Over 'Onklare taal'

'Onklare taal' is de verzamelnaam van diverse tekstprojecten van mijn hand. Dit is de afdeling columns en microstories daarvan. In 2017 bracht ik 'In de vorm van een vogel' uit, een bundeling van de beste 99 teksten van dit genre tot op dat punt, netjes geredigeerd en per seizoen geordend. Je kan die antologie gratis downloaden als je Patron wordt. De weg een beetje kwijt? Mijn eigenlijke website, die ook 'Onklare taal' heet, verwelkomt je.

vrijdag 26 mei 2017

Overkapte rivieren

Eindelijk vind ik even na middernacht de anti-insectenspray, verborgen achter enkele schoonmaakproducten onder de pompbak. Zoals de moeder van Stromae al wist, "Lorsqu'on cherche bien, on finit toujours par trouver". En die vervelende kleine muggen, vliegen en naamloze andere ongewervelden die aangetrokken worden door het licht in m'n bureau moeten eraan. Ze kunnen het niet helpen dat ze van de waterkant die even voorbij m'n achterburen begint, aangetrokken worden tot dit kleine kamertje zoals Klein Duimpje in de verte een lichtje zag branden, maar Klein Duimpje was geen bloedzuiger of geen verspreider van vuiligheid. Misschien dat insecten dit anders zouden zien als ze sprookjes konden vertellen.

Ik voel me warm en zwaar, als een voorbode van de nog warmere dagen die me te wachten staan en als een naslag van de voorbije weken, die tot de nok gevuld waren met werk. Werk als in werken voor de werkgever, in kleine kamertjes zitten bij klanten en om acht uur 's ochtends al monter en fris met de eerste koffie van de dag hevig tokkelen op het toetsenbord. Werk als in terug even aansluiten bij vrienden die ik al even niet meer gezien had, waarbij ik met Tim een matige Thai deed die niettemin heel verdienstelijke soep serveerde, en daarstraks in het park met Kim lag te kijken hoe luchtballons opgeblazen werden en joelende kinderen daar een hele avond entertainment uit wisten te puren. Werk als in emotionele bescherming, om niet te diep in te gaan op het idee dat Donald Trump, de cheeto-golem met een stripfiguurkapsel en een prehensiele mond die lijkt op een anus, in België is. Nu, in deze lagune na het spookuur, is er geen werk. Ik zit in m'n pyjama en mol met de spuitbus tal van insecten die zich aan het plafond genesteld hebben.

Dat doet me denken aan toen ik klein was (echt klein). Ons huurhuis was oud en had het toilet in een kot buiten. Tijdens een warme dag, toen ik op de pot zat, keek ik eens naar boven en zag ik tientallen muggen aan het plafond kleven, terwijl over de muren allerlei vieze spinnen kropen. Het lijkt iets wat je zou tegenkomen in het zuiden van Italië of in Marokko, maar dat was gewoon Vlaanderen anno 1988. Later had ik nachtmerries over die insecten, dat ze overal zaten op de muren van het huis en gigantische proporties hadden aangenomen.

Wie kijkt er dan ook naar plafonds, tenzij op de pot of in bed. Dat bed staat nu uitnodigend als anders op me te wachten, met een deken waar diverse vrolijke tekeningen van poezen op staan. Gisteren lag ik er nog naast Sofia, die bijna in slaap viel louter door de horizontale houding, ingebed tussen een deken met poezen en kussens met hetzelfde patroon, opgekruld alsof ze zelf een grote poes was. We hadden goed gegeten en gedronken en ons overgegeven aan het opzoeken van hits uit onze jeugd op YouTube, en nu lagen we gewoon dicht bij elkaar. En zij voelde zich stom omdat ze vond dat ik altijd zo gul was voor haar en ik voelde me stom omdat ik altijd de indruk leek te geven dat ik een soort schuldeiser ben van ongeïnde emotionele arbeid. Zo hoeft dat allemaal niet te zijn, natuurlijk.

Praten met gesproken woorden gaat me niet altijd even goed af. Ik luister naar muziek, of ik probeer poëzie te bespeuren in de buurvrouw die met een nukkig gezicht haar auto wast terwijl er een oudere man voorbij wandelt die zijn best doet om haar niet aan te staren. Ik krijg meer gezegd door een knuffel of de voorhoofden tegen elkaar houden dan ik kan in al m'n fraai geconstrueerde zinnen of m'n stomme grappen.

Ik bekijk m'n telefoon. Enkel automatische mails, waarvan eentje me vrolijk meldt dat er weer facturen zijn gearriveerd via m'n bank-app. De betaling daarvan regel ik wel op de dag dat ik zelf betaald word door het werk van de kantoren en het getokkel. Nu wil ik nog niet zien of ik in het rood sta (en hoeveel), en of ik al betaald ben door andere schuldenaren. "Zoals ook ik vergeef aan mijn schuldenaren" zong ik vanaf m'n 11 trouwens niet meer mee als we het 'Onze vader' moesten zingen in de klas. Het toekeren van de andere wang leek me altijd zo onnozel. Niet dat ik een wraaklustige jongen was, maar rechtvaardigheid leek me belangrijker dan jezelf een heilig imago aanmeten, laat staan op een best paternalistische manier te proberen tonen aan wie je kwaad doet dat je er lekker boven staat. Wraak is idioot, maar overdreven zachtaardigheid is dat ook. Zelfs Mandela, Martin Luther King en Ghandi hadden hun kernen van staal.

Overmorgen - technisch gesproken morgen - trouwt Natasja, en ik ga op haar feest een kleine speech geven. Tevens ben ik de laatste DJ in het rijtje feestomkaderaars, en ik heb eindelijk de volledige playlist samengesteld, nadat Kim me er op gewezen had dat ik niet één maar twee uren moest zorgen voor vertier voor alle leeftijden van 9 tot 99. Op diezelfde dag moet Sofia naar een uitvaart. Wij Vlamingen zijn niet geschikt voor uitvaarten. Het gaat er allemaal zo houterig aan toe. Zeker waar ik vandaan kom, daar werd op een uitvaart openlijk verdriet weliswaar gerespecteerd, maar ook met afstandelijkheid benaderd, alsof het eventjes ok was om je ogen uit je kop te huilen, maar dat je nadien bij de broodjes maar best weer flink kon zijn. Is het dat waar onze vooruitgang op gebouwd is, dan? Op flink doorwerken, flink de files verdragen, flink je huishouden doen en flink aanvaarden dat je allicht nooit meer zal mogen zijn dan wat bepaald is bij je geboorte door je kleur, het geld van je ouders en je genitalia.

Gisteren - eergisteren, technisch gesproken, maar rot toch op met die term - zei ik tegen Sofia dat m'n eeuwige tweestrijd loopt tussen het goede doen en m'n eigen zin doen. Meestal lopen die twee hand in hand. Soms knokken ze met elkaar. Zoals die keer dat ik een snoeppapiertje op straat gooide en dan terugliep om het op te rapen en in een vuilnisbak te gooien. Of dat ik geloof dat daklozen een maatschappelijke verantwoordelijkheid zijn, maar dat ik toch ergens in Brussel een oude bedelaar een paar euro's in de hand drukte.

Op het pakje sigaretten waaruit ik een sigaret pluk staat als waarschuwing dat roken het risico vergroot op blindheid. Samen met de waarschuwing die vergezeld wordt van een vader met een jaren '70-kapsel die rook in het gezicht van een baby blaast, vind ik dat één van de zwakste waarschuwingen. Niet omdat ik blind zijn onderschat, maar omdat ik van alle zintuigen het zicht verliezen allicht het minst erg zou vinden. Doof worden of niets meer kunnen voelen lijkt me nog erger. Dan zit je al bij leven in een isoleercel. Misschien denken mensen die doof zijn daar anders over. Het is sowieso een uitspraak van iemand die op dat vlak het privilege heeft van goed werkende zintuigen. Misschien te goed. Ik proef bijna de insecticide die zonet een dozijn geleedpotigen heeft doen neersuizen van m'n muren en m'n plafond. Ik pik de vibratie op in de buurt dat er bijna geen vibraties zijn om op te pikken. De luchtballons zijn al lang weg gevlogen, en het hete Thaise eten van even geleden baant nu zijn weg ergens door mijn cellen en door de riolering.

Ik controleer of alle asse in de asbak voldoende afgekoeld is en ik doe dan het licht uit dat zo'n lokvogel bleek voor al die insecten. Alweer ben ik tientallen teksten rijker in m'n hoofd, maar weet ik heel goed dat er hoogstens één gaat uitrollen, alsof het een kaduke printer betreft. Het zij zo. Ook de groten hadden hun mindere dagen. Dus laten we de kleinen, met hun lieve vrienden en hun dekens met poezen op, niet te hard benaderen.

dinsdag 9 mei 2017

Een hoofd vol schaduwen

De turnzaal van m’n lagere school deed dubbel dienst als de theaterzaal voor het lokale amateurgezelschap van het dorp. Als er op het podium decor opgesteld stond, vond ik het er altijd leuker om te turnen. Het gaf een feestelijk cachet aan een zaal die anders gedomineerd werd door veel te hoog ingeplante ramen uit de jaren 1910, en donkergroen tapijt waar je je knieën lelijk aan kon schuren. Ooit had één van de decormuren op het podium het graffiti-opschrift “Hoe lang nog?”. Hoe lang nog tot wat? Als vieze prepubertjes onder elkaar dachten we natuurlijk aan seks. Tien jaar later dacht ik bij die wanhoopskreet aan de opening van Cicero’s beroemde redevoering tegen Catilina, waar hij het bombast allerminst schuwde.

Nu denk ik eerder aan een existentiële invulling. Hoe lang nog tot bewezen wordt dat het goede in deze wereld toch iets waard is? Ik kijk door het brede venster van m’n werk naar beneden en zie het eindeloze draaien en keren van de wagens op het rond punt. Ik nip van m’n koffie. Elke verklaring over waarom er slechte dingen gebeuren, voelt ontoereikend aan. God is een verzinsel en karma is me te simpel. Dan blijft er nog toeval over, maar moeten we het daar dan maar mee doen? De zon die nu schijnt is een vrij frisse voorjaarszon, maar bij God (weer Hij) als die ook geen schaduwen werpt. Hoe lang nog? Hoe lang nog tot ik ooit vrij kan zijn van die meerlagige agenten die het water troebel maken en zwaarder maken wat voor andere mensen vederlicht kan zijn?

Het is met gepaste afstand dat ik frons als ik wollige theorieën hoor over hoe deze wereld ons misvormt tot uitgeholde idioten met de aandachtspanne van een kip. Een goed gesprek kan al eens deugd doen, maar analyse blijft maar beter met z’n tengels van mijn axonen en dendrieten. Medicatie is ook niet alles, natuurlijk. Al jaren ben ik een trouwe opvolger van medicatieschema’s, en al zit ik niet meer in woeste getijen of de Death Valleys van de geest zoals jaren terug, het is niet dat ik fundamenteel een vrolijker persoon geworden ben. Tijd voor een pauze.

In de lift kom ik een collega tegen die deze ochtend samen met me arriveerde en gisterenavond tegelijk met me vertrok. Hoe lang nog zullen we betekenis toekennen aan toeval? Er ligt een plasje water op liftvloer. We zien het allebei tegelijk. “Het is niet van mij,” zeg ik. Ze giechelt als een schoolmeisje. Ik ben nooit op m’n grappigst als ik me gelukkig voel, dan lijkt het soms alsof de woorden me ontbreken. Niet genoeg geoefend op die mooie woorden die bellen kunnen blazen van het gemoed, of misschien ben ik gewoon zo bang van het cliché dat ik liever m’n bek hou. Ook dat is een cliché, de mislukte artiest die plots wordt verlaten door de Muze als het geluk om de hoek komt kijken. Maar dat is niet waar – ik heb nog verliefde gedichten geschreven en bericht over eenvoudig en simpel geluk. Het is alleen moeilijker omdat het niet direct kan.

Directe rede of niet, de lift laat ons eruit en we gaan elk onze weg zonder nog iets te zeggen. De rokers hier zijn verbannen naar een half-ondergrondse parkeergarage die aan één kant nog een vaargeul heeft waar je in de zon kan staan en waar auto’s soms per abuis in komen gereden. Ik zeg niets tegen de andere rokers en kijk naar boven, naar de suikerspinnen wolken. Het zonlicht is lauw. Dat is niet erg want ik ben allergisch aan zonlicht, alsof ik letterlijk de witste man ben die je je maar kan voorstellen. Of een vampier. Wat moet het eenzaam zijn om een vampier te zijn.

Hoe lang nog, tot dit hoofd ergens kan gaan neerliggen in het gras, onbekommerd en gedachteloos? Hoe lang nog, tot ik niet onverhoeds door een geur of een geluid terug verloren gewaande herinneringen beleef waar ik het niet van kan helpen dat die doordrenkt zijn met nostalgie? Alsof ik als kind zo gelukkig was, daar in die vieze turnzaal en met een bullebak van een leraar sport. Als ik die neigingen krijg, dan tel ik soms mijn rozenkrans aan dingen die me beter doen voelen, zoals de eigenaardige schare aan vrienden die ik heb weten te verzamelen, of dat ik nog al m’n haar en m’n tanden heb. Of dat ik niet vastgekluisterd zit aan afbetalingen of spijtkinderen.

De sigaret is nu een stompje en vergezelt zijn dode broers en zussen nu in de asbak. Aan de muur hangt het opschrift “Om te roken gelieve u zich naar buiten te geven” en de taalfout in die zin ergert me nog altijd even hard als de eerste keer dat ze me opviel. Verleden zaterdag stond ik gemoedelijk te paffen met de organisator van een quiz waar ik deelnam, en hij zei wat ik zelf al vaak dacht, dat het oppassen geblazen is met korte teksten om niet te snel te vervallen in trucjes. Dat is waar, maar trucage heb ik niet echt nodig. Toch niet voor de indirecte rede, die steeds probeert te koersen langs die randen van de schaduwen die niemand kan zien. Hoe lang nog, tegen dat ik die kan wegblazen als het pluis van een paardenbloem?

dinsdag 25 april 2017

Spinning in a dream

Het is een te kille aprildag waarvan de wolken slechts gradueel verdreven worden, te laat op de dag om nog veel warmte te bieden, ook al schijnt de zon fel als ik de R4 op rij, naar huis. Ik heb zonet m'n zonnebril weggegooid nadat ik ontdekt had dat er maar één glas meer aan vast zat en ik er enkele seconden als 's werelds slechtste cosplayer heb uitgezien. Eén tegenligger heeft me zo gezien, allicht te verbaasd om me uit te lachen.

Omdat ik gisteren flink heb afgewassen en opgeruimd, wacht er straks een relatief proper appartement op me, tenzij Tyr heeft besloten om vandaag geurvlaggen te zetten. Niet dat hij dat ooit gedaan heeft. Voor een te vroeg weggehaald beestje is hij best goed opgevoed, ook al steek ik daarmee voornamelijk een pluim op m'n eigen hoed. Hij is ook een onverbeterlijke dikzak, maar wat moet je heelder dagen doen als je alleen op een appartement zit?

Het verkeer valt mee. Ongedurig wissel ik tussen radiozenders. Nergens spelen ze iets wat me echt aanstaat. Ik zit ook al vijf dagen in m'n hoofd met de nieuwste EP van Lorn, een stukje dat afklokt op een zuinige 20 minuten, maar onmiddellijk elk haartje op m'n armen overeind deed staan en tranen in m'n ogen deed opwellen alsof het niets was. Hoe kan die man dat toch voor elkaar krijgen? Me het gevoel geven dat ik me plots verloren bevind in een droom vol kleuren en grote, naamloze emoties. Volledig verdwijnen in een universum, alsof ik niets meer ben dan een betekenisloze stip in de oneindigheid (wat in feite ook gewoon de waarheid is).

Ik hang lui achter een tankwagen. De dag was druk en hard. Ik heb een boekje afgewerkt voor een klant maar ik twijfel of het de juiste normen zal halen, omdat de deadline zo dwingend en plots was. Het voordeel van zulke dagen is dat ze vooruit gaan aan een fenomenaal tempo en dat de rust 's avonds weldadiger is dan anders. Vanavond vind ik het niet erg om alleen te zijn.

Op de radio babbelt een presentator opgewonden over hoe jong sommig nieuw DJ-talent is. Gek dat je dat nooit hoort over schilders of schrijvers. Of toch, vandaag werd op de sociale media breed uitgemeten hoe een knul van 17 met een debuutroman achteloos beweerde nooit te lezen. Dat zal wel niet volledig kloppen, want hoe kan hij anders schrijven? Dat hij misschien geen dikke romans leest, dat kan. En ja, het gebrom daarover is wel wat elitair, maar het gesakker over dat gebrom is nog ergerlijker. Zouden we ook aanvaarden dat een F1-piloot niets van automechaniek kent, of dat een schilder niets weet over verf? Alleen het schrijverschap moet blijkbaar door iedereen probleemloos kunnen geclaimd worden.

Het is druk op de afrit. Op zes maand tijd heb ik deze route al erg veel gedaan, ook omdat het de route is die ik gebruik om terug te komen van bij broer Roman, naar m'n ouders te rijden in Nederland, en terug te keren van bij Sofia. Ik denk aan ons samen plaatjes draaien vorig weekend, een container Spaanse daklozencocktails en haar parmantige stapje. Komend weekend ben ik de aanstichter van een vrijgezellenbedoening - weer een heel andere categorie. Ik ben een beetje nerveus of alles wel goed zal lopen en zit me al wat te wapenen om een dag en een nacht door te brengen met 10 andere mensen.

Lorn krijg ik niet meer uit m'n hoofd. Zouden er nog mensen zijn zoals ik, die nu aan exact hetzelfde nummer denken en er exact hetzelfde bij voelen? Het is minder onmogelijk dan ik misschien denk (en ik zou ook geen aanspraak willen maken op uniek zijn). Volgens YouTube-commentaren blijkt voorbeeld dat tal van mensen bij het einde van 'Rival Dealer' van Burial denken aan hoe het moet voelen om zachtjes dood te gaan. Of dat Boards of Canada zo vaak beelden oproept van slecht afgestelde kleurentelevisie met feuilletons uit de jaren '70 en '80, zelfs bij mensen die die periode niet eens meegemaakt hebben.

Carl Jung zou er vast een hoopvol teken in gezien hebben van een collectief onderbewuste. Maar daar geloof ik niet echt in. De brave man kon een goed eind weg lullen. M'n huis komt in zicht, en in de buurt de kermis die op haar laatste stelten loopt. Het lawaai is er de laatste dagen wat van weggeëbd, met als hoogtepunt zaterdag de komst van Patje 'For da bigga and bolda' Krimson. Ik ben niet gaan kijken en heb ook uit nostalgie niet z'n muziek opgelegd. Maar straks ga ik wel plaatjes draaien, alleen rondwentelend in m'n eigen universum, met m'n ogen gesloten, onder een heel zacht deken. Dat heb ik misschien wel verdiend.

dinsdag 4 april 2017

Cobra

Volgens de boeddhisten zijn geluk en pijn twee uiteinden van dezelfde slang. Grijp je naar de kop van de slang, bijt ze in je hand; pak je de staart vast, dan draait de slang zich om en bijt ze vooralsnog in je hand. De publieke perceptie van boeddhisten als olijkaards in saffranen gewaden is altijd wat misplaatst geweest. They don't fuck around als het aankomt op donkere waarheden. Ik bekeerde me toen ik 16 was en volop in de ban was van filosofische en religieuze werken, dermate dat ik wijsbegeerte ernstig begon te overwegen als studierichting na m'n middelbaar. Ik ben blij dat ik die richting niet ingeslagen ben en het denkwerk over het zijn, het worden en de wereld altijd als een noodzakelijke hobby heb gehouden terwijl ik van de bouwwerf taal mijn carrière gemaakt heb.

M'n werkdag zit er net op. Het was een mooie dag om van thuis uit te werken aan het balkon, waar het zonlicht genadig binnenviel maar nog genoeg schaduwen had meegekregen van de bomen in volle bloei om de woonkamer geen sauna te maken. Nu ben ik op straat, onderweg naar één van de lokale supermarkten, waar ik deze middag sausjes was vergeten kopen. En die saus is hard nodig, want vanavond komt een bescheiden minibusje vrienden om de retrospectieve, laatste aflevering te bekijken van De Mol. Dat betekent tafelen, dit keer braadkip met een wijntje en een frietje. Ik heb twee zakken diepvriesfrietjes ingekocht, alumettes dan nog, want ik hou niet van dikke frieten met een grove snit. Die doen me altijd denken aan de slappe frieten die in Engeland chips genoemd worden. Bij m'n eerste kennismaking daarmee, toen ik een jaar of 9 was, was ik diep teleurgesteld.

Al zit er dus een Boeddha op m'n schouder, een erg goede boeddhist ben ik niet. Ik mediteer te weinig en ik ben nog altijd veel te veel gehecht aan dingen, aan mensen, aan concepten. Gisterenavond zag ik Chiara nog eens terug en we konden uitgebreid weeklagen over ons respectievelijk hobbelig parcours door de liefde van de laatste maanden. Ze had nadat we uiteen waren, blijkbaar al vrij snel een schilder aan de haak geslagen, maar die was toch niet je dat gebleken. "Je moet stoppen met artiesten daten," adviseerde ik haar, "niets dan heibel met dat soort mensen." Het is een beetje waar. Ik ben zelf ook niet de gemakkelijkste, maar ik kan wel zeggen dat Siddhartha Gautama er vanaf m'n 16de veel negatieve aspecten van m'n persoon heeft onder gekregen. Zoals mijn ongelooflijke woede. Ik kom uit een woedend geslacht, één lange rij van matriarchen met een temperament om u tegen te zeggen. Ik denk dat ik de minst woedende ben. Gewelddadig ben ik in elk geval al niet, maar dat is nu ook niet bepaald iets waar je moet voor gefeliciteerd worden.

Ik wandel langs een woonblok waar iets gefrituurd wordt en er een wat haveloze familie op de stoep uitgestort staat, met een dikke man die luid iets aan het uitleggen is over schilderwerken bij hem thuis en er een dikke vrouw met een cherubijnengezicht een handtashondje vasthoudt. Het type dat je associeert met Paris Hilton en roze badjassen. Bij de supermarkt zelf is het relatief rustig. Een koppel patsers in een pick-uptruck die er monsterlijk gezwollen uit ziet, laat me met enig misbaar oversteken. Ze hebben vast al geklaagd over het circulatieplan dat vandaag in Gent in voege gegaan is. N-VA'ers hadden de zure bek vol over "oppressie", alsof het Gentse stadsbestuur persoonlijk met matrakken en traangas de Gentse burger was komen belagen. Voor een partij die zo ongevoelig is voor het leed van anderen, is geen ongemak hen te klein om er niet hevig schreeuwend voor ter aarde te storten en te trappelen met de vuisten en voeten.

Wat is nog echt leed, hé, dan? Echt leed is misschien de schaamte die ik nog wat voel voor m'n eigen pathetiek van gisteren, die er mee voor zorgde dat ik de deur moest openen voor Chiara in een aftandse pyjama en dat m'n haar er uit zag alsof het mee was geweest met Napoleon naar Rusland. Echt leed is vaak ook stil leed, de pijn die sommige mensen elke dag meedragen in hun magen en harten en zichzelf voelen wegkwijnen in de leegte. Of de hongersnoden, epidemieën, brutaliteiten en natuurrampen die hier op dit zakdoekje Gent een universum ver lijken.

In de supermarkt is het circulatieplan ongewijzigd. Ik ontdek er steeds buurtbewoners die ik nog niet eerder gezien heb. De cassières werken er soms een beetje op m'n zenuwen. Er is er ene die het begrip "binnenstem" niet kent en een andere die weliswaar lief is, maar ontzettend traag. Ze moeten ook telkens opnieuw zoeken naar de vodka die ik vraag, terwijl die al altijd op dezelfde plaats heeft gestaan en ze maar drie merken verkopen. Maar goed, het is allemaal op wandelafstand dat ik hier om een bokaal mayonaise kan gaan, jonge kaas kan kopen en en passant nog een doosje Ricola ("de schwitzerse kroidenbonbon") kan mee grissen. Deze dichter hoeft niet te zeuren. En de zon schijnt nog steeds! Half Gent zal vanavond weer uitrukken om de terrasjes en de pleinen te bemannen, als een horde psychoten die 10 jaar heeft moeten leven in kou en ontbering.

Soms trekt de gedachte me aan om ergens in een klooster in de Himalaya's te gaan wonen en me te onttrekken van elk verlangen. In tegenstelling tot wat sommige mensen denken, is het uitdoven van verlangen niet het uitdoven van de mens zelf, maar het verdampen van het ego. Ik heb dan ook wel eens hevig gefronst als sommige beroemdheden boeddhisme probeerden te beleven als een vorm van zelfactualisatie of er een hele hoop mystieke onzin bij betrokken. Maar ach, leven en laten leven, zolang de patchouligeuren maar op afstand blijven. Gezwind stap ik onder de lentezon terug naar huis. De zomer is geen verre gedachte meer. Normaal zou ik nu uitkijken naar mijn verjaardag, maar de dag voordien trouwt Natasja en ik ga op haar feest als Pablo Discobar een uurtje plaatjes draaien. Ik zal dus voor het eerst in mijn leven een trouwfeesten-dj zijn, iets waar ik al geweldig veel zin in heb.

Links, over de brug en voorbij het loof dat zo sympathiek zijn schaduwen leent aan het appartement waar ik woon, worden tenten en trucks opgezet voor de Zomerliefkermis. Die wordt georganiseerd in volle lente, vraag me niet waarom, en doet me er aan denken dat ik nooit een zomerlief gehad heb. Op de leeftijd waar ik daar aan toe was, ging ik gewoon niet op vakantie, en het lokale aanbod op het dorp waar ik woonde was nu ook niet bepaald succulent te noemen. De zomer, dat was voor mij zo vaak te warm, te leeg, te veel 'Summertime Sadness', zoals Lana Del Rey mooi wist te destilleren met haar geaffecteerde Southern drawl. Misschien wordt deze zomer anders. Misschien heeft de slang zich nog lang niet omgedraaid om me in m'n hand te bijten.

vrijdag 24 maart 2017

Minder dan beesten

Omdat ik 's avonds meestal alleen eet, zet ik vaak de tv aan. Dan kan ik naar iets kijken terwijl ik kauw en zit ik ook niet te schrokken om de maaltijd maar snel achter de kiezen te hebben. M'n timing is niet altijd goed om het journaal mee te pikken en soms mijd ik het met opzet om niet weer meegesleurd te worden in die draaikolk van deprimerende waanzin die we elke dag te slikken krijgen. Vaak weet ik gewoon ook al wat er gaat gezegd worden omdat ik al een krant gelezen heb of op sociale media al de nodige duiding heb geconsumeerd. Vandaag ben ik wel precies op tijd.

Ik bewonder nieuwsankers. Elke dag die professionele ernst (met af en toe dat kleine glimlachje als het iets leukigs betreft over kinderen, bejaarden of mensen met een handicap), elke dag dat foutloze taalgebruik, elke dag proberen om toch zo veel mogelijk bevattelijke informatie mee te geven aan de kijker. Het journaal is niet neutraal maar dat hoeft ook niet. Feiten zijn nooit neutraal. Terwijl ik m'n spiegelei zit te snijden en op een boterham hijs, denk ik aan wat ik nog hoor te doen later op de avond. In mijn geval is dat: verder timmeren aan het vrijgezellenuitje van Natasja. Sommige mensen zouden me gek verklaren dat ik een vrijgezellen organiseer van een ex, maar ze is al veel langer een goede vriendin (8 jaar) dan dat ze ooit m'n lief geweest is (1,5 jaar, met blutsen en builen). Het kostte nog eens 1,5 jaar om uit de as onze vriendschap tevoorschijn te toveren, maar wat een vriendschap. Ik heb haar gered van booswichten en zij mij van de dood, om het pathetisch te zeggen.

Het is de dag na de herdenking van de aanslagen in Brussel en Zaventem en de dag na een nieuwe aanslag in Londen. En vandaag reed een dronken onnozelaar de Meir op, wat direct Bart De Wever noopte om op tv te komen nog voor alle feiten gekend waren. Als er paniek moet gezaaid worden, is hij er als de kippen bij, de doemprofeet van 't Schoon Verdiep. De keerzijde van zijn boodschap is natuurlijk “maar bij mij zijt ge veilig”. Wel, ik voel me bij hem en zijn partij van met doorslaande stem tweetende, ongeleide projectielen alles behalve veilig. Geef me dan maar de perkamenten kalmte van een Herman Van Rompuy, ook al ben ik het met die man ook over veel dingen oneens. Terwijl ik de eerste boterham naar binnen werk, voel ik wat stress weg ebben over de werkdag, en voel ik me een klein beetje schuldig omdat ik de indruk had dat ik zat te zeuren tegen Sofia vandaag. Tenslotte zit ze ook niet te wachten op mijn suggesties om voor haar kat een "muts van gehakt" te breien.

Een nieuw item wordt aangesneden: dierenmishandeling in een abattoir ergens in het land van Freddy De Vadder en accenten die we blijkbaar lollig moeten vinden. Nu valt er alles behalve te lachen. De beelden van doodsbange, zieltogende varkens komen keihard binnen. Je weet dat dit intelligente dieren zijn, die niet kunnen bevatten wat er gebeurt en totaal machteloos overgeleverd zijn aan het brute sadisme van de slagersknechten. Ik moet bijna huilen als ik die beesten zie afgeranseld worden of bloedend op de vloer zie liggen, nog ademend. Ik neem me voor het gehalte vegetarisch eten in mijn voeding op te drijven. Er is niets dat de wreedheid rechtvaardigt waarmee die dieren behandeld worden als, nu ja, minder dan beesten. Er is niets dat wreedheid rechtvaardigt tout court.

Het is allemaal weer zo veel om te behappen. Letterlijk en figuurlijk. Letterlijk omdat m'n spiegelei met brood me opeens niet meer smaakt. Figuurlijk omdat ik de dingen zo moe ben. De homo hystericus is weer volop op pad, los van dat met die varkens, en schreeuwt als een peuter met een megafoon de wereld bij elkaar. Ik verdenk er rechts van gewoon geil te worden als er weer eens een aanslag plaatsvindt. Alle registers kunnen dan nog eens open. En nog hebben progressieven niet geleerd dat je dan niet in discussie moet gaan of vechten met hun fantoomargumenten. “Is het dat die rechtse zakken de werkelijkheid niet kunnen of niet willen verstaan?” was de teneur van een gesprek dat ik onlangs had met Roman. Ik weet het ook niet altijd goed. Af en toe word ik lastig gevallen door fascistische complotdenkers op Twitter. Onlangs nog één die vond dat we "Europa moesten heroveren". Op wie? Op de 95% witte meerderheid?

Een aangenaam avondzonnetje valt door het balkonvenster naar binnen. Om eerlijk te zijn: ik ben nooit bang geweest van terrorisme. Niet dat ik zo'n stoere kerel ben zonder angsten. Ik herinner me zelfs dat ik rond m'n 20ste wel schrik had voor het fenomeen van de “dolle schutter”, waanzinnigen die voor een flinterdunne aanleiding zomaar wat mensen aan gort gingen schieten. Nu ik ouder ben en hopelijk iets wijzer, weet ik ook dat dat een vorm is van terreur, die als dusdanig nooit benoemd wordt omdat de daders witte jongens zijn. Ik ruim secuur m'n avondmaal op. De afwas is voor na een momentje vertering met een sigaret en een glaasje bruiswater - ik drink namelijk niet of nauwelijks bij het eten, ik heb ooit ergens gehoord dat dat slecht zou zijn voor je voedselopname. Joost weet of dat waar is.

Maar nee, voor bommen, auto's als wapens, machetes, enveloppes met antrax en jihadi's heb ik nooit schrik gehad. Misschien is dat de luxe van iemand voor wie dit soort terrorisme nooit dichtbij heeft geleken. Zelfs niet echt toen het in Brussel gebeurde. Niet dat ik naïef ben. Maar ik heb de motieven van jihadi's altijd tamelijk goed verstaan, net zoals die van andere terroristen die beter georganiseerd zijn dan eenzame complotdenkers. Ze willen dat we bang zijn. Ze willen het slechtste in ons naar boven halen, om retroactief hun eigen excuses bevestigd te zien voor hun haatmisdrijven. Alsof ik dat fysiek wil tegengaan, stap ik m'n balkonnetje op. Tyr, de Garfield van Mariakerke, volgt gezwind. Hij heeft daarnet de hele tijd onder een hoek gelegen dat hij maximaal het zonlicht kon vangen, genietend kijkend als een vetgemeste despoot. In his house at Mariakerke, dead Tyr waits dreaming.

Buiten het bedenken van uitdagingen voor de aanstaande vrijgezel (vrijgezellin?) heb ik deze avond weinig te doen. Chiara heeft afgezegd, Kim had geen tijd en met andere vrienden en vriendinnen liggen afspraken in de nabije toekomst in het verschiet. Er zal veel bijgepraat worden. Zo gaat dat als je elkaar niet meer zo vaak ziet zoals tijdens dagen waarin je niet het betere deel van de dag moest doorbrengen met meedraaien in de kapitalistische wereldorde. Het loof aan de bomen is al aardig beginnen aangroeien. De lente is een ambigu seizoen. Zelden is er voor mij iets goeds begonnen in die periode, behalve m'n eigen leven, en het valt nog te bezien wat Anubis daarvan gaat denken eens ik terecht kom in het ondermaanse. De lente is wel steevast een productief seizoen geweest op schrijfvlak. Ik sluit er dingen in af, zoals recent een dichtbundel, en ik krijg de kolder in de kop van de nieuwe ideeën. Gisteren nog ben ik eindelijk begonnen aan een nieuw boek waar het idee al twee jaar voor lag te rijpen in de eikenhouten vaten van m'n hoofd.

Ik ga terug naar binnen en leg de tv het zwijgen op. Het weerbericht is voorbij (we krijgen een vrij zonnig weekend en Frank Deboosere is nog altijd betrouwbaar onhip) en ik heb m'n dagelijkse dosis kabel nu wel gehad. Morgen ga ik proberen wokken, volledig vegetarisch. En als dat niet lukt, dan bestel ik wel ergens een kebab. De islamisering zet zich immers onvermijdelijk voort.