Over 'Onklare taal'
dinsdag 31 maart 2026
Hagalaz
woensdag 19 november 2025
Sådan var våren om hösten
woensdag 22 oktober 2025
Code oranje
dinsdag 29 juli 2025
De vijfde dag
Op de vijfde dag van de Schepping zou God de wezens hebben geschapen die de hemel en de oceanen bevolken, en op mijn vijfde werkdag op de nieuwe job voel ik me ook een beetje alsof ik daar tussenin hang. Aan de ene kant wordt m’n hoofd door een overdaad aan nieuwe kennis uitgerokken tot in de wolken, aan de andere kant zijn mijn voeten verzwaard door de even grote overdaad aan nieuwe gewoontes en gezichten die naar me lonken vanuit een poel van waanzin. Als dat geen veel te barokke metafoor was, weet ik het ook niet. Je bent opgerezen uit katholieke klei of je bent het niet, ook al is de Kerk in dit land een holle crypte geworden vol oude griezels.
Ik trap al vijf dagen bijna 20 kilometer in totaal tussen thuis en kantoor, door groene fietslanen van de stad waarvan ik voorheen het bestaan niet eens wist. Ze zijn recent aangelegd en grotendeels netjes. Als een cybernetische bypass verbinden ze oude delen van de binnen- en buitenstad. Ik glij langs de idyllisch genoemde Vissersdijk maar moet daarna over een fietsersbrug die bedacht lijkt door iemand wiens breinkronkels enkel in hoeken van 90 graden liepen. Ik mag als een koning zweven over fietsersbruggen van waarop ik het verkeer kan zien op de Watersportbaan (dat in beide richtingen en aan beide kanten voor me moet stoppen!) maar ik moet ook sinistere bochten nemen waar zichtbaarheid een goede grap is en die er tegen het najaar wellicht ronduit naargeestig zullen uitzien.
Dan de werkplek. De fintech heeft me weer eens binnengehaald en ik ben er goed onthaald, ook. Omdat het middenin de zomer is, is het er laagtij, maar de uitbarstingen van zotte energie en het arsenaal aan tools, termen en trivia waarin ik moet bijbenen laat vermoeden dat het er op springtij een corporate rave is van ongeziene proporties. Het zit er ook vol zotten, maar ik ben er zelf ook één, ook al weten ze dat nog niet echt. Er wordt veel gevloekt ook en veel geclasht. Iemand zegt lachend dat hij de “anti-Zelensky” is, wat dat ook mag betekenen. Een ander heeft de foute leeuw van de Vlaamse strijdvlag zitten fotoshoppen in een LBGTQ+-vlag. Iemand aanziet me verkeerdelijk voor iemand van 33. Ik weet al het halve relationele leven van drie collega’s na amper drie gesprekken en zonder er naar te vragen. Toen ik op de tweede dag opmerkte dat het er best “neurospicy” was, kreeg een collega de slappe lach. De baas is een selfmade man, de zoon van een bakker, die elektricien werd. De koelkast opent aan de verkeerde kant. Maak je eigen metafoor maar.
Met elke volgende dag raak ik er een klein beetje meer van overtuigd dat ik deze job zal kunnen. Op vlak van wat ik allemaal kan en weet ben ik niet vals bescheiden, maar de overrompeling hier was reëel, en ik had het eigenlijk al kunnen weten door het intense sollicitatieproces. Het leven heeft niet de neiging te doseren. Rond m’n verjaardag zat ik vast op vliegenpapier na een revalidatie van een ongeval en het rioolputje van een opzegtermijn die ik niet langer uit hoefde te doen, met enkel een vage vlek aan de horizon. Nu ben ik aan hoge snelheid terug gelanceerd in de flipperkast van het werkleven, moet ik over twee maand onder het mes en ga ik over twee weken totaal onverwacht naar het buitenland voor een weekend. We zien dezer dagen terecht een schilder als Hiëronymus Bosch meer als een visionair dan pakweg de Renaissance-schilders met hun “realistische” perspectieven en hun strenge nabootsingen van klassieke lijnen en patronen.
Eén van de grappige dingen daaraan is dat die Renaissance-artiesten en vele generaties kunstenaars na hen met de grootste sérieux standbeelden namaakten in hagelwit, zuiver marmer zonder een spatje verf of kleurstof, terwijl de oude Grieken en Romeinen hen beschilderden in carnavaleske kleuren. Toegegeven, reconstructies van die kleuren zien er ook voor mij uit als wansmakelijk, maar dat die wansmaak doodsbange reactionairen boos maakt, is geweldig. Op die manier heb ik ook altijd al geweten dat gegevens als fietsbanen en fintech aan de buitenkant lijken als doordeweekse, zelfs relatief saaie zaken, maar binnenin vaak een constante explosie van contradictorische glitter zijn. Zoals een recente connectie die ik onverwacht maakte zei met een mengeling van berusting en amusement: “isn’t life… funny?”.
dinsdag 8 april 2025
Bij de coiffeur
Aangezien de kapper die ik intussen al meer dan 7 jaar bezoek
heeft besloten zijn zaak te sluiten (met een nogal verwarrende uitleg op zijn
website), moest ik op zoek naar een andere. De meest logische kandidaat was een
kapsalon dat op nog geen 100 meter van mijn voordeur ligt en de deuren een jaar
of twee geleden geopend had. Omdat op voorhand afspreken er niet mogelijk is,
besluit ik er op een donderdagnamiddag naartoe te trekken – dat kan, omdat ik
nog steeds thuis zit in een beenbrace en een korset na een aanrijding in
februari waarbij ik twee ruggenwervels en mijn dijbeen brak. Als dit pijnlijk
klinkt: het is het ook.
Als ik binnenstap, zie ik direct al slecht nieuws, met minstens
vier mannen die nog voor mij zijn, maar als bij toverslag staat er direct al
één op want het is net zijn beurt. Op één donkerblonde jongen met puisten die
eruit ziet als een levend geworden touw na zijn alle andere mensen in de zaak
van Turkse origine, ook de coiffeur zelf. In een zetel tegen het venster zit
een wat oudere dikke man tegen de andere patrons luid te praten in het Turks.
Ze zeggen niet zo veel terug op wat grotendeels een monoloog zal blijken van
hem. Er zijn twee kappersstoelen en twee spiegels, maar slechts één coiffeur.
Ik heb al direct spijt dat ik geen boek meegebracht heb, want dit zou wel eens
lang kunnen gaan duren.
De dikke man richt zich tenslotte tot mij in het Nederlands
en vraagt nieuwsgierig of ik “ook iets aan de rug” heb. Ik leg hem uit wat mij
overkomen is en hij luistert aandachtig. Hij vertelt dan dat hij zelf bij een
arbeidsongeval op het werk slecht viel en ook zijn rug brak. Nu is hij al 6
maanden aan het revalideren, met uitstralingspijnen in afwisselend linker- en
rechterbeen (“en mijn linker- en rechterballen!” voegt hij er gretig
gesticulerend aan toe – het is duidelijk een zaak met een sfeer van mannen
onder elkaar). Hij zegt dat hij zijn dikke buik kwijt wil, waarmee ikzelf ook
kan sympathiseren, maar ik geloof niet dat zijn omvangrijke taille enkel het
gevolg is van thuis te zitten. Tevens blijkt dat hij hier na zijn knipbeurt
gewoon wat is blijven rondlummelen, maar na een koffie en een sigaret verdwijnt
hij dan toch op een veel te kleine scooter.
Het gaat een lange namiddag worden, besef ik als de stilte terug
is neergedaald in het kapsalon, want de coiffeur is ook een barbier en neemt uitvoerig
de tijd voor elke klant. Met nummer twee gaat het al met al nog vooruit, maar
tegen dat hij bijna klaar is met klant nummer drie – een sierlijke jongeman met
een verfijnd, wat melancholisch ogend gezicht – heb ik er al meer dan twee uur
op zitten in dezelfde zetel, in dezelfde positie. De school is uit. Een
bestelwagen veroorzaakt bijna een ongeval. Een erg vreemd bewegende man die
eruit ziet alsof hij geen controle heeft over zijn armen steekt over met
doodsverachting. Ik zie ook een randgehandicapt figuur papiertjes stoppen onder
ruitenwissers. Iedereen kent die briefjes wel, altijd van louche overkomende
bedrijven die zogezegd je auto voor goed geld willen overkopen. Gaat daar ooit
iemand op in? En nu zie ik dus live wie die briefjes komt bestellen. Een toffe
job zal het niet zijn, maar laten we hopen dat de man die ik bezig zie er niet
voor uitgebuit wordt.
Langzaamaan neemt mijn ergernis toe met het lange wachten,
maar als ik nu vertrek, dan heb ik al bijna 3 uur verspild voor niets. En het
is niet dat ik vandaag nog ergens verwacht wordt. Maar ik heb altijd al een enorme
haat gehad voor wachtruimtes waar geen zekerheid is wanneer de wachttijd opgeheven
wordt, of waar men zich simpelweg niet houdt aan de afgesproken agenda.
Wachtruimtes zijn machtruimtes waarin op scherp wordt gesteld dat wie wacht,
geen macht heeft en enkel hoort te ondergaan: bij tandartsen, in ziekenhuizen, in
luchthavens, in treinen die zonder aanwijsbare reden stilstaan, in digitale
conversaties die plots stilgevallen zijn en misschien nooit meer heropgestart
zullen worden. Niets helpt. Ik eet nog een muntsnoepje. Er komt een koppel
binnen van eind de veertig met drie energiedrankjes tussen hen in, maar laten
we zeggen dat het een harde eind de veertig is. De vrouw heeft een nogal
mottige geblondeerde uitgroei en de man gaat direct door naar de keuken zonder
iets te zeggen, waarna hij terugkeert en de vloer begint te vegen. Hij zegt de
hele tijd niets terwijl de vrouw praat met de coiffeur.
Intussen is het eindelijk aan de touwjongen, die rechtstaand
bijna tot aan het plafond van de zaak komt. Als de kapper zijn natgemaakte
haren naar voren kamt, ziet de jongen er plots uit alsof hij net ontsnapt is
uit een instelling. Het zothuis, zei men vroeger smalend. De luie denker in mij
denkt dat de wereld nu het zothuis is en dat de zotten er in de directie
zitten. Ten langen leste is het dan toch mijn beurt. De kapper heeft goed
verstaan hoe ik het wil. Hij is geïntrigeerd dat mijn ouders naar Zeeland
verhuisd zijn. Ik vertel hem dat er een complotdenker bestaat in Zeeland die
heilig gelooft dat de migratie van steeds meer Vlamingen naar Zeeuws-Vlaanderen
een Belgisch complot is om de regio te kunnen annexeren. De coiffeur is
enigszins geamuseerd. “Nog los van dat het onzin is, waarom zou België
dit zelfs doen?” De kapper stopt even en denkt na: “Ja, waarom eigenlijk. Goeie
vraag.”
dinsdag 18 februari 2025
Psychochronotopologie
vrijdag 7 februari 2025
Droge eskimo's
donderdag 25 juli 2024
Nee, gij zijt raar
donderdag 12 mei 2016
Vlees- en appelmoessafari
Het feit dat ik oppas om in de reflectie van het busraam niet mee te geven waar ik mee bezig ben aan de medepassagiers wijst toch nog op een residu van een 15-jarige schaamte. Plus: partnerkeuze blijft iets privé, uiteindelijk. De man achter mij hoeft niet te weten dat ik Mathilde (29) heb weggeklikt omdat ik vind dat ze een dikke neus heeft en zielig kijkt, maar dat ik Duckfase Jiska (30) wél rechts heb geswiped omdat ik vind dat ze nog iets heeft ondanks dat duckface.
Online dating stelt een massa vooroordelen en onaangename inzichten over jezelf en anderen helemaal op scherp. Ik scroll bijvoorbeeld door de foto's van Anneleen (34) en het stoort me al onmiddellijk dat haar hond in alle foto's staat. Ik denk dan, "ok, je hebt een hond, maar ik ga toch niet daten met je hond?". Of hoe enkel al de schrijfwijze van Nathaly (26) me een negatief gevoel geeft, hoewel dat perfect een erg lieve vrouw kan zijn. Dat is zakkig en ik weet het. Maar we doen het hier allemaal. Dit soort pietepeuterige kieskeurigheid wordt echter meer geaccepteerd vanwege vrouwen, die op blogs de draak steken met mannen wier glimmende torso's hun voornaamste attribuut blijken te zijn of die aan digitale dyslexie lijken te lijden in gruwelijk geschreven, creepy berichtjes. Van mijn kant erger ik me het meest aan het ontstellende gebrek aan creativiteit van de meeste profielen. De gemiddelde Vlaamse vrouw in mijn streek heeft ergens wel een foto met een glas wijn, een vakantiefoto met een prominent monument op de achtergrond, en nog een "gekke" foto met duckface, op een feestje of terwijl ze in de lucht springt.
zaterdag 19 maart 2016
Donker aan de rafels
Deze kamer vat m'n leven aardig samen, inclusief de grote, halflege vodkafles die aan de muur gespijkerd hangt (jaren geleden gekocht van een bevriende, voormalige cafébaas). Op het bureau liggen allerlei pillen die ik moet nemen tegen mijn chronische ziektes, een verstoord immuunsysteem dat zichzelf voortdurend aanvalt. De burgeroorlog in Syrië op moleculair niveau, als het ware. Er staat ook een fles cola en een half-opgegeten, opgerolde zak chips waar ik rustig vier dagen over doe om die op te maken. Niet te vergeten: ook de asbak staat er, die smerige recipiënt van het smerige afval van m'n al even smerige gewoonte. Gisteren hadden we het er nog over op café, of het zou kunnen dat men roken gewoonweg illegaal maakt binnen 30 jaar. Het lijkt me niet onmogelijk.
Gisteren, dat was ook een nieuwe expositie bezoeken in het SMAK, dat voor de gelegenheid de deuren wijd had opengezwaaid. Op het gelijkvloers was het een drukke bedoening rond lelijke en stomme objecten waarvan mijn broer Roman, zelf een soort kunstenaar, bijna agressief werd. Zo van die contemporaine kunst waar je ergens wel van vermoedt wat het zou kunnen betekenen, maar enkel in masturbatoire verhouding staat tot zichzelf, met geen vermoeden van technisch kunnen of boodschap die niet ergens te herleiden valt tot een postmoderne zaadvlek in een catalogus waar kunstkenners mensen massaal bij de neus nemen.
De bovenste verdiepingen waren interessanter. Levensgrote wall art, kartonnen decors die nagetekend waren in houtskool, met teksten erbij als uit een avonturenverhaal. Het was er bijzonder warm. Dan waren er de platen (etsen) in de kamer daarnaast, sombere metalen rechthoeken waar in goud en vlammen primitieve silhouetten gekerfd waren, vlammen en sterren, als een verre echo van de kunst van Lascaux tot de hiëratische mystiek van het Oude Egypte. Je ziet, een eind lullen, dat kan ik ook wel. Maar het sprak aan. Daar waren we het allemaal over eens.
Wat net zo veel bekijks oogstte van ons, waren de mensen die je typisch in een museum ziet rondlopen. Meisjes met kekke hoedjes en een soort 'lesbian chic', grijze mannen met véél jongere partners, hipsters met manbuns en de occasionele spuuglelijke persoon die je nergens anders tegenkomt dan in een museum. Veel mensen ook à la berlinette, volledig in strak zwart en met witte sneakers. Een amalgaam aan mensen waar de gemiddelde rechtse zak in een volkscafé een gloeiende hekel heeft. En waren we zelf niet even stereotiep? We waren met vijf, twee mannen met baarden, één met een snor, één vrouw met kort haar en één vrouw die door haar vriendinnen constant beschuldigd wordt dat ze een hipster is. Ik ben het daar niet mee eens maar misschien maakt mij dat ook wel een hipster.
Ik neem een voorzichtige slok van m'n glas, wil een sigaret aansteken en merk dat er al één lag op te branden in de asbak. De helft van m'n sigaretten die ik aansteek, rook ik niet eens volledig op. Ik zit te luisteren naar enkele nummers van Editors en glij mee op de aan de rafels donker gerande neopunk die zich steeds nadrukkelijker profileert als de second coming van U2. Dat is ok. Mensen schijten zo veel op U2 en om redenen die ik goed versta, maar dat neemt niet weg dat ze een back catalogue hebben die bijzonder veel respect verdient.
Ik denk ook terug aan de Sinksenfoor waar we door moesten waden toen we van het SMAK naar een café gingen. Ik weerstond aan de verleiding van vettig of gesuikerd eten en dacht aan al die herinneringen die opgeslagen liggen in die foor. Vorig jaar bezocht ik er nog een spookhuis op een lieve date met m'n toenmalige lief. Vier jaar geleden had ik er een date met iemand anders, een prelude op een doodgeboren relatie. Die relaties van me, die duren gemiddeld een jaar. Waarom is dat zo? Ligt het aan m'n eigen onmogelijkheid, of valt dat virus in m'n lichaam ook psychisch zichzelf aan? Ik weet het niet. Momenteel heb ik nog geen tijd voor nieuwe liefde. Er valt nog zo veel te lezen en te schrijven, en straks moet ik boterhammen smeren. Every move you make - breaks me. Every smile you fake - breaks me.
zondag 13 maart 2016
Zo vloeibaar en vluchtig mogelijk
Buslijn 3 geeft me een korte inkijk in het alledaagse leven van mensen die ik in mijn eigen sociale kringen zelden ontmoet. Ik herinner me uit mijn kindertijd dat we soms naar de pleegouders van mijn vader gingen en dat die mensen in Ledeberg woonden. Daar zag ik voor het eerst vuil op straat, m’n eerste verloederde huis en m’n eerste familie die duidelijk niet van Vlaamse afkomst was. Je kan je afvragen in wat voor melkwitte omgeving ik opgroeide, maar we spreken hier over de late jaren ’80, toen er nog geen Zwarte Zondagen geweest waren en terreur die het land kende, in hoofdzaak even blank was als het merendeel van de bevolking. Wat ik me herinner van door het venster van de auto te kijken naar die donkerder kindjes die op straat speelden en een man die er sjofel op zijn dorpel bij zat met een huid van bruin papier en een volle snor, is hetzelfde gevoel dat ik nu heb als ik door het busvenster binnen kijk in zo’n amateuristisch winkeltje. Daar zit een wereld waar ik niet thuis hoor, niet uit kom en allicht ook niet erg veel mee deel. Voor je denkt dat ik hier een beetje de oriëntalist uithang in eigen stad, nog dit: ik deel niet zo veel met het merendeel van mijn landgenoten. Sinds kort kijk ik wel weer tv en ik laat me altijd een goede pot voetbal smaken, maar wielrennen gaat aan mij voorbij, lekker koken interesseert me nauwelijks en er is geen enkele soap die ik volg. Maar bij die leefwereld kan ik me meer voorstellen want daar kom ik wél uit. Ik weet wat het is als grootouders, ooms en tantes schuine moppen tappen bij het kaarten en bij taart en koffie. Ik weet waar het hart van de wielertoerist sneller gaat van slaan.
Toen ik nog aan de Heuvelpoort woonde, dook ik ’s nachts soms onder in een andere wereld die als jongere vreemd en gesloten voelde. Dan ging ik relatief anoniem van café naar café en van club naar club. Ik wilde de gesprekken horen om vijf uur ’s ochtends op de Oude Beestenmarkt tussen veteranen van de nacht, of wilde toekijken hoe een straatgevecht ontstond in de Overpoort. Ik ben een cholericus dus er is iets voor nodig om me daarheen te brengen, omdat ik gruw van het idee ergens te zijn waar ik niet gewenst ben. Dus dronk ik een paar glazen en maakte ik me zo vloeibaar en vluchtig mogelijk. Als ik een vlieg op de muur geweest was, dan zou ik daar extatisch van geworden zijn. Zo luid en levendig als ik ben in mijn eigen sociale aquariums, zo stil en bedachtzaam werd ik bij het aanschouwen van een nieuwe, andere wereld.
Ex Emma zat niet graag op bus 3. De realiteit voor een jonge blonde vrouw is anders dan voor een vrij gewoon uitziende man van vooraan de 30. Het is een voorrecht dat ik me anoniem ergens kan bewegen. De toegang is me ook zelden geweigerd aan de deur van nachtclubs, tenzij misschien in échte m’as-tu-vugelegenheden. Die wereld van losjes over de schouders gedrapeerde golfsweaters en mocassins trekt me ook aan, maar niet in de mate dat de nachtbrakers, de migranten en de arbeiders mij boeien. Misschien is dat omdat ik, als ik pakweg te voet slenter door Nieuw Gent bij Zwijnaarde, iets lijk op te pikken dat dwars is, iets dat echt doorleefd is, hoewel zo snel weer vergeten. Wat moet ik met een snob die staat te pronken met een fles wijn van €80 op restaurant? Tegelijk ga ik nooit claimen dat ik een volksmens ben. Als er één mensensoort is die ik nog meer minacht dan de oranje gecrèmde, übergeföhnde Knokke le Zoute-mens, is het wel de hogere middenklasser die zich uit alle macht een volks imago probeert aan te meten. Denk liberale politici die stemmen ronselen op boerenmarkten. Denk middenstanders met een BMW en een Toyota die klagen dat ze het ook lastig hebben om rond te komen.
In een stad samenleven, het is niet simpel. Dat wisten ze ook al in Athene en Rome, met het typische cynisme van de sofisten en het sarcasme van satirici tot gevolg. Maar er schuilt ook altijd ruimte in voor verwondering. Als het niet was dat ik in Dublin in het midden van een plein een sociaal geval een drol zag leggen in zijn eigen handen, dan is het dat ik me stil afvraag waarom in Gent twee Turkse modewinkels aan weerszijden van de straat dezelfde naam hebben.
dinsdag 31 maart 2015
De laatste echte Belgen
Op de radio speelt een nummer van Katy Perry, één van de huidige avatars van de Amerikaanse popgeest. Ik betrek er onlogisch Saul Bellows 'Humboldt's Gift' bij, dat ik momenteel aan het lezen ben, waarin de genaamde Humboldt voortdurend kruisverwijzingen maakt tussen intellectuele theorieën, literaire figuren en massacultuur als sport, film en de geest van de democratie. De Amerikaanse geest, als er kan veralgemeend worden, is groots, luid en obees, een ding waar ik altijd vol verwondering naar sta te kijken. We zullen Katy Perry horen 'roaren' en even later zijn Kanye West en Jay-Z in Parijs, 'niggas' die het tot aan de sterren van het firmament geschopt hebben en hun ego meten met de Eiffeltoren. In Ledeberg zou zoiets niet passen.
Bellow diept in 'Humboldt's Gift' een anekdote op uit Wereldoorlog II, die zegt dat de Britten haast gek werden van de praatzieke Amerikanen, die voortdurend ongewild details van oorlogsplannen vrijgaven, maar dat de Duitsers die toch niet geloofden omdat ze dachten dat het opzettelijke misleidingen waren. De Europese geest, als ik die ook even mag veralgemenen, is er één die het gewicht torst van eeuwen van verraad. Wie op de juiste momenten z'n bek hield, die overleefde. Zelfs Odin zou dat advies al gegeven hebben in de håvamål, een codex met praktische adviezen voor de vikings, die onder andere stipuleerde dat je je geheimen maar best voor jezelf kan houden en dat je aan elke vreemde deur goed moet rondkijken om te zien of er geen vijanden op de loer liggen.
Hier zijn geen vijanden, in de veilige kooi van m'n auto. Ik raas langs een kerkhof. Ergens luidt toepasselijk een kerkklok, altijd brenger van onheil, maar het loden luiden verdwijnt mee met de volgende bocht, evenals het dodenakker. Ook over de dood had Odin het één en ander te zeggen: "Je veestapel sterft, je familie sterft, zelf sterf je ook - maar ik weet één ding dat nooit sterft: het oordeel over het leven van een overledene". Emma en ik hadden het nog over de dood, onlangs. Zij vreest de dood iets meer dan ik, maar waar ik liever mijn ouders zou overleven, zou zij het omgekeerde kiezen. Ik verlies liever dan verloren te worden, voor haar is verloren worden het minste kwaad. Er valt iets te zeggen voor respectievelijk het egoïsme en het altruïsme van beide stellingen. We hadden er geen oordeel over. Verschillen mogen immers bestaan.
Mijn wagen gaat onder een brug door, passeert een groezelige vzw en een schroothandelaar, en laat zich nogmaals ringen door een tweede brug, ditmaal een stuk lager en in een scherpe bocht. Tramsporen komen in zicht. Er zijn enkele cafés te zien, wegmarkeringen die zijn vervaagd, en verkeersborden waar geen enkele chauffeur ooit acht op slaat. Een collega van me die uit Binche komt, wilde me ooit eens "het echte Wallonië" tonen. Hij toonde een video van een parade langs los door elkaar heen gebouwde koterijen, bakstenen droefnishuizen en kneuterige beeldjes van uilen en Maria's op vensterbanken, die uiteraard allemaal rolluiken of gordijnen hadden. Ik moest hem teleurstellen en zeggen dat dat even goed in Vlaanderen had kunnen opgenomen worden. De belgitude der Belgen zit soms in de dingen waarvan we denken dat ze ons verdelen.
M'n ruitenwissers draaien overuren tot ik onder de flyover begin te rijden van de E17, die betonnen mastodont die de kern van Gent scheidt van haar belittekende onderbuik. Het middernachtnieuws is bijna klaar met de dieptepunten van de dag op te sommen. Ook de radio neemt 's nachts een andere vorm aan, intiemer, dieper, afgestemd op eenzamen die net als ik op een weekdag nog zo laat onderweg zijn naar huis. Heidegger vond de taal het huis van het zijn, maar ik geloof dat het eerder omgekeerd is: het huis is de taal van ons zijn. We zien onszelf in compartimenten, kamers, meubels, kelders. Jager-verzamelaars zouden hun geest nooit op die manier visualiseren. Al ons psychisch jargon is sedentair. We geven de dingen een plaats. We stoppen iets weg. Trauma's liggen begraven. Het geheugen is een archief.
Als een schaatser glij ik de bocht in die me op de binnenring brengt. Gebouwen worden hoger, rijvakken breder, en in de verte is al de Heuvelpoort in zicht, die al bij al bekeken op een bijzonder flauwe heuvel ligt. Misschien was hij vroeger hoger en is hij platgemalen door die talloze wielen die er overheen gereden zijn. Of misschien is hij vanzelf bescheidener geworden is alles behalve naam, gewoon door zich aan te passen aan zijn Belgische omgeving. In 'Waterland' schreef Graham Swift over de moeraslanden van het Engelse noordoosten als metafoor voor het verraderlijke, sombere en gesloten karakter van de mensen die er woonden, en Cyrus de Grote van Perzië meende dat zijn ruige land ruige, harde mannen gekweekt had. Wat kweken onze betonnen Gestalten, onze eindeloze werven en onze immer groeiende voorsteden? Ik zal voor één keer niet generaliseren, maar enkel voor mezelf spreken. Ze hebben me licht verloren gemaakt, maar altijd verwonderd. Ze hebben me geïrriteerd, maar leren beseffen dat je sommige verschillen moet nemen voor wat ze zijn. Ze leerden me dat ik me allicht nooit zal meten met het Empire State Building of een brullende leeuw zal zijn, maar dat ik in gedachten wel altijd kan schuilen voor de regen onder een lelijke flyover. Soms, in het holst van de nacht, denk ik dat ik bij de laatsten ben van de echte Belgen.
dinsdag 10 februari 2015
De Hitler van de Sleepstraat
"Wat is dat, 'normaal', hé?" zegt de therapeut.
"Tja, het is een containerbegrip, zeker. Normaliteit is per definitie vaag, ook al is de norm welomschreven. Normale mensen zullen vast niet bestaan."
Even later, als ik richting auto wandel, bekruipt me niet de eerste keer dat angstige gevoel dat ik ben opgegroeid met één versie van normaliteit die vervangen is door een andere. Ik ben niet veranderd, maar de wereld wel. Het nulpunt ligt elders dan waar het werd gevormd in mijn jeugd.
Francis Wheen beschrijft in zijn boek 'How mumbo-jumbo conquered the world' de gestage opmars van onzin sinds de late jaren '70, in alle geledingen van de maatschappij. Het is als een pletwals gerold over de normen en waarden die we voor zinvol en consistent houden, zoals logisch redeneringsvermogen, bewijsvoering, solidariteitsdenken en pragmatiek.
Ik passeer langs een Turks café waar een groep oudere mannen in een kring zit te babbelen en af en toe naar tv kijkt, waar een sportwedstrijd bezig is. Het is één ding om te zeggen dat die mannen en ik andere werelden bewonen en bevolken, en over weinig gedeelde ervaringen beschikken. Het is een andere zaak wat er gemeenschappelijk boven onze hoofden hangt. Denkers en opinieerders proberen in uithoeken van de media die nog niet meegezogen zijn in het Nieuwe Normaal, dapper weerstand te bieden aan onze cultuur van socio-economische nonsens. Zij doen dat met logica, met empathie, met cijfers. Ik zeg: het haalt niets uit. De religieuze ijver waarmee deze generatie marktzeloten hun geloof belijdt, is compleet immuun tegen logica. Moedwillige irrationaliteit valt niet te bekampen. Niet de beestachtigheid van ISIS, niet de wetenschapsontkenners van Amerika, niet opeenvolgende regeringen die onschuldigen doen boeten voor de financiële misdrijven van een elite.
Gelaten wacht ik aan het zebrapad om over te steken. Het is weer een drukke avond hier in dit transitdeel van Gent, waar de buurt van de dokken verstrengeld raakt in de buurt van de Sleepstraat. Op het plein aan de overkant staat een frituur te puffen uit zijn rookpijpje. Er priemt door de smalle venstertjes licht, voor zover die vensters al niet beplakt zijn met advertenties voor allerlei vettigs. Het verkeer luwt en ik steek over. Een auto stopt en ik steek m'n hand op. Dat moet niet, maar hoffelijkheid kost geen cent. Behoort dat soort fatsoen nog tot het Nieuwe Normaal? Rechtse partijen zetten nochtans graag in op beleefdheid, ook al hebben hun volgelingen vaak een stuitend gebrek aan manieren. Meer nog: in de cenakels van de macht is ploertigheid vaak een tactiek om het debat te doen ontsporen.
Ons Nieuwe Normaal is een hydra met duizenden koppen. Nadat progressief gezinden zich jarenlang murw hebben laten slaan door de voorposten van het theatrale regionalisme en de nonsensicale "Derde Weg" insloegen, waren ze in feite al rijp voor de slachtbank. Para's in het straatbeeld? We kunnen niet anders. Dienstverlening van het openbaar vervoer wurgen? Gaat niet anders. De superrijken vragen om een proportioneel iets grotere bijdrage? Staat niet in het regeerakkoord. Dat regeerakkoord dat zomaar ergens uit het niets materialiseerde alsof Gabriel het zelf in het oor van BDW gefluisterd had. En nu ben ik toch weer bezig in de val aan het trappen van met logica te bevechten wat helemaal niet logisch is.
Ik begraaf m'n handen dieper in m'n jas en verschuil m'n neus onder m'n sjaal. In de verte staat de auto trouw te wachten. Toen ik hierheen reed, een dik uur geleden, waren andere chauffeers naar me aan het flitsen omdat ik per ongeluk zonder lichten rondreed. Pas toen ik kon parkeren, had ik tijd om uit te vissen hoe die lichten aan moesten (normaal gaan ze altijd automatisch aan). Hier, nog een metafoor uit de grabbelton: de koplampen van de tientonner van de onzin zijn zo fel dat veel mensen er verbaasd in blijven staan als een bevende ree. Ik wacht nog op de eerste mainstreamanalist die uit zijn verdoving wil ontwaken en rechtuit zegt: "Dit gebeurt allemaal opzettelijk, we leven nu in een wereld waar irrationaliteit terug de bovenhand heeft."
De ironie ontgaat me niet dat de auto die ik nu van het slot haal, een bedrijfswagen is en dat ik deel ben van het probleem. Maar laat dat soort passieve medeplichtigheid geen goedkoop mikpunt worden om m'n punt minder scherp te maken. Ik ben immers niet diegene die macht heeft. Ik moet bitter lachen als ik mensen zich hoor opwinden over een vermeende politiek correcte elite. Was het maar waar dat die bestond en machtig was, maar elitaire intellectuelen hebben feitelijk geen fluit te zeggen in deze maatschappij, tenzij hun wereldbeeld oplijnt met onze hegemonie.
De motor slaat aan, de lichten worden ontstoken, de radio vult de auto met een track van Caribou. Dat kon erger. Ik vertrek en rol voorbij een buurtcafé. Ik spied naar binnen door de aangeslagen vensters om te zien of Homans' imaginaire marginalen daar met hun kinderen het belastinggeld zitten op te zuipen van de modale Vlaming. "Ik ben verkeerd begrepen!" Sure. Hitler was ook verkeerd begrepen. Hoe durf ik iemand met Hitler vergelijken? Mijn verontwaardiging is tenminste echt. Hitler staat nergens meer voor, behalve de Hij Die Niet Genoemd Mag Worden in één of ander debat.
Ach, niemand denkt over zichzelf als een slecht persoon. Onze zelfverklaarde zalmen van De Morgen zitten eveneens vol goede bedoelingen, maar een racistische uitschuiver wordt ook snel met de mantel der liefde bedekt. Intussen ben ik al bij het ovale punt waar de Turkse bakkerij die simpelweg 'Den Türk' heet, de omgeving domineert. Een jong koppel danst een woning uit. Zij met zwart haar, verliefd opgeslagen ogen, hij stoer en zelfzeker, in een modieuze jeans. In het donker is het het raden naar hun etnie, en wat maakt het ook uit? Voor mij alleszins niets. Mijn eigen Normaal bestaat nog altijd, zij het sterk bedreigd en omheind binnen m'n eigen leefwereld, een plek waar superdiversiteit een gegeven is waar mee moet geleefd worden, waar mensen niet per se uit zijn op enkel het eigen gewin, en waar ik in de eerste plaats niet in therapie had moeten zitten omwille van de corrosie van deze maatschappij. Maar ik functioneer. Ik druk het gaspedaal in als het groen wordt, en schiet de binnenring op in één rechte lijn.
donderdag 14 augustus 2014
Een toast op de revanche
Er is heel veel woede. Veel mensen zijn boos op de Vlaamse regering, die nu zoals volledig te verwachten viel, het mes zet in allerlei uitgaven waarvan ze denkt dat ze die nog het beste kan missen, en het meest van al de zo geroemde gewone m/v in de straat treffen. Ik denk niet dat Geert Bourgeois en co wakker liggen van dat protest, vaak aangevuld met opiniestukken waarin benadrukt wordt dat er achter die ‘besparingen’ menselijke verhalen schuil gaan. Hier is mijn opinie: het kan hen eigenlijk niet alleen niet zo veel schelen (hoe lang zou het geleden zijn dat de gemiddelde minister een arme van dichtbij zag), ik denk dat sommige neoliberale coryfeeën er zelfs van genieten.
Dat is een zware beschuldiging, en een mens kan zich afvragen of dat geen olie op het vuur gieten is, maar misschien is er effectief nog wat meer olie nodig als we ons niet willen blindstaren op enkel de symptomen. Sommige rechtse politici en hun kiezers zijn revanchisten – mensen die al jaren lang rondlopen met een chronische wrok tegen het systeem. Ik herinner me nog goed de eerste keer dat ik Bart De Wever op tv zag, zo rond 2004. Toen al was duidelijk dat hij een meester was van de snedige comeback en niet alleen niet bijzonder sympathiek was, maar daar nog prat op ging ook. Wat me toen ook opviel was hoe kwaad die man mij leek, een kil soort kwaadheid die met de jaren gecultiveerd en bijgesneden was. Dat ben ik nooit vergeten.
Ik maak me even los van mijn computerscherm en ga de trap af naar m’n auto, want die moet volgetankt worden. Het regent heviger nu. Onderweg bliksemt het zelfs, en kom ik op m’n pad weer wegenwerken tegen die er voordien niet waren. Het lijkt wel alsof Gent bevolkt wordt door autonome von Neumann-machines, die zichzelf onder de vorm van werven blijven dupliceren. Waarvan toch die bouwijver altijd? De Ierse komiek Dylan Moran zag er in de woeste Vlaamse bouwnijverheid een vorm van therapie in waarin we ons afreageerden, omdat het volgens hem niet kon dat een volk op straat zo wellevend was. Ze moesten hun negatieve emoties toch ergens in kwijt?
Veel mensen geloven dat er aan de basis van de wereld een natuurlijke orde ligt, en dat die orde dient gerespecteerd te worden. Neoliberalisme presenteert zich als zo’n orde: werk hard, en je komt er vanzelf. Vreemd dan, dat de allerrijksten in de maatschappij bijna allemaal oude blanke mannen zijn die al in rijke middens opgroeiden. Zeker, er waren er bij die uit armoedige omstandigheden kwamen, maar de verzorgingsstaat van de jaren ’60 werkte anders dan nu. Velen zijn de ladder opgeklommen, beschrijft psycholoog Paul Verhaeghe, om daarna te helpen ze omver te duwen voor wie na hen kwam. Want: “ik heb ook hard gewerkt”. Joseph E. Stiglitz beschrijft in zijn boek ‘De prijs van ongelijkheid’ dat ongeveer 50 jaar tussen 1930 en 1980 anomaal waren in de wereldgeschiedenis, waarin de kloof tussen de haves en de havenots verkleinde. Die anomalie heeft bij sommige mensen diepe sporen nagelaten.
Reactionairen van allerlei slag bedienen zich dan ook vaak van de slachtofferretoriek. Alleen zo kan je verklaren dat een ongelooflijk dom opiniestuk als “Heette ik maar Fatima” het daglicht kon zien. De moordpartij van Anders Breivik was gebaseerd op het waanidee dat mensen als hem “onderdrukt” werden door het socialisme, en shooting spree killer Eliot Rodgers haatte minderheden en vrouwen omdat de eersten hem “het recht” zouden ontzegd hadden op de laatsten. Ik stel idiote opinieerders, terroristen, moordenaars met haatmotieven en rechtse politici niet op één lijn, maar er loopt wel een rode draad door: de genoegdoening. N-VA wijst Walen en socialisten met de vinger voor alle problemen, en veel mensen stappen daar in mee. Nee, het kan niet de schuld zijn van een waanzinnig veeleisend neoliberaal systeem – door Bleri Lleshi treffend een “strafstaat” genoemd – dat veel mensen ongelukkig, depressief en boos zijn, het is ofwel hun eigen schuld, of de schuld van de buurman die te lang aan de tepels mocht zuigen van moeder staatskas. De echte schuldigen blijven onzichtbaar en buiten schot, want zij vertegenwoordigen de natuurlijke orde. Comme il faut. Intussen is m’n auto volgetankt en wel, na gepruts met de slang en de stang, en een voorbijgaande gedachte dat het systeem op een rare manier voelt als een penetratie: ik moet geen luik openen, gewoon de slang erin rammen. Waarom heb ik mijn auto ook Evi genoemd? Gelukkig heb ik geen ex-partner die zo heet.
Een goede vriend van mij is al jarenlang actief in het onderwijs voor kansarmen en jongeren die overal al buiten gegooid zijn. Gebroken gezinnen, gedragsproblemen, laaggeletterdheid. Soms lijkt die klasse mensen onverbeterlijk hopeloos, en vragen we ons af waarom we daar met z’n allen geld en middelen in blijven investeren. De laatste jaren merkt die vriend dat de randgevallen in die groep – wat ze in het Engels ‘the precariat’ noemen, één stap verwijderd van de marginaliteit – niet meer mee kunnen. Normaal waren dat de mensen die ze nog net kwijt konden in beschutte werkplaatsen of die ze semi-zelfstandig konden laten wonen. Alles moet harder, sneller, bewezener. Er is een groeiende klasse werkende armen, overal in het Westen, en langzaam gaan we weer terug naar af. Der Untergang des Abendlandes, inderdaad, maar niet zoals Oswald Spengler het zich voorgesteld had. Ik vind parkeerplaats, maar blijf even staan omdat ik aan het luisteren ben naar de live-uitzending van Pukkelpop op Studio Brussel.
Na een tijdje komt Netsky op, met zijn nieuwe hit waarvoor Beth Ditto de stem leverde. Het is compromisloze, dramatische drum & basspop, en ik zet het knalhard. Muziek is catharsis. Ik sluit m’n ogen en voel me even een beetje opgetild worden uit die poel aan regenwater. Het verlof is begonnen, en één van de gewichten die aan mijn armen en benen hangt, is nu voor even weg. Het oordeel is echter onverbiddelijk: binnenkort moet ik weer in therapie. M’n depressie is weliswaar geen gevolg van onze Vlaamse gerontocratische regering, maar ze helpt zeker niet. Ik ben één van die mensen die in de ogen van hun soort weinig genade vindt: onhandig, links, literair, en niet behept met het talent om bullshit zomaar voor waar aan te nemen omdat iemand in een politiek dwergenlandschap een retorische reus is.
De ironie van het gebrek aan goede redenaars op onze politieke Bühne is dat één van de enige momenten van oprechte welbespraaktheid van Tobback Jr. hem tijdens de verkiezingen enkel maar spot opleverden. Sociaaldemocraten hangen al meer dan 20 jaar in de touwen in West-Europa, onmachtig om antwoorden te formuleren, vaak ook medeplichtig aan hun eigen ondergang. Zoals Tony Blair, DSK of Gerhard Schröder.
De kans is belachelijk groot dat ik net tot mijn ouders zal eindigen in de lagere middenklasse, als ik dat bruine geluk al vind. De barrières die de Thatchers, Reagans, Bushes, Ruttes, Berlusconi’s en Bourgeois van deze wereld opwerpen, dienen om die ‘natuurlijke orde’ in ere te herstellen. Het gespuis had nooit iets te zoeken in universiteiten. Jambon Jr. werd niet teruggefloten voor zijn uitspraken dat een hoger inschrijvingsgeld bij hoger onderwijs goed was omdat het zou bijdragen tot een betere elitevorming. Dat was geen aberratie of een jeugdige overdrijving: het is de kern van het neoliberale, revanchistische discours van de N-VA en de rechtervleugels van de Open Vld en de CD&V.
Daar wordt een saus overgegoten van “individuele verantwoordelijkheid” en “hard werken”, maar ik vraag me af hoe mensen als Alexander De Croo, Matthias De Clercq en al die andere zonen en dochters van (Vandenbossche, Tobback, Detiège, Michel, Wathelet, Daerden) dat met een ernstig gezicht kunnen zeggen, gepriviligeerd als ze zijn. Als individuele verantwoordelijkheid dan toch zo belangrijk is, waar zijn al die processen tegen oplichtende topbankiers, graaimanagers en grootfraudeurs? Zodra die tegen het licht gehouden worden, staat rechts op z’n Republikeins hysterisch te schreeuwen over stalinisme en communisme, en mogen rijke, wereldvreemde blanke mannen badinerende opiniestukjes leveren waarin ze zichzelf namens andere ondernemers als zwartepiet portretteren. Alsof de kleine ondernemer hen ook iets kan schelen. Die zitten in dezelfde kookpot van het precariaat, de arbeiders en de slinkende middenklasse. Ik stap uit en de radio valt onmiddellijk stil. Er is enkel de regen en wat lamlendig voorbijgaand verkeer.
Uit verstrooidheid neem ik de trap en bots ik op de nieuwe buren, die druk aan het verhuizen zijn. Ik stel mezelf even voor en vertel hen in één adem dat ik me vermorzeld voel door het idee dat niets van wat ik ooit zal doen of zeggen, goed genoeg is om écht te voldoen aan mijn eigen idealen, en dat ik me bovendien langs alle kanten belaagd voel door een veel te luide, intense wereld die verstoken lijkt van rechtvaardigheid. De nieuwe buren knikken begrijpend en we zingen samen Kumbaya. In werkelijkheid zeg ik gewoon m’n naam, vertel ik hen dat ze mijn kat wel zullen tegenkomen als die op muizenjacht is in de omgeving, en dat ze jammer genoeg niet altijd (nooit) kunnen rekenen op de syndique, die het appartementsgebouw ziet als een simpel wingewest. Het zijn vriendelijke mensen, die nieuwe buren.
De kat in kwestie blijkt onder het bed gekropen te zijn als ik binnen kom. Hij is bang van bliksem en donder. Ik lok hem vanuit zijn schuilplaats met droge brokjes voeding, een gongslag die hij niet kan weerstaan. “De maatschappij is geradicaliseerd, kleine vriend,” zeg ik hem, en hij luistert niet echt. Hij is gewoon blij met de aandacht die hij krijgt. Ik streel hem alsof je een hond zou strelen, en hij laat me zelfs aan zijn wat te dikke buikje komen. Daarna laat ik hem op zijn gemak eten, want zeg nu zelf, niemand wil onder het eten geaaid worden. Ik denk terug aan al die boze mensen die op onze huidige regering gestemd hebben, en allicht ook liefhebbende eigenaars zijn van honden, katten, parkieten of vissen. Is zeggen dat ze misleid werden, paternalistisch? Of kan ik hen mee verantwoordelijk houden voor de penibele situatie waarin ze nu duizenden Vlamingen gaan brengen?
Robin Williams is al twee dagen niet meer onder ons. Van zijn melige tearjerkers moest ik niet weten, maar met zijn standup comedy en zijn serieuzere rollen bezorgde hij de wereld blijvende geschenken. Comedy en depressie, die gaan samen als ongestrafte topbankiers en omheinde villa’s met zwembad. Als tiener wenste ik niets liever dan te zijn als al de rest en ook op zo’n pad terecht te komen naar ongekende weelde en macht. Het was niet voor me weggelegd. Ondanks alles heb ik dat toch al aanvaard.
Ik grijp weer terug naar muziek. M’n favoriete over-the-top dramatist Chris Corner van IAMX mag de omkadering verzorgen, en uitvergroten wat ik voel zonder dat ik er iets meer voor hoef te doen dan te luisteren. Een rilling trekt over m’n rug, armen en nek. Het is de soundtrack voor een emotionele post-apocalyps. Er bestaan mensen die daar naar streven – accelerationisten – die bewust stemmen op de meest extreem neoliberale kandidaten, in de hoop dat het systeem sneller ten val komt, en dat uit de asse daarvan een rechtvaardigere, betere wereld zal oprijzen. Ik denk dat dat een laf idee is. Ik wil blijven vechten. Om een beter persoon te worden. Om gelukkig te zijn. Om op zijn minst één keitje te kunnen verleggen in de enorme rivierbedding van de geschiedenis, en er voor te zorgen dat de wereld van morgen één tint warmer kan kleuren dan de wereld van vandaag.
woensdag 30 oktober 2013
Tuinmeubelmensen
Ik ben een boemerang in slow motion. De opgaande beweging begint met de trein, en de neergaande beweging van de dag eindigt er ook mee. Ik besef dat ik er al vaak woorden aan verspild heb, en weinig te zeggen heb over de eigenlijke werkdag, die zich tenslotte toch vijf dagen op zeven herhaalt en meer tijd inneemt dan het pendelen. Dat komt omdat er niet bijzonder veel te zeggen valt over teksten schrijven over banksoftware. M'n collega's zijn aangename mensen die niet gauw op de zenuwen werken (behalve als mijn overbuur na z'n dagelijkse fitness een halfuur doet over een enorm bord groenten en brood). Een andere reden is dat het allemaal nogal technisch is, maar laat me daar even een pauze voor inlassen, omdat ik goesting heb om de motorkap open te klappen van mijn pen.
Intussen ben ik genoeg bekend met het metier. Net als in m'n werkdagen volg ik een paradigma bij het schrijven van dit soort literaire broodjes paté. Het is meestal een s-curve als een ruggengraat: een begin om de lezer vast te houden (ontwaken en noodgedwongen een geliefde moeten laten verderslapen terwijl de kat loert), het dalen en opstijgen van redeneringen die aan elkaar geschakeld worden via metaforen en ander stilistisch ongein (hallo), om uiteindelijk als op een zweeppunt uit te komen bij de conclusie die ik wil meedelen (meestal een emotie, ijsgekoeld geserveerd). Vandaag zijn de conclusies echter uitverkocht omdat ik ook wat persoonlijke waar te slijten heb.
Ik heb geen zin te vaak terug te komen op de routineuze frustraties met de wereld en al die w-vragen die daarmee gepaard gaan, want niemand zal ze afdoende beantwoorden. Wie m'n teksten leest, staat trouwens toch al aan mijn kant, dus waarom zou ik moeite doen om godsbewijzen te leveren voor gelovigen? Toch moet me dit van het hart: ik begrijp helemaal niet hoe zo veel mensen net als ik dag in dag uit aanvaarden dat het verkeer in dit land een nachtmerrie is. Warme bedden zijn namelijk wel het verste van mijn lijf en leden als ik 's avonds in Brussel-Centraal ben. Bijna alle treinen hebben vertraging, ik moet twee keer wisselen van perron - geen geringe prestatie, aangezien Brussel-Centraal maar zes perrons telt - het is er veel te warm, het lawaai van krijsende treinremmen knalt overal van de plafonds en de pilaren, en er zijn ontzettend veel mensen die de weg blokkeren, rugzakken aan houden, te luid tegen elkaar staan te roepen of geen notie hebben van het feit dat ze een roltrap kunnen nemen in plaats van tegen het afdalende verkeer in de trap te nemen.
Je moet je dat niet aantrekken, zeggen sommige mensen. Ik verontschuldig me voor m'n lage irritatiedrempel. Maar moet ik dat in feite wel? Elke dag worden treinen afgeschaft, treinen die later zijn dan zes minuten worden niet in de statistieken opgenomen, en het debat aangaande het spoor wordt abstract gevoerd, alsof treinreizigers een lastig cijfer zijn. Voor de stevig betaalde middenpotentaatjes van de NMBS is dat allicht ook wel zo. Reizigers: vervelend. Personeel: bende zagen. Vakbonden: nooit content. Mensen met visie: naïeve dromers.
Dat laatste verwijt is een verwijt dat nog het meeste pijn doet van al. Het is de typische toevlucht voor mensen die liever de status quo niet veranderd zien. Ze beroemen zich op hun berusting. Het is altijd al zo geweest. De zaken zijn nu eenmaal zo. Het is mijn probleem niet. Je moet er zo gevoelig niet over zijn. Maar waar stonden we nu, als er geen mensen geweest waren die eens ferm tegen de stroom in wilden varen? Voor de goede verstaander heb ik het hier niet over mensen die anderen bevestigen in platte vooroordelen en zichzelf onterecht het etiket van rebel aanmeten. Dat is zo mogelijk nog ergerlijker. Er is niks gedurfd aan om vooroordelen op scherp te stellen.
Terug naar de pijn. Daar schrijven we weinig over, behalve in dagboekontboezemingen die alleen voor de schrijver ervan therapeutisch nut hebben, hoewel pijn universeel is. Ik kan toch niet de enige zijn die het benauwd krijgt van het geschraag van metalen wielen op metalen sporen? Wat het meeste pijn doet, ligt nu op m'n schoot in een opengeslagen Humo, en ik zal maar eerlijk zijn: de bijlage van de boekenbeurs. Tien relatief jonge auteurs uitgelicht, met profiel en stijlvolle foto. When do I get to sing 'My Way'? Misschien is het marketing en ben ik wel de banksoftware onder de schrijvers. Misschien ken ik te weinig Mensen Die Ertoe Doen of misschien ben ik niet marginaal genoeg. Misschien ben ik ook gewoon een prutser. Vast staat dat ik het mezelf niet makkelijk gemaakt heb door me te specialiseren in vier literaire takken waar de meeste uitgevers van knarsetanden. Ik schrijf kortverhalen, maar weinigen debuteren met bundelingen daarvan. Ik componeer poëzie, maar alleen Gerrit Komrij en Herman Van Rompuy hebben daar ooit geld mee verdiend. Ook heb ik 17 jaar gewerkt aan een vijfdelig sf-epos, in een literaire cultuur waar het veel goedkoper is om Angelsaksische schrijvers risicoloos te vertalen in plaats van een geschift risico te nemen. Tenslotte is er dit, deze gewelfde tranches de vie, die te groot bemeten zijn voor een krant of een tijdschrift, en dat tevens in een land waar de opinieerders elkaar al voor de voeten lopen.
Mag er er nog wat ergernis bij, nu ik hier toch sta in de zweetwalmen van Brussel-Centraal en ik noodgedwongen plaats moet ruimen voor een diplodocus met een aktentas die zich moet en zal langs me wurmen? Ik erger me aan wat ik Tuinmeubelmensen noem. Een onbestemd type middenklasser voor wie de hoogmis van het burgerbestaan eruit bestaat om tuinmeubelen te gaan kopen. Ik word omringd door dat soort mensen. Ze stoten me per ongeluk aan en ik zeg beleefd sorry, ze lopen elkaar voorbij in hun queeste naar wat Nietzsche het bruine geluk noemde, en als ze in m'n hoofd zouden kijken, zouden ze me allicht maar een zure intellectueel vinden. Waar haal ik het recht vandaan? Dat kan me aan m'n eeltige sluitspier roesten. Je moet je vijanden kiezen, en voor Tuinmeubelmensen zijn vijanden per definitie al iedereen die geen behagen schept in een bestaan dat afgeschermd wordt door keurig onderhouden hagen, en er een probleem mee heeft zichzelf voor te liegen. Door onszelf namelijk wijs te maken dat we allemaal gezellig middenklasse zijn, permitteren we ons aan de lopende band neerbuigendheid tegenover de onderklasse. Door onzelf voor te stellen als ruimdenkend, bubbelen de platste gemeenplaatsen eerst naar boven. Wie de goden willen verwoesten, die treffen ze eerst met tuinmeubelen, denk ik maar.
Uiteindelijk arriveer ik meer dan een uur te laat thuis, nadat ik me nog een brood gekocht heb. Als vier Daltons leg ik m'n sneeen brood naast elkaar op de plank. Het is witbrood, omdat het al was wat nog beschikbaar was in de lokale superette. Jonge Gouda en salami, avondeten van kampioenen in de amateurboosheid. De ergernis met de NMBS ebt langzaam weg, maar ik wil wel het momentum kunnen houden van de kwaadheid, in m'n hoofd inetsen dat we veel te veel accepteren als de normale gang van zaken, terwijl dat helemaal niet zou moeten. Ze trekken ons allemaal een zak over ons hoofd, denk ik, terwijl ik sta te kauwen aan m'n aanrecht.
Ik sta er ook bij stil dat ik niet bijzonder veel geluk heb gehad in het leven voor de dingen die er voor mij toe deden. Geluk op cruciale momenten, dat wel, zoals geboren worden in België of net niet omvergereden worden door een vrachtwagen toen ik een jaar of negen was. Maar nooit een pak geld dat eens uit de hemel is komen neerdalen, of een literaire hotshot die me oppikt uit de caféscène. Een bevriend dichter zei me ooit dat je je eigen circuit moet creeren, maar daar heb je ook een dagjob aan. Er is ook altijd die gemoedelijke stem die zegt dat ik niet mag klagen, want ik heb dit en dat en dit. Het is makkelijk om onthechting te prediken van dingen die je zelf niet interesseren, zeg ik, of om succes te relativeren dat je zelf al bereikt hebt. Niet dat ik het ook niet doe. Bedachtzaam kneed ik mijn ballen. De kat staat er bij en kijkt er naar.
Een dik uur later is er werkelijk een zak over m'n hoofd getrokken, in de vorm van een filmzaal, waar ik zit met Roman en twee vrienden van hem. Eén van hen is zo vriendelijk geweest op voorhand te informeren of het stoort dat ze popcorn zal eten. Het druilerige humeur van voordien, met een afdronk van onbeantwoorde vragen over waarom ik straks geen bladzijden zal zitten signeren op de Boekenbeurs en waarom alles zo verdomde traag gaat, is weg. Ik ben volop meegespoeld met de magie van de film ('Gravity'). Ik zit op het puntje van mijn stoel, voel me in het ruimtepak zitten van de acteurs. Alles klopt. De regie, de dialogen, de geluidseffecten, de cinematografie en de speciale effecten. Ik besef dat ik het voorrecht heb te kijken naar een zeldzaam magistrale film. Tijdens het kijken bekruipt me zelf geen seconde het verlangen om te roken.
Als beïnkte linten draaien de woorden uit mijn oren. Dat is wat cultuur kan doen. Ik zie er dieper van, preciezer, weet alles wat ik doe en zeg omvat door iets dat groter is dan mezelf. Terwijl ik naar huis wandel, voel ik nog altijd de terreur, de hoop en de berusting van de film. Mijn tred sleept niet langer, hij veert. Ik kan het tot het einde van m'n dagen betreuren dat m'n gevoeligheid tot gevolg heeft dat de dingen vaker pijn doen dan bij sommige anderen, maar ik zou het niet willen inwisselen voor de hoogtes waar schilderkunst, muziek, film en andere creatieve uitingen me naar kunnen opstuwen. Luister, ik wéét dat er iets scheelt aan hoe de filters in m'n hoofd werken, maar ik ben tenminste in interessant gezelschap.
Thuis wissel ik nog berichten uit met m'n lief. De linten van de mentale typmachine blijven volop draaien, volgeladen met indrukken die er uit moeten. Wat kan het me eigenlijk schelen dat ik niet met m'n kop op de achterflap van een hardcover sta? De boemerang wentelt terug richting bed. We wisselen nachtgroeten uit als digitale vogeltjes. De dingen kloppen terug allemaal. Laat de Tuinmeubelmensen maar proberen om me met m'n kritiek en gevoel af te serveren, of om te doen alsof kunst een hobby is voor mensen die het zichzelf graag moeilijk maken. Kunst is de redding. Het is troost, het is perspectief. Het is balsem en machinegeweer. Tenslotte is het daarom dat ik schrijf en zal blijven schrijven.