Over 'Onklare taal'

'Onklare taal' is de verzamelnaam van diverse tekstprojecten van mijn hand. Dit is de poëzieafdeling daarvan. Hier kan je zowel de laatste nieuwe gedichten als ook een selectie van oudere gedichten vinden. De weg een beetje kwijt? Deze link brengt je terug naar de homepage van 'Onklare taal'.

Overigens kan je hier gratis mijn poëziebundels downloaden in PDF-formaat: 'Epicentrum' (2012), 'Synaeresis' (2012), 'Subductie' (2013), 'Enceladus' (2015), 'Volterra' (2017), 'De snelheid van de duisternis' (2019) en 'Indiscrete wiskunde' (2021). Behalve 'Synaeresis', dat één verhalend gedicht is in twee delen, bevatten de anderen telkens een 30-tal geredigeerde en zorgvuldig geselecteerde gedichten, met duiding en een nieuwe indeling. In 2020 verscheen mijn debuutroman 'Fragmentariërs'.

dinsdag 18 januari 2022

Winterkaartjes

1

Het is iets na zessen en ik merk dat ik geen pen bij me heb om mijn Railpass in te vullen, die intussen op vier ritten staat zonder dat er een controleur is gekomen. Waarom zou ik 'm eigenlijk nog invullen? In het verleden heb ik het zeker al met succes gedaan, op de trein zitten met een oningevulde Railpass (natuurlijk net binnen handbereik en erop bedacht om die snel in te vullen als de controleur de wagon betreedt, want ik ben geen volbloed rebel maar een verknipte petit-bourgeois), maar ik ben twee dagen in het nieuwe werkjaar al te vermoeid om straks in de wagon de hele tijd uit te kijken voor de komst van de treinbegeleider. Dus ik moet een pen vinden.

Ik vraag het eerst aan een groepje van vier jongeren. Die kunnen me niet helpen.

"Wollah, ik heb geen pen bij meneer," gesticuleert een zittende jongen met zijn mondmasker bijna tot aan zijn ogen getrokken.

"Ik ook niet, meneer," zegt zijn West-Vlaamse vriend, doelloos zwabberend met zijn armen in een jaren '90-training. Waarschijnlijk zijn die armen vandaag alweer 2cm langer geworden, en wat doe je daar in godsnaam ook mee als je staat?

"Sorry meneer, sorry!" herhaalt het meisje op de bank naast de zittende jongen, en nog eens "sorry!" terwijl ik weg stap. Wie zegt dat jongeren geen manieren meer hebben? Ze zijn wel luid en los en versteven eerst toen ik, een "meneer" dus, op hen toe stapte, maar met een onschuldige vraag tot hulp en beleefdheid kom je in dit land zowat overal nog erg ver. Maar ik heb nog steeds geen pen.

Een ongewild duo komt het perron op: een grote kerel met een baard en een schattige jonge vrouw met blond-ros haar. Ze kennen elkaar duidelijk niet en wandelen toevallig naast elkaar, maar allebei blijven ze staan en beginnen ze verwoed in hun jassen en tassen te zoeken naar een pen om me te helpen. De Baardman moet opgeven: "sorry, ik heb mijn pen thuis laten liggen denk ik!" Uiteindelijk vist het meisje diep in haar tas uit een doorzichtige etui een stiftje op. Ze verontschuldigt zich voor haar onhandigheid. Al die sorry's en we zijn nog geen 10 minuten ver. Het is wat onbeholpen-charmant allemaal, maar het verzacht wat voor de rest het meteorologische equivalent is van een portie koud aarsvocht. Dit zijn de guurste weken van het jaar, en tegen februari zijn we allemaal weer zo depressief van de duisternis en de klamheid dat onze gebroken goede voornemens slechts poedersneeuw zullen zijn op de ruïnes van ons welzijn. Maar misschien is al die apocalyptiek nergens goed voor. Tenslotte hebben we collectief al vele winters overleefd en nu op de trein is het relatief rustig en warm.

2

Er is initieel niet zo veel volk komen opdagen. Het publiek van het evenement is de gebruikelijke merkwaardige mix aan toevallige passanten, entourage van artiesten, vaste bezoekers en 21ste-eeuwse Breugheliaanse figuren in wanproporties waar ik anders weinig ruimtes mee deel. En daarom net zo belangrijk om hier te zijn. Bijna alle aanwezige mannen zijn lelijk - niet op de coole rockstermanier, noch op de rozig-onbeholpen manier van bepaalde types kindmannen op fantasyconventies, maar complexloos lelijk. Daar kan ik nog wat van leren. De meeste dames zien er niet veel beter uit, of hebben een ruw geschetst soort aantrekkingskracht waar live-love-laugh-wijnmama's afkeurend naar zouden kijken. Dit is mijn volk, ik kan het niet ontkennen. 

Op de binnenkoer babbel ik wat met één van de optredende artiesten, een mede-Gentenaar in een iets te grote hoodie die er dodelijk vermoeid uitziet en dat ook toegeeft. Hij werkt bij de groendienst maar is al maanden technisch werkloos en kon door de coronamaatregelen de voorbije twee jaar nauwelijks optreden. Je ziet dat hij zich vastklampt aan de weinige energie die hij nog over heeft nadat die maatregelen en het maandenlang nietsdoen haast de ziel uit zijn lijf hebben gezogen.

Je zou er mee kunnen lachen dat de hoofdbezieler van dit podium, dat in alles zo authentiek Gents aanvoelt, een Nederlander is, maar tegelijk is het geen geheim dat de onderbuik, de stroomfrequentie en de kern van gemeenschappen soms veel beter en scherper aangevoeld worden door mensen die initieel buitenstaanders zijn. Ronald is al lang geen buitenstaander meer, hij is één van ons. We mogen ons in Gent zelfs verheugen dat hij de moeite neemt mee te zorgen voor ons cultuurpatrimonium aan cafédichters, verloren artistieke zielen en volksintellectuelen. Als hij na zijn dood niet op z'n minst zalig verklaard wordt, dan organiseer ik rellen. En o, wat zou hij dat haten, tenzij de rellen grappig zijn.

3

"Het is als een eerste schooldag op een nieuwe school," zeg ik een paar keer voorafgaand aan de eerste werkdag op mijn nieuwe werk, maar ik besef dat het meer is dan dat. Het valt meer te vergelijken met veranderen van schooltype én school. Een werkplek met weer andere gewoontes, andere mensen, andere ongeschreven regels over wat hoort en niet hoort. Ik bedenk het na de eerste lunch op de kleine parking achterin, als ik sta te roken. Het rookgrijs vermengt zich met het mistgrijs dat eigen is aan januaridagen die ook overdag donker zijn, en waarvan vanaf de namiddag bij me thuis de mist terug dikker door de kale takken begint te kruipen. Van de hele straat lijkt dan zelfs de lucht zelf te kil om adem te halen, alsof er een collectief de adem inhoudt met ijspegels in de haren en angst in de ogen, bang voor wat misschien kan opdoemen uit die wintermist.

Maar nu is het middag. De nieuwe werkplek is een geconverteerd herenhuis vlak achter Gent-Sint-Pieters. Vanaf waar ik deze voormiddag zat, kon ik diverse kusttreinen zien aankomen op spoor 12. Aan de achterkant van het kantoor hoor je de stationsgeluiden gek genoeg niet meer, enkel de vage geluiden van verre boren en betongebonk. Al meer dan 10 jaar werkt men aan de vernieuwing van het hoofdstation van Gent, en de werken kruipen nog trager vooruit dan een slome schimmel op de muur van een vierdewereldpand. Misschien zitten ze eindelijk aan spoor 1 en 2 tegen dat ik met pensioen mag.

Achter mij komt de kantoorhond naar buiten, een goed verzorgde, sociale 'chocolate lab', met zijn baasje, één van mijn nieuwe collega's. Ik heb zonet moeten zeggen dat ik eigenlijk allergisch ben aan honden, hoewel ik zeer van dieren hou. Zo lang de labrador niet te veel in mijn buurt komt, zal het wel lukken. De hond gaat haast linea recta naar een grote, stoverijkleurige drol die al sinds deze ochtend vroeg op de parking ligt af te koelen en begint die met veel enthousiasme op te eten.

"Is dat normaal?" vraag ik aan zijn baasje.

"Nee!" reageert die geschrokken, het dier wegtrekkend van de nu half-opgegeten drol. Een smakelijk zicht is het niet, maar laten we zeggen dat het slechter kan op de zogezegde Blue Monday. Ik noteer: de kantoorhond mag geen stront eten. Gelukkig was het geen chocolade.

Geen opmerkingen:

Een reactie posten