Over 'Onklare taal'

'Onklare taal' is de verzamelnaam van diverse tekstprojecten van mijn hand. Dit is de afdeling columns en microstories daarvan. In 2017 bracht ik 'In de vorm van een vogel' uit, een bundeling van de beste 99 teksten van dit genre tot op dat punt, netjes geredigeerd en per seizoen geordend. Je kan die antologie gratis downloaden als je Patron wordt. De weg een beetje kwijt? Mijn eigenlijke website, die ook 'Onklare taal' heet, verwelkomt je.
Posts tonen met het label Gent. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Gent. Alle posts tonen

dinsdag 31 maart 2026

Hagalaz

Het is de tweede beurs op een maand tijd waar ik moet staan en praten met vreemden, en het is een grotere beurs, in een grotere hal, met meer mensen en meer standen en dus ook meer druk op m’n systeem. Ik ben hier vandaag met een HR-collega en de CTO. Ik moet bewust het geheel aan lawaai van alle stemmen, bewegingen, voetstappen en eventuele geluidseffecten van de standen buitensluiten om niet platgedrukt te worden. In tegenstelling tot de vorige beurs ontmoet ik hier geen prospectieve klanten, maar werknemers, en wel studenten die op het punt staan af te studeren. Het is enigszins bekend terrein. Als 21-jarige ben ik zelf naar zo’n “afstudeerbeurs” geweest, waar ik toen de indruk kreeg dat geen enkele werkgever zat te wachten op iemand met een diploma Taal- en Letterkunde, behalve bedrijven die me ontiegelijk saai leken, zoals banken en overheidsinstellingen. Voor mijn 21-jarige zelf werk ik nu wellicht ook voor zo’n bedrijf, maar in mijn carrière heb ik geleerd dat wat een bedrijf of organisatie precies aanbiedt of verkoopt er eigenlijk niet zo veel toe doet, zolang je een minimum aan geloof kan hebben in de kwaliteit ervan, de collega’s aangenaam zijn en je geen existentiële crises krijgt van het management. 

Vijf jaar geleden was ik hier ook, onder de vlag van Malendroit National, waar het grootste lokmiddel van onze stand gigantische lolly’s waren die we weggaven. Nadien vernam ik via via dat de grote baas van Corporate Marketing dat “vulgair” had gevonden. Dat zei meer over haar dan over mij. Maar vijf jaar geleden voelde ik dat de afstand tussen studenten en mij nog niet zo groot was als nu, wat ironisch is, aangezien veel vroege twintigers van nu zich kleden als volwassenen uit de jaren ’80 of middelbare scholieren uit de jaren ’90. De snor zonder baard is al jaren volledig terug acceptabel, alsof we Dutroux vergeten zijn. Zou die naam überhaupt nog iets betekenen voor jonge mensen die in 2005 geboren zijn? Misschien. Ik wist als tiener ook wie Freddy Horion was, hoewel hij zijn gruwelijke roofmoord had gepleegd in 1979.

Tussen 2014 en 2024 heb ik trouwens een aantal keren meegedaan aan een evenement van mijn alma mater zelf, waar laatstejaarsstudenten Taal- en Letterkunde aan tafels konden komen luisteren naar wat hun voorgangers nu zoal allemaal uitvraten in het werkende leven. Die trends die ik zie waren er enkele jaren geleden ook al, maar zijn nu heviger, en ik ben ouder, met minder voeling en ook minder zin om met dat jong geweld te praten. Maar ik moet. Ik gooi me door m’n eigen barrière en spreek mensen aan die aan onze stand passeren en even blijven staan of proberen om onze roll-upbanner te lezen om uit te vissen wat we precies doen. Op tafel speelt een video van vier werknemers die vertellen wat het zo fijn maakt om bij Onelock te werken, met brainrot-content erboven geplakt. Dat was een idee van mijn collega Selim, die ervan overtuigd was dat brainrot jongeren ging lokken of ging laten blijven staan. Maar de anekdotische observatie hier leert me dat het vooral de oudere bezoekers zijn die er naar staan te kijken. Misschien registreren de jongeren brainrot gewoon niet meer echt.

Op het dak van de expositiehal hagelt het.

Ik ga even de benen strekken van het lange en pijnlijke staan en verdwijn achter een zwart doek dat de grote hal in twee deelt, om de ruimte kleiner en gevulder te doen lijken dan ze is. Achter dat doek is er niets te zien buiten een lege helft van dit enorme gebouw. Waarschijnlijk hoor ik hier niet te zijn, maar niemand houdt me tegen. Ik zou hier doodgemoedereerd een sigaret kunnen roken of ergens tegen een muur pissen. Ik moet denken aan één van mijn weinige avonturen in urban exploration, toen ik met mijn broer Matthias in een voor de afbraak voorzien gebouw was terechtgekomen in het Citadelpark. Ook dat leek vroeger een expositiehal geweest te zijn. Het dak was er al uit en overal lagen brokstukken op de vloer. We namen enkele foto’s en draalden want rond als dwergen in een postapocalyptische schoendoos van beton. Er was niet zo veel interessants aan buiten de liminale sfeer die er hing.

Ongemerkt sluip ik terug de eigenlijke beurs binnen. Ik vraag me af hoe de studenten die hier rondwandelen tegenover hun eigen toekomst staan. De negende letter van het oude futhark-runenalfabet, hagalaz, betekende letterlijk “hagel” maar is symbolisch gaan staan voor een plotse, onafwendbare verandering, vaak rampspoed of verwoesting. Het dak hier beschermt ons tegen de letterlijke hagel, maar wie zal deze generatie beschermen tegen de figuurlijke kogels van bevroren regen? Ik moest pas tegen mijn late dertiger jaren ontdekken dat de meritocratische toekomst die me altijd voorafgespiegeld was, een leugen was. De jonge mensen hier hebben mogelijk altijd al geweten dat het een leugen was. Recent bleek uit een peiling dat één derde van de mannen van Gen Z nog conservatiever (lees: meer reactionair, “conservatief” is altijd een eufemisme) is dan zijn eigen grootouders. Misschien kijken ze hier niet op van ons breinrot, maar het is alleszins doorgesijpeld tot in hun hoofden via de almachtige algoritmes.

Terug aan de stand merk ik op dat hier vijf jaar geleden minder studenten waren die Nederlands niet als eerste taal hadden. Ik weet niet of we die een job kunnen bieden. In development en IT, misschien. In sales en marketing wellicht niet. Terwijl de HR-medewerker een plaspauze neemt, worden de CTO en ik geconfronteerd met een sjofele oude man die een trolley achter zich trekt en op elke stand balpennen komt verzamelen “voor de daklozen” (met een gelamineerd plakkaatje in vijf talen). Hij krijgt er eerst één, en na lang aandringen twee. De CTO en ik zeggen er niets over, ook niet als hij al lang buiten gehoorsafstand is. De CTO is geen man van de koetjes en kalfjes, of de roddel. 

Even later raak ik in gesprek met een jonge vrouw die gebrekkig Nederlands spreekt. Ze is lang, met diep-donkerbruine ogen en een jas met een goudkleurige voering. We switchen naar Engels. Ze heeft ervaring in de financiële sector en staat op het punt om haar tweede diploma te behalen. Oorspronkelijk komt ze uit Turkije. Ik geef haar het lokmiddel van onze stand – een logica-puzzel die studenten kunnen oplossen om onze kluis te kraken en een prijs te winnen. Tot hier toe zijn er nog maar twee prijzen gewonnen. De eerste door een groep studenten die met veel branie dacht freebies te komen scoren maar nadat ze herhaaldelijk het foute antwoord hadden, steeds serieuzer werden in hun ambitie om de kluis te kraken; de tweede door een innemend jong koppel. Mijn intuïtie zegt me dat deze Turkse vrouw de derde zal worden, maar dat zeg ik natuurlijk niet. Intussen is de pijn van het constante rechtstaan echt te veel geworden en begint de beurs op zijn laatste benen te lopen (die wellicht ook pijnlijk zijn, maar dat is vast projectie). Bovendien mag ik mijn afspraak niet missen bij de kinesiste, dus ik neem afscheid van de HR-collega en de CTO.

Onderweg naar de kinesiste hagelt het nog een beetje. De volgende dag, op kantoor, merken collega’s die altijd ergens in een tabblad onze LinkedIn-pagina volgen, dat we enkele vermeldingen hebben van studenten die op bezoek kwamen op onze stand. Eén post is van de Turkse vrouw die ik ontmoette – ze is inderdaad de derde en laatste persoon geworden die onze prijs wist te winnen door de code van de kluis uit te vissen. Ondanks alles blijkt mijn intuïtie, of zin voor connectie, toch niet helemaal dood.
 

woensdag 19 november 2025

Sådan var våren om hösten

De aardas kantelt en de duisternis neemt elke dag toe, samen met de kou en de regen. De bladersterfte is haar hoofdfase ingegaan en weer zijn nutteloze bladblazers op pad om met irritant veel lawaai weg te blazen wat er bij de volgende sterke windbui toch weer zal liggen. Ik benijd de Sisyfussen niet die dit als job hebben, maar vechten we eigenlijk niet allemaal tegen entropie? Bij hen is het gewoon naakt, onverbloemd, terwijl ik werk aan een oeuvre dat zoals al de rest eveneens gedoemd is om ooit vergeten te worden. Maar dat raakt me niet echt. Een ander gevecht tegen entropie lever ik op de fiets, waar ik voor het eerst sinds twee maanden terug op mag rijden. Ondanks het regengordijn van de milde PTSD dat me vergezelt, voelt deze stap vooruit bevrijdend. Ik ben weliswaar nog geketend door vele kettingen, maar de fietsketting is er niet langer één van.

Ik rij terug van bij de fysiotherapeut, mijn bondgenoot tegen de entropie. Tevens ben ik ook in psychotherapie. In mijn verbeelding sta ik opgetild in een garage op een autolift en zijn dat de mecaniciens die aan me sleutelen, m'n olie helpen verversen, de deuken uit mijn carrosserie hameren en de software-updates downloaden. Af en toe mag ik uit de garage om een ritje te rijden, en die ritjes gaan steeds beter. Volgende week mag ik ook terug naar kantoor op diezelfde fiets. Ik ben weinig sentimenteel als het op collega's aankomt, maar het gaat toch deugd doen om hun gezichten terug te zien, terug samen te kunnen lunchen of samen rookpauzes te nemen met de jonge garde aan vapers en zelfrollers (ik ruïneer mijn longen nog op klassieke wijze, met peperdure pakjes die ik koop in de krantenwinkel of bij louche tankstations).

M'n jas en broek worden kou en nat van de regen, onder een hemel die velen zouden aanvoelen als terneerdrukkend, deprimerend, behept met een soort gereïficeerde Belgische malaise. Doorheen een mangeljaar als 2025 is er veel kapotgegaan, maar niet mijn hang naar complexe woorden en gedachten. Die gebruik ik overigens nooit om nodeloos te pronken, maar omdat ze me brandstof geven. Megan, die vorig weekend bij me gelogeerd heeft en die ik op sleeptouw heb genomen door het stadscentrum als de toeristische gids die ooit aan mij verloren is gegaan, toonde me gisteren een artikel waarin staat dat (meer)taligheid mensen jonger houdt. Alweer een tijdelijke nederlaag voor de entropie dus. 

Bij de supermarkt maak ik een tussenstop. In de winkel speelt 'Rehab' van Amy Winehouse, een jaargenote die haar strijd tegen de entropie jammer genoeg 14 jaar geleden al moest opgeven. Ik zou niet graag een jong gestorven held geweest zijn, maar ten andere zou ik dat niet eens weten als ik dood was. Na de dood denk ik niet dat er nog iets wacht op ons. Meer nog, het concept van als geest of ziel God weet waar eeuwig achter te blijven lijkt me een verschrikking. Hoe eeuwig is die eeuwigheid dan? Tot de Aarde geroosterd wordt door een almaar heter wordende zon? Totdat het universum uit elkaar getrokken wordt door donkere energie? Tot alles afkoelt naar het absolute nulpunt en tijd zelf stopt? We spreken hier over tijdschalen van miljarden tot centiljoenen jaren. Waar moet je je al die tijd mee bezighouden? 

Nee, dan liever deze vreemde lente middenin de herfst. Ik beleef die met een zekere zachtheid, met telefoongesprekken allerhande (als een soort inversie van de tomeloze tiran uit Luceberts 'Stand van zaken'), knus onder dekentjes en in het gezelschap van Reginald. Gisteren zat hij in al zijn zaligheid achter mij in de zetel, traag in- en uitademend, soezend tegen een paar kussens, terwijl ik werkte. Katten lijken het interessant te vinden als mensen arbeid leveren, zelfs geruststellend: “Aha, mijn baasje is weer aan het praten tegen een scherm en tikt met zijn poten op een rechthoek – dan is alles in orde.” Niet alles is in orde, natuurlijk. Ik sta nog steeds op de autolift in de garage, maar uit het oude wrak komt langzamerhand de herstelde wagen tevoorschijn. De reële ik rolt inmiddels de garage binnen met piepende remmen. Binnenkort gaat ook deze fiets nog eens binnen voor een onderhoudsbeurt, want ook hij is één van mijn vele bondgenoten tegen de entropie. 

woensdag 22 oktober 2025

Code oranje

Op de bus bedenk ik me niet voor de eerste keer deze ochtend dat op dagen dat ik niet hoef te werken, ik eigenlijk beter niet voor de middag afspreek met mensen, omdat het bioritme dat ik van nature aanneem me eigenlijk sterk in de richting duwt van slapen tot de middag. Je kan dat decadent vinden, maar ik heb even veel productieve uren op een dag als iemand anders, ik zit alleen langer op en hou ervan om te verpozen in het warme deken van de nacht, waar ik niet gestoord word door toeterende auto’s, schreeuwende kinderen, aanbellende pakjesbezorgers of de buurt bijeen blaffende honden. Wat dus nu wel het geval is. De buspassagiers tonen zich in al hun superdiverse marginaliteit. Dat riekt naar classisme en is tegelijk ironisch, want ik zit hier zelf ook, in mijn joggingbroek waarin de contouren van mijn beenbrace duidelijk zichtbaar zijn. Ik zit ergens halverwege mijn revalidatie na een operatie, en het is lastig om te dragen. Misschien daarom dat ik me zo veel sneller erger aan de ander, want ik zou dat ook wel willen, complexloos en schaamteloos zijn in mijn volslagen gebrek aan stijl, goede manieren of weigering om nog te doen alsof ik deze maatschappij iets wil betekenen. Maar het is niet anders.

Onderweg merk ik dat de opmars van de Engelse ziekte onverdroten verdergaat: “vis winkel”, “sfeer café”, “sleutel maker”. Ook veel kleine brolzaakjes die erin slagen kennelijk drie namen tegelijk te dragen, of in hun opschriften twee verschillende lettertypes combineren. Ik passeer de rijschool in de Brugse Poort die “NU SLAGEN” afficheert, wat voor iemand van Antwerpen of Brabant wellicht onbedoeld komisch overkomt. Maar weet je, liever dit soort semi-gereglementeerde kleine ondernemingen dan protserige petit bourgeois-huizen in fake fermettestijl met affiches in de voortuin waar zo’n snerende rechtse N-VA-smoel op staat. Want daar heb je er in de buurt waar ik woon al meer dan genoeg van. En de mentaliteit waar die vaak mee samengaat associeer ik met de ijskoude luchtstromen van de communicaties die ik de laatste weken weer mag ondervinden van verzekeringen, huisbazen en nutsmaatschappijen. Altijd weer die kille, haast robotische toon, afstandelijk vousvoyerend, verordenend, beschuldigend, eisend, afketsend. Nergens een vriendelijk woord. Gisteren schreef een verzekeraar zelfs m’n achternaam achteloos verkeerd. En er is niet eens kwade wil mee gemoeid: die mensen denken vast dat dat zo hoort. Wel, ik nodig hen uit eens door het proces te gaan van wat ik intussen zelf al 8 maanden moet doormaken, en ik zou dan willen zien hoe het gesteld is met hun goede luim.

Er zijn ook lichtpunten. Initieel zag ik enorm op tegen de kinesitherapie waar ik weer doorheen moest, maar de fysio is een aangename jonge vrouw met een wat ongepast gevoel voor humor waar ik goed op ga en is nog niet samengedrukt tot een bal bruine plasticine zoals zo veel andere mensen op deze wereld. De dame die ik even geleden aan de lijn had om m’n internet te fiksen toonde zich ook erg medelevend en menselijk – zoiets moet niet, het is niet verplicht, maar het maakt het aan mijn kant van de lijn allemaal zo veel draaglijker.

Ik word uit de bus gekieperd aan de Korenmarkt en stap dan naar de Wasbar aldaar, waar mijn brunchafspraak op me wacht. Ik probeer te letten op mijn postuur en wandelritme, beiden intussen misvormd door opeenvolgende revalidaties. Recht de rug en de nek. Hiel van de linkervoet eerst, niet de wreef. Het is niet al te druk en veel zaken zijn nog dicht. Weinig toeristen, ook. Ik sta er soms niet voldoende bij stil dat ik in een stad woon waar werelderfgoed huist omdat het voor mij al decennia gewoon het decor is waarbinnen mijn dagelijkse leven zich afspeelt, maar het is zeker een privilege. Net als, ondanks mijn bitterheid, in een land te mogen wonen waarin mijn gezondheidsproblemen geen enkele reis richting financiële ruïnering zijn. Als het lag aan de instanties die me nu zo belagen en bejegenen met de menselijkheid van een fascistische stationschef, zou dat wellicht anders zijn. Ik wil er niet aan denken. 

Ik vind de Wasbar, intussen al jaren een keten met vestigingen overal in Vlaanderen, maar initieel een Gents hipsterconcept waarvan het idee eigenlijk goed gevonden is, maar het was-gedeelte mettertijd verdwenen lijkt. Om een stom punt te maken had ik misschien wat vuil ondergoed moeten meebrengen. Ik zie opvallend veel mensen met oranje gekleurd haar op straat. Pas onlangs realiseerde ik me dat mensen die we roodharig noemen, eigenlijk oranje haar hebben, maar dat de term voor roodharigen ouder is dan de term voor de kleur oranje in onze taal. Ik heb zelf ook wat oranje in m’n baard, al beginnen de eerste grijze haren zich daar eveneens te tonen. En ik ga er vast nog een paar bij krijgen als ik nog vaak vroeg uit de veren moet op een dag dat ik niet hoef te werken, maar voor goede vrienden heb ik het er voor over. Als ik binnenstap, word ik op een brede, verwelkomende glimlach getrakteerd, en daar doet een mens het voor. Wel, en een grote kop koffie. 

dinsdag 29 juli 2025

De vijfde dag

Op de vijfde dag van de Schepping zou God de wezens hebben geschapen die de hemel en de oceanen bevolken, en op mijn vijfde werkdag op de nieuwe job voel ik me ook een beetje alsof ik daar tussenin hang. Aan de ene kant wordt m’n hoofd door een overdaad aan nieuwe kennis uitgerokken tot in de wolken, aan de andere kant zijn mijn voeten verzwaard door de even grote overdaad aan nieuwe gewoontes en gezichten die naar me lonken vanuit een poel van waanzin. Als dat geen veel te barokke metafoor was, weet ik het ook niet. Je bent opgerezen uit katholieke klei of je bent het niet, ook al is de Kerk in dit land een holle crypte geworden vol oude griezels.

Ik trap al vijf dagen bijna 20 kilometer in totaal tussen thuis en kantoor, door groene fietslanen van de stad waarvan ik voorheen het bestaan niet eens wist. Ze zijn recent aangelegd en grotendeels netjes. Als een cybernetische bypass verbinden ze oude delen van de binnen- en buitenstad. Ik glij langs de idyllisch genoemde Vissersdijk maar moet daarna over een fietsersbrug die bedacht lijkt door iemand wiens breinkronkels enkel in hoeken van 90 graden liepen. Ik mag als een koning zweven over fietsersbruggen van waarop ik het verkeer kan zien op de Watersportbaan (dat in beide richtingen en aan beide kanten voor me moet stoppen!) maar ik moet ook sinistere bochten nemen waar zichtbaarheid een goede grap is en die er tegen het najaar wellicht ronduit naargeestig zullen uitzien.

Dan de werkplek. De fintech heeft me weer eens binnengehaald en ik ben er goed onthaald, ook. Omdat het middenin de zomer is, is het er laagtij, maar de uitbarstingen van zotte energie en het arsenaal aan tools, termen en trivia waarin ik moet bijbenen laat vermoeden dat het er op springtij een corporate rave is van ongeziene proporties. Het zit er ook vol zotten, maar ik ben er zelf ook één, ook al weten ze dat nog niet echt. Er wordt veel gevloekt ook en veel geclasht. Iemand zegt lachend dat hij de “anti-Zelensky” is, wat dat ook mag betekenen. Een ander heeft de foute leeuw van de Vlaamse strijdvlag zitten fotoshoppen in een LBGTQ+-vlag. Iemand aanziet me verkeerdelijk voor iemand van 33. Ik weet al het halve relationele leven van drie collega’s na amper drie gesprekken en zonder er naar te vragen. Toen ik op de tweede dag opmerkte dat het er best “neurospicy” was, kreeg een collega de slappe lach. De baas is een selfmade man, de zoon van een bakker, die elektricien werd. De koelkast opent aan de verkeerde kant. Maak je eigen metafoor maar.

Met elke volgende dag raak ik er een klein beetje meer van overtuigd dat ik deze job zal kunnen. Op vlak van wat ik allemaal kan en weet ben ik niet vals bescheiden, maar de overrompeling hier was reëel, en ik had het eigenlijk al kunnen weten door het intense sollicitatieproces. Het leven heeft niet de neiging te doseren. Rond m’n verjaardag zat ik vast op vliegenpapier na een revalidatie van een ongeval en het rioolputje van een opzegtermijn die ik niet langer uit hoefde te doen, met enkel een vage vlek aan de horizon. Nu ben ik aan hoge snelheid terug gelanceerd in de flipperkast van het werkleven, moet ik over twee maand onder het mes en ga ik over twee weken totaal onverwacht naar het buitenland voor een weekend. We zien dezer dagen terecht een schilder als Hiëronymus Bosch meer als een visionair dan pakweg de Renaissance-schilders met hun “realistische” perspectieven en hun strenge nabootsingen van klassieke lijnen en patronen.

Eén van de grappige dingen daaraan is dat die Renaissance-artiesten en vele generaties kunstenaars na hen met de grootste sérieux standbeelden namaakten in hagelwit, zuiver marmer zonder een spatje verf of kleurstof, terwijl de oude Grieken en Romeinen hen beschilderden in carnavaleske kleuren. Toegegeven, reconstructies van die kleuren zien er ook voor mij uit als wansmakelijk, maar dat die wansmaak doodsbange reactionairen boos maakt, is geweldig. Op die manier heb ik ook altijd al geweten dat gegevens als fietsbanen en fintech aan de buitenkant lijken als doordeweekse, zelfs relatief saaie zaken, maar binnenin vaak een constante explosie van contradictorische glitter zijn. Zoals een recente connectie die ik onverwacht maakte zei met een mengeling van berusting en amusement: “isn’t life… funny?”.  

dinsdag 8 april 2025

Bij de coiffeur

Aangezien de kapper die ik intussen al meer dan 7 jaar bezoek heeft besloten zijn zaak te sluiten (met een nogal verwarrende uitleg op zijn website), moest ik op zoek naar een andere. De meest logische kandidaat was een kapsalon dat op nog geen 100 meter van mijn voordeur ligt en de deuren een jaar of twee geleden geopend had. Omdat op voorhand afspreken er niet mogelijk is, besluit ik er op een donderdagnamiddag naartoe te trekken – dat kan, omdat ik nog steeds thuis zit in een beenbrace en een korset na een aanrijding in februari waarbij ik twee ruggenwervels en mijn dijbeen brak. Als dit pijnlijk klinkt: het is het ook.

Als ik binnenstap, zie ik direct al slecht nieuws, met minstens vier mannen die nog voor mij zijn, maar als bij toverslag staat er direct al één op want het is net zijn beurt. Op één donkerblonde jongen met puisten die eruit ziet als een levend geworden touw na zijn alle andere mensen in de zaak van Turkse origine, ook de coiffeur zelf. In een zetel tegen het venster zit een wat oudere dikke man tegen de andere patrons luid te praten in het Turks. Ze zeggen niet zo veel terug op wat grotendeels een monoloog zal blijken van hem. Er zijn twee kappersstoelen en twee spiegels, maar slechts één coiffeur. Ik heb al direct spijt dat ik geen boek meegebracht heb, want dit zou wel eens lang kunnen gaan duren.

De dikke man richt zich tenslotte tot mij in het Nederlands en vraagt nieuwsgierig of ik “ook iets aan de rug” heb. Ik leg hem uit wat mij overkomen is en hij luistert aandachtig. Hij vertelt dan dat hij zelf bij een arbeidsongeval op het werk slecht viel en ook zijn rug brak. Nu is hij al 6 maanden aan het revalideren, met uitstralingspijnen in afwisselend linker- en rechterbeen (“en mijn linker- en rechterballen!” voegt hij er gretig gesticulerend aan toe – het is duidelijk een zaak met een sfeer van mannen onder elkaar). Hij zegt dat hij zijn dikke buik kwijt wil, waarmee ikzelf ook kan sympathiseren, maar ik geloof niet dat zijn omvangrijke taille enkel het gevolg is van thuis te zitten. Tevens blijkt dat hij hier na zijn knipbeurt gewoon wat is blijven rondlummelen, maar na een koffie en een sigaret verdwijnt hij dan toch op een veel te kleine scooter.

Het gaat een lange namiddag worden, besef ik als de stilte terug is neergedaald in het kapsalon, want de coiffeur is ook een barbier en neemt uitvoerig de tijd voor elke klant. Met nummer twee gaat het al met al nog vooruit, maar tegen dat hij bijna klaar is met klant nummer drie – een sierlijke jongeman met een verfijnd, wat melancholisch ogend gezicht – heb ik er al meer dan twee uur op zitten in dezelfde zetel, in dezelfde positie. De school is uit. Een bestelwagen veroorzaakt bijna een ongeval. Een erg vreemd bewegende man die eruit ziet alsof hij geen controle heeft over zijn armen steekt over met doodsverachting. Ik zie ook een randgehandicapt figuur papiertjes stoppen onder ruitenwissers. Iedereen kent die briefjes wel, altijd van louche overkomende bedrijven die zogezegd je auto voor goed geld willen overkopen. Gaat daar ooit iemand op in? En nu zie ik dus live wie die briefjes komt bestellen. Een toffe job zal het niet zijn, maar laten we hopen dat de man die ik bezig zie er niet voor uitgebuit wordt.

Langzaamaan neemt mijn ergernis toe met het lange wachten, maar als ik nu vertrek, dan heb ik al bijna 3 uur verspild voor niets. En het is niet dat ik vandaag nog ergens verwacht wordt. Maar ik heb altijd al een enorme haat gehad voor wachtruimtes waar geen zekerheid is wanneer de wachttijd opgeheven wordt, of waar men zich simpelweg niet houdt aan de afgesproken agenda. Wachtruimtes zijn machtruimtes waarin op scherp wordt gesteld dat wie wacht, geen macht heeft en enkel hoort te ondergaan: bij tandartsen, in ziekenhuizen, in luchthavens, in treinen die zonder aanwijsbare reden stilstaan, in digitale conversaties die plots stilgevallen zijn en misschien nooit meer heropgestart zullen worden. Niets helpt. Ik eet nog een muntsnoepje. Er komt een koppel binnen van eind de veertig met drie energiedrankjes tussen hen in, maar laten we zeggen dat het een harde eind de veertig is. De vrouw heeft een nogal mottige geblondeerde uitgroei en de man gaat direct door naar de keuken zonder iets te zeggen, waarna hij terugkeert en de vloer begint te vegen. Hij zegt de hele tijd niets terwijl de vrouw praat met de coiffeur.

Intussen is het eindelijk aan de touwjongen, die rechtstaand bijna tot aan het plafond van de zaak komt. Als de kapper zijn natgemaakte haren naar voren kamt, ziet de jongen er plots uit alsof hij net ontsnapt is uit een instelling. Het zothuis, zei men vroeger smalend. De luie denker in mij denkt dat de wereld nu het zothuis is en dat de zotten er in de directie zitten. Ten langen leste is het dan toch mijn beurt. De kapper heeft goed verstaan hoe ik het wil. Hij is geïntrigeerd dat mijn ouders naar Zeeland verhuisd zijn. Ik vertel hem dat er een complotdenker bestaat in Zeeland die heilig gelooft dat de migratie van steeds meer Vlamingen naar Zeeuws-Vlaanderen een Belgisch complot is om de regio te kunnen annexeren. De coiffeur is enigszins geamuseerd. “Nog los van dat het onzin is, waarom zou België dit zelfs doen?” De kapper stopt even en denkt na: “Ja, waarom eigenlijk. Goeie vraag.”

Nog twee jongens komen binnen en kunnen aan hun wachtbeurt beginnen. Iemand vraagt aan de kapper tot wanneer hij nog open is: “Na halfzeven moet ik echt wel sluiten, want ik zou hier gemakkelijk tot 3 uur ’s nachts kunnen werken als ik wilde.” Aan dit tempo, inderdaad, denk ik er zuur bij. Af en toe zwaait er iemand van op straat naar hem. Het is eigenaardig dat ik hier al 10 jaar woon maar nauwelijks mensen in de buurt ken, tenzij ik die al van veel vroeger kende, en dan nog. En wil ik dat ook echt wel? Wat zou ik tegen mijn buren werkelijk te vertellen hebben? Wat ouwehoeren over Zeeuwse complotdenkers? Uiteindelijk is de kapper klaar, en het resultaat mag er zijn, wat een balsem wrijft over mijn frustratie dat ik hier meer dan 4 uur heb doorgebracht aan een venster waardoor ik niets heb gezien dat er toe leek te doen. Maar ik ben terug heel, buiten de macht van een ongekende kalender – denk ik – en ik mag terug naar huis. 

dinsdag 18 februari 2025

Psychochronotopologie

Je zou een reliëfkaart kunnen maken van alle plaatsen waar je ooit geweest bent, en elke keer dat je er bent, komt er naargelang de intensiteit van de herinnering een laag bij. Met de jaren slijten lagen zoals herinneringen of zoals erosie bergen uiteindelijk afvlakt tot heuvels en tenslotte tot vlaktes. Natuurlijk duurt dat in een mensenleven slechts jaren of hooguit decennia, om nog maar te zwijgen van alles wat je de dag erop al vergeten bent, zoals de kleur van de gevels die je passeerde, een gekke brievenbus of al de auto’s die je voorbijraasden. Ik denk aan die dingen terwijl ik uit het venster van de trein staar, onderweg naar een sollicitatiegesprek. Gent-Kortrijk. In mijn eigen psychochronotopologie is Gent uiteraard de Olympus Mons, een monsterlijk uitdijende schildvulkaan waar elke dag laagjes afslijten maar er net iets meer bij komen. Ik ben er geboren (wat ik me uiteraard niet herinner), ging er naar de middelbare school, de universiteit en ging er tijdens die jaren definitief wonen. De stad heeft mijn beste momenten gekend en mijn allerslechtste. Al weet ik niet of ik, mocht ik me plots voor 10 jaar verbannen weten naar pakweg Berlijn of Praag, ik er even obsessief over zou schrijven zoals James Joyce deed over zijn Dublin toen hij in Parijs woonde. 

We rollen Deinze binnen, op mijn landkaart slechts een flauwe heuvel. Vanuit het station zie je de reclame voor de Weba, die versteend lijkt in 1995. De stationsbuurt is een kleine vluchtheuvel, niet verbonden met maar dichtbij de Brielmeersen, het go-to park waar we steeds naartoe trokken in de lagere school omdat er dieren en een speeltuin waren. Ik herinner me dat er in de bomen kippen zaten, dat er pauwen waren en dat er hoog in de lucht een leeuwerik vloog. Bij een gezinsuitstap likte er ooit een ezel aan de rug van mijn moeder. Zij is dat vergeten. De Brielmeersen zijn omgeven door een gestaag rijzend getij van 30 jaar erosie, en over 30 jaar zal het niet meer dan een mentaal Malediven zijn, gedoemd tot verdwijnen, als ik tegen dan al niet verdrink in de zondvloed van de dementie.

De trein rolt verder en stopt niet in Kruishoutem, een vrij recente maar al inzakkende heuvel op de landkaart, met één vermolmde aanlegsteiger van die keer dat ik er ’s nachts na een feestje per ongeluk was beland toen ik me misreden had en middenin een doods en verlaten centrum bevond met onderling uitwisselbare gesloten cafés, frituren en huizen tussen de 100 en 10 jaar oud maar ’s nachts allemaal even lelijk. De uitademende zandheuvel bevat een fabriekterrein recht uit de jaren ’70. Als de wind slecht zat, kon je de stank ruiken van een nabijgelegen kippenuitbenerij. Die rook naar vogelstront en miserie. Toch een ander beeld dan het gezellige Kruisem dat Marc De Bel ervan had gemaakt (en later ook geworden is als fusiegemeente in de eeuwige cyclus van fictie, waarheid, dood, herrijzenis en vogelkak).

Dan Waregem, dat zichzelf met een mooie slogan “stad in galop” noemt, naar de fameuze Waregem Koerse, een beetje het “but we have Royal Ascot at home” voor wie eigenlijk van niet beter weet. Waregem behoort tot de liminale zone tussen Oost- en West-Vlaanderen maar geen van beide wil de plek echt claimen. Nochtans herinner ik me een propere, opgewekte en drukke provinciestad, en zowel het oude hoofdkwartier van mijn voormalige werkgever Malendroit National, dat letterlijk uitkeek op de paardenracetracks, en het nieuwe hoofdkwartier aan de autostrade. Die nieuwbouw was glas van de buitenkant maar de binnenkant zag er uit als de basis van een James Bond-slechterik. Overal scherpe hoeken, zwart marmer, stilte en geluiddempend vast tapijt. En op de top van een psychologisch bergje, met daaromheen een begraafplaats uit Wereldoorlog I waar ik altijd voorbij moest fietsen, een uitnodigend bibliotheekje en nauwe straten die overspoeld werden door schoolkinderen en ambitieuze patserbakken. Intussen is het al bijna 4 jaar geleden dat ik er nog eens ben geweest, en ik denk dat het nog even zal duren. De perrons van het station zijn ongewijzigd uitgewoond gebleven. De buurt rond het station vertoont tekenen van verandering.

De eindhalte van de trein is Kortrijk. Toen ik aan de hogeschool ooit een gastles moest geven in het Duits, noemde ik de stad per ongeluk “Kortreich”. Kortrijk is nog altijd een solide maar bescheiden berg, hoewel ik deze omgeving nog langer geleden frequenteerde dan Kruisem of Waregem. Elke weekochtend stapte ik hier uit het station naar buiten zoals ik ook nu doe, regen of niet, koud weer of niet. Ik wist van niet beter dan te verdragen dat ik er elke dag in totaal 3 tot 5u over moest doen om me van en naar het werk te verplaatsen, hoewel die 5u zelfs voor mijn 25-jarige zelf al te gortig waren. Gelukkig houden werkgevers daar nu rekening mee – denk ik. Het valt nog te bezien wat de potentiële werkgever daarvan gaat denken in Zwevegem. De stationsbuurt is al jaren geleden opgeknapt. Verderop zijn straten heraangelegd, cafés van naam veranderd. Ook dat is erosie. 

Tegen dat de laatsten van mijn generatie dood zijn, zullen enkel foto’s nog getuigen van het feit dat hier op het plein vroeger een morsige verzameling fietsen stond waar naar hartenlust gepikt en gevandaliseerd werd. En geen mens buiten ik zal weten dat ik mijn fiets hier ooit bijna in twee geplooid vond, alsof aangereden door een vrachtwagen. Een vriendelijke buschauffeur wijst me de weg naar de juiste bushalte. Terwijl ik terug door de ondergrondse passagiersgeul wandel van het station, besef ik dat de herinneringen nog altijd gestaag van me afvloeien, onzichtbaar meegedragen door de entropie, terwijl ik nieuwe herinneringen opsla die nog kwetsbaarder zijn. Aanwijzingen: hier at ik ooit frietjes. Daar bovenop is de herinnering gebouwd van een lekke band, een bijzonder slecht fietspad. Diep daaronder: half-vergeten gesprekken met kennissen en toenmalige collega's. Iets over een snor die onafhankelijk bestond van zijn eigenaar. Een vrolijke ingenieur. Misschien bouwen we psychologisch niet aan bergen maar is alles bric-à-brac, een persoonlijke bidonville. Of mijn eigen Kowloon Walled City.

Het is vroeg op de namiddag maar toch is er veel volk buiten. Er schijnt een kristallijnen winterzon in een blauwe hemel. Ik zie een brug die me heraangelegd lijkt, met een fietspad in twee richtingen. Nieuw zand wordt bijgeschept. Ik rook een sigaret en kijk naar de overkant van de straat. Die oude façades herinner ik me. Net als sommige mini-rondepuntjes onderweg, verkeersborden, windmolens. Dat ik hier ooit ’s avonds laat naar huis reed in mijn eerste wagen, die ik Davy had genoemd. En opnieuw dat ik zo veel heb verdragen maar van mezelf trots vond dat ik al zo veel in twijfel trok. Heeft een mens ooit genoeg getwijfeld? Er lijkt geen balans te bestaan tussen te veel en te weinig, en ook daarover twijfel je. Het is rustig, zelfs warm op de bus. Ik repeteer nog eens wat ik kan voor het sollicitatiegesprek en kijk uit naar de halte waar ik af moet, middenin onbekend terrein, maar toch zo bekend. ’s Belgenlands wegen lijken ergens allemaal op elkaar. Een nauwe landtong loopt nu van het station naar Zwevegem, en omdat ik weet dat ik die te boek ga stellen, weet ik dat die niet zo maar zal onderlopen. Althans toch niet de eerstkomende 15 jaar. Of totdat de hele atlas mee met mij verzinkt in het slik.
 

vrijdag 7 februari 2025

Droge eskimo's

De laatste tijd trek ik weer grote banen door de stad, want een fietser is een zwemmer of hoe zei Paul Snoek dat ook alweer. Ons kantoor is definitief verhuisd van Gent-Sint-Pieters naar een locatie die geprangd zit tussen de Bloemekenswijk en de Muide, niet bepaald de meest verheffende kwartieren van de stad. Het nieuwe kantoor is gelegen op de dakverdieping van de Eskimofabriek, waarover ik een paar keer het grapje maakte dat die naam eigenlijk niet meer kan en dat ze de locatie de Inuitfabriek zouden moeten noemen. Maar goed, het was een voormalige textielfabriek uit 1906, en politieke correctheid of rekening houden met interculturele gevoeligheden was toen nog sciencefiction (en is het pijlsnel opnieuw aan het worden). Het is een hol en koud gebouw en zelfs twee dozijn hippe startups, scale-ups, repairshops en hipsterboetiekbodega’s en -bakkerijen kunnen de ware aard van het monster niet verbergen. Ons kantoor zelf is gelukkig tamelijk warm, maar buiten ondoorzichtige dakvensters ook een afgesloten eiland ergens lost in space. Ik moet er nog wat gewoon aan worden, na bijna 3 jaar de luxe te hebben gehad van voor mezelf een eigen kantoortje te kunnen claimen in het huiselijke maar uitgewoonde oude kantoor, dat ook wel zijn beste tijd gehad had.

Omdat het kantoor ongelukkig ver ligt van mijn frequente Gentse avondafspraken, moet ik dus heel wat aftrappen door de stad. Er zullen dagen zijn dat ik er meer dan 30km op heb zitten, maar met een goede elektrische fiets is dat eigenlijk zo erg niet. Meer nog: de nieuwe of herontdekte straten zijn hun eigen avontuur(tje). De weg van thuis naar kantoor verloopt grotendeels zonder meerazend autoverkeer, langs groene stukjes stad die de splinters zijn van hoe de hele omgeving ooit moet geweest zijn voor massale menselijke bewoning. De Romeinen noemden dit Belgica Secunda, en het was een woest amalgaam aan gure moerassen, laagstammige bossen en natte heiden waar de brullende noordwestenwind soeverein heerste. Letterlijk de rand van de toenmalige beschaving. Het is een wonder dat hier grote metropolen konden ontstaan, en wel door rijkdom via textiel, waardoor een dikke wollen draad loopt tussen de Middeleeuwen en de Eskimofabriek.

Als ik door de goed aangelegde, brede fietslanen koers, ben ik dankbaar dat ik in Gent woon. Het hoongelach over die groene Gentenaars weerklonk onlangs tot ver buiten de landsgrenzen nadat een ambtenaar zou geadviseerd hebben aan mensen om hun kerstbomen op te eten in plaats van te verbranden, maar niemand hier liet het echt aan zijn hart komen. Ik eet liever een sparrentak dan in een stad te wonen waar kinderen kunnen doodgeschoten worden in onbeheersbare drugsoorlogen of een stad waar wanbestuur geïnstitutionaliseerd is. Hier wordt voor de fietser gezorgd. Niet altijd perfect, maar men doet zijn best. Ook in het rommelige café waar één van mijn recente omzwervingen me heen voerden om mijn vriend Gavril nog eens te zien, die er een tijd op had zitten in een kliniek, waar we een onzalig grote portie Indonesische stoofpot voor de kiezen kregen. Laatst droeg ik ook mijn toevallig Indonesische sjaal (een cadeautje van een studente die op bezoek was gekomen). Een collega vond dat ik er plots uitzag als Martin Meiland, die halvegare patriarch die vooral bekend staat om zijn gezellig alcoholprobleem.

Daarover gesproken: het is droge februari, en ik doe m’n best om mee te doen. Ik ga eerlijk zijn: plezant vind ik dat eigenlijk niet. Maar met vallen en opstaan moet ik leren dat ik af en toe liever moet zijn voor mijn lichaam. Ik ben nooit een grote fan geweest van dat lichaam, maar het is het enige dat ik heb en ik doe het al zo veel de duvel aan door te roken. Op aanraden van een cardioloog ben ik tevens ook zo goed als gestopt met caffeïne – ook al een drug – in te nemen. Vooralsnog merk ik eigenlijk weinig verschil, buiten dat ik ’s avonds wat sneller moe ben. Maar kennelijk moet ik zelfs met argusogen kijken naar Cola Zero Decaf, want er gaan nu stemmen op dat aspartaam kankerverwekkend zou zijn. Zoals ik ooit schreef in een satirisch nieuwsartikel uit 2014: “Artsen formeel: alles veroorzaakt kanker”. Waarschijnlijk verschijnt er over een jaar of 5 een studie dat ook fietsen kankerverwekkend is. Het is soms moeilijk om niet moedeloos te worden terwijl al die gedachten door m’n hoofd malen en ik probeer om niet verkeerd te rijden in de stad waar ik geboren ben en al 23 jaar woon. Terwijl ik denk aan de Eskimofabriek, probeer ik de gedachte weg te duwen aan de echte Inuit en Groenland, waar ik ooit graag op vakantie zou zijn geweest. Een zekere Amerikaanse dictator-gangster wil het eiland heel graag kopen en desnoods manu militari veroveren. Ik kan daar toch niets aan doen. Maar ik kan er wel voor kiezen om helder vooruit te kijken. Dezer dagen denk ik vaak aan die meme die ik ooit zag, waar in sierlijke letters te lezen was: “Disappointed, but not surprised.” Ik zal wel verderfietsen.

donderdag 25 juli 2024

Nee, gij zijt raar

Men zegt dat dromen zijn zoals verbouwingen en campagnes in 'Dungeons & Dragons' - razend interessant voor jezelf, maar niemand anders wil er eigenlijk over horen. En toch. Vannacht droomde ik dat op een jaarlijkse barbecue was met allemaal mensen die ik niet kende en waar ook Justin Timberlake aanwezig was, eveneens jaarlijks. Ik babbelde bij met onbekenden waarvan mijn brein stellig wist dat het vrienden waren die ik elk jaar zag. Toen ik naar buiten ging om te roken zag ik de buurman van het gebouw - een lange zestiger met wild wit haar - telkens opnieuw naar buiten komen om niet alleen afval in zijn vuilniksbak te dumpen, maar ook katten op te pikken die op dat vuilnis af kwamen. 

Op diverse wijzen maakte hij de dieren dood terwijl hij ze mee in het afval stak. Op een bepaald ogenblik, terwijl hij zijn tuin stond te sproeien, sprak ik hem toch aan. Hij bleek een Nederlander te zijn. Ik vroeg hem of dat echt moest, die arme dieren doodmaken. Hij vroeg of ik daar een probleem mee had en ik zei ja. Vervolgens haalde hij uit het niets een kettingzaag boven en kwam op me afgerend. Op straat stopte een zwart busje en sprongen er drie mannen uit met andere marteltuigen, eveneens op me af rennend. Toen werd ik wakker.

Ze zeggen dat dromen idiosyncratisch zijn en een soort testbeeld van de geest. Maar bijna al mijn dromen zijn zoals die die ik hierboven beschreef. Ik schrijf er geen betekenis aan toe buiten dat ik misschien een geest heb die op de plotlijn van de mensheid ergens in de uithoek van een ver kwadrant zit. Ik ben daar niet trots op en ik schaam me er ook niet in - ik kan er namelijk niets aan doen.

Een halve dag later zie ik aan de kassa van de supermarkt een man die heel goed lijkt op de kattenmoordenaar-met-kettingzaag. Het is evenwel geen Nederlander. Hij staat uitgebreid zijn beklag te doen bij een cassière over "misleidende prijzen". Hij dacht dat zijn bakje met 2 paprika's €1,76 ging kosten maar dat was de stukprijs, dus hij betaalde het dubbele. Ik kan niet horen wat de cassière zegt, maar de man blijft maar herhalen. Alsof die arme vrouw het prijsbeleid uitstippelt van de winkel of de producent. Alsof ze gaat zeggen "allez 't is goed meneer, ge krijgt het voor de helft van de prijs, hier is uw €1,76." Een ontzettend lullig bedrag overigens om over te redetwisten. Die man moet ofwel de man zijn met de minste problemen ter wereld als dat hem al de moeite lijkt om aan te klagen, of het is zo'n vent die letterlijk alles een probleem vindt en de wereld meesleept in zijn eindeloze queeste naar de banaalst mogelijke onderwerpen om je over op te winden. 

Ook in tegenstelling tot mijn droom spreek ik hem er niet over aan. Er hangt over deze vroege vooravond wel een vaag vervreemdend gevoel, alsof deze werkelijkheid zelf licht verwrongen is. Buiten staat al de hele tijd een ouder, genderambigu persoon in een t-shirt vol grote, veelkleurige bollen schijnbaar te praten tegen niemand. Aan de kast met vapegerei staat een kale man rare gezichten te trekken terwijl een winkelmedewerkster aan het sukkelen is met de sleutels van diezelfde kast. De rijen aan de selfscan zijn griezelig lang en bulken van de raar uitziende figuren die zouden kunnen geschilderd zijn door Breughel of Bosch. Ik herinner me nog hoe mijn voormalige therapeute het verwoordde, dat ik de wereld soms ervaar als een soort grotesquerie, en het is waar. Vooral op dagen dat ik noodgedwongen die wereld in moet. 

Ben ik dan zelf ook grotesk? Je weet wel, iets van in afgronden staren en zo verder. Misschien wel, maar dat verandert niets aan hoe ik de wereld waarneem. Ik zou er trouwens mijn neus voor ophalen om een arme cassière te belagen over godbetert €1,76. Ik balanceer al jaren op de rand van de armoede, maar daar ben ik me toch even te trots voor. Zoals mijn overgrootmoeder decennia geleden zei om een opkomende ruzie met volk van laag allooi in de kiem te smoren op een camping: "Madam, wij zijn daar van veel te goed volk voor." Briljant. Intussen ligt die ook al weer 33 jaar onder de zoden goed volk te zijn.

Wat mijn Weltanschauung mogelijk wel verraadt over mezelf is dat ik ergens nog altijd het verlangen koester om normaal te zijn. Normaal, gemiddeld, best tevreden. Niet raar, extreem en behept met een temperament dat me tot in de stratosfeer kan slingeren maar me even goed kan neersmakken in de Marianentrog. En na al die jaren blijkt dat mijn kinderachtige defensiemechanisme te zijn als ik denk/weet dan men mij vreemd vindt: "nee, gij zijt raar." Ik moet er om lachen als ik op de fiets spring en ik kruis de paprikaklager die met een nors gezicht, als een uitgezakt aambeeld, zijn winkelkar terugrolt. Hij kijkt even naar mij en zal vast denken "wat heeft die idioot nu te lachen?".

 

donderdag 12 mei 2016

Vlees- en appelmoessafari

Online dating en ik zijn oude bekenden. Meer nog, mijn allereerste lief leerde ik kennen via online dating avant la lettre toen ik 17 was, op één van de allereerste sociale netwerksites die later zou uitgroeien tot de datinggigant OkCupid. Dat was 2001 toen, de hoogdagen van internet 1.0. De digitale bron van mijn liefdesavontuur werd door mijn klasgenoten voor een groot stuk op hoongelach onthaald. Liefde op het internet klonk hen in de oren als iets wat alleen was voor contactgestoorde nerds die het lef niet hadden om in de wereld van de realia een meisje aan te spreken. Nu zijn we 15 jaar later en dat stigma is zo goed als volledig verdwenen. Die klasgenoten van toen zijn misschien nu mopperaars geworden die opiniestukken leveren over die vermaledijde millennials. Met de meesten onder hen heb ik geen contact meer. Ze wonen bijna allemaal niet erg ver van hun ouderlijke huis ergens in de vele stroken lintbebouwing en verkavelde wijken die Vlaanderen-de-voorstad telt, gesetteld en al, terwijl ik de voorbije jaren verwijlde in Gent, soms in een relatie, soms ook niet. Het is wat het is.

Ik zit op de bus en scroll discreet door de parade aan potentiële partners op Tinder. Dat platform werd bij de lancering onthaald als de Messias van de dating-apps door de simpele maar geniale kunstgreep dat je enkel mensen kon contacteren bij een wederzijdse match. Dat zou het aantal ongevraagde foto's van piemels, beledigde mannelijke ego's en roekeloze spam, de trifecta van redenen waarom veel vrouwen snel online dating voor bekeken houden, indien niet doen verdwijnen, dan toch sterk terugdringen. Het platform is alleszins momenteel het meest populaire van het moment. Het heeft wel een reputatie gekregen een soort vleesmarkt te zijn, goed voor een snelle wip maar niet voor een duurzame relatie. Ik vermoedde dat die reputatie serieus overtrokken was en dat blijkt ook zo te zijn.

Het feit dat ik oppas om in de reflectie van het busraam niet mee te geven waar ik mee bezig ben aan de medepassagiers wijst toch nog op een residu van een 15-jarige schaamte. Plus: partnerkeuze blijft iets privé, uiteindelijk. De man achter mij hoeft niet te weten dat ik Mathilde (29) heb weggeklikt omdat ik vind dat ze een dikke neus heeft en zielig kijkt, maar dat ik Duckfase Jiska (30) wél rechts heb geswiped omdat ik vind dat ze nog iets heeft ondanks dat duckface.

In de media valt het ook op dat je veel persoonlijke ervaringen en opinietjes leest over het hele online datinggebeuren van vrouwen, maar erg weinig van mannen. Dat heeft vermoedelijk twee redenen. Ten eerste omdat vrouwen nog steeds geplaagd worden door het persistente idee dat hun levens (moeten) draaien om relaties, ten tweede ook omdat ik denk dat de meeste mannen die op dergelijke platforms zitten, erg weinig verhalen te vertellen hebben, behalve als ze die kunnen framen voor macho-publicaties om hun imago als Djengis Khan van Tinder op te vijzelen. Da's misschien 1% van alle mannelijke online daters. De reden? De meeste heren gaan volgens mij welgeteld op 0 werkelijke dates, of hebben zulke deprimerende ervaringen dat erover vertellen te gênant is. Hoe komt dat? Enerzijds vraag en aanbod, anderzijds veel mannen die volgens mij enorme klunzen en houten klazen zijn in hun digitale serenades aan het balkon.

Online dating stelt een massa vooroordelen en onaangename inzichten over jezelf en anderen helemaal op scherp. Ik scroll bijvoorbeeld door de foto's van Anneleen (34) en het stoort me al onmiddellijk dat haar hond in alle foto's staat. Ik denk dan, "ok, je hebt een hond, maar ik ga toch niet daten met je hond?". Of hoe enkel al de schrijfwijze van Nathaly (26) me een negatief gevoel geeft, hoewel dat perfect een erg lieve vrouw kan zijn. Dat is zakkig en ik weet het. Maar we doen het hier allemaal. Dit soort pietepeuterige kieskeurigheid wordt echter meer geaccepteerd vanwege vrouwen, die op blogs de draak steken met mannen wier glimmende torso's hun voornaamste attribuut blijken te zijn of die aan digitale dyslexie lijken te lijden in gruwelijk geschreven, creepy berichtjes. Van mijn kant erger ik me het meest aan het ontstellende gebrek aan creativiteit van de meeste profielen. De gemiddelde Vlaamse vrouw in mijn streek heeft ergens wel een foto met een glas wijn, een vakantiefoto met een prominent monument op de achtergrond, en nog een "gekke" foto met duckface, op een feestje of terwijl ze in de lucht springt.

Ik sluit Tinder af en kijk zonder al te diep na te denken door het venster naar de voorbijrollende straten en winkels. Het valt wel eens voor dat ik mensen tegenkom in de stad en me sta af te vragen waar ik hen van ken tot het me invalt dat ik hen gezien heb op zo'n datingplatform. Wat doe je dan? Van krommenaas gebaren, meestal. Nog gênanter is ergens iemand tegenkomen waar je ooit een date mee gehad hebt die nergens naartoe ging. Ik heb één keer de fout gemaakt die persoon vriendelijk aan te spreken en ik zag onmiddellijk de blinde paniek bij haar opdoemen. Een aparte ervaring, iemand op één seconde zo wit als een doek zien worden.

Naast het feit dat dating via internet ons met onze eigen mottige kantjes confronteert, is het ook een carbon copy van onze eigen genderverhoudingen. Veel dames kunnen het zich permitteren bijzonder weinig moeite in hun profielen te stoppen omdat er veel mannen zijn die schieten op alles wat beweegt en de wet van de grote getallen zegt dat er wel één keer één zal bij zijn waar het mee klikt. Ik ben niet zo'n veelschieter. Daar maak ik het mezelf niet simpeler mee, maar ik kan niet doen alsof. Nog een observatie: naar verluidt liegen mannen het vaakst over hun lichaamslengte en vrouwen het meeste over hun gewicht. Je ziet het er ook aan. Foto's van enkel het gezicht of vanuit bijzonder vreemde hoeken zijn de voorbodes van dergelijke onzekerheden.

Ik stap af en ga richting supermarkt. Nog één keer bezwijk ik voor de verleiding om nog vlug een aantal instant-oordelen te vellen. Het is mooi weer en dat maakt het kleine schermpje niet altijd makkelijk om te lezen. Ik stoot op Claudia (33), een tamelijk mooie vrouw die eerlijk zegt dat op Tinder zitten haar manier is om na een relatie digitaal ijs uit de doos te eten en op repeat te kijken naar 'Flashdance'. Ze zit er dus niet om te daten, verduidelijkt ze. Ik glimlach om haar eerlijkheid en precies daarom swipe ik rechts. Dat is nog zo'n verschil. Op een bepaalde manier kan ik me voorstellen dat al die aandacht fijn kan zijn voor het ego. Als man moet je daarentegen je ego betonneren om het niet persoonlijk te nemen dat haast niemand reageert of dat conversaties direct doodbloeden. Zes jaar geleden baalde ik daar echt van. Nu niet meer.

In de winkel is het kalm. Bij de appelmoes en de tomatensaus kruist mijn blik die van een erg aantrekkelijk meisje. Ik ga niet staren maar ze blijft in de randen van m'n blikveld aanwezig terwijl ik leeg prijzen vergelijk tussen premiumappelmoes en appelmoes van de witte producten. Cultuurpessimisten laken wel eens dat relatievorming tegenwoordig ook zo gaat. Er is wel iets van aan. Mensen beoordelen met een vingerveeg op basis van een aantal fotootjes en woordjes is onpersoonlijk. En toch, net zoals de vrouw van zoëven zijn er mensen die er altijd compleet en uniek uitspringen. Zo denk ik nog steeds aan Dina (34), waar ik gisteren drie minuten naar zat te staren omdat ze me zo ongelooflijk cool leek en hoop dat ze me ook gaat liken (spoiler: ze heeft me nooit teruggeliket). Of Sophie (25), die er uiterlijk eerder gewoon uitzag maar zo'n leuke glimlach en een grappig tekstje had dat ik instant mentaal gekieteld werd.

Uiteindelijk kies ik voor de appelmoes van de witte producten die nog net niet de echte witte producten zijn. Ergens juicht een marketeer omdat ik binnen zijn of haar segment pas en precies de verhoopte keuze gemaakt heb. De appelmoes zal er allicht niet minder goed of slecht door smaken.

(Alle namen zijn veranderd in dit stukje, mocht iemand daar nog aan twijfelen)

zaterdag 19 maart 2016

Donker aan de rafels

Dit is zo'n weekend. Opgestaan om drie uur in de namiddag, vlug naar de winkel geweest om wat eten en drinken, dan weer in m'n pyjama glijden en me afsluiten van de wereld in mijn mancave, een ruimte van vier op vier meter met boekenkasten, mijn computer, een leeszetel en een koelkast. Om daar even al het stof op me te laten vallen, artikels te lezen, alleen te lachen met comedy en af en toe de kat eten te geven. Het zijn weekends waar ik intens van hou, ook al bereik ik er niets mee en zijn er honderd dingen waarvan ik me kan voorstellen dat ik ze zou moeten doen, zoals opruimen, de afwas of een rondje gaan hardlopen in het nabijgelegen park. Het is gewoon de balsem voor mijn beursgeslagen ziel, om het pathetisch te zeggen.

Deze kamer vat m'n leven aardig samen, inclusief de grote, halflege vodkafles die aan de muur gespijkerd hangt (jaren geleden gekocht van een bevriende, voormalige cafébaas). Op het bureau liggen allerlei pillen die ik moet nemen tegen mijn chronische ziektes, een verstoord immuunsysteem dat zichzelf voortdurend aanvalt. De burgeroorlog in Syrië op moleculair niveau, als het ware. Er staat ook een fles cola en een half-opgegeten, opgerolde zak chips waar ik rustig vier dagen over doe om die op te maken. Niet te vergeten: ook de asbak staat er, die smerige recipiënt van het smerige afval van m'n al even smerige gewoonte. Gisteren hadden we het er nog over op café, of het zou kunnen dat men roken gewoonweg illegaal maakt binnen 30 jaar. Het lijkt me niet onmogelijk.

Gisteren, dat was ook een nieuwe expositie bezoeken in het SMAK, dat voor de gelegenheid de deuren wijd had opengezwaaid. Op het gelijkvloers was het een drukke bedoening rond lelijke en stomme objecten waarvan mijn broer Roman, zelf een soort kunstenaar, bijna agressief werd. Zo van die contemporaine kunst waar je ergens wel van vermoedt wat het zou kunnen betekenen, maar enkel in masturbatoire verhouding staat tot zichzelf, met geen vermoeden van technisch kunnen of boodschap die niet ergens te herleiden valt tot een postmoderne zaadvlek in een catalogus waar kunstkenners mensen massaal bij de neus nemen.

De bovenste verdiepingen waren interessanter. Levensgrote wall art, kartonnen decors die nagetekend waren in houtskool, met teksten erbij als uit een avonturenverhaal. Het was er bijzonder warm. Dan waren er de platen (etsen) in de kamer daarnaast, sombere metalen rechthoeken waar in goud en vlammen primitieve silhouetten gekerfd waren, vlammen en sterren, als een verre echo van de kunst van Lascaux tot de hiëratische mystiek van het Oude Egypte. Je ziet, een eind lullen, dat kan ik ook wel. Maar het sprak aan. Daar waren we het allemaal over eens.

Wat net zo veel bekijks oogstte van ons, waren de mensen die je typisch in een museum ziet rondlopen. Meisjes met kekke hoedjes en een soort 'lesbian chic', grijze mannen met véél jongere partners, hipsters met manbuns en de occasionele spuuglelijke persoon die je nergens anders tegenkomt dan in een museum. Veel mensen ook à la berlinette, volledig in strak zwart en met witte sneakers. Een amalgaam aan mensen waar de gemiddelde rechtse zak in een volkscafé een gloeiende hekel heeft. En waren we zelf niet even stereotiep? We waren met vijf, twee mannen met baarden, één met een snor, één vrouw met kort haar en één vrouw die door haar vriendinnen constant beschuldigd wordt dat ze een hipster is. Ik ben het daar niet mee eens maar misschien maakt mij dat ook wel een hipster.

Ik neem een voorzichtige slok van m'n glas, wil een sigaret aansteken en merk dat er al één lag op te branden in de asbak. De helft van m'n sigaretten die ik aansteek, rook ik niet eens volledig op. Ik zit te luisteren naar enkele nummers van Editors en glij mee op de aan de rafels donker gerande neopunk die zich steeds nadrukkelijker profileert als de second coming van U2. Dat is ok. Mensen schijten zo veel op U2 en om redenen die ik goed versta, maar dat neemt niet weg dat ze een back catalogue hebben die bijzonder veel respect verdient.

Ik denk ook terug aan de Sinksenfoor waar we door moesten waden toen we van het SMAK naar een café gingen. Ik weerstond aan de verleiding van vettig of gesuikerd eten en dacht aan al die herinneringen die opgeslagen liggen in die foor. Vorig jaar bezocht ik er nog een spookhuis op een lieve date met m'n toenmalige lief. Vier jaar geleden had ik er een date met iemand anders, een prelude op een doodgeboren relatie. Die relaties van me, die duren gemiddeld een jaar. Waarom is dat zo? Ligt het aan m'n eigen onmogelijkheid, of valt dat virus in m'n lichaam ook psychisch zichzelf aan? Ik weet het niet. Momenteel heb ik nog geen tijd voor nieuwe liefde. Er valt nog zo veel te lezen en te schrijven, en straks moet ik boterhammen smeren. Every move you make - breaks me. Every smile you fake - breaks me.

zondag 13 maart 2016

Zo vloeibaar en vluchtig mogelijk

Sinds korte tijd neem ik van en naar het werk buslijn 3 in Gent. Het is telkens een fascinerende rit, omdat lijn 3 aan haar uiteinden rustige, burgerlijke, zelfs voorstedelijk gekarakteriseerde buurten heeft waar gezinnen soms nog in losstaande huizen wonen, dwars door het verhipsterde en toeristische centrum van de stad gaat, en als tussenlaag slingert door de Dampoort en de Brugse Poort, buurten waar gegoede Gentenaars zelf een beetje vies van zijn. Het is waar, de Dampoort en de Brugse Poort bulken van de smoezelige telefoonwinkeltjes, Turkse cafés met TL-buizen, kromme oude ventjes en behoofddoekte moeders die een kasteel aan buggy’s voortduwen over uitgewoonde trottoirs. Maar je ziet er ook de Turkse ondernemersgeest, de grillhuizen waar mannen onder een dampkap druk vanalles zitten uit te leggen, of de kleurrijke Afro-shops die altijd “blessed” zijn. Beter alleszins dan die Afro-shop in Gentbrugge, dicht bij waar ik werk, die in grote letters “SOS Africa” kopt, alsof Afrika onveranderlijk synoniem is voor miserie, ziekte en honger.

Buslijn 3 geeft me een korte inkijk in het alledaagse leven van mensen die ik in mijn eigen sociale kringen zelden ontmoet. Ik herinner me uit mijn kindertijd dat we soms naar de pleegouders van mijn vader gingen en dat die mensen in Ledeberg woonden. Daar zag ik voor het eerst vuil op straat, m’n eerste verloederde huis en m’n eerste familie die duidelijk niet van Vlaamse afkomst was. Je kan je afvragen in wat voor melkwitte omgeving ik opgroeide, maar we spreken hier over de late jaren ’80, toen er nog geen Zwarte Zondagen geweest waren en terreur die het land kende, in hoofdzaak even blank was als het merendeel van de bevolking. Wat ik me herinner van door het venster van de auto te kijken naar die donkerder kindjes die op straat speelden en een man die er sjofel op zijn dorpel bij zat met een huid van bruin papier en een volle snor, is hetzelfde gevoel dat ik nu heb als ik door het busvenster binnen kijk in zo’n amateuristisch winkeltje. Daar zit een wereld waar ik niet thuis hoor, niet uit kom en allicht ook niet erg veel mee deel. Voor je denkt dat ik hier een beetje de oriëntalist uithang in eigen stad, nog dit: ik deel niet zo veel met het merendeel van mijn landgenoten. Sinds kort kijk ik wel weer tv en ik laat me altijd een goede pot voetbal smaken, maar wielrennen gaat aan mij voorbij, lekker koken interesseert me nauwelijks en er is geen enkele soap die ik volg. Maar bij die leefwereld kan ik me meer voorstellen want daar kom ik wél uit. Ik weet wat het is als grootouders, ooms en tantes schuine moppen tappen bij het kaarten en bij taart en koffie. Ik weet waar het hart van de wielertoerist sneller gaat van slaan.

Toen ik nog aan de Heuvelpoort woonde, dook ik ’s nachts soms onder in een andere wereld die als jongere vreemd en gesloten voelde. Dan ging ik relatief anoniem van café naar café en van club naar club. Ik wilde de gesprekken horen om vijf uur ’s ochtends op de Oude Beestenmarkt tussen veteranen van de nacht, of wilde toekijken hoe een straatgevecht ontstond in de Overpoort. Ik ben een cholericus dus er is iets voor nodig om me daarheen te brengen, omdat ik gruw van het idee ergens te zijn waar ik niet gewenst ben. Dus dronk ik een paar glazen en maakte ik me zo vloeibaar en vluchtig mogelijk. Als ik een vlieg op de muur geweest was, dan zou ik daar extatisch van geworden zijn. Zo luid en levendig als ik ben in mijn eigen sociale aquariums, zo stil en bedachtzaam werd ik bij het aanschouwen van een nieuwe, andere wereld.

Ex Emma zat niet graag op bus 3. De realiteit voor een jonge blonde vrouw is anders dan voor een vrij gewoon uitziende man van vooraan de 30. Het is een voorrecht dat ik me anoniem ergens kan bewegen. De toegang is me ook zelden geweigerd aan de deur van nachtclubs, tenzij misschien in échte m’as-tu-vugelegenheden. Die wereld van losjes over de schouders gedrapeerde golfsweaters en mocassins trekt me ook aan, maar niet in de mate dat de nachtbrakers, de migranten en de arbeiders mij boeien. Misschien is dat omdat ik, als ik pakweg te voet slenter door Nieuw Gent bij Zwijnaarde, iets lijk op te pikken dat dwars is, iets dat echt doorleefd is, hoewel zo snel weer vergeten. Wat moet ik met een snob die staat te pronken met een fles wijn van €80 op restaurant? Tegelijk ga ik nooit claimen dat ik een volksmens ben. Als er één mensensoort is die ik nog meer minacht dan de oranje gecrèmde, übergeföhnde Knokke le Zoute-mens, is het wel de hogere middenklasser die zich uit alle macht een volks imago probeert aan te meten. Denk liberale politici die stemmen ronselen op boerenmarkten. Denk middenstanders met een BMW en een Toyota die klagen dat ze het ook lastig hebben om rond te komen.

In een stad samenleven, het is niet simpel. Dat wisten ze ook al in Athene en Rome, met het typische cynisme van de sofisten en het sarcasme van satirici tot gevolg. Maar er schuilt ook altijd ruimte in voor verwondering. Als het niet was dat ik in Dublin in het midden van een plein een sociaal geval een drol zag leggen in zijn eigen handen, dan is het dat ik me stil afvraag waarom in Gent twee Turkse modewinkels aan weerszijden van de straat dezelfde naam hebben.

dinsdag 31 maart 2015

De laatste echte Belgen

Regen die bij dunne vlagen als stof uitgewaaierd wordt onder straatlichten. Niet veel verkeer op de baan in het niemandsland tussen Merelbeke en de Gentse deelgemeentes Gentbrugge en Ledeberg. Wat bij daglicht een meanderende slinger is aan middenstanders, grauwe rijhuizen, een begrafenisonderneming die er als een bordeel uitziet, een dozijn tankstations en enkele omheinde villa's, doorkruist door bruggen, is rond middernacht een grotendeels lege ader van beton en geparkeerde wagens. Ik ben onderweg naar huis en heb zopas Emma thuis afgeleverd, wat ik na een afspraakje meestal doe, enerzijds om haar de busrit en de bushalte te besparen, anderzijds omdat ik graag rij. Als kind had ik angstdromen over autorijden. Ik droomde dat ik de controle over het stuur verloor en dat de auto met mij aan de haal ging door te beginnen vliegen, aan hoge snelheid in een gevel te crashen of zich gewoon spontaan in het water zou storten. Sinds ik leerde rijden heb ik die droom nooit meer gehad.

Op de radio speelt een nummer van Katy Perry, één van de huidige avatars van de Amerikaanse popgeest. Ik betrek er onlogisch Saul Bellows 'Humboldt's Gift' bij, dat ik momenteel aan het lezen ben, waarin de genaamde Humboldt voortdurend kruisverwijzingen maakt tussen intellectuele theorieën, literaire figuren en massacultuur als sport, film en de geest van de democratie. De Amerikaanse geest, als er kan veralgemeend worden, is groots, luid en obees, een ding waar ik altijd vol verwondering naar sta te kijken. We zullen Katy Perry horen 'roaren' en even later zijn Kanye West en Jay-Z in Parijs, 'niggas' die het tot aan de sterren van het firmament geschopt hebben en hun ego meten met de Eiffeltoren. In Ledeberg zou zoiets niet passen.

Bellow diept in 'Humboldt's Gift' een anekdote op uit Wereldoorlog II, die zegt dat de Britten haast gek werden van de praatzieke Amerikanen, die voortdurend ongewild details van oorlogsplannen vrijgaven, maar dat de Duitsers die toch niet geloofden omdat ze dachten dat het opzettelijke misleidingen waren. De Europese geest, als ik die ook even mag veralgemenen, is er één die het gewicht torst van eeuwen van verraad. Wie op de juiste momenten z'n bek hield, die overleefde. Zelfs Odin zou dat advies al gegeven hebben in de håvamål, een codex met praktische adviezen voor de vikings, die onder andere stipuleerde dat je je geheimen maar best voor jezelf kan houden en dat je aan elke vreemde deur goed moet rondkijken om te zien of er geen vijanden op de loer liggen.

Hier zijn geen vijanden, in de veilige kooi van m'n auto. Ik raas langs een kerkhof. Ergens luidt toepasselijk een kerkklok, altijd brenger van onheil, maar het loden luiden verdwijnt mee met de volgende bocht, evenals het dodenakker. Ook over de dood had Odin het één en ander te zeggen: "Je veestapel sterft, je familie sterft, zelf sterf je ook - maar ik weet één ding dat nooit sterft: het oordeel over het leven van een overledene". Emma en ik hadden het nog over de dood, onlangs. Zij vreest de dood iets meer dan ik, maar waar ik liever mijn ouders zou overleven, zou zij het omgekeerde kiezen. Ik verlies liever dan verloren te worden, voor haar is verloren worden het minste kwaad. Er valt iets te zeggen voor respectievelijk het egoïsme en het altruïsme van beide stellingen. We hadden er geen oordeel over. Verschillen mogen immers bestaan.

Mijn wagen gaat onder een brug door, passeert een groezelige vzw en een schroothandelaar, en laat zich nogmaals ringen door een tweede brug, ditmaal een stuk lager en in een scherpe bocht. Tramsporen komen in zicht. Er zijn enkele cafés te zien, wegmarkeringen die zijn vervaagd, en verkeersborden waar geen enkele chauffeur ooit acht op slaat. Een collega van me die uit Binche komt, wilde me ooit eens "het echte Wallonië" tonen. Hij toonde een video van een parade langs los door elkaar heen gebouwde koterijen, bakstenen droefnishuizen en kneuterige beeldjes van uilen en Maria's op vensterbanken, die uiteraard allemaal rolluiken of gordijnen hadden. Ik moest hem teleurstellen en zeggen dat dat even goed in Vlaanderen had kunnen opgenomen worden. De belgitude der Belgen zit soms in de dingen waarvan we denken dat ze ons verdelen.

M'n ruitenwissers draaien overuren tot ik onder de flyover begin te rijden van de E17, die betonnen mastodont die de kern van Gent scheidt van haar belittekende onderbuik. Het middernachtnieuws is bijna klaar met de dieptepunten van de dag op te sommen. Ook de radio neemt 's nachts een andere vorm aan, intiemer, dieper, afgestemd op eenzamen die net als ik op een weekdag nog zo laat onderweg zijn naar huis. Heidegger vond de taal het huis van het zijn, maar ik geloof dat het eerder omgekeerd is: het huis is de taal van ons zijn. We zien onszelf in compartimenten, kamers, meubels, kelders. Jager-verzamelaars zouden hun geest nooit op die manier visualiseren. Al ons psychisch jargon is sedentair. We geven de dingen een plaats. We stoppen iets weg. Trauma's liggen begraven. Het geheugen is een archief.

Als een schaatser glij ik de bocht in die me op de binnenring brengt. Gebouwen worden hoger, rijvakken breder, en in de verte is al de Heuvelpoort in zicht, die al bij al bekeken op een bijzonder flauwe heuvel ligt. Misschien was hij vroeger hoger en is hij platgemalen door die talloze wielen die er overheen gereden zijn. Of misschien is hij vanzelf bescheidener geworden is alles behalve naam, gewoon door zich aan te passen aan zijn Belgische omgeving. In 'Waterland' schreef Graham Swift over de moeraslanden van het Engelse noordoosten als metafoor voor het verraderlijke, sombere en gesloten karakter van de mensen die er woonden, en Cyrus de Grote van Perzië meende dat zijn ruige land ruige, harde mannen gekweekt had. Wat kweken onze betonnen Gestalten, onze eindeloze werven en onze immer groeiende voorsteden? Ik zal voor één keer niet generaliseren, maar enkel voor mezelf spreken. Ze hebben me licht verloren gemaakt, maar altijd verwonderd. Ze hebben me geïrriteerd, maar leren beseffen dat je sommige verschillen moet nemen voor wat ze zijn. Ze leerden me dat ik me allicht nooit zal meten met het Empire State Building of een brullende leeuw zal zijn, maar dat ik in gedachten wel altijd kan schuilen voor de regen onder een lelijke flyover. Soms, in het holst van de nacht, denk ik dat ik bij de laatsten ben van de echte Belgen.

dinsdag 10 februari 2015

De Hitler van de Sleepstraat

Mijn therapeut is een belezen vrouw (gouden tip voor literatuurliefhebbers, dat). Bij het verlaten van haar kabinet valt mijn oog op het boek 'Over normaliteit en andere afwijkingen' en ik moet lachen met de titel. Het is van Paul Verhaeghe, waar ik al eens een pamflet van gelezen heb. Als Verhaeghe iets te zeggen heeft, heb ik de neiging te luisteren, omdat hij veel zinnige dingen zegt. Dat is jammer genoeg een zeldzaamheid geworden. Ze ziet me kijken naar de kaft van het boek, en ziet ook dat ik wrang glimlach.
"Wat is dat, 'normaal', hé?" zegt de therapeut.
"Tja, het is een containerbegrip, zeker. Normaliteit is per definitie vaag, ook al is de norm welomschreven. Normale mensen zullen vast niet bestaan."

Even later, als ik richting auto wandel, bekruipt me niet de eerste keer dat angstige gevoel dat ik ben opgegroeid met één versie van normaliteit die vervangen is door een andere. Ik ben niet veranderd, maar de wereld wel. Het nulpunt ligt elders dan waar het werd gevormd in mijn jeugd.
Francis Wheen beschrijft in zijn boek 'How mumbo-jumbo conquered the world' de gestage opmars van onzin sinds de late jaren '70, in alle geledingen van de maatschappij. Het is als een pletwals gerold over de normen en waarden die we voor zinvol en consistent houden, zoals logisch redeneringsvermogen, bewijsvoering, solidariteitsdenken en pragmatiek.
Ik passeer langs een Turks café waar een groep oudere mannen in een kring zit te babbelen en af en toe naar tv kijkt, waar een sportwedstrijd bezig is. Het is één ding om te zeggen dat die mannen en ik andere werelden bewonen en bevolken, en over weinig gedeelde ervaringen beschikken. Het is een andere zaak wat er gemeenschappelijk boven onze hoofden hangt. Denkers en opinieerders proberen in uithoeken van de media die nog niet meegezogen zijn in het Nieuwe Normaal, dapper weerstand te bieden aan onze cultuur van socio-economische nonsens. Zij doen dat met logica, met empathie, met cijfers. Ik zeg: het haalt niets uit. De religieuze ijver waarmee deze generatie marktzeloten hun geloof belijdt, is compleet immuun tegen logica. Moedwillige irrationaliteit valt niet te bekampen. Niet de beestachtigheid van ISIS, niet de wetenschapsontkenners van Amerika, niet opeenvolgende regeringen die onschuldigen doen boeten voor de financiële misdrijven van een elite.

Gelaten wacht ik aan het zebrapad om over te steken. Het is weer een drukke avond hier in dit transitdeel van Gent, waar de buurt van de dokken verstrengeld raakt in de buurt van de Sleepstraat. Op het plein aan de overkant staat een frituur te puffen uit zijn rookpijpje. Er priemt door de smalle venstertjes licht, voor zover die vensters al niet beplakt zijn met advertenties voor allerlei vettigs. Het verkeer luwt en ik steek over. Een auto stopt en ik steek m'n hand op. Dat moet niet, maar hoffelijkheid kost geen cent. Behoort dat soort fatsoen nog tot het Nieuwe Normaal? Rechtse partijen zetten nochtans graag in op beleefdheid, ook al hebben hun volgelingen vaak een stuitend gebrek aan manieren. Meer nog: in de cenakels van de macht is ploertigheid vaak een tactiek om het debat te doen ontsporen.
Ons Nieuwe Normaal is een hydra met duizenden koppen. Nadat progressief gezinden zich jarenlang murw hebben laten slaan door de voorposten van het theatrale regionalisme en de nonsensicale "Derde Weg" insloegen, waren ze in feite al rijp voor de slachtbank. Para's in het straatbeeld? We kunnen niet anders. Dienstverlening van het openbaar vervoer wurgen? Gaat niet anders. De superrijken vragen om een proportioneel iets grotere bijdrage? Staat niet in het regeerakkoord. Dat regeerakkoord dat zomaar ergens uit het niets materialiseerde alsof Gabriel het zelf in het oor van BDW gefluisterd had. En nu ben ik toch weer bezig in de val aan het trappen van met logica te bevechten wat helemaal niet logisch is.

Ik begraaf m'n handen dieper in m'n jas en verschuil m'n neus onder m'n sjaal. In de verte staat de auto trouw te wachten. Toen ik hierheen reed, een dik uur geleden, waren andere chauffeers naar me aan het flitsen omdat ik per ongeluk zonder lichten rondreed. Pas toen ik kon parkeren, had ik tijd om uit te vissen hoe die lichten aan moesten (normaal gaan ze altijd automatisch aan). Hier, nog een metafoor uit de grabbelton: de koplampen van de tientonner van de onzin zijn zo fel dat veel mensen er verbaasd in blijven staan als een bevende ree. Ik wacht nog op de eerste mainstreamanalist die uit zijn verdoving wil ontwaken en rechtuit zegt: "Dit gebeurt allemaal opzettelijk, we leven nu in een wereld waar irrationaliteit terug de bovenhand heeft."
De ironie ontgaat me niet dat de auto die ik nu van het slot haal, een bedrijfswagen is en dat ik deel ben van het probleem. Maar laat dat soort passieve medeplichtigheid geen goedkoop mikpunt worden om m'n punt minder scherp te maken. Ik ben immers niet diegene die macht heeft. Ik moet bitter lachen als ik mensen zich hoor opwinden over een vermeende politiek correcte elite. Was het maar waar dat die bestond en machtig was, maar elitaire intellectuelen hebben feitelijk geen fluit te zeggen in deze maatschappij, tenzij hun wereldbeeld oplijnt met onze hegemonie.

De motor slaat aan, de lichten worden ontstoken, de radio vult de auto met een track van Caribou. Dat kon erger. Ik vertrek en rol voorbij een buurtcafé. Ik spied naar binnen door de aangeslagen vensters om te zien of Homans' imaginaire marginalen daar met hun kinderen het belastinggeld zitten op te zuipen van de modale Vlaming. "Ik ben verkeerd begrepen!" Sure. Hitler was ook verkeerd begrepen. Hoe durf ik iemand met Hitler vergelijken? Mijn verontwaardiging is tenminste echt. Hitler staat nergens meer voor, behalve de Hij Die Niet Genoemd Mag Worden in één of ander debat.
Ach, niemand denkt over zichzelf als een slecht persoon. Onze zelfverklaarde zalmen van De Morgen zitten eveneens vol goede bedoelingen, maar een racistische uitschuiver wordt ook snel met de mantel der liefde bedekt. Intussen ben ik al bij het ovale punt waar de Turkse bakkerij die simpelweg 'Den Türk' heet, de omgeving domineert. Een jong koppel danst een woning uit. Zij met zwart haar, verliefd opgeslagen ogen, hij stoer en zelfzeker, in een modieuze jeans. In het donker is het het raden naar hun etnie, en wat maakt het ook uit? Voor mij alleszins niets. Mijn eigen Normaal bestaat nog altijd, zij het sterk bedreigd en omheind binnen m'n eigen leefwereld, een plek waar superdiversiteit een gegeven is waar mee moet geleefd worden, waar mensen niet per se uit zijn op enkel het eigen gewin, en waar ik in de eerste plaats niet in therapie had moeten zitten omwille van de corrosie van deze maatschappij. Maar ik functioneer. Ik druk het gaspedaal in als het groen wordt, en schiet de binnenring op in één rechte lijn.

donderdag 14 augustus 2014

Een toast op de revanche

Het is ongeveer twintig na acht ’s avonds, en enkele uren geleden is het langverwachte verlof in gegaan. Eigenlijk zou ik bezig moeten zijn met koffers pakken, nog een laatste opruimsessie uitvoeren op het appartement en in bad moeten liggen met een boek, maar ik kan het niet. Ik moet schrijven, want anders ga ik met een wilde blik de straat op en begin ik voorbijgangers slecht gestencilde pamfletjes in de handen te drukken. Het zonlicht dat reflecteert in de vensters van de nieuwbouwkoten achter de achterkant van m’n eigen kamer, met daar dwars doorheen de regen van een laat zomeronweer, zijn een mooie (goedkope) metafoor voor de toestand waarin de wereld zich lijkt te bevinden, zowel buiten als binnenin.

Er is heel veel woede. Veel mensen zijn boos op de Vlaamse regering, die nu zoals volledig te verwachten viel, het mes zet in allerlei uitgaven waarvan ze denkt dat ze die nog het beste kan missen, en het meest van al de zo geroemde gewone m/v in de straat treffen. Ik denk niet dat Geert Bourgeois en co wakker liggen van dat protest, vaak aangevuld met opiniestukken waarin benadrukt wordt dat er achter die ‘besparingen’ menselijke verhalen schuil gaan. Hier is mijn opinie: het kan hen eigenlijk niet alleen niet zo veel schelen (hoe lang zou het geleden zijn dat de gemiddelde minister een arme van dichtbij zag), ik denk dat sommige neoliberale coryfeeën er zelfs van genieten.

Dat is een zware beschuldiging, en een mens kan zich afvragen of dat geen olie op het vuur gieten is, maar misschien is er effectief nog wat meer olie nodig als we ons niet willen blindstaren op enkel de symptomen. Sommige rechtse politici en hun kiezers zijn revanchisten – mensen die al jaren lang rondlopen met een chronische wrok tegen het systeem. Ik herinner me nog goed de eerste keer dat ik Bart De Wever op tv zag, zo rond 2004. Toen al was duidelijk dat hij een meester was van de snedige comeback en niet alleen niet bijzonder sympathiek was, maar daar nog prat op ging ook. Wat me toen ook opviel was hoe kwaad die man mij leek, een kil soort kwaadheid die met de jaren gecultiveerd en bijgesneden was. Dat ben ik nooit vergeten.

Ik maak me even los van mijn computerscherm en ga de trap af naar m’n auto, want die moet volgetankt worden. Het regent heviger nu. Onderweg bliksemt het zelfs, en kom ik op m’n pad weer wegenwerken tegen die er voordien niet waren. Het lijkt wel alsof Gent bevolkt wordt door autonome von Neumann-machines, die zichzelf onder de vorm van werven blijven dupliceren. Waarvan toch die bouwijver altijd? De Ierse komiek Dylan Moran zag er in de woeste Vlaamse bouwnijverheid een vorm van therapie in waarin we ons afreageerden, omdat het volgens hem niet kon dat een volk op straat zo wellevend was. Ze moesten hun negatieve emoties toch ergens in kwijt?

Veel mensen geloven dat er aan de basis van de wereld een natuurlijke orde ligt, en dat die orde dient gerespecteerd te worden. Neoliberalisme presenteert zich als zo’n orde: werk hard, en je komt er vanzelf. Vreemd dan, dat de allerrijksten in de maatschappij bijna allemaal oude blanke mannen zijn die al in rijke middens opgroeiden. Zeker, er waren er bij die uit armoedige omstandigheden kwamen, maar de verzorgingsstaat van de jaren ’60 werkte anders dan nu. Velen zijn de ladder opgeklommen, beschrijft psycholoog Paul Verhaeghe, om daarna te helpen ze omver te duwen voor wie na hen kwam. Want: “ik heb ook hard gewerkt”. Joseph E. Stiglitz beschrijft in zijn boek ‘De prijs van ongelijkheid’ dat ongeveer 50 jaar tussen 1930 en 1980 anomaal waren in de wereldgeschiedenis, waarin de kloof tussen de haves en de havenots verkleinde. Die anomalie heeft bij sommige mensen diepe sporen nagelaten.

Reactionairen van allerlei slag bedienen zich dan ook vaak van de slachtofferretoriek. Alleen zo kan je verklaren dat een ongelooflijk dom opiniestuk als “Heette ik maar Fatima” het daglicht kon zien. De moordpartij van Anders Breivik was gebaseerd op het waanidee dat mensen als hem “onderdrukt” werden door het socialisme, en shooting spree killer Eliot Rodgers haatte minderheden en vrouwen omdat de eersten hem “het recht” zouden ontzegd hadden op de laatsten. Ik stel idiote opinieerders, terroristen, moordenaars met haatmotieven en rechtse politici niet op één lijn, maar er loopt wel een rode draad door: de genoegdoening. N-VA wijst Walen en socialisten met de vinger voor alle problemen, en veel mensen stappen daar in mee. Nee, het kan niet de schuld zijn van een waanzinnig veeleisend neoliberaal systeem – door Bleri Lleshi treffend een “strafstaat” genoemd – dat veel mensen ongelukkig, depressief en boos zijn, het is ofwel hun eigen schuld, of de schuld van de buurman die te lang aan de tepels mocht zuigen van moeder staatskas. De echte schuldigen blijven onzichtbaar en buiten schot, want zij vertegenwoordigen de natuurlijke orde. Comme il faut. Intussen is m’n auto volgetankt en wel, na gepruts met de slang en de stang, en een voorbijgaande gedachte dat het systeem op een rare manier voelt als een penetratie: ik moet geen luik openen, gewoon de slang erin rammen. Waarom heb ik mijn auto ook Evi genoemd? Gelukkig heb ik geen ex-partner die zo heet.

Een goede vriend van mij is al jarenlang actief in het onderwijs voor kansarmen en jongeren die overal al buiten gegooid zijn. Gebroken gezinnen, gedragsproblemen, laaggeletterdheid. Soms lijkt die klasse mensen onverbeterlijk hopeloos, en vragen we ons af waarom we daar met z’n allen geld en middelen in blijven investeren. De laatste jaren merkt die vriend dat de randgevallen in die groep – wat ze in het Engels ‘the precariat’ noemen, één stap verwijderd van de marginaliteit – niet meer mee kunnen. Normaal waren dat de mensen die ze nog net kwijt konden in beschutte werkplaatsen of die ze semi-zelfstandig konden laten wonen. Alles moet harder, sneller, bewezener. Er is een groeiende klasse werkende armen, overal in het Westen, en langzaam gaan we weer terug naar af. Der Untergang des Abendlandes, inderdaad, maar niet zoals Oswald Spengler het zich voorgesteld had. Ik vind parkeerplaats, maar blijf even staan omdat ik aan het luisteren ben naar de live-uitzending van Pukkelpop op Studio Brussel.

Na een tijdje komt Netsky op, met zijn nieuwe hit waarvoor Beth Ditto de stem leverde. Het is compromisloze, dramatische drum & basspop, en ik zet het knalhard. Muziek is catharsis. Ik sluit m’n ogen en voel me even een beetje opgetild worden uit die poel aan regenwater. Het verlof is begonnen, en één van de gewichten die aan mijn armen en benen hangt, is nu voor even weg. Het oordeel is echter onverbiddelijk: binnenkort moet ik weer in therapie. M’n depressie is weliswaar geen gevolg van onze Vlaamse gerontocratische regering, maar ze helpt zeker niet. Ik ben één van die mensen die in de ogen van hun soort weinig genade vindt: onhandig, links, literair, en niet behept met het talent om bullshit zomaar voor waar aan te nemen omdat iemand in een politiek dwergenlandschap een retorische reus is.

De ironie van het gebrek aan goede redenaars op onze politieke Bühne is dat één van de enige momenten van oprechte welbespraaktheid van Tobback Jr. hem tijdens de verkiezingen enkel maar spot opleverden. Sociaaldemocraten hangen al meer dan 20 jaar in de touwen in West-Europa, onmachtig om antwoorden te formuleren, vaak ook medeplichtig aan hun eigen ondergang. Zoals Tony Blair, DSK of Gerhard Schröder.

De kans is belachelijk groot dat ik net tot mijn ouders zal eindigen in de lagere middenklasse, als ik dat bruine geluk al vind. De barrières die de Thatchers, Reagans, Bushes, Ruttes, Berlusconi’s en Bourgeois van deze wereld opwerpen, dienen om die ‘natuurlijke orde’ in ere te herstellen. Het gespuis had nooit iets te zoeken in universiteiten. Jambon Jr. werd niet teruggefloten voor zijn uitspraken dat een hoger inschrijvingsgeld bij hoger onderwijs goed was omdat het zou bijdragen tot een betere elitevorming. Dat was geen aberratie of een jeugdige overdrijving: het is de kern van het neoliberale, revanchistische discours van de N-VA en de rechtervleugels van de Open Vld en de CD&V.

Daar wordt een saus overgegoten van “individuele verantwoordelijkheid” en “hard werken”, maar ik vraag me af hoe mensen als Alexander De Croo, Matthias De Clercq en al die andere zonen en dochters van (Vandenbossche, Tobback, Detiège, Michel, Wathelet, Daerden) dat met een ernstig gezicht kunnen zeggen, gepriviligeerd als ze zijn. Als individuele verantwoordelijkheid dan toch zo belangrijk is, waar zijn al die processen tegen oplichtende topbankiers, graaimanagers en grootfraudeurs? Zodra die tegen het licht gehouden worden, staat rechts op z’n Republikeins hysterisch te schreeuwen over stalinisme en communisme, en mogen rijke, wereldvreemde blanke mannen badinerende opiniestukjes leveren waarin ze zichzelf namens andere ondernemers als zwartepiet portretteren. Alsof de kleine ondernemer hen ook iets kan schelen. Die zitten in dezelfde kookpot van het precariaat, de arbeiders en de slinkende middenklasse. Ik stap uit en de radio valt onmiddellijk stil. Er is enkel de regen en wat lamlendig voorbijgaand verkeer.

Uit verstrooidheid neem ik de trap en bots ik op de nieuwe buren, die druk aan het verhuizen zijn. Ik stel mezelf even voor en vertel hen in één adem dat ik me vermorzeld voel door het idee dat niets van wat ik ooit zal doen of zeggen, goed genoeg is om écht te voldoen aan mijn eigen idealen, en dat ik me bovendien langs alle kanten belaagd voel door een veel te luide, intense wereld die verstoken lijkt van rechtvaardigheid. De nieuwe buren knikken begrijpend en we zingen samen Kumbaya. In werkelijkheid zeg ik gewoon m’n naam, vertel ik hen dat ze mijn kat wel zullen tegenkomen als die op muizenjacht is in de omgeving, en dat ze jammer genoeg niet altijd (nooit) kunnen rekenen op de syndique, die het appartementsgebouw ziet als een simpel wingewest. Het zijn vriendelijke mensen, die nieuwe buren.

De kat in kwestie blijkt onder het bed gekropen te zijn als ik binnen kom. Hij is bang van bliksem en donder. Ik lok hem vanuit zijn schuilplaats met droge brokjes voeding, een gongslag die hij niet kan weerstaan. “De maatschappij is geradicaliseerd, kleine vriend,” zeg ik hem, en hij luistert niet echt. Hij is gewoon blij met de aandacht die hij krijgt. Ik streel hem alsof je een hond zou strelen, en hij laat me zelfs aan zijn wat te dikke buikje komen. Daarna laat ik hem op zijn gemak eten, want zeg nu zelf, niemand wil onder het eten geaaid worden. Ik denk terug aan al die boze mensen die op onze huidige regering gestemd hebben, en allicht ook liefhebbende eigenaars zijn van honden, katten, parkieten of vissen. Is zeggen dat ze misleid werden, paternalistisch? Of kan ik hen mee verantwoordelijk houden voor de penibele situatie waarin ze nu duizenden Vlamingen gaan brengen?

Robin Williams is al twee dagen niet meer onder ons. Van zijn melige tearjerkers moest ik niet weten, maar met zijn standup comedy en zijn serieuzere rollen bezorgde hij de wereld blijvende geschenken. Comedy en depressie, die gaan samen als ongestrafte topbankiers en omheinde villa’s met zwembad. Als tiener wenste ik niets liever dan te zijn als al de rest en ook op zo’n pad terecht te komen naar ongekende weelde en macht. Het was niet voor me weggelegd. Ondanks alles heb ik dat toch al aanvaard.

Ik grijp weer terug naar muziek. M’n favoriete over-the-top dramatist Chris Corner van IAMX mag de omkadering verzorgen, en uitvergroten wat ik voel zonder dat ik er iets meer voor hoef te doen dan te luisteren. Een rilling trekt over m’n rug, armen en nek. Het is de soundtrack voor een emotionele post-apocalyps. Er bestaan mensen die daar naar streven – accelerationisten – die bewust stemmen op de meest extreem neoliberale kandidaten, in de hoop dat het systeem sneller ten val komt, en dat uit de asse daarvan een rechtvaardigere, betere wereld zal oprijzen. Ik denk dat dat een laf idee is. Ik wil blijven vechten. Om een beter persoon te worden. Om gelukkig te zijn. Om op zijn minst één keitje te kunnen verleggen in de enorme rivierbedding van de geschiedenis, en er voor te zorgen dat de wereld van morgen één tint warmer kan kleuren dan de wereld van vandaag.

woensdag 30 oktober 2013

Tuinmeubelmensen

's Ochtends beweeg ik op automatische piloot door m'n appartement alsof ik banen trek onder water in een claustrofobisch zwembad. Ik klamp me vast aan een script. Brooddoos uit de koelkast halen, in m'n pak glijden (geen das vandaag), sigaret roken. Het programma wordt verstoord door iemand anders die nog in bed ligt, en alleen al door haar aanwezigheid tegelijk mijn ontwaakproces versnelt en de slaapdronkenschap versterkt. Kon ik maar terug bij haar en in haar armen gaan liggen - of zij in de mijne, hier hoeft niet per se een punt gemaakt te worden. Nog even een kus tot afscheid. En een tweede. En waarom ook niet een derde. De kat zit al geduldig naast het bed, klaar om mijn plaats in te nemen en handig gebruik te maken van de nestwarmte die ik achterlaat.

Ik ben een boemerang in slow motion. De opgaande beweging begint met de trein, en de neergaande beweging van de dag eindigt er ook mee. Ik besef dat ik er al vaak woorden aan verspild heb, en weinig te zeggen heb over de eigenlijke werkdag, die zich tenslotte toch vijf dagen op zeven herhaalt en meer tijd inneemt dan het pendelen. Dat komt omdat er niet bijzonder veel te zeggen valt over teksten schrijven over banksoftware. M'n collega's zijn aangename mensen die niet gauw op de zenuwen werken (behalve als mijn overbuur na z'n dagelijkse fitness een halfuur doet over een enorm bord groenten en brood). Een andere reden is dat het allemaal nogal technisch is, maar laat me daar even een pauze voor inlassen, omdat ik goesting heb om de motorkap open te klappen van mijn pen.

Intussen ben ik genoeg bekend met het metier. Net als in m'n werkdagen volg ik een paradigma bij het schrijven van dit soort literaire broodjes paté. Het is meestal een s-curve als een ruggengraat: een begin om de lezer vast te houden (ontwaken en noodgedwongen een geliefde moeten laten verderslapen terwijl de kat loert), het dalen en opstijgen van redeneringen die aan elkaar geschakeld worden via metaforen en ander stilistisch ongein (hallo), om uiteindelijk als op een zweeppunt uit te komen bij de conclusie die ik wil meedelen (meestal een emotie, ijsgekoeld geserveerd). Vandaag zijn de conclusies echter uitverkocht omdat ik ook wat persoonlijke waar te slijten heb.

Ik heb geen zin te vaak terug te komen op de routineuze frustraties met de wereld en al die w-vragen die daarmee gepaard gaan, want niemand zal ze afdoende beantwoorden. Wie m'n teksten leest, staat trouwens toch al aan mijn kant, dus waarom zou ik moeite doen om godsbewijzen te leveren voor gelovigen? Toch moet me dit van het hart: ik begrijp helemaal niet hoe zo veel mensen net als ik dag in dag uit aanvaarden dat het verkeer in dit land een nachtmerrie is. Warme bedden zijn namelijk wel het verste van mijn lijf en leden als ik 's avonds in Brussel-Centraal ben. Bijna alle treinen hebben vertraging, ik moet twee keer wisselen van perron - geen geringe prestatie, aangezien Brussel-Centraal maar zes perrons telt - het is er veel te warm, het lawaai van krijsende treinremmen knalt overal van de plafonds en de pilaren, en er zijn ontzettend veel mensen die de weg blokkeren, rugzakken aan houden, te luid tegen elkaar staan te roepen of geen notie hebben van het feit dat ze een roltrap kunnen nemen in plaats van tegen het afdalende verkeer in de trap te nemen.

Je moet je dat niet aantrekken, zeggen sommige mensen. Ik verontschuldig me voor m'n lage irritatiedrempel. Maar moet ik dat in feite wel? Elke dag worden treinen afgeschaft, treinen die later zijn dan zes minuten worden niet in de statistieken opgenomen, en het debat aangaande het spoor wordt abstract gevoerd, alsof treinreizigers een lastig cijfer zijn. Voor de stevig betaalde middenpotentaatjes van de NMBS is dat allicht ook wel zo. Reizigers: vervelend. Personeel: bende zagen. Vakbonden: nooit content. Mensen met visie: naïeve dromers.

Dat laatste verwijt is een verwijt dat nog het meeste pijn doet van al. Het is de typische toevlucht voor mensen die liever de status quo niet veranderd zien. Ze beroemen zich op hun berusting. Het is altijd al zo geweest. De zaken zijn nu eenmaal zo. Het is mijn probleem niet. Je moet er zo gevoelig niet over zijn. Maar waar stonden we nu, als er geen mensen geweest waren die eens ferm tegen de stroom in wilden varen? Voor de goede verstaander heb ik het hier niet over mensen die anderen bevestigen in platte vooroordelen en zichzelf onterecht het etiket van rebel aanmeten. Dat is zo mogelijk nog ergerlijker. Er is niks gedurfd aan om vooroordelen op scherp te stellen.

Terug naar de pijn. Daar schrijven we weinig over, behalve in dagboekontboezemingen die alleen voor de schrijver ervan therapeutisch nut hebben, hoewel pijn universeel is. Ik kan toch niet de enige zijn die het benauwd krijgt van het geschraag van metalen wielen op metalen sporen? Wat het meeste pijn doet, ligt nu op m'n schoot in een opengeslagen Humo, en ik zal maar eerlijk zijn: de bijlage van de boekenbeurs. Tien relatief jonge auteurs uitgelicht, met profiel en stijlvolle foto. When do I get to sing 'My Way'? Misschien is het marketing en ben ik wel de banksoftware onder de schrijvers. Misschien ken ik te weinig Mensen Die Ertoe Doen of misschien ben ik niet marginaal genoeg. Misschien ben ik ook gewoon een prutser. Vast staat dat ik het mezelf niet makkelijk gemaakt heb door me te specialiseren in vier literaire takken waar de meeste uitgevers van knarsetanden. Ik schrijf kortverhalen, maar weinigen debuteren met bundelingen daarvan. Ik componeer poëzie, maar alleen Gerrit Komrij en Herman Van Rompuy hebben daar ooit geld mee verdiend. Ook heb ik 17 jaar gewerkt aan een vijfdelig sf-epos, in een literaire cultuur waar het veel goedkoper is om Angelsaksische schrijvers risicoloos te vertalen in plaats van een geschift risico te nemen. Tenslotte is er dit, deze gewelfde tranches de vie, die te groot bemeten zijn voor een krant of een tijdschrift, en dat tevens in een land waar de opinieerders elkaar al voor de voeten lopen.

Mag er er nog wat ergernis bij, nu ik hier toch sta in de zweetwalmen van Brussel-Centraal en ik noodgedwongen plaats moet ruimen voor een diplodocus met een aktentas die zich moet en zal langs me wurmen? Ik erger me aan wat ik Tuinmeubelmensen noem. Een onbestemd type middenklasser voor wie de hoogmis van het burgerbestaan eruit bestaat om tuinmeubelen te gaan kopen. Ik word omringd door dat soort mensen. Ze stoten me per ongeluk aan en ik zeg beleefd sorry, ze lopen elkaar voorbij in hun queeste naar wat Nietzsche het bruine geluk noemde, en als ze in m'n hoofd zouden kijken, zouden ze me allicht maar een zure intellectueel vinden. Waar haal ik het recht vandaan? Dat kan me aan m'n eeltige sluitspier roesten. Je moet je vijanden kiezen, en voor Tuinmeubelmensen zijn vijanden per definitie al iedereen die geen behagen schept in een bestaan dat afgeschermd wordt door keurig onderhouden hagen, en er een probleem mee heeft zichzelf voor te liegen. Door onszelf namelijk wijs te maken dat we allemaal gezellig middenklasse zijn, permitteren we ons aan de lopende band neerbuigendheid tegenover de onderklasse. Door onzelf voor te stellen als ruimdenkend, bubbelen de platste gemeenplaatsen eerst naar boven. Wie de goden willen verwoesten, die treffen ze eerst met tuinmeubelen, denk ik maar.

Uiteindelijk arriveer ik meer dan een uur te laat thuis, nadat ik me nog een brood gekocht heb. Als vier Daltons leg ik m'n sneeen brood naast elkaar op de plank. Het is witbrood, omdat het al was wat nog beschikbaar was in de lokale superette. Jonge Gouda en salami, avondeten van kampioenen in de amateurboosheid. De ergernis met de NMBS ebt langzaam weg, maar ik wil wel het momentum kunnen houden van de kwaadheid, in m'n hoofd inetsen dat we veel te veel accepteren als de normale gang van zaken, terwijl dat helemaal niet zou moeten. Ze trekken ons allemaal een zak over ons hoofd, denk ik, terwijl ik sta te kauwen aan m'n aanrecht.

Ik sta er ook bij stil dat ik niet bijzonder veel geluk heb gehad in het leven voor de dingen die er voor mij toe deden. Geluk op cruciale momenten, dat wel, zoals geboren worden in België of net niet omvergereden worden door een vrachtwagen toen ik een jaar of negen was. Maar nooit een pak geld dat eens uit de hemel is komen neerdalen, of een literaire hotshot die me oppikt uit de caféscène. Een bevriend dichter zei me ooit dat je je eigen circuit moet creeren, maar daar heb je ook een dagjob aan. Er is ook altijd die gemoedelijke stem die zegt dat ik niet mag klagen, want ik heb dit en dat en dit. Het is makkelijk om onthechting te prediken van dingen die je zelf niet interesseren, zeg ik, of om succes te relativeren dat je zelf al bereikt hebt. Niet dat ik het ook niet doe. Bedachtzaam kneed ik mijn ballen. De kat staat er bij en kijkt er naar.

Een dik uur later is er werkelijk een zak over m'n hoofd getrokken, in de vorm van een filmzaal, waar ik zit met Roman en twee vrienden van hem. Eén van hen is zo vriendelijk geweest op voorhand te informeren of het stoort dat ze popcorn zal eten. Het druilerige humeur van voordien, met een afdronk van onbeantwoorde vragen over waarom ik straks geen bladzijden zal zitten signeren op de Boekenbeurs en waarom alles zo verdomde traag gaat, is weg. Ik ben volop meegespoeld met de magie van de film ('Gravity'). Ik zit op het puntje van mijn stoel, voel me in het ruimtepak zitten van de acteurs. Alles klopt. De regie, de dialogen, de geluidseffecten, de cinematografie en de speciale effecten. Ik besef dat ik het voorrecht heb te kijken naar een zeldzaam magistrale film. Tijdens het kijken bekruipt me zelf geen seconde het verlangen om te roken.

Als beïnkte linten draaien de woorden uit mijn oren. Dat is wat cultuur kan doen. Ik zie er dieper van, preciezer, weet alles wat ik doe en zeg omvat door iets dat groter is dan mezelf. Terwijl ik naar huis wandel, voel ik nog altijd de terreur, de hoop en de berusting van de film. Mijn tred sleept niet langer, hij veert. Ik kan het tot het einde van m'n dagen betreuren dat m'n gevoeligheid tot gevolg heeft dat de dingen vaker pijn doen dan bij sommige anderen, maar ik zou het niet willen inwisselen voor de hoogtes waar schilderkunst, muziek, film en andere creatieve uitingen me naar kunnen opstuwen. Luister, ik wéét dat er iets scheelt aan hoe de filters in m'n hoofd werken, maar ik ben tenminste in interessant gezelschap.

Thuis wissel ik nog berichten uit met m'n lief. De linten van de mentale typmachine blijven volop draaien, volgeladen met indrukken die er uit moeten. Wat kan het me eigenlijk schelen dat ik niet met m'n kop op de achterflap van een hardcover sta? De boemerang wentelt terug richting bed. We wisselen nachtgroeten uit als digitale vogeltjes. De dingen kloppen terug allemaal. Laat de Tuinmeubelmensen maar proberen om me met m'n kritiek en gevoel af te serveren, of om te doen alsof kunst een hobby is voor mensen die het zichzelf graag moeilijk maken. Kunst is de redding. Het is troost, het is perspectief. Het is balsem en machinegeweer. Tenslotte is het daarom dat ik schrijf en zal blijven schrijven.