Over 'Onklare taal'

'Onklare taal' is de verzamelnaam van diverse tekstprojecten van mijn hand. Dit is de afdeling columns en microstories daarvan. In 2017 bracht ik 'In de vorm van een vogel' uit, een bundeling van de beste 99 teksten van dit genre tot op dat punt, netjes geredigeerd en per seizoen geordend. Je kan die antologie gratis downloaden als je Patron wordt. De weg een beetje kwijt? Mijn eigenlijke website, die ook 'Onklare taal' heet, verwelkomt je.

woensdag 21 maart 2012

Kelvin

De binnenring van de stad glijdt geruisloos door onder de auto. Er is geen ander verkeer op straat. De radio staat uit. De gedachten zijn hol, en gaan naadloos over in het diepst van de nacht. Het is eigenaardig hoe sterk ik aanwezig ben in het nu ben op een moment dat ik dat niet wil, terwijl het anders omgekeerd is. Maar waarom zou ik op dit ogenblik het irrationele willen uitleggen of verklaren? Wat ik weet is dat ik alleen moet zijn, zonder medelijden, zonder wat dan ook, behalve een deken en duisternis. Ik wil een bres slaan in de tijd waar ik me even in kan schuilhouden, een onbewoond eiland dat in permanente schemer ligt en waar het enige gezelschap bestaat uit een boekenkast, schrijfgerei en net papier. Dat idee helpt. Zelfs de gedachte aan kunst verzacht de zeden.

Mijn kantoor is ruim en goed verlicht. Er heerst een sfeer van intellectuele orde. Een zenplek zou ik het niet durven noemen, maar je kan er alleszins onverstoord doorwerken. In de verte is het enige geluid in de gang afkomstig van een Nederlander die zich vrolijk maakt over het bizarre Franstalige accent van een collega.

Van nature ben ik een twijfelaar, maar eens ik van iets zeker ben, is die zekerheid onwankelbaar. Dat kan een principe zijn, een persoon, een interpretatie, een stilistisch gegeven. Ik heb altijd een beetje neergekeken op artiesten die pijn nodig hebben om iets verdienstelijks te kunnen maken, alsof ze alleen maar dan zichzelf tot actie kunnen bewegen. Mijn werkethiek is dan ook afwijkend. Ik vind de job waar ik geld mee verdien een noodzakelijk kwaad in vergelijking met mijn echte ambitie. Dat sommige mensen dat onnozel vinden, neem ik er maar bij, want als er iemand is die moet geloven in mij, dan ben ik het wel. Dat mag ik toevoegen aan de korte lijst met onwankelbare zekerheden.

Het is alsof ik pas volledig kan uitademen als de auto stilstaat. Het is twintig voor vijf in de ochtend. Het voelt alsof ik veel langer onderweg ben geweest dan tien minuten. Er borrelt spijt op over woorden die ik gezegd heb (te veel) en over dingen die ik gedaan heb (te weinig). Het is geen tijd voor analyse, dus ik stap uit en steek een sigaret op. De lucht heeft zijn vertrouwde, doodse koelheid die eigen is aan dit uur. Er is nauwelijks bewolking en ik sta stil bij de weinige sterren die niet verhuld worden door de gaswolk van kunstlicht die uit de stad opstijgt. Ik kan de namen opsommen van ongeveer vijftig sterren en ken ook de Latijnse namen van minstens veertig constellaties, maar ik kan er geen één van vinden aan de hemel. De kennis interesseert me meer dan de observatie. In een afwijkend universum was ik vast wetenschapsfilosoof geworden en werd ik nu gevraagd voor populaire praatprogramma's op tv. Ik ben blij dat dat niet zo is.

Het werkschrijven is een procedure geworden. Ik kan de romige, wervende zinnen op automatische piloot schrijven. Dat het in het Engels moet, schept ook een professionele afstand die een meer uitgekristalliseerde manier van denken vergt. Eén van m'n Franstalige collega's spreekt me aan: "Anton, heb je je baard ge... gescheurd?"

Voor de spiegel is het tijd voor een maandelijkse inspectie. Waarom ook niet nu, op een nacht die toch al stilletjes helemaal ontspoord is? Ik stel bedaard vast dat ik er een pak ouder uit zie dan zeven jaar geleden, op een aantal goeie manieren (scherper, doorleefder, met meer persoonlijkheid), en op een aantal slechte manieren (lijnen in mijn voorhoofd, eeuwig groeiende neus). In drie parallelle strepen lopen er littekens op mijn borst die er stoer uitzien maar een onbenullige oorzaak hebben. Er zitten opgedroogde vlekken rode wijn op mijn lippen maar ze voelen aan als bloed, alsof er een omgekeerde transsubstantiatie plaatsgevonden heeft. Voor de rest zie ik vooral een vermoeide man staan. Ik wil alle beweging kunnen stilleggen, luisteren en zwijgen, een maand lang, als het moet. Ik denk dat wij veel te veel nadenken. Het lijkt wel alsof het een zelfopgelegde boetedoening is voor al die mensen die niet lijken te denken en gewoon doen. Ik heb het denken ook te vaak misbruikt als ijskap over die smeulende supervulkaan van passionele gevoelens en onhandige metaforen.

Er is een bodempje vodka over. Ik neem een voorzichtige slok als ik eenmaal aan mijn bureau zit, en laat het glas dan staan terwijl ik niet probeer na te denken en niet probeer te zijn waar ik op dat ogenblik ben. Ladies and gentlemen, we are floating in space. Taal kan maar zo veel zeggen. Ik verken de grenzen van gedachten en verwijt mezelf dat ik ze steeds in dat verlieslatende keurslijf van letters wil dwingen. Ik voel me aangetrokken tot stilte, uitgestrektheid en contemplatie omdat daar in dit leven al veel te weinig van is. In feite is de Gordiaanse knoop tussen denken en doen simpel om te ontwarren, en kan dat nog eens op verschillende manieren. De oplossing deel ik slechts als me daar om gevraagd wordt en niet eerder. Ook ik heb mijn waardigheid. Ik staar dwars door het glas vodka en sta er niet bij stil dat de minuten wegtikken terwijl de vermoeidheid terug de overhand neemt op het leeglopen van samenhangende gedachten. Vergetelheid door dronkenschap maakt niks beter, dus ga ik het glas leeggieten in de keuken. 'No more vodka in Mir', ging een eendagshitje op de vrije radio toen ik jong was. Als ik uit het keukenvenster de straat in kijk, lijkt het alsof ik mezelf zie staan in dat venster vanaf het punt waar ik naar kijk.

"Geschoren," verbeter ik haar zo vriendelijk mogelijk, "Ik dacht: waarom niet? Bovendien groeit hij toch razendsnel terug."
Ze kijkt niet alsof ze die gezichtsbeharing zal missen.
"Waarom niet, ja... maar waarom wel?" probeert ze. Ik moet lachen. Het doet me denken aan het fundamentele verschil tussen mij en enkele van mijn beste vrienden. Ik doe alleen iets niet als ik een goede tegenwerping kan vinden. Anderen doen alleen iets als ze een goede reden vinden.
"Tijd voor iets anders, zeker? Tijdelijk," antwoord ik. Vaagheid aller vaagheden.

In bed spreid ik me uit over de grootst mogelijke ruimte. Entropie in actie. Het licht is uit, maar het zal niet lang duren eer er nieuw licht vanonder het kamerraam zal uit komen. Intussen is de vierpotige veroorzaker van mijn stoere litteken enthousiast bij mij in bed gesprongen. De huiskater likt aan mijn hand en laat zich mijn strelen welgevallen als een vorst. Ik merk tevens op dat hij feilloos aanvoelt wanneer hij op mij kan gaan liggen (als ik niet van plan ben te slapen), of wanneer hij naast me moet gaan liggen (als ik van plan ben te slapen). Hoe doen dieren dat? Zijn gebrek aan zelfbewustzijn is een geruststelling op dit moment, al heb ik geen idee waarom dat zo is. Ik blijf nu stil liggen, en wacht tot zowel man als dier in slaap vallen. Het schijnt dat beweging pas echt ophoudt bij het absolute nulpunt. Stopt tijd zelf dan ook?

dinsdag 6 maart 2012

Vijfentwintig bekentenissen

.
1. Er gaan in elke mens miljoenen andere mensen schuil. Alleen is het naar boven halen van die andere mensen zo’n tijdrovend en drainerend proces dat waanzin bijna automatisch het gevolg moet zijn.

2. Ik stoor me niet zo aan mensen die niet veel weten of niet erg intelligent zijn. Ik stoor me veel meer aan mensen die zich voortdurend met dat soort mensen omringen om er zelf slimmer uit te komen.

3. Sentimentaliteit is weerzinwekkend omdat ze zo herkenbaar is – wat op zich weer een weerzinwekkende uitspraak is.

4. Verstandige mensen zijn in staat tot dingen die dommer zijn dan de domste mensen voor mogelijk houden.

5. Vrouwen die na hun tienerjaren paardenposters aan hun muren hangen hebben, vind ik op voorhand al verdacht.

6. Eén van de meest therapeutische activiteiten ter wereld is een lang, heet bad nemen met een boek dat niet te zwaar weegt, een glas ijskoude vodka en twee sigaretten. Mijn huisgenoten haten dit en ik kan me ook geen partner voorstellen die het me zou toelaten, dus geniet ik nog meer van het heimelijke aspect ervan.

7. De apocalyps is altijd iets voor morgen.

8. Onlangs verdwaalde ik in de metro en kwam ik via een lange tunnel uit op een leeg perron waar een gigantische dikke Boeddha met een zwarte baard zat te mediteren. Hij vroeg wat hij voor mij kon doen en ik vroeg hem om advies. Hij moest zo onbedaarlijk lachen dat ik er zelf van moest lachen, en ons gezamenlijk gelach leek even het perron, de pilaren en de tunnels zelf te doen trillen. Toen de lachbui over was keek hij me welwillend aan door samengeknepen ogen, met zijn vette gezicht in de meest kalme plooi die ik ooit gezien had, en zei hij dat als ik honger had, dat ik moest eten, maar dat het beter was om helemaal geen honger te hebben.

9. Een feit heeft altijd op z’n minst twee aan elkaar tegengestelde interpretaties.

10. Bestond er een spiegel van mij in vrouwelijke vorm, zou ik er nooit voor kunnen vallen. Op een keer zat ik op restaurant een meisje gade te slaan die enkele tafels verder zat, en hoe langer ik naar haar keek, hoe meer ik mijn eigen gelaatstrekken en lichaamstaal in haar begon te herkennen, en hoe meer ze me begon af te stoten. Vast een zus die ik nooit gekend heb. Van een geruststelling gesproken.

11. Mijn grote rosse kater begrijpt mij niet en erg slim is hij niet, maar ik geloof eigenlijk wel dat hij van me houdt.

12. Op een entertainende manier volslagen onzin verkopen, is een onderschatte kunst.

13. Er bestaan mannelijke, vrouwelijke, seksloze en getransgenderde talen en accenten. Ik heb voor mijn categoriseringswoede in die termen geen enkel excuus. Ik beheers één seksloze, één mannelijke en één vrouwelijke taal, en dat is alleszins al niet slecht.

14. Tweezaamheid is erger dan eenzaamheid.

15. Veel mannen zijn veel vrouwonvriendelijker dan dat ze van zichzelf denken. Daar vallen voornamelijk mannen onder die seksueel terminaal oncreatief zijn: de lamlendige routinedieren, de zachtsoppige, zelfomschreven romantici en tenslotte ook mannen voor wie seks alleen maar een verlengstuk kan zijn van porno. Een minderheid van vrouwen is eveneens vrouwonvriendelijk en beseft dit nog minder.

16. Ik vind mensen die spelfouten maken minder ergerlijk dan mensen die zich alleen maar kunnen uitdrukken in voorgebakken redeneringen.

17. Er is iets griezelig en deprimerend aan het universum waarin ‘F.C. De Kampioenen’ zich afspeelt. Geen enkel personage in die reeks had ambities die verder reikten dan de dorpskern, hun dialogen waren eendimensionaal en tot op het leesteken voorspelbaar, en ze waren gedoemd tot een zichzelf herhalend bestaan zonder de minste zelfreflectie. Mijn heimelijke angst is dat er zulke dorpen en gemeentes bestaan en dat ze bevolkt worden door dat soort Vlamingen, voor wie beperktheid een zege en een ideaal is. Dat de reeks sinds het vertrek van Jacques Vermeire ook alarmerend ongrappig was geworden, zal er ook wel toe bijgedragen hebben.

18. De meest aantrekkelijke vrouwen zijn vrouwen die net zelfzeker genoeg zijn.

19. In mijn dromen bestaan Brussel en Gent in alternatieve werkelijkheden, met andere stratenplannen, cafés en wijken, en toch ken ik er mijn weg net zo goed. Ik weet niet of ik mijn brein lui moet vinden dat het steeds diezelfde paden en huizen genereert, of dat ik het net een bewonderenswaardige truc moet vinden dat al die plaatsen ingevuld zijn. Over mijn vrienden droom ik zeer weinig – des te meer droom ik over kennissen of verhoudingen uit het verleden en de toekomst.

20. Mensen die echt grappig zijn, vallen uiteen in twee categorieën: mensen met een overdaad aan gevoelens die zichzelf in bescherming willen nemen met preventief cynisme, en mensen zonder gevoelens.

21. Toen ik vier jaar oud was, besloot ik om te testen hoe lang het mogelijk was om iets te onthouden, en besloot ik dat het tevens de eerstvolgende zin zou zijn die ik zou horen. Ik zat toen te kijken naar een aflevering van ‘Seabert’. De zin luidde: “Het was Panda.”

22. Kale mannen zijn fundamenteel onbetrouwbaar.

23. De mooiste dingen die ik ooit zag, ben ik waarschijnlijk al vergeten. De beste herinneringen zijn altijd momenten van een ongehoorde, gewenste normaliteit: alsof er net dan zoiets uitzonderlijks gebeurt, dat het een eigen leven begint te leiden.

24. Bepaalde lettertypes zijn sexy.

25. Het ultieme bewijs dat ik dezelfde genen draag als mijn moeder: toen we nog niet lang verhuisd waren naar ons tweede huis, probeerde ze een grote potplant op een paal bij de tuinmuur water te geven. Ze had niet gezien dat de plant van metaal was, waarop het ding prompt weg begon te roesten. Als klap op de vuurpijl: mijn moeder baatte een bloemenwinkel uit.

zondag 26 februari 2012

De kleinst mogelijke eenheid

.
Eerste bedrijf


Zoals de Spaceape mc't met zijn dreigende basstem, vol van ingehouden intellectuele woede: "As day becomes night, so much of our space evaporates from sight". Er is al heel wat gezegd over die overgang die elke dag plaatsvindt, als de aarde meridiaan per merediaan in of uit het zonlicht schuift. Het is niet zozeer dat de zaken verdampen, denk ik, als ik dwars door de stad wandel met Roman, maar dat de vage trekken van kunstlicht ervoor zorgen dat hun ware aard naar boven lijkt te komen. Oneffenheden verdwijnen of krijgen lange, artistieke schaduwen. Gedachten keren zich binnenstebuiten. Het is na middernacht en we zijn fors aan het doorstappen, maar het voelt niet alsof deze dag echt ten einde is (wat eindigt er ook ooit echt?). Roman ontwijkt een dronken man die naar ons roept in een mix van Engels en Arabisch. Ik ruik in de ene straat de volslagen afwezigheid van mensen, in de andere straat een geur van gefrituurd voedsel.

Op school leerden we ooit dat verhalen lopen volgens een patroon: aanvang, breuk, dynamiek, evenwicht en slot. Ik ervoer die reductie als een belediging en verknoeide opzettelijk de creatieve schrijfopdracht die ermee verbonden was. "Pak aan, katholiek onderwijssysteem!" zal ik vol trots gedacht hebben. Vandaag is het dan weer ok om af en toe eens een geijkt pad te volgen. Een ware rebel is een ware karikatuur. Roman en ik nemen afscheid. Hij gaat huiswaarts terwijl in zijn hoofd de stemmen nagisten van Del Naja en Fraser. "Flickering I roam, till daylight sends me home". Ik, van mijn kant, ga nog Georgy gelukwensen met zijn verjaardag. Kleine mensenclusters en oude bekenden zitten op het eind van het café opeengehoopt en halen hun beste bullshitkunsten boven. Het is één van mijn lievelingstaalspelen omdat het geen enkele persoonlijke betrokkenheid vergt. Van daaruit kan je nadien nog overstappen op ernstiger thema's. Niet deze nacht. De mensen zijn moe. Ik ben aan het extrapoleren.

Aldous Huxley dacht door zijn ervaringen met mescaline dat het brein een complex netwerk is aan sluizen. Bij baby's moet dit systeem zich nog ontwikkelen - vandaar dat ze beschikken over superkrachten als supergehoor, supersnel leren en het vermogen om lichaamstaal veel effectiever te lezen dan volwassenen. Hoe ouder we worden, hoe meer we onszelf afsluiten en opsluiten. Onze geestelijke gezondheid wordt erdoor bewaard. Huxley geloofde verder ook dat er bij religieuzen, zotten en artiesten iets scheelde aan die sluizen. Zo kernachtig had ik het nog nooit gelezen, maar het voelde aan als waarheid. In filosofie kan het net zo gaan: je leest iets dat je vanzelfsprekend vindt en hoewel het de eerste keer is dat je het ziet staan, lijkt het iets dat je zelf al lang wist. De mens is een brok steen waar een standbeeld in zit. Sommigen noemden dat uithouwen een vorm van autochirurgie, anderen duwden de mensklompen het onderwijs binnen om in serie gebouwd te worden. Huxley was er pessimistisch over - ik niet zo.

Tweede bedrijf

Er zit iets van subvocale poëzie in het geluid van een bos sleutels. De anticipatie, de geruststelling. Grote geluiden zijn alleen maar geweldig vanop afstand. Een trein rijdt voorbij, helemaal in de verte, veel te ver om te kunnen horen. Ook daar zitten mensen in, denkt een banaal deel van mezelf. Als ik nu over de reling val, ben ik mogelijk dood door shock nog voor ik de grond bereik. De ergste dood is de dood waar je maar een paar seconden voor krijgt om hem te beseffen. Ik blijf liever nog even leven.

Inspiratie is zo tastbaar dat ik maar m'n ogen en oren hoef open te houden om haar in me op te nemen. Het lijkt vanzelf te komen, maar het is het resultaat van een jarenlange conditionering. Aandacht voor de kleinst mogelijke eenheden van signalen, een intuïtie voor het grotere geheel. En toch gaat nog zo veel verloren. Het ligt niet aan de woorden die we links laten liggen of de onafgewerkte gedachten die we nooit meer kunnen terughalen, maar opnieuw aan indruk die boven indruk gestapeld wordt en tot één moeilijk te ontrafelen netwerk wordt aan gevoel, instinct en valse herinnering. Dat klinkt tragisch, maar is het niet. We kunnen niet anders, dus kunnen we er maar evengoed proberen het beste van te maken.

Tot vandaag wist ik niet dat er in Gent gebouwen waren die zo hoog reikten. Ik zie de hele westkant van de stad. Een sigaret brandt op tussen mijn vingers, tuimelt, rolt, verspreidt zijn lokroep. "All sparks will burn out," declameert Tom Smith in m'n binnenoor. Een goed nummer met waarheden die plat en cliché klinken als je ze loshaakt uit hun geluidscontext. Context is alles. Ik kijk in noordelijke richting, dan in zuidelijke richting. Er is weinig wind en de zon wordt tegengehouden door één grijze wolk. Niemand heeft dit ooit geschilderd. Wat als we één moment oneindig konden bestuderen en laag na laag blijven toevoegen tot dat ene kleine moment alle andere momenten in zich draagt? Het zou volstrekt ondraaglijk zijn. Kunst die te veel kunst is, is onmenselijk. Ook de volmaakt ethische mens is per definitie een onmens.

Ik draai me om maar laat het laatste eindje van de sigaret niet meedraaien. Roker met zijn instrument. De miniscepter van een koninkrijk van ongezondheid. Binnen is er nog koffie, en koffie is goed. Ik weet niet waarom caffeïne uit koffie een onmiddellijke impact heeft, en niet als het in andere dranken gesmokkeld zit. De zon schijnt in m'n rug. Het is geen dag om zwart te dragen, maar esthetiek heeft lak aan praktische bezwaren. Deze hele wereld lijkt er lak aan te hebben, maar het is nog te vroeg om me te wagen aan ideeën die de hele wereld willen omarmen. De kleine eenheden. Ik doof en plet de sigaret in een daarvoor bestemd bloempotje, en vind de enig overgebleven plek waar ik dat kan doen. Het triviaalste van alle successen.

Derde bedrijf

Teodor heeft een magnifieke woonkamer. Er staat een portret in van hemzelf als een soort dandy-Satan, met snor. Teodor is één van die mensen die erg goed is in kleine groepen, zoals vandaag. Het valt me op dat hij zijn mensen behandelt als kostbare wijn, met een mix van uiterste zorgvuldigheid en cynisme dat los uit de pols komt. Hoe kan je nu niet houden van hem? We zitten met vier mensen verspreid over zetels. Drie van ons werken in marketing en geven volop kritiek op de tv-reclame, maar er is geen race om de cleverste commentaar te geven. De kamer beweegt op een seesaw-ritme van conversatie naar conversatie, van observatie naar pointe. Teodor toont een filmpje op z'n smartphone van een beroemdheid die volledig opgefokt op drugs en eigenwaan een surreeël potje maakt van haar passage bij flegmaticus Jonathan Ross.

Opnieuw sijpelt Tom Smith mijn oor binnen, deze keer van de andere kant: "People are fragile things, you should know by now." Toen ik dat nummer voor het eerst hoorde, verstond ik de tekst verkeerd. Ik dacht dat hij zong: "People will laugh at you, you should know by now." Zeggen mondegreens iets over wie we zijn? Wij zijn niet echt, maar worden voortdurend, groeien en krimpen. Elke analyse is een opgeschort oordeel. Het gezelschap palavert over telefoons en junkfood en iedereen zit z'n eigen vergif te drinken. Ook hier bevind ik me weer op een balkon. Aan de overkant van de straat is het altijd dezelfde grote, groene poort die mijn aandacht trekt. Ik heb er nog nooit bij stilgestaan wat erachter ligt. Sommige dingen neem je gewoon aan zoals ze in de wereld geplaatst zijn.

Na middernacht, opnieuw een dag die eindigt na wanneer hij hoort de eindigen volgens de bevoegde overheden, koers ik terug door de straten. Het is te lang geleden dat ik gefietst heb, en het doet deugd. Anders gaat alles te voet, of met de auto. Bergaf is er tegenwind, bergop is er rugwind, en zo is deze kleine wereld, de kleinst mogelijk eenheid daarvan, even een rechtvaardige plaats.

donderdag 16 februari 2012

Parallelle levens

Het is een milde, natte februari-avond als ik naar buiten stap zonder sjaal. Meteorologisch gezien is het een doodgewone, zelfs saaie, miezerige dag. De avond doet geen recht aan de omwentelingen om ons heen, maar zo gaat dat nu eenmaal - de banaalste contexten kunnen de belangrijkste feiten in zich dragen. Hannah Arendt mag dan gesproken hebben over 'die Banalität des Bösen', ik hou persoonlijk meer van de fractaalachtige structuur die modernisten uit het banale wisten te puren. Tegen het aanstromende verkeer moet je met zulke lulkoek natuurlijk niet komen aanzetten, ook al is lullen mijn broodwinning. Aan de poorten van de appartementsgebouwen staan vuilzakken buiten als dikke vrouwtjes met een gele regenjas, ongracieus natgeregend. Ik snuif de lucht op. Dat doe ik vaak, alsof ik er mee zou kunnen aanvoelen wat voor sfeer de omgeving regeert.

In de hall van mijn appartement, waar ik me nu met elke volgende stap verder van verwijder, ligt een stapel bruine enveloppen te wachten op postzegels. Ik ben realistisch over mijn kansen bij uitgevers, omdat ik intussen weet dat ik kan schrijven, maar daar niet alleen van afhangt of je een uitgever vindt of niet, en ook omdat ik weet dat de kans klein is dat ik het stratosferische niveau zal halen van mijn eigen literaire helden. De ambitie is altijd groter geweest dan het resultaat. Net dat heeft me ook wel in staat gesteld uit te stijgen boven mijzelf. Uit een venster weerklinkt ruzie. Op straat staat een groepje West-Vlamingen rond een auto luid te praten over bier. De hemel zelf ziet er zompig uit. Zoals steeds word ik achtervolgd door muziek. Een grote auto rolt door de straat. Hij is wel tien meter lang, volledig groen geschilderd en op het dak staat een zwembad waar een harige travestiet in bikini in zit.

Overal lijk ik mensen te herkennen maar dat komt omdat het donker is, de verlichting schaars en ik elke dag ouder word. Een meisje met een strenge tred en een Frans uitziend kapsel doet me denken aan iemand die ik bijna alle dagen tegenkom in de metro en altijd kauwgom eet. Misschien om te proberen stoppen met roken. Misschien als bezigheidstherapie. Misschien is het qat. De slotsom van de vergelijking is dat niemand er een moer om geeft, en dat is ok. Aanvaarding is een deugd. Niet dat we niet meer aan onszelf mogen werken, maar wild in het rond blijven zwaaien met sloophamers is nooit een oplossing geweest. Aan een smeedijzeren hekken waar ik langs stap zit een leeuw die me indolent aankijkt, en ik krijg er zin van in een goeie lap biefstuk.

Ik ben onderweg naar een café (waar zou ik 's avonds anders nog te voet naartoe gaan als het geen sociale gelegenheid was) waarvan ik weet dat de baas soms last heeft van buien van razernij en al een keer zonder aanleiding met stoelen was beginnen gooien. Cafébazen zijn een soort apart. Een draad muziek kruipt terug naar omhoog langs mijn been - een droef-dreigende baslijn die elk moment kan muteren tot een gesmoorde, onverstaanbare stem die zich verliest in ruisende percussie. Woorden doen de werkelijkheid weer eens geweld aan. Op de hoek van de straat kruisen zes studenten mijn pad en ze vragen me om vuur. Van mijn kant verbaas ik me er om dat ik dat nog steeds bij me heb, hoewel ik probeer te stoppen met roken. Proberen stoppen met roken, bestaat dat wel? Je rookt of je rookt niet. Voorlopig niet, dan. Eén van de studenten steekt een enorme pijp aan en begint de brabançonne te zingen.

Is niet elke werkelijkheid inbeelding? Als we beseffen hoe vaak onze geheugens liegen tegen ons en het brein het lichaam naar zijn hand probeert te zetten, waar staan we dan met onze pogingen tot controle? De dingen gebeuren. Mijn favoriete artiesten hebben nieuwe muziek uit, ik heb een bundel af vol poëzie van twijfelachtig allooi, uitgevers zitten niet te wachten op mijn werk en rondom me lijkt iedereen zich voortdurend schrap te zetten tegen economisch noodweer. Het werk gaat hard, de slaap gaat harder. Om het hele leven te omvatten, zou ik nood hebben aan een constante buitenlichamelijke ervaring, maar wat heb je daar aan zonder de kans iets mee te delen over die ervaring? De ware observanten zijn gedoemd tot steen. De rest praat. Ik stap over de drempel en zwaai de deur van het café open. Er zit binnen een aap met een enorme bril op de luster, en een groep Italiaanse carabieneri viert de opening van een gat in de grond waarin mensen al hun slechte herinneringen, schuld en schaamte kunnen weggooien. Ik denk dat ik er een extra voorhoofdsrimpel bijgekregen heb.

maandag 23 januari 2012

Ik, Westerse blanke man

Vandaag stond ik erg vroeg in de ochtend op om naar het werk te gaan - eerst met de bus, dan met de trein, dan de metro, en het laatste eindje te voet. Omdat het nog zo vroeg is, is het in termen van uitgaan tegelijk erg laat en daardoor kruis ik soms het pad van diehard-uitgaansvolk dat naar huis gaat of strompelt. Deze morgen trof ik weer zo'n paar exemplaren aan. Ze floten niet naar me of, godbetert, de kans dat ze me zouden betasten of smerige dingen naar het hoofd slingeren was zo goed als onbestaande (ik ben welgeteld ooit één keer in het passeren "homo" genoemd door een dwerg met een fetaal alcoholsyndroomgezicht in mijn uitgebreide carrière in het passeren van dronkelappen). Ondanks de enorme toestroom van volk aan de treindeuren kon ik moeiteloos als één van de eersten naar binnen omdat ik groter ben dan gemiddeld, jonger en behendiger. De conducteur kwam langs om m'n abonnement te zien. Als ik het niet had bijgehad, zou hij niet onmiddellijk gedacht hebben dat ik een fraudeur of marginaal was omdat ik een das draag en niet bruin ben. Niemand in het bijzonder staarde me aan of probeerde een conversatie met mij aan te knopen puur omdat ik een man was.

De trein stond een kwartier lang stil. De NMBS als grote gelijkmaker, dacht ik even, maar infeite was niks minder waar, want opnieuw drong het besef tot mij door dat ik een gelukzak was, toen ik informatie nodig had in het station. Iedereen was correct en professioneel tegen me, en als ze dat niet waren geweest, zou ik zeker niet gedacht hebben dat ze dat waren omdat ik een blanke man ben. Misschien omdat mijn Frans niet zo goed is (vive Bruxelles), maar ik had me zeker nooit beroepen op een Vlaams calimerocomplex.

Toen ik uit het metrostation tevoorschijn kwam, was de zon al aan het opkomen over een zeer drukke Tervurenlaan. De geur van regen gistte nog na over het trottoir en het oranjeroze van de ochtend joeg een pak grijze wolken voor zich uit. Ik passeerde enkele voorbijgangers, onder andere een jong meisje in een strakke jeans. Haar houding verstarde één seconde en ontspande weer toen ik voorbij was. Mogelijk dacht ze: "Je weet nooit wie daar zo snel achter je aan komt gestapt, het kan altijd een of andere foute vent zijn met rare bedoelingen" en het was iets waar ik me bijna nooit zorgen over hoef te maken, dacht ik dan weer. Dubbel privilege in de categorie "structuren van macht", Luc, voor €5000. Het meisje ontspande mogelijk ook omdat ik niet behoorde tot een groep mensen die door de media en perfide politici gebrandmerkt worden als potentiële criminelen.

Op het werk zat ik wat te suffen in een vergadering omdat ik me nog moe voelde, en tekende ik in mijn notablok een zeppelin. Mijn verstrooidheid werd me niet echt kwalijk genomen, en geen mens die eraan dacht mij etiketten als "leeghoofd" of "dom blondje" op te plakken. Toen ik even later over iets m'n mening gaf, was er niemand die m'n mening afdeed als "onnozele mannenpraat" of zat te denken dat ik mijn job te danken had aan hoe ik eruit zag. Nog wat later gaf ik ongezouten kritiek, en opnieuw niemand die me een "bitch" noemde.

Tijdens de lunch maakte iemand een grap die een paar homofobe connotaties had, maar dat raakte me niet omdat ik hetero was. Misschien had ik iets moeten zeggen, maar het leek zoeken naar spijkers op laag water en ik was er vrij zeker van dat geen één van mijn collega's actief homo's haatte. Ik vroeg me daarbij ook af of homohaters zichzelf zien als homohaters. Een kwart van de Belgen (Vlamingen én Walen) gaf ooit in een enquête toe tamelijk tot zeer racistisch te zijn. Daarover gesproken werd ik op de terugweg naar huis in de metro eveneens niet nageroepen of aangesproken door groepjes hangjongeren.

Op de trein naar huis viel ik in slaap en droomde ik niets in het bijzonder op een avond die al bij al ook niet erg bijzonder te noemen viel: koude bries, regenwolken, januari en het soort momenten waar je al professionele bezadigdaard voor moest zijn om er iets interessants uit te puren. Er was niemand die verder deuren voor me openhield uit goedbedoelde patriarchale opvattingen. Niemand die me zou veroordelen voor het aantal sekspartners dat ik al in mijn leven gehad heb, niemand die ervan uitging dat ik kwade plannen had, niemand die me als een idioot behandelde omdat ik een bepaalde leeftijd had, kortom niemand die me een strobreed in de weg legde. Aan het laatste verkeerslicht voor ik thuis kwam, stond ik naast drie andere mannen. Ze hadden het met stellige zekerheid over het feit dat het "feminisme toch wel te ver was gegaan". Het deed me alweer denken aan de reden waarom ik meestal vermijd om te praten over sociale en politieke kwesties.