel dat luid en in amechtig Frans al een bestelling geplaatst heeft, en een stel Amerikanen die probeert uit te vissen wat er op de menukaart staat. Ik gebaar niet dat ik Nederlandstalig ben en dat ik Engels spreek. Dat is wel vaker een genoegen waar ik me in verkneukel, en ik zorg ervoor dat ik zo gemanierd en stijlvol mogelijk eet, drink en verder lees in het boek dat ik bij heb. Mensen die alleen eten op restaurant oogsten vaak bekijks, dus kan ik maar even goed een bescheiden show opvoeren. Sowieso is op restaurant gaan al acteren, met dat hele ritueel van bestellen, bedanken, de rekening vragen, de discretie bij het betalen, en zo verder. Voor sommigen is dat bourgeois en onnozel. Voor mij is het een vak, een spel. Ik hoop dat de garçon, die aan m'n accent vast wel zal gehoord hebben dat ik een Vlaming ben maar Frans praat omdat ik dat zelf ook doe, denkt dat ik misschien een controleur van van Michelin. De Nederlanders denken mogelijk dat ik een zakenman ben die straks nog verder gaat werken.

Ik drink. Ik eet het bord, dat gemaakt is om te doen denken aan een authentieke slagersplank, netjes leeg. Rood vlees en mannelijkheid, wat is dat toch met dat verband? En dan die slagersplank. Is het een uiting van een hunkering naar een ingebeeld verleden, waar dieren om zeep helpen getuigde van mannelijke waarde? Nostalgie naar brute kracht die vroeger op respect kon rekenen, maar nu hoogstens de wenkbrauwen doet fronsen? De tijden zijn veranderd, maar hoe meer we in de maatschappij inzetten op verfijndheid, empathisch denken en kennis, hoe harder bepaalde segmenten lijken weg te dromen bij een ingebeelde mannelijkheid. Dat is geen nieuwe gedachte. Ook Caesar schreef in zijn Gallische Oorlogen dat de Germanen, hoewel zij barbaren waren, door hun afstand tot het beschaafde leven in de metropool Rome, "het minste verwijfd waren". Ondertussen betaal ik voor het eten en laat ik een kleine fooi achter, deels omdat ik geen zin heb om te wachten op wisselgeld, deels omdat ik oprecht tevreden ben over de service en de kwaliteit.

Buiten waait het een ongeluk. Allerlei volk dwarrelt over de verkeersvrije straat en het pleintje en ik trek m'n jas dichter. Ik heb nog tijd vooraleer het evenement begint, en bovendien moet ik nog wachten op medestander Wendy. Ik steek de straat over en ga in het café daar een koffie drinken. Terwijl ik er zit, en opnieuw enkele nieuwsgierige blikken voel die zich lijken af te vragen wat die ene zonderling in kostuum daar zit te doen, vraag ik me van mijn kant af of hier ook al andere feministen undercover zitten. Want in weerwil van het cliché zijn feministen anno nu allesbehalve vrouwen met een vierkante kin en weelderig okselhaar, als dat cliché ooit al waar geweest is. Openlijke vrouwenhaters zie je in België niet vaak meer, maar er is genoeg seksistisch achtergrondruis die onze houdingen maar al te vaak beïnvloedt zonder dat we daar bij stilstaan. Ik ben hier echter niet om te preken, en ik lees op m'n gemak verder terwijl ik van de bescheiden koffie nip. Ik zit in zo één van die Vlaamse oases in Brussel, niet ver van de Dansaertstraat, waar Frans optioneel is in plaats van de automatische default. Geert Bourgeois zou het graag zien. Aan het venster passeert guur volk. Waarom zou je op een koude maandagavond ook buiten moeten zijn, tenzij het binnen erger is? Molenbeek is niet veraf. In de Vlaamse psyche is dat een Mordor van ruige Marokkanen, fanatieke imams en francofoon nepotisme. Ik voel me noch op m'n gemak bij die beeldvorming, noch bij de invloed die het ook op mijn denken heeft.

Als Wendy arriveert, ben ik al verkast naar de zaal waar het evenement plaatsvindt, en kijk ik vooral goed rond. De stoelen staan in een cirkel, en even vrees ik dat we zullen beginnen met djembe spelen. Ik ben één van de weinige aanwezige mannen, maar dat verbaast niet. Eens in de minderheid zijn kan deugd doen voor het perspectief, zeg ik altijd maar. Er wordt een micro doorgegeven terwijl diverse organisaties zich voorstellen. Ik krijg de indruk dat iedereen vooral vol goede wil zit en lief is: een heel eind verwijderd van het militante (en compleet verzonnen) beeld van schreeuwende vrouwen die bh's verbranden en het einde van de fallus afkondigen. Toch schuilt er achter die vriendelijke woorden een gestaalde overtuiging. Twee oudere dames hebben indertijd nog meebetoogd met Simone de Beauvoir. Een ander frappant feit is dat de enige persoon die een dienende functie lijkt uit te oefenen op het evenement, een hoofddoek draagt. Dat is allicht toeval, en er is een brede consensus dat de hoofddoekenkwestie vooral iets is waar gelegenheidsfeministen zich in opwinden, maar niettemin valt het op.

Daarna worden we als in een carrousel verschoven van tafel naar tafel, om te discussiėren over een aantal thema's. Genoeg tijd voor een diepgaande discussie is er niet echt, het is meer een uiteenzetting van standpunten en feiten die elke groep karakteriseren. Een groep die specifiek opkomt tegen vrouwen die op straat lastiggevallen wordt, legt natuurlijk andere accenten dan iemand die actie voert voor holebirechten. Opnieuw blijkt de luisterbereidheid groot, maar de vrijblijvendheid evenzeer. Als man aan feministen gaan vertellen hoe ze beter kunnen zijn in feminisme, is om diverse redenen natuurlijk not done, maar toch vind ik het jammer dat er niet wordt gesproken over speerpunt - of outreachacties die op meer gericht zijn dan een publiek bereiken dat al bereikt wordt. Iemand ziet heil in een mailing list, een begrip dat in feite al verouderd was in 1999, toen ik nog dacht dat feminisme gelijkstond met Goedele Liekens. Ik ben alleszins blij om deel uit te maken van een groep waarin dat niet geldt als een revolutionaire suggestie.

Dik anderhalf uur later ben ik thuis, en leg ik alle vermommingen af. De das gaat in de lappenmand, het kostuum aan de vleeshaak. Zelfs de kater weet dat hij zijn klauwen niet mag uitslaan als ik geen kleren draag. Het is koud, want de centrale verwarming is kapot, dus wordt het behelpen met een beige verwarmingstoestel dat ouder is dan ikzelf. Ik rek me uit en giet een glas vol, steek een sigaret op, en begin het avondritueel als ik alleen ben. Is ook dat geen volgende vermomming? Of is dit uur voor ik in bed kruip een kort verblijf in de coulissen, waar al mijn attributen en rollen uitgestald liggen? Je kan zeggen: je bent je eigen rol, zolang je die voor waar aanneemt. Ik nam mijn persona als zakenman in het restaurant niet voor waar aan, maar beleefde er plezier aan. Mijn persona als medestander in feminisme neem ik voor waar aan, en veroorzaakt soms veel stress. Bijvoorbeeld dat ik dat nog veel te vaak moet rechtvaardigen. Hermann Hesse dacht dat de mens een ajuin was: enkel laagjes, niet echt een kern. Ik zie het nog radicaler. De mens is proteïsch, veranderlijk en zonder kern, en lagen zijn maar een abstractie voor het gemak. Het glas is leeg, nu, en de kater is tevreden aan het eten. Bij gebrek aan Jelka, die vanavond het podium onveilig maakt, mag hij deze nacht bij mij slapen. Ik tik de laatste asse af en denk dat het tijd is om die veerboot van tabak achter te laten, en aan land te gaan in de slaap.

dinsdag 25 februari 2014

Contrawerelden

De hemel boven Brussel is zo grijs als de Noordzee. Er ligt een stoflaag van tristesse over de stad, die bijna in regenen gaat uitbarsten. Het is sentiment. Het is eigenlijk een dag als alle andere in deze milde winter, maar hoe ik me voel, daar kan ik ook niets aan doen. Je hebt mensen die geboren worden en zich direct een plaats weten in de wereld, of aanvoelen dat de wereld een plek is die op hun maat gesneden is. Veel mensen voelen dat niet zo aan, en op onze eigen lullige manieren gaan we daar allemaal zo goed en zo kwaad als we kunnen mee om. Mijn tactiek was altijd om de wereld te veranderen in een plaats die voor mij geschikt was. Desnoods zou ik werelden maken, en wat is de hele lange adem van schrijven anders dan de praktijk daarvan? Een vriend die bij nader inzien later maar een lul was, zei ooit dat veel fantasie hebben een eigenschap is van losers. Het ergste was dat hij gelijk had. Aan de andere kant is fantasieloosheid de dood van alles, dus dan ben ik liever een pathetische loser dan een zandzak met kleren aan.

De keerzijde van nobele bedoelingen is de uitvoering ervan, denk ik, als ik voor de zoveelste keer passeer langs de vaste schare daklozen en metromuzikanten terwijl ik haastig naar Brussel-Centraal stap. Er is één oud vrouwtje die ik af en toe enkele eurocentjes heb toegestopt, maar ik ben daarmee opgehouden omdat er in haar buurt altijd een zeer opdringerige straatventer rondliep die zich persoonlijk beledigd voelde als ik voor de vijftigste keer geen daklozengazet wenste te kopen. Het ergste is dat ik die man z’n woede niet eens verwijt, maar dat ik de twee minuten rust van een sigaret roken tussen trein en metro ’s ochtends vroeg niet wenste opengebroken te zien door telkens hetzelfde gesprek te voeren in telkens datzelfde taaie Frans, dat om 8 uur uit m’n mond kwam alsof ik net had leren spreken.

Maar: nobele bedoelingen genoeg, al zijn we er soms niets mee. Op het perron lees ik in de Humo een interview met twee ouderparen die een kind verloren, naar aanleiding van de Oscarnominatie voor ‘The Broken Circle Breakdown’, en het gevoel in mij neemt weer de overhand. Wat heb ik te klagen over lawaai op het werk van collega’s die te luid kauwen aan hun bureau, of wat zit ik boos te pruttelen over de strontgoochelaars die me het leven zuur maken als ik probeer te vatten wat dat moet zijn, je kind verliezen. Natte treinen gieren naar binnen en naar buiten, en mensenmassa’s verplaatsen zich, maar m’n blik hangt ergens in het ijle. Zo veel pijn wens je niemand toe, en valt ook niet te delen. Misschien wil je ze ook niet delen. Miserie houdt van gezelschap en plant zich maar al te graag voort. Wat zou ik doen als iemand van m’n vrienden een kind verloor? Mijn ouders hadden een vriend die twee weken voor mijn geboorte verongelukte, en als kind (ik werd nota bene geboren op zijn verjaardag) werd ik één keer per jaar naar zijn ouders meegetroond. Na de taart viel er telkens die lange stilte die voorafging aan het bezoek van zijn graf. Uiteindelijk verwaterde het contact tussen mijn ouders en zijn ouders.

Ik rol de Humo op als de lichten in de tunnel mijn trein aankondigen. Het is zo’n oud treinstel met neplederen zweetzetels. In de winter heb ik die liever, omdat die treinstellen zo veel lawaai maken dat ze het gebabbel, getelefoneer en ge-eet van de medepassagiers overstemmen en niet zo drukkend warm zijn. Ook vanavond heb ik geluk, en vind ik na even zoeken een coupé waar het redelijk stil is, na één coupé ontweken te hebben waar iedereen bier aan het drinken en chips aan het eten was, en een andere die gedomineerd werd door een Chinese die via haar iPad met de luidspreker aan aan het bellen was, omringd door het mooiste aan wat passief-agressief België te bieden heeft. Belgen zijn te beleefd voor hun eigen goed, en als ze dan uiteindelijk toch kwaad worden, exploderen ze in oudtestamentische woede. ’t Is niet dat ik anders in elkaar zit, en ik tors dan ook nog de last van uit mezelf een persoon die zijn met zeer veel woede. Het is een familietrekje. De scheldtirades van mijn overgrootmoeder waren naar verluidt legendarisch, haar dochter kon concurreren met boer Van Paemel, en haar dochter – mijn moeder – valt ook soms ten prooi aan vlagen van drift en boosheid. Ik zeg: met woede is er geen probleem, zolang het geen ongeleid projectiel wordt.

Er is een lijn bijgekomen in mijn voorhoofd, merk ik als ik kijk naar mijn weerspiegeling in het donker van het treinvenster. Het is een denkrimpel en geen lachrimpel, maar een mens moet van vele markten thuis zijn. Zoals vaker zie ik er moe uit, om niet te zeggen wat verwaarloosd, met iets te weelderig gezichtshaar en een das die slordig geknoopt is. Ik durf dat geen off-day meer noemen, want het zijn de dagen dat ik het vaakst blikken opvang van onbekende vrouwen. Hoe aantrekking werkt, dat heb ik nooit goed begrepen. Een grote verleider ben ik nooit geweest. De vrouwen in m’n leven kwamen vanaf een bepaald moment op eigen houtje, en bleken vooral meester in me het gevoel te geven dat ik hen aan het versieren was. Dat spel hoeft gelukkig niet meer. Dezer dagen ben ik vooral blij dat ik naast goede vrienden ook goede vriendinnen heb. Iemand die als volwassene enkel vrienden heeft van maar één geslacht, vind ik zelfs verdacht.

Ik sluit m’n ogen en probeer een dutje te doen. Het wordt zo’n kattenslaap, waarin mensen en dingen bijeen gedroomd worden die er ook in werkelijkheid zijn, maar in andere ruimtes en configuraties. Af en toe word ik weer wakker als de trein vertraagt over een stuk onzichtbaar spookland. Buiten is er niks dan donkere contouren van voorsteden of zeldzame Vlaamse velden. Emoties bezinken langzaam weer. In de halfslaap zijn het niet alleen de oren die afdwalen, ook het zintuig dat me vertelt waar m’n ledematen zich bevinden, begint z’n eigen gang te gaan. In sommige kringen geldt dat allicht als een uittreding. Voor mij is het gewoon de zoveelste komeet aan de hemel die zegt dat ik vaker moet slapen. Maar meer slapen, hoe doe je dat, als je elke dag op zo’n roetsjbaan gestuurd wordt van plaats naar plaats, gedachte na gedachte en gevoel na gevoel? Ze verwijten de jongeren van nu dat hun concentratie onbestaande is, te gefragmenteerd, zonder er bij stil te staan dat die jongeren leven in de wereld die die commentatoren mee hebben helpen scheppen.

We zijn bijna in Gent, en ik hou die gedachte nog even vast. Hoe doen we dat, een nieuwe en betere wereld scheppen? Ik heb altijd mijn idealen gevolgd in het stemhokje, nooit politiek opportunisme, maar veel zoden heeft dat niet aan de dijk gebracht. Ik probeer wel het goede te doen, maar hoe meer goed je doet, hoe meer je beseft dat er nog zulke grote stukken braakliggend land zijn. Het is pervers, allemaal. Als iemand me zegt dat ik een goed persoon ben, dan voel ik oprecht schaamte. Terwijl het publiek dat ik bereik elk jaar een beetje aandikt, word ik paranoïde van al die ogen. Richard Katz in ‘Freedom’ van Jonathan Franzen besefte op een bepaald moment dat depressie zijn biotoop was en dat hij zijn eigen geluk de nek omwrong omdat hij geen idee had hoe hij er mee om moest gaan.

De avondlucht rond Gent-Sint-Pieters is druk en fris. Ik zoek opnieuw aansluiting bij de wereld buiten m’n gedachten – die wereld waar ik altijd al geweten heb dat mijn plaats niet is, wat ook altijd een rustige zekerheid geboden heeft. En ik wacht. Ik wacht op de bus, en ik wacht op het moment dat de dingen in de plooi vallen, omdat het soms alles is wat ik kan doen. Een anonieme zenmeester zou ooit gezegd hebben: “Doe niet gewoon iets. Zit daar!”. Lastig in een bewegende wereld, zowel aan de binnenkant als de buitenkant, als je één van die vissen bent die niet met de stroom mee zwemt omdat hij niet wil, maar omdat hij niet kan.

donderdag 13 februari 2014

Ik ben de regen

Buiten stormt en waait het. Door de gangen van het appartementsgebouw klinkt de atonale muziek van de wind. Ik lig op het bed en luister, met naast me de huiskater. We ademen samen. Ik kijk graag naar hoe zijn borst groter wordt en dan weer kleiner, sneller dan de mijne, omdat zijn lichaam zo veel kleiner is en ik meer zuurstof nodig heb om te leven. Ademen is fundamenteel, en toch één van de enige lichamelijke processen die we volledig zelf kunnen controleren. De zonen van de storm buiten blazen hun longen leeg. In mijn hoofd spoken naast die wind nog andere melodieën: landschappen van trage en donkere geluiden, de muzikale badhuizen waar ik me altijd het meeste heb in thuis gevoeld. Dat komt omdat ze me kalmeren. Zenuwen die vonken hebben geen overstimulatie nodig van gitaren en distortie.

Ik steek een sigaret op en leg mijn vrije arm tussen mijn hoofdkussen en mijn matras. Het licht in m’n kamer is gedimd, en de warmte kan elk moment overgaan in dat moeras tussen slapen en waken, maar ik besluit wakker te blijven. Ik moet ook wakker blijven, want straks komt Jelka langs, en er is weinig dat ik meer haat dan het gevoel van desoriëntatie na een gestolen dutje. Wanneer kan ik echter anders slapen? Ik heb het mezelf nooit echt toegestaan, dat slapen. Waarom, dat weet ik al lang niet meer. Het was misschien magisch denken, dat ik mezelf als kind zag als beschermer over iedereen die in ons huis woonde, en dat ik pas als laatste mocht slapen. Het was ook altijd al deel van die knetterende zenuwen die al zulke mooie dingen hebben teweeggebracht, maar even goed vriendschappen relaties op de helling zetten en me een vluchter maakten als ik me afgemat voelde.

De rook verdwijnt naar waar hij wil. Soms maak ik me zorgen over het effect van m’n rookgedrag op de kater. Hij houdt niet zo van m’n sigaretten, maar de laatste dagen lijkt het hem minder te storen omdat ik het enige gezelschap ben dat hij heeft, nu Natasha en Roman in Thailand zitten. Beggars can’t be choosers. Ik rek me uit en voel de kieren tussen m’n gewrichten kraken. Het geluid van lucht die ontsnapt. Daar heb ik eigenlijk altijd al van gehouden, van ontsnappingsroutes. Met de rug tegen de muur staan is het ergste wat er is. Het is geen enkele keuze meer kunnen maken die relevant is. Het zijn de grote jongens met een stinkende adem en veel miserie die een kleinere jongen aftuigen. Maar ik sta niet met de rug tegen de muur, nu. Ik ben een eenmansleger dat zoals vele eensmanslegers elke dag worstelt met zijn eigen demonen. Als ik zou zeggen dat we allemaal hetzelfde zijn, dan zou ik liegen, maar ik zou eveneens liegen als ik zou zeggen dat we allemaal verschillen. Het is een statement waar niets mee te bereiken valt. Het punt is: hier is voortschrijdend inzicht aan de gang, hoewel die term me altijd doet denken aan Herman Van Rompuy die met de handen op de rug door een abdijtuin wandelt en Phil Bosmans citeert.

De wind en regen blijven inbeuken op het appartementsgebouw. Ik sluit de ogen en denk aan de straat met haar verweerde voetpaden, waar altijd wel tegels los liggen, of de binnenring van Gent, waar op elk uur altijd wel auto’s rijden, door weer en wind. Ook die beelden, vlakken en geluiden hebben hun eigen soundtrack. Ze verdrinken in aangehouden, subsonische baslijnen met spaarzame fragmenten van stemmen en onregelmatige percussie. Het is hypnotiserend, net als het één-twee van het kijken hoe de kater ademt en voelen hoe ik zelf adem. Nog een rookpluim komt naar buiten en verspreidt zich naar het plafond. Ik voel me niet per se goed als het zo hard regent, maar regen maakt dingen meestal draaglijker. Regen is niet triest. Wat triester is, is een uitvaart in volle zon, als het mooi weer is. Of in de gestolde kou van een heldere winternacht doodvriezen op straat als dakloze. Soms probeer ik regen zelf te zijn. Het is een truc waarmee ik mezelf kalmeer als ik op een podium moet staan om teksten te lezen, denken dat ik in ontelbare, gestage druppels neer val over het publiek, en de zaal vul met verkoeling of verfrissing, al naargelang.

Voorzichtig ga ik overeind zitten. De kat wordt niet wakker en blijft in zijn cirkel gedraaid liggen, met zijn kopje over zijn voorpootjes. Om me heen staan kaarsen en theelichtjes die nog niet aangestoken zijn, en een fles wijn die nog op moet, broederlijk naast een fles vodka die nog voor driekwart vol zit en een laag ijs op het glas heeft. De vodka is voor mij, de wijn voor haar. Net als wij zijn beide flessen even groot. Hun eigenschappen lezen als mogelijke beschrijvingen van onszelf: vodka schenkt een ijsschok die een hete laag legt over het binnenste, en de meer gematigde wijn is niet te zoet, niet te droog is, helder als een klok, feestelijk, aangenaam om naar te luisteren. Over luisteren gesproken, dat is nog iets wat regen ook doet: het drukt veel andere geluiden weg en dwingt me niet langer rekening te houden met de agressieve dissonantie van wat er voorbij ligt. Waarom zou een mens nog oordopjes willen?

Terwijl de flessen en ik wachten op m’n lief, druk ik de sigaret uit in de asbak, en daarmee ook het verlangen nog meer belegen metaforen te bedenken voor de liefde. Een mens kan dat toch niet vatten in haar totaliteit. Er bestaat geen enkel systeem dat zo consistent is dat het nergens een paradox kent, of iets dat aan zijn greep ontsnapt. Er zijn alleen fenomenen die oprijzen uit het diepe, en dan vervagen. Het schijnt dat atomen zich anders en intenser gedragen als ze geobserveerd worden. De perceptie van onze eigen werkelijkheid lijkt precies andersom: hoe meer en hoe harder we kijken, hoe meer de dingen oplossen en hun vanzelfsprekendheid verliezen. Uiteindelijk eet analyse zichzelf op. Met zo weinig mogelijk geluid kom ik uit het bed en verplaats ik de asbak. Terwijl ik de theelichtjes aansteek en de kater wakker wordt van het gerinkel van de lichtjes in hun ijzeren potjes, krijg ik telefoon. Ze komt eraan. Nog vijf minuten. Under a sheet of rain in my heart, I dream of home.

donderdag 6 februari 2014

Haperende goden

Van beroemdheden ontmoeten ben ik zelden onder de indruk. Ik denk steeds: "die moet toch ook kakken". Die gedachte heb ik niet toevallig terwijl ik op het toilet zit. Het kan natuurlijk zijn dat ik gewoon nog geen persoonlijke held heb mogen ontmoeten, want het is makkelijk om blasé te doen over toevallige ontmoetingen met BV's wier werk en bezigheden ik helemaal niet volg. De mensen die ik echt bewonder, zijn bovendien meestal teruggetrokken figuren. Ik bewonder hen niet omwille van hun teruggetrokkenheid, maar het blijkt een rode draad te zijn door het weinige dat ik weet over hun persoonlijkheid. Dat hou ik ook graag zo.

Het kan teleurstellend zijn om je helden te ontmoeten. Ze kunnen etters blijken, of gewoon een off-day hebben. Ik herinner me een uitspraak van Will Smith, toen hem gevraagd werd of roem een mens verandert. Die zei dat je bestaande persoonlijkheid enkel uitvergroot wordt. Wie al een eikel was, zal een gigantische eikel worden. Wie een mens is zoals de meeste mensen - met goeie en slechte kanten - zal beide ook uitvergroot zien. Misschien verklaart dat waarom zo veel wereldberoemde mensen tegelijk groter willen zijn dan Jezus zelf, maar dan plots een daad stellen die getuigt van een verbluffende lacune in hun morele centrum. Bono voert overal campagne voor het behoud van het leefmilieu, maar maakt nodeloze trips in z'n privéjet. Sean Penn zet zich in voor de indiefilm en al wat links is, maar ranselde in de jaren '80 Madonna af.

Dan vraag ik me af, zou dat voor mij hetzelfde zijn? Mijn slechte kanten - neiging naar het exces en ongeduld - zijn eigenschappen die al veel sterren fataal zijn geworden. Aan de andere kant ben ik niet jong meer. De vileinste daden van beroemdheden zijn er vaak van zij die te jong beroemd werden. Ik moet dan altijd denken aan Romeinse keizers. De grootste zotten onder hen waren bijna steeds jongens die het purper al in hun handen hadden voor ze 20 waren; de Justin Biebers van hun tijd. Ik zou ook niet m'n hand in het vuur willen steken om een goed aflopende alternatieve tijdlijn te vinden waarin ik beroemd was geworden op m'n vijftiende. Ik zet m'n handen tegen elkaar en kijk naar boven, naar de deur. Er hangt een raadgeving op aan werknemers om in de pot te kakken en niet ernaast. Dat dat advies er hangt, geeft te denken over de ontdekkingen die zelfs op een keurige werkplek als deze voorkomen.

Men zegt dat de celebrities van vandaag onze nieuwe goden zijn, ons Grieks pantheon met hitsige mannetjesputters, ijdele blazen, wulpse verleidsters en gebeeldhouwde atleten. Zelf doen ze vooral hard hun best om menselijk over te komen, met een PR-agent aan hun zijde die dat beeld ten allen tijde onder controle houdt. Ik vind dat saai. Als een celebrity dan toch een idioot is, mag dat geweten zijn. Ik hoef geen korrelige naaktshots van paparazzi te zien, of een ster die door de modder wordt getrokken voor een misstap, want die morele verontwaardiging is toch hypocriet. De sterren met de ergste misdaden op hun kerfstok, ontsnappen meestal aan werkelijke boetedoening. Chris Brown heeft nog altijd een carrière maar Paula Deen werd afgevoerd van het scherm voor racistische uitspraken die zo voor de hand lagen dat het verbazing opwekte dat ze nog niet eerder gevallen waren. Ook voor ons nieuwe pantheon zijn de Schikgodinnen grillig.

Ik knoop m'n broek dicht en vraag me af hoe dat komt dat wij en onze huisdieren het liefst van al privé naar het toilet gaan. Is het een oerinstinct dat ontwaakt, dat beseft dat we op het moment van onze ontlasting extra kwetsbaar zijn? Of zien we de ander niet graag meedoen aan het afscheiden van biologisch afval omdat we beseffen op welk een basaal niveau we allemaal gelijk voor de wet zijn? Er bestaat in de States een boekje voor kinderen met de titel 'Everybody poops'. Zo is dat.

Het is moeilijk om me voor te stellen dat ik een popster of een acteur werkelijk zou bewonderen. Misschien is dat de hardcore atheïst in mij, denk ik dan. Het is niet omdat mensen in Europa jaar na jaar minder gelovig worden, dat de religieuze mechanismen mee zijn verdwenen. Kijk naar de fanatieke toewijding van fans aan hun favoriete sportclub en welke miljoenen dat genereert. Topsporters zijn halfgoden, en de eigenaars van de tempels kunnen bijna openlijk hun corruptie bedrijven, zolang de spelen maar verder gaan, of dat nu de Winterspelen zijn in het uiteenvallende snelbouwdecor van Sotsji, dan wel de Wereldbeker voetbal in Qatar, toegekend op basis van een fata morgana met centen. Ik was mijn handen en denk daarover na, vraag me af of ik ook corrupt zou kunnen zijn indien ik het lot in handen had van iets wat zo veel mensen belangrijk vinden maar er voor mezelf niet toe doet. Ik denk dat ik er niet psychopathisch genoeg voor ben.

Mijn weinige helden gaan ook naar het toilet. Misschien drogen ze ook hun handen af op dit eigenste moment. Misschien doen ze dat ook niet: het eerste barstje in de kwaliteiten die ik hen door hun kunst toch onbewust toeken. Sommige dingen wil je heel graag delen, zei een vriend van me ooit, maar je deelt ze beter niet, ook al zijn het nog zulke zuivere gevoelens of diepe artistieke ervaringen. Als ik ooit één van m'n helden zou ontmoeten, dan zou ik het hen niet zeggen wat ze betekenen voor me. Ik zal niemand verplichten om aan mijn ideaalbeeld te voldoen. Laat me gewoon in stilte bidden, en ondertussen de neus optrekken voor de openlijk aanbeden sterren, hun volgelingen en hun wegwerpmythes. Ik zal wel verder doen alsof ik niet mee op die wc zit.