Over 'Onklare taal'

'Onklare taal' is de verzamelnaam van diverse tekstprojecten van mijn hand. Dit is de afdeling columns en microstories daarvan. In 2017 bracht ik 'In de vorm van een vogel' uit, een bundeling van de beste 99 teksten van dit genre tot op dat punt, netjes geredigeerd en per seizoen geordend. Je kan die antologie gratis downloaden als je Patron wordt. De weg een beetje kwijt? Mijn eigenlijke website, die ook 'Onklare taal' heet, verwelkomt je.

dinsdag 19 mei 2020

Waar de fuck is jouw Ferrari dan?

Ik heb geluk. Ik woon in een wijk in Gent waar vrij veel groen is, waardoor ik op mijn dagelijkse wandeling (#wandeltje) door lang gras kan slenteren, tussen de bomen kan kuieren en zelfs dromerig kan uitkijken over kleine meertjes, beekjes en als het moet de Brugse Vaart. Ik behoor tot de middenklasse in een wijk die overwegend ook uit middenklassers lijkt te bestaan. Toch herken ik ook direct armoede als ik die zie. Niet enkel aan de marginalia die je op het zicht associeert met armoede, zoals slechter zittende kleren, meer decibels of het occasionele blikje Cara Pils, maar ook omdat ik zelf aan de onderkant van die middenklasse zit, en dat al mijn hele leven. Laten we het een ‘paydar’ noemen. Een cynicus kan opmerken dat dat een makkelijk talent is om te claimen omdat er zo veel armoede is en armoede zelfs in een land waar we het relatief goed hebben, al jaren toeneemt.
 
Ik groeide op in een omgeving met veel groen, net als hier, maar ongeveer 15 kilometer buiten Gent, in een dorpskern met buurtwinkeltjes, fietsgelegenheid voor het hip was om daar actief werk van te maken, en twee cafés waarvan er één zo schraal was dat het niet eens een officiële naam had. Bij mij thuis was er geen onmiddellijke armoede, maar elke cent werd omgedraaid en in twee gebeten. Sommige dingen waren er voor mij simpelweg niet bij, zoals deelnemen aan bepaalde schoolreizen naar het buitenland, dure cadeaus krijgen op communies of verjaardagen, of merkkledij. Ik vond dat minder erg dan mijn moeder dacht. Wat me veel meer stoorde, was hoe andere kinderen en jongeren van rijkere komaf steeds met ongeloof reageerden als ik zei dat ik voor iets “geen geld” had. Hoe kon da nu?
 
Want: we hadden thuis diverse spelconsoles! Vervang het door een smartphone, een televisie of een nieuwe auto, en daar heb je dat eeuwige, domme argument tegen financiële onzekerheid: “geef toch geen geld uit aan X, dan zou je Y kunnen doen!”. “Als je niet zou roken, had je al een Ferrari kunnen kopen van al dat geld!” Ja, en waar de fuck is jouw Ferrari, dan? Als je financiële moeilijkheden hebt, moet je blijkbaar al vol zweren staan, in lompen gekleed zijn en beschuit eten met wormen vooraleer je je mag verheugen op het superieure medelijden van anderen. Bovendien zijn veel mensen die worstelen met geld ook mensen met trots die nog liever zouden creperen dan armoede uitdragen.
 
Ik ga zitten op een bankje. Al snel krijg ik gezelschap van een aantal muggen. In de verte is een nogal aangepaterneerd gezin aan het ravotten op het grasveldje. ‘Aangepaterneerd’ is een Gents woord voor iemand die slecht gekleed is, letterlijk aangekleed door de paters. Hopelijk dan wel niet de blote pater, die nog altijd met zijn fier zichtbare bobbel zijn sokkel betrekt in het Rabot. Onlangs had iemand hem voorzien van een giletje en een gedicht.
 
Het is niet dat ik veel beter ben dan die mensen die neerkijken op armen en marginalen, eigenlijk. Ook al een gevolg van niet echt arm maar niet écht middenklasse te zijn. Ik erger me vaak aan wat men gemakshalve catalogeert als marginalen. “Het is toch niet omdat je arm bent, dat je onbeleefd moet zijn?”. “Het is toch niet omdat je geen opleiding hebt gehad, dat je je zo lelijk moet kleden of je kinderen Shanaya en Kayden moet noemen?”. Ik heb niet veel, maar ik ben tenminste niet als ce gens là, monsieur. Dezelfde reflex ligt volgens mij aan de basis van de gemeenheid waarmee sommige politici die zelf in armoede opgroeiden, armen nu behandelen. “Ik heb het gemaakt, waarom jij dan niet?”

Mijn ouders waren niet hoogopgeleid, maar wel verstandig, en samen zorgden ze ervoor dat mijn broers en ik konden studeren. Ik werkte ’s zomers en soms tijdens het academiejaar. Wie overigens denkt dat een diploma gelijk staat aan intelligentie, is wellicht zelf niet erg snugger. Donald Trumps schoonzoon Jared Kushner, die levende buikspreekpop die gemodelleerd lijkt naar een kind van 8 dat plots 40 geworden is, heeft ook een diploma. Niet dat dat diploma me materieel enorm vooruit geholpen heeft trouwens, het zorgde er alleen voor dat ik zelf niet armer ben geworden dan hen. Ook diploma's hebben last van inflatie. Het is een gevoel dat ik al mijn hele leven moet slikken: alle zeilen bijzetten simpelweg om te kunnen standhouden, niet om per se vooruit te gaan. En elk foutje betaal ik onmiddellijk cash. Terwijl een mocassin- en polodragende dijkflaneerder in Knokke-le-Zoute eens lacht met een zware verkeersboete en de koers checkt van zijn aandelen in Amazon.
 
Ik verhef me van het bankje na een sigaret en sluip terug de bosjes in. Ik volg het aanbevolen pad niet, maar nergens staat dat je niet gewoon tussen de bomen door mag lopen. Het peukje zit trouwens al netjes in een vuilnisbak, dus niemand die me kan bekritiseren. Ik slof door dode bladeren en kijk omhoog door de takken en het loof naar een mooie open lentehemel. Er zijn ook positieve kanten aan dit soort bestaan leiden. Door tussen twee stoelen te vallen heb ik, denk ik, een redelijk goed begrip van die twee stoelen. In het diepst van mijn gedachten ben ik gewoon een tooghanger die toevallig een woordenboek of drie ingeslikt heeft, niet meer en niet minder. Uitgerolde yogamatten benader ik als schuwe kat en de cultussen van quinoa, mager vlees en kombucha zuigen spontaan alle levensvreugde uit mijn lichaam. Maar zij zullen vast het laatste en het beste lachen als ik tegen m'n 55 ten grave gedragen word.
 
Net zo goed kijk ik met ergernis en woede naar de parade aan figuren die we moeten tolereren die zich laten voorstaan op hun volksheid. Ik denk niet dat er een type vreugdelozere volksnationalisten bestaat dan Vlaams-nationalisten. Wie heeft er nog hernieuwbare energie nodig als de rancune van die lui een heel land kan aandrijven? Daarbij gaan ze prat op hun völkische Empfindlichkeit, terwijl ze vooral lijken te vinden dat de modale Vlaming zich best nog doodwerkt, zijn bek houdt en mee moppert over de volksvijand du jour, terwijl de heren en dames promoveren op hun plutocratische boertigheid. Ook Vlaams Belangers, die steeds de mond vol hebben over zorgen voor de gewone (lees: witte) Vlaming, stemmen steevast tegen elk initiatief om het lot van die Vlaming te verbeteren. Terwijl ze in het pluche geen klop uitvoeren voor een riante gage.
 
Ik wandel een brugje over en hou halt om een koppel joggers ruim baan te geven. We glimlachen naar elkaar zoals witte Vlamingen dat doen – van je mond een streep maken maar je mondhoeken niet echt naar boven trekken, want dat is misschien al te vrolijk. Ook dat voordeel heb ik, door mijn jeugd gemarineerd te zijn in het Gentse stoofvlees, dat ik al onze sociale codes ken als een tweede huid.
 
Als ik klaag over de economische ongelijkheid in dit land en iemand merkt op dat België een vrij lage inkomensongelijkheid heeft, denk ik aan die cartoon waarin een takken zeulende, afgeleefde Middeleeuwse boer zegt: “ik vind dat we de dingen hier toch wat kunnen verbeteren”, terwijl uit een waterput een gladjanus opduikt die zegt: “en toch leef je ook in deze maatschappij! Ik ben heel erg slim.” Wel ja. Ik passeer aan het eclectische kasteeltje van Claes-Bouüaert, en vraag me af waar de gemiddelde arbeider aan dacht bij het zien van zo veel protserige weelde die gebouwd was op zijn rug. Want het beeld dat arme mensen op zijn best ongelukkige sukkelaars zijn en op zijn ergst asociale potverteerders, is een handige goocheltruc die moet verbergen dat het vaak juist die armen zijn die de rijkdom hebben gebouwd van de rijken.
 
Je mag als ondernemer nog zo’n geniaal idee hebben, als er niemand is die het uitvoert, dan sta je daar. Wat zou Jeff Bezos zijn zonder die duizenden onderbetaalde werknemers die zijn pakjes stapelen en transporteren? Ik las onlangs ergens dat Bezos elke maand een miljoen dollar zou kunnen uitgeven van de steentijd tot nu en nog altijd miljonair zou zijn. Hoe iemand dat ethisch kan verantwoorden zonder een ronduit psychopathische levenshouding te promoten, ik weet het niet.
 
Diagonaal ga ik over de Zomerliefweide terug naar huis. Het gras staat lang en de pollen zijn talrijk. Pre-lockdown kwamen hier elke zondag Dominicanen (denk ik?) baseball spelen. Nu zijn er slechts ouders en kleine kinderen en het occasionele tienerkoppeltje. Waar is de tijd dat mijn hoofd niet zo zwaar woog. Ik heb tenminste zelf geen kinderen waar ik me zorgen over hoef te maken en ik ben nog niet oud genoeg om me er zorgen over te maken dat er geen zullen zijn die zorg van mij zullen dragen, later. Ik heb gelukkig alweer bijna een maand overleefd zonder al te veel kleerscheuren.

donderdag 23 april 2020

De gewoonlijke dipshits

Lockdown en quarantaine lijken op het eerste zicht godsgeschenken voor een klagende schrijver die altijd klaagt dat hij niet genoeg tijd heeft om te schrijven, maar dat is niet helemaal juist, voornamelijk omdat een klagende schrijver in de eerste plaats graag klaagt en het object van de klacht er niet zo veel toe doet. Er zijn voor mensen die houden van literatuur met grote of kleine L overigens wel degelijk voordelen aan een periode van zonnig weer, weinig verplaatsingen en geen bezoek. Een doelloze wandeling hier, een boekje lezen daar, videobellen met wie je anders zou moeten zien in een café waar je op het einde van de avond onnozel geschreeuwd buiten komt.

Maar er gebeurt ook weinig dat inspireert omdat de pauzeknop is ingedrukt door de dikke vinger die zichzelf het noodlot noemt. Geduld is een deugd als je ligt te wachten in het kreupelhout op een vette mammoet die zal langskomen, maar als je weet dat er geen mammoeten meer zijn, wat moet je dan doen? Er zijn geen toevallige ontmoetingen meer of geen onverwachte cadeaus. Wat recent nog het dichtste in de buurt kwam was een zakje paaschocolade en een kaartje dat aan mijn deur afgezet was door een mysterieuze ‘Juanita’, maar dat bleek uiteindelijk bestemd voor mijn bovenbuur. Geen zwoele mysterieuze Latijns-Amerikaanse aanbidster voor mij dus.

Mensen willen liever bij elkaar zijn, of er toch liever voor kunnen kiezen om dat te doen. Ik merk dat als ik naar de winkel wandel, vrouwen in het voorbijgaan anders kijken naar me dan vroeger. Of ik ben het misschien zelf, met mijn geprojecteerde augmented reality waarin alles een aura krijgt van aantrekking en seks (“I was looking back at you to see you looking back at me to see me looking back at you,” als in ‘Karmacoma’). Sommigen beweren dat we binnen een kleine 9 maand een babyboom zullen zien, maar ik denk dat als dat zo zal zijn, dat die zich als de staart van een komeet zal uitstrekken tot nog ver voorbij de 9 maand na de coronacrisis.

Begin januari zat ik naar het nieuws te kijken bij het avondmaal en dacht ik “dus zo gaat het allemaal beginnen,” terwijl elke dag slechter nieuws kwam uit Wuhan. Voor je mij voorspellende gaven toedicht: ik heb diezelfde gedachte gehad tijdens de NAVO-bombardementen op Servische stellingen in Kosovo in 1999, de dubieuze herverkiezing van George W. Bush in 2004 en het vermeende gaslek in de kelder van mijn appartement in 2013. Toch heb ik de maanden sinds de uitbraak van het coronavirus niet beleefd als apocalyptisch, daarvoor blijkt mijn positie in de sociale pikorde vooralsnog iets te sterk en lijkt de socio-economische cohesie van ons land te stevig, tot spijt van reactionairen die wellicht likkebaardend zaten te wachten op het ineenstorten van België en de krijgswet.

Nee, het meest ergerlijke aan dit alles is nog de banaliteit ervan. Mensen proberen zo goed en zo kwaad als het kan hun leven verder te zetten en te slalommen rond de beperkingen die er zijn. De meerderheid volgt de adviezen van de experts en de politieke leiders op, zij het knarsetandend. Er is geen spektakel. Geen grote, inspirerende leider die opstaat aan wiens voeten ik mijn zwaard wil werpen, geen antichrist waartegen ik van leer wil trekken buiten de gewoonlijke dipshits in hun gewoonlijke blauwe dipshitkostuums met hun gewoonlijke bruine dipshitschoenen. Er is geen strijd om te overleven, enkel een eindeloze zondag op een onbewoond eiland waar niemand me komt omhelzen, waar ik door niemands haar kan strelen en waar ik zelfs geen vriend een hand mag geven. Het is een beetje triest, maar niet inspirerend.

Misschien is het dat, dat we allemaal zijn teruggebracht tot onze ware proporties. De mopperende middenstander, de ploeterplusmama, de boze syndicalist, de mensenhater, de scheefpoepende papa en de misnoegde schrijver. 

Zoals gewoonlijk is de enige muze die me werkelijk uit deze schutskring kan krijgen, de muziek. Ik klamp me vast aan het goede oude gebonk van de late jaren ’90, sommige keldermetal uit de vroege jaren ’00 en de kohl-oogklassiekers van de jaren ’80. Van lieverlee zou ik zelfs durven overwegen om mijn pen aan de haak te hangen en terug te beginnen met platen door elkaar te haspelen met meer enthousiasme dan kunde. Maar zo verlangend naar vrijheid voel ik me nog niet, dus kijk ik nog eens naar de beelden van de musicerende Doof-krijger uit ‘Mad Max: Fury Road’ die aan een staak bengelt met een vlammen spuwende gitaar, tegen een achtergrond van enorme woofers. Dat is pas apocalyptiek. Niet de banale killer van corona, die weliswaar tienduizenden mensen heeft geveld, maar ons voorts intact laat in onze stinkende sokken en ons ondergoed dat we al twee dagen dragen. Misschien is dat wel iets om blij over te zijn.

woensdag 19 februari 2020

Excoriatie

Om van de staat van ons zakdoekje Vlaanderen poolshoogte te nemen, moet je maar eens op een bus wachten in de avondspits in een provinciestadje. Op de steenweg, die er ook bij droog weer doorgeregend uitziet, sta je je een existentiële crisis te wachten terwijl auto’s voorbij zoeven, de app van De Lijn meldt dat je bus 17 minuten te laat is en er in de wijde omgeving niets te bespeuren is van levensvreugde. Ondanks het feit dat de bushalte vlak naast een café is. De enigen die er in en uit komen zijn types die hun ongelijke strijd met de stijlloosheid al lang opgegeven hebben. De bushalte heeft geen afdak. Je kan eventueel gaan zitten op de vensterbank van de garage achter je, maar dan riskeer je dat de bus je gewoon voorbijrijdt omdat je verscholen gaat achter een rij geparkeerde SUV’s van de lokale middenstand.

Je bent nadien één van de enige reizigers op de bus. De chauffeur speelt voor zijn weinige toehoorders baancafépop. Onderweg passeren aan het oog tegelwinkels, medische specialisten in lelijke huizen die vast ooit iemand “holistisch” genoemd heeft, kapotgereden bermen, broodjeszaken die allemaal ’t Smoske heten en frituren die allemaal uitgebaat worden door Danny, Guido of Chantal. Tegen dat je op het station aankomt is het al volledig donker en waait er een gure wind die geen enkele moderne stationsinfrastructuur ooit heeft weten tegen te houden, integendeel, hoe moderner het bouwwerk, des te snijdender en nijdiger de wind. Je zou haast denken dat de ontwerpers ervan zelf nooit de trein hoefden te nemen. Mensen zitten ver van elkaar. Misschien best. Er moet maar één debiel met te luide muziek op z’n telefoon de sfeer vergallen of je zit plots al niet ver genoeg meer van elkaar.

Je trekt je op aan glinsters. Een conducteur op de trein (die ook te laat is) die iedereen vriendelijk een goede avond wenst. Of de man van de koffiebar die je ’s ochtends met je koffie gewoon met rust liet. De tristesse is zoals Thanos onvermijdelijk. Ze zit in de voegen van oude bakstenen en van schooljongeren die als de dood zijn om iets te dragen dat niet in donkere tinten gevoerd is. Ze zit in mijn geluidloze koptelefoon die lawaai op afstand moet houden. Ze zit in een nostalgisch gevoel naar iets wat er misschien nooit geweest is: het gevoel om echt deel uit te maken van een maatschappij en een wereld en er niet in rond te dwarrelen als een geïrriteerd herfstblad.
 
Kwam je ten langen leste vroeger nog thuis in warmte en begroet door de kleine huisgenoot, dan is die er sinds kort ook niet meer. Hij werd gisteren gecremeerd. De dierenkliniek vertoonde voor zijn heengaan meer oprecht medeleven dan de gemiddelde CEO met zijn personeel. “And what a scummy man / Just give him half a chance / I bet he’ll rob you if he can.” Dat is één van de openingslijntjes van ‘When the Sun goes down’ van de Arctic Monkeys, en ik denk er regelmatig aan als ik weer die parade zie van gluipkoppen op tv. De politieke brahmanen en hun slippendragers, die daarna in Serieuze Praatprogramma’s de exegese doen van wie wat gezegd heeft en wat dat betekent, ver verwijderd van het dagelijkse leven van de meeste van hun landgenoten. En de zogenaamde volkse lui, die zijn meer lui dan volks. Racisme oppoken en beweren in naam van het volk te spreken terwijl ze duizenden euro’s in de maand verdienen om te liegen op Twitter en geen klop uit te steken in het pluche.
 
De avondlijke linten trekken voorbij aan de trein. Nu en dan is er een glimp licht van een bedrijf of een parkeergarage. In Vlaanderen ben je nooit alleen, maar eenzaamheid is overal. Je vrienden zijn je bidkralen en je mag blij zijn dat je ze hebt. Nog blijer dat ze geen gore klootzakken zijn waar je maar mee blijft optrekken omdat je bang bent voor het alternatief.
 
Je blijft wel overal en altijd die afstand voelen, gewild en ongewild. En je denkt aan die kleine vriend met zijn snorharen, die nooit meer zijn kopje nieuwsgierig om de hoek zal komen steken, hoewel hij die hoek net als alle andere hoeken van het appartement wellicht beter kende dan jezelf. Hij had, voor zo ver je je kan permitteren om dat te zeggen over een dier dat in gevangenschap leefde, een relatief rimpelloos bestaan waar het hem aan warmte, genegenheid, zorg en lekker eten nooit ontbrak. En hij was vrienden met mijn vrienden, dat ook. Je bedenkt er dat er nu een holte in de vorm van een kat zit in je borst, een enkel paar voetstappen dat door de gang klinkt, een gesprek dat verstomd is. Je bent nu toch te laat thuis voor het journaal en buiten is het beginnen regenen. Je rouwt om een wereld die verloren is, een wereld die je bijeen had gefantaseerd, en hoe de realiteit van je alledaagsheid zo veel eenvormige lintbebouwing kent, dat je het de clowns op tv niet eens meer echt kwalijk neemt dat ze hun commedia dell’arte nog eens komen opvoeren.

dinsdag 7 januari 2020

Ångström

Twee gevoelens die, als ze samen optreden, aanvoelen alsof je net in een centrifuge hebt gezeten waardoor al het vocht in je lichaam nu eens aan de ene, dan weer aan de andere kant heeft geplakt en als alles weer normaal begint te stromen, dat je kotsmisselijk achterblijft: dat is het vertrouwde mengsel van angst en gêne en niet weten welk van de twee erger is.

Schaamte is het tegengestelde van trots. Beiden zijn ze als spaken aan hetzelfde wiel: de trots aan de bovenkant, de schaamte aan de onderkant, verbonden met de naaf van je ego. Soms heb ik een bizarre bewondering voor mensen die geen schaamte kennen. Mensen die schaamteloos dag in, dag uit liegen en ervoor beloond worden. Mensen die schaamteloos agressief, onredelijk en ongemanierd zijn en daar prat op gaan. Of mensen die schaamteloos kunnen doen aan emotioneel exhibitionisme: ach wee, ach ik, hier zijn alle pillen die ik neem, hier lig ik ostentatief ziek te zijn, ziék zeg ik u.

Noem gêne het rattenkruid dat is achtergebleven door een nominaal katholieke opvoeding. Noem het zeker geen schuldgevoel. Schuld kan nobel zijn en aanzetten tot actie. Je wil iets goedmaken, je probeert te zoeken naar vergiffenis. Schaamte is eindeloos. Schaamte en schuld verhouden zich tot elkaar zoals angst tot schrik. Schrik is doodnormaal - opschrikken bij een harde knal, terugwijken voor een gevecht, je bedenken dat als je nu je mond opendoet, dat de gevolgen misschien niet te overzien zijn. Angst bekampen is even irrationeel als een wolk proberen wegblazen met je adem.

Dus ik probeer met alles wat ik geleerd heb uit alle ervaringen en uit alle teksten die ik heb gelezen, van 'De kunst van het oorlogvoeren' en de 'Dhammapada' tot de albums van Jommeke en de gitzwarte moppen van Gummbah, het hoofd te bieden aan de angst en aan de schaamte. En toch schaam ik me over die angst. Enerzijds omdat die al te vaak gestaag heeft zitten wegvreten aan wat een al bij al vrij normaal zelfvertrouwen zou moeten zijn, anderzijds omdat het zo hopeloos banaal is allemaal. Heb ik niet immers werk? En vrienden, familie die om me geeft, en het vermogen om kennis op te nemen?

Maar wat als dat het punt niet was en dat de hele mensheid verkeerd in elkaar zit? Dat we hier in het noordzeeputteke van Europa ziek zijn van onze eigen puttekeslucht maar het niet beseffen omdat we er in geboren zijn? Ik wil mezelf niet hooggevoelig noemen omdat die term vaak geclaimd wordt door aanstellers die pronken met hun eigen onmogelijkheid. Ik wil mezelf niet hoogbegaafd noemen omdat, wel, omdat ik het eigenlijk gewoon niet ben. Ik ben de edge computing van de emotie, overal in elke emotie deels aanwezig maar nergens centraal genoeg om te kunnen zeggen dat dàt, ja dàt nu mijn probleem is. Soms zou een label verrekte handig zijn.

Ik geloof niet dat ik alleen ben. Er zijn volgens mij talloze mensen die zich elke dag de darmen uit hun achterste lopen om alles klaar te krijgen op het werk en op het einde willen gaan slapen met het idee dat alle rekeningen betaald zijn en dat de kookplaten schoongemaakt zijn, maar dat het hen net niet allemaal lukt en dat de tijd tussen de kieren, gaten en spleten van de tuchtig gevulde dag enkel dienen om niet gewoon in te storten en het eerste het beste vliegtuig te nemen naar Kaapstad of Havana.

En is het niet zo dat alles wat inspeelt op angst en schaamte, ontworpen is om ons kleiner te maken? Opnieuw heb ik het niet over schrik en schuld. Dat je je buurman de kop niet inslaat met zijn eigen lelijke tuinkabouter omdat je schrik hebt dat je in de cel gaat belanden is prima (al is het beter dat je het niet doet omdat je een empathisch mens bent). Dat je je schuldig voelt over dat vliegtuig nemen naar Havana is goed omdat het je doet nadenken over je eigen positie in een steeds instabieler klimaat.

Nee, schaamte is wat je hoort te voelen als je fysiek geen Griekse god bent, of als je het wel bent, dat je een oppervlakkige debiel bent die alleen mag dienen als gyros voor het volk in één of ander 'Temptation Island'-reservaat. Een lepeltje schaamte als je niet genoeg overuren presteert maar ook een pilletje schaamte als je graag opgaat in je werk en je je tijdens je vakanties alleen voelt. Je moet je schamen om wie je bent, wat je wordt en wat je nooit zal worden maar misschien had kunnen worden in een ideaal universum. En nog zou het niet genoeg zijn.

Die constellatie aan schaamte (vaak zichtbaar tussen de Depressieve Beer, de Burn-Outdrager en het Extreemrechts Varken) is de blaasbalg die je angst aanwakkert. De angst om alles toch verkeerd te doen ondanks je beste bedoelingen. Het idee dat ergens postvat dat je fundamenteel alleen bent met je twijfels, je mislukte dromen en je vurige verlangen naar iets dat beter is dan dit. Maar ik probeer mijn rug te rechten.

Misschien zijn het windmolens die ik chargeer en zijn mijn larmoyante oprispingen inderdaad enkel tranen in regen. Maar als het verkeerd is om elke dag een klein beetje te proberen om op te komen voor een authentiekere wereld waar de farizeeërs op hun eigen Molokai elkaar de duvel aan moeten doen in plaats van dat zij de wereld beheersen, dan wil ik het niet eens bij het rechte eind hebben.

woensdag 30 oktober 2019

De Vooruit door de achterruit

Enkele keren per jaar ben ik in Kunstencentrum Vooruit, kortweg "de Vooruit" en vroeger "Feestlokaal van Vooruit", één van de twee Gentse kathedralen van het socialisme. Het gebouw is meer dan 100 jaar oud maar haar huidige bestemming is even oud als ik. Het is voor mij een plek als de Veldstraat, de Korenmarkt of Gent-Sint-Pieters: een onvervreemdbaar deel van de levende stad, beladen met vele herinneringen, maar nu ook geen plaats waar ik valse gevoelens van romantiek voor koester. Misschien zou dat anders zijn mocht het gebouw ooit tegen de vlakte gaan.

De eerste keer dat ik er kwam was na een cinemabezoek met een vriend. Zijn vader kwam ons oppikken en wilde nog iets gaan drinken met ons. Ik geloof dat ik toen een jaar of 16 moet geweest zijn. De cafézaal maakte op mij een indruk van een uit zijn krachten gegroeide, wat oubollige kantine met goedkoop meubilair en aftandse vloertegeltjes. Die sjofelheid heeft het Vooruit-café lang behouden tot voor enkele jaren. De tegeltjes zijn er nog altijd, maar het meubilair is robuuster en diverser geworden, de belichting gezelliger en het publiek beter gekleed. De gemiddelde reactionair zou het hier haten: het zit vol hipsters, mensen op laptops, mensen van vreemde herkomst, holebi's en ranke figuren met bestudeerd nonchalante kapsels. Ik hoorde van een vriendin die aanwezig was geweest op een Gents verkiezingsdebat tijdens de laatste verkiezingen overigens dat als een rechts politicus het woord nam, dat die uitgejouwd werd.

Dat is niet erg netjes, om niet te zeggen kinderachtig. Maar ik koester tegelijk de obstinate linksheid van mijn thuis- en geboortestad. Die betekent niet dat ik denk in een bakfietsen, yoga- en Steinerschool-utopia te leven. Maar in deze bubbel hoeven we tenminste niet te doen alsof we de laatste ordonnanties van de God-Keizer uit Antwerpen serieus moeten nemen, laat staan dat we erbij moeten staan als bange schoolkinderen als zijn luitenants weer eens stevig met de matrak staan te meppen op al wie de vermetelheid heeft om niet mee te stappen in hun kabouterdans voor het kapitaal en de racist in de straat.

Ik zit aan de hoek van een grote bruine tafel die bezaaid ligt met tijdschriften (stichtelijk en volksverheffend) en ik kijk rond. Een half leven geleden kon ik één van de studenten geweest zijn die hier nu met vrienden zit en ik vind het een aangenaam idee dat die studentenlevens generatie op generatie door blijven gaan. Ze lijken me niet extreem anders als de student die ik zelf ooit was. Het kost me moeite om niet op die tijd terug te kijken door een roze bril. Die eerste ongecompliceerde relaties! Het gebrek aan zware lasten! Elke avond feest! Het is maar een mentaal foto-album, een 'best of', want ik herinner me ook gebroken harten, psychisch leed en verloren avonden boven saaie syllabussen en boeken. Het enige wat wel klopt, is dat ik toen veel meer tijd had om vriendschappen te kweken en te onderhouden.

Intussen is mijn afspraak gearriveerd. Ik zit hier namelijk voor mijn bijberoep en heb afgesproken met een klant. We zijn van dezelfde oogst, ongeveer, en ze is een prettig intense vrouw met een aanstekelijke nieuwsgierigheid waarvan er meer zouden moeten zijn. Deze zomer maakte ik een presentatie voor haar KMO. De KMO is intussen niet meer onder de levenden, maar dat wilde ze persoonlijk meedelen. Ik heb sympathie voor de situatie, want het kan elke ondernemer overkomen, ook al zijn de ideeën goed en zijn de producten en diensten kwalitatief genoeg. We spreken over de onzin van het wat-als-denken, dat je met een stijf anglicisme ook wederfeitelijk denken zou kunnen noemen, maar dat klinkt alsof het iets is dat Geert Bourgeois zou kunnen bedenken.

Soms erger ik me aan mezelf als ik weer de politieke toer op ga. Omdat die explosieve cocktail van idealen en emotie introduceren in m'n creatieve werk voelt als het tekenen van een sombere schaduw of het toevoegen van een nadrukkelijke kleurfilter. Waar is dan nog het persoonlijke, het echte artistieke? Maar misschien is het omgekeerd, en zijn creatievelingen al te vaak de eersten om onnodig en enthousiast hun hals door de strop van het apolitieke te steken. Letterlijk als onnozele halzen. Want, hoe je het ook draait of keert, we zijn hier allemaal samen en leven in dit zompige nu. L'art pour l'art is ofwel steriel en irrelevant, ofwel het product van mensen die de luxe hebben om zich te kunnen onttrekken van de veelvormige hydra van de banaliteit. En dàt is het. Je wil niet bezig zijn met die banaliteiten, zoals je belastingbrief, checken welk voedsel nu ethisch geproduceerd is, zitten luisteren naar de zoveelste beunhaas die zot is van zijn eigen glorie.

Ik drink van een grote, met water aangelengde kuip ijsthee en ik eet de vermaarde Vooruit-spaghetti. Die is niet socialistisch qua prijs, maar er zit biogehakt in. Ook gewetenrust is koopwaar. De bisschoppen die aflaten verkochten staan nu eieren aan te prijzen van kippen met "vrije uitloop". De menselijke aard verandert traag, maar, zoals Wannes Capelle dat zo goed verwoordt, "dienen tid van ton, ge moet da nie per se ne kier beleven". Ik heb wel een zwak voor dat zeer voorzichtige optimisme. Misschien maakt me dat meer een conservatief dan ik wil toegeven - een echte conservatief, iemand die stapsgewijze vooruitgang en behouden wat wel goed is verkiest boven woeste revolutie. Alleen staan we met onze rug tegen de muur, nu, en met onze smoel ook. De ruimte om kleine stapjes te zetten is zo klein geworden en wordt almaar kleiner door de genietroepen van de neoliberalen en de racisten die constant haasje-over doen met zelfverklaarde centristische struisvogels.

Genoeg nu. De ijsthee smaakt. De KMO was tevreden over mijn presentatie. Ze gooit met bloemetjes en dat apprecieer ik natuurlijk, vooral omdat er niets van afhangt. We spreken over zelfverloochening en zelfrealisatie. Moeilijke termen. Ik merk in mijn vrienden- en kennissenkring dat er weer verlangens bestaan naar grotere verhalen, naar iets consistents en consequents. Dat kan zitten in diep in- en uitademen in de betere lucht van de Ardennen, of het samenhokken onder kaarslicht en zonder verplichtingen. Voor wie genoeg geluk en talent heeft, zijn onze zelfgekozen netwerken onze nieuwe families. We spreken over taal. Taal is de ruggengraat van het mentale menselijke bestaan.

Ik zeg dat er voor mensen die kunnen schrijven niet altijd even veel respect is omdat in dit land iedereen technisch gesproken kan schrijven, net zoals ik geluid kan halen uit een gitaar en weet hoe ik die moet vasthouden, maar dat dat niet wil zeggen dat ik een gitarist ben. Een stille stem in m'n achterhoofd spreekt dit tegen. Ik zie soms ook een onterechte hoerastemming rond mensen die matig kunnen schrijven maar het gewoon goed weten te verpakken. "En het oordeel daarover is altijd subjectief," zegt de voormalige KMO-baas en toekomstige werkneemster in een nieuwe organisatie. Right on the money. Schrijfwedstrijden zijn missverkiezingen voor lelijke mensen die de gestel niet hebben voor politiek. Het merendeel van die wedstrijden is een oefening en chaos en/of corruptie, toch voor de 10% aan inzendingen die de eerste triage overleeft waar onvermijdelijk steeds een brede selectie in zit aan geschriften die bulken van de zelfingenomenheid, hopeloosheid, nietszeggendheid of idiosyncratische waanzin.

Het gesprek loopt ten einde, we moeten elk nog ergens anders heen. Buiten steek ik een sigaret aan. Groepjes opgewonden en blije studenten kruisen mijn pad en iets van hun blijheid straalt ook af op mij. In de verte staat een politiewagen en is er een volkstoeloop, maar ik kan niet zien waarom. Ik hou een groepje aan dat uit die richting komt en vraag hen of ze weten wat daar gaande is. Drie meisjes en een jongen, allemaal met grote ogen, jeugdiger dan ik mezelf herinner geweest te zijn. "Een gevecht! Iemand is uit dat café gesleurd door de flikken! Iemand wilde vechten met de flikken!" Ik bedank hen voor de informatie en zet mijn weg verder. Ik hoop dat hun avond even fijn wordt als die van mij vroeger waren en hoe dankbaar ik mocht zijn voor een degelijk gesprek zo-even. Dat het allemaal maar Vooruit moge gaan.