Over 'Onklare taal'

'Onklare taal' is de verzamelnaam van diverse tekstprojecten van mijn hand. Dit is de afdeling columns en microstories daarvan. In 2017 bracht ik 'In de vorm van een vogel' uit, een bundeling van de beste 99 teksten van dit genre tot op dat punt, netjes geredigeerd en per seizoen geordend. Je kan die antologie gratis downloaden als je Patron wordt. De weg een beetje kwijt? Mijn eigenlijke website, die ook 'Onklare taal' heet, verwelkomt je.

donderdag 8 augustus 2013

Anton in Dublin - dag 1

All these moments will be lost like shit in the park

Omdat het vliegtuig richting Dublin vanuit Charleroi ‘s ochtends vroeg vertrekt, zie ik geen andere keuze dan de hele nacht opblijven. Normaal kost me dat geen enkele moeite, aangezien m’n bioritme tijdens het verlof de neiging heeft om zich op een nachtspoor te leggen. Dit blijkt echter de eerste nacht te zijn waarin ik tegen twee uur ’s nachts echter al moet vechten tegen de slaap. Ik eet een vies blikje makreelfilet, maak een sterke koffie en check nog twee keer alle bagage als bezigheidstherapie tot Natasha wakkerwordt en de andere reisgenoten arriveren: de helmboswuivende Freona, Lucius en Tiësto.

De autorit wordt alvast een beproeving voor m’n wervelkolom. Een auto voor vijf personen is nooit echt een auto voor vijf personen, zeker niet als je je op de achterbank bevindt met voor je twee lopende meter stand-up comedian als Lucius. De laatste ronde punten, geheel opgetrokken volgens het Belgisch surrealisme, dat in Charleroi de vorm aanneemt van een permanente bruine vlek, zijn de lastigste, en eens in de luchthaven zelf loop ik verloren tussen de grillige corridors aan humeurige mensen en krijsende kinderen. Luchthavens: toch wel deel van de hellecirkels van het leven van de middenklasse.

Wat wel goed is aan een luchthaven, is de smakeloosheid ervan. Dat dempt een onmiddellijke cultuurschok. Naast de zeelucht en het Gaelic is er weinig dat zou doen vermoeden dat we in Ierland zijn als we lummelend wachten op een taxi. Vanuit die taxi doet Dublin vooral denken aan Noord-Engeland, waar ik vroeger zo vaak geweest ben: rode baksteen, verwilderde voortuintjes, laag hangende opschriften voor smoezelige winkels en cafés, en iedereen rijdt er links. Er zit ook vast een grap in de letterafkorting van Ierse nummerplaten (IRL) die al een miljoen keer door toeristen gemaakt is.

Het hostel is een normale Toren van Babel van allerlei talen en nationaliteiten. Vooral Engelsen, maar ook kuddes Spanjaarden. Aan de linkervleugel prijkt een grote, smalle toren, die bij nadere inspectie vroeger een verbrandingsoven blijkt geweest te zijn. Niets aan de binnenkant van het hostel herinnert daaraan. Alles ademt er architectuur anno 2002 uit, maar omdat Natasha me toch altijd verwijt dat ik ergens in de late jaren ’90 blijven hangen ben wat smaakt betreft, stoor ik me daar niet aan. Intussen zitten we een soort ontbijt te eten. Het is tien uur ’s ochtends, maar het voelt alsof we er al een hele dag op zitten hebben.

Na een rustpauze gaan we de eerste keer het centrum van Dublin in. Onderweg, in een klein park, zien we hoe een man doodgemoedereerd een drol legt op een grasveld. Correctie: hij houdt zijn hand onder zijn aars, alsof hij later nog iets van plan is met die drol. Doorlopen, doorlopen. Aan de Liffey nemen we het stadslandschap van het centrum nauwkeuriger in ons op. De verkeerslichten maken allemaal dat vreemde geluid waarmee ‘Lethal Cut’ van de Propellerheads begint. De wolken zijn van een genadig grijs. Weinig hoogbouw. Veel eilandgezichten: wat breder dan normaal, gek uitstekende oren. Ik heb het gevoel dat we vijf Power Rangers zijn die ergens geland zijn om een monster te bevechten. Misschien duikt er nog ergens een enorme Evil Paddy op die ons zal bestoken met klavertjes vier.

Het historische centrum is niet zo groot. De geroemde vikingburcht heeft een charmant parkje, maar het gebouw zelf is niet zo spannend. We zwemmen door een grote groep Italiaanse toeristen en een snelheidsduivel in een rolstoel. Daarna is het etenstijd. Ook daar maken we een mentale nota van cultuurverschil: Lucius krijgt z’n bestelde lasagne met een automatische side dish van frieten. Die frieten zijn, zoals we vermoed hadden, Engelse chips. Karbonkels van halve patatten die één keer in het frietvet gegooid zijn, en niet echt de naam friet waardig zijn. Elke keer als ik er één in m’n mond stop, krijgt er ergens een friturist in la Belgique een hartaanval.

De dubbele opschriften in Engels en Gaelic zijn enigszins verwarrend. Ik ben wel gewoon aan tweetalige bewegwijzering, maar van Gaelic kan een mens haast niets maken. Bovendien besef ik dat het een laagje nationalistisch vernis is. Niemand die Gaelic spreekt, spreekt ook geen Engels, en het is de moedertaal van nog geen 10% van de bevolking. Een voorbijgaande gedachte zegt dat Nederlands misschien ook zo had kunnen eindigen in België indien de verfransing zich overal had doorgezet als in Brussel.

Na de maaltijd slaat de vermoeidheid volledig toe, en trekken we ons terug op het hostel voor een uitgebreide dut. Daar maken we alvast kennis met één kamergenote, wier bijnaam de rest van de reis Miss Bucharest zal blijven. Ze zal het merendeel van haar tijd daar spenderen in haar bed alsof ze in een imaginaire bunker zit, haar meelgezicht slechts belicht door het schijnsel van haar smartphone, terwijl ze heelder conversaties voert met haar lief. Niemand van ons begrijpt Roemeens, maar de cadans van de klefheid is universeel in alle culturen.

Bij de koffie beneden eist een nieuw fenomeen onze aandacht op. Een groep potige Britse vrouwen van midden de 30 draagt er een zwarte jurk en een roze lint. Hen night. Waarom een hostel als afspreekpunt? Niemand die het kan zeggen. Ze kirren en trappelen rond in hun eigen bubbel, met voorpret op de in onze verbeelding klasseloze taferelen die zich later op de avond zullen afspelen (één der dames die zal kotsen zonder onderbroek aan, een andere die een kerel binnendoet zonder tanden, en de hen zelf, die in haar Paddy-kostuum en met haar opblaasbare piemel wenend in de goot zal zitten). Tegen negen uur worden de hennen afgevoerd in een brandweerwagen, plastieken piemel en al. We zien ze nooit meer terug.

We gaan nog één keer richting centrum, naar een fish & chips-keet die het reisplan ons aangeraden heeft. Die wordt uitgebaat door een man met een sterk Slavisch accent en een meisje met koele ogen. Het worden direct zowat de enige onvriendelijke Ieren die ik op de reis zal tegenkomen, want als er al één cliché klopt over het rosse volk, is het dat ze inderdaad zeer hartelijke mensen zijn. Je voelt je onmiddellijk overal welkom. Op de terugweg zijn we nog getuige van een vechtpartij tussen twee groepen zwarte jongens. Migratievraagstukken en kansarmoede zijn universeel. Het is jammer.

De eerste avond van een extreem lange dag eindigt, zoals hij begonnen was met de drolleerder in het park, op een surreële noot. Blijkbaar organiseert het hostel een soort van minidisco omdat het zaterdag is. We voelen ons lamme toeschouwers meer dan wat anders, en zitten versteend in de zetel te grijnzen naar de door elkaar wemelende Engelsen. Een paar mannen proberen indruk te maken op de weinige aanwezige vrouwen met hun poolkunsten. Freona en ik proberen de Crystal Head-vodka uit. Niet slecht.

Bij de sigaret voor het slapengaan leren Freona en ik tevens van de strenge security aan de deuren van het hostel waarom diezelfde security er überhaupt al is. Philip, een buikige kalerd met zijn handen permanent aan zijn buik vastgelijmd, legt uit dat het ruime plein, waar nu moderne flatgebouwen en winkels prijken tegenover het hostel, vroeger een rauwe buurt was. Achter het hostel liggen nog altijd sociale woonwijken, en ’s avonds loopt er soms volk op straat dat ze in het hostel liever niet over de vloer krijgen. De komende dagen zullen we ze vaak zien voorbijparaderen: graatmagere mannen in trainings, zwervers, meisjes die al een bierbuikje hebben op hun 14, en mensgeworden meeuwen die ons om sigaretten komen vragen.

Na een laatste vodka ga ik slapen, droomloos, onder het geluid van drums beneden, en de immer chattende Miss Bucharest.

vrijdag 2 augustus 2013

Vandaag, gisteren, morgen

De zomer is aan het voorbijzwemmen aan een dement tempo. Kloegen we de voorgaande jaren dat er van echt zomeren geen sprake was en dat alles weer veel te snel verdronk in eindeloze regenbuien, dan lijkt het nu alsof hogere machten besloten hebben een buitengewoon warme zomer door onze strot te rammen. Het gevolg is een trager wandelritme, ventilatoren die overuren kloppen en zweet dat overal schijnt over te parelen, van kaas tot voorhoofden.

Het is ook rustig gesteld met de literaire productie. De workshops van de geest, die anders overuren draaien, liggen er zo goed als verlaten bij. Wat valt er te berichten over deze verlofperiode? Dat de geneugten van lang opzitten en me verliezen in de donkere stegen van het internet nog altijd communicerende vaten vormen met overdag iets productief gedaan krijgen, of dat er een langzame proliferatie is van papier en kattenhaar in m'n kamer.

Ik was m'n handen en strijk nadien door m'n snorbaard - er is geen ander woord voor - als een geroutineerde Poolse truckchauffeur. De koelte van het water, waar verdacht weinig druk op zit, doet deugd. In de spiegel staart iemand me aan die overdenkt dat 2013 alweer voor meer dan de helft voorbij is. Ik had nauwelijks voornemens aan het begin van het jaar, en dat was een goede zaak. Op de achtergrond ligt m'n kat languit op de vloer van de hal, geveld door de intense warmte. Een pels hebben is niet erg praktisch in de zomer.

Naast het verdwijnen van de dwang aan voornemens en het realistischer worden van ambities, is een ander voordeel aan ouder worden dat je er geen fuck meer om geeft van mensen over je denken. Sommigen onder ons worden met die eigenschap geboren, maar het is alleszins niet iets dat in de Vlaamse volksaard zit. "Wat gaan de mensen wel niet zeggen?" Ik denk aan de gezelligaard op Tomorrowland die z'n middelvinger naar me opstak omdat ik twee keer na elkaar oogcontact gehad had met zijn vriendin. Wat gaan de mensen anders niet denken? Dat hij niet voldoende een soort alfagorilla is? Zij liever dan ik.

Als wijdbeense veroveraar, slechts gehuld in een boxer, besluit ik nog wat te lezen. Lectuur van het moment is ''t Bolleken' van Cyriel Buysse. Het overvloedige Frans dat er in voorkomt doet me denken aan zijn vriendschap met Emile Verhaeren. Verhaeren, een Franstalige Vlaming, kon alleen Buysses werk lezen in Franse vertaling. We zijn zo ver nog niet, maar de dag kan gerust komen dat er een nieuwe generatie Vlamingen opstaat die zo goed als Engelstalig is. Ik zie het steeds vaker om me heen. Conversaties die doorspekt worden met heelder zinnen Engels, mensen die geen affiniteit meer hebben met de Vlaamse cultuur, en steeds minder naarmate Vlaanderen voorbij de horizon verdwijnt van bloedworst en bloemkool.

Het dialect dat Buysse in zijn dialogen hanteert, doet sterk denken aan de moerassige taal waarin ik grootgebracht ben. Het roept herinneringen op aan grootouders en kermisvolk. Ik vouw het boekje even op m'n borst en steek een sigaret op. Misschien is het daarom, denk ik, dat ik zo hou van sciencefiction en andere literatuur waar verbeelding een centrale rol speelt: in m'n eigen taal is er alleen de verbeelding van tenenknippers in het koren en andere mensen vreselijke ziektes toewensen.

Heel ons leven lang proberen we te ontsnappen aan de gevangenis van onze jeugd. Het lukt ons toch nooit. Dat maakt deze zomer ten overvloede duidelijk, alsof er net een stapelwolk van warmte, doordrongen van melancholie, geland is in de straten van de stad. Ik zal me altijd een boerenlul voelen als ik ergens in een viersterrenhotel ben of rondjes rij in een mooie auto. De enige geslaagde ontsnappingspoging is wetenschappelijke afstand, toen ik bijvoorbeeld een eigen schrift ontwikkelde voor het dialect van de triepenvreters waarbij ik opgroeide.

Als kind wenste ik regelmatig dat ik een buitenaards wezen was op geheime missie om de mensheid te observeren. Ik vraag me af wat die alien nu in zijn rapport zou schrijven. Het zou weinig verheffend zijn. Buysse is intussen terzijde gelegd. Ik heb me neergeknield bij m'n kater, die zich laat welgevallen dat ik zijn buik streel. Binnenkort zal hij me vier dagen moeten missen, want ik ga naar de stad van James Joyce om me te vergapen aan vislucht en rosse mensen. Ook dat is een bourgeoisontsnapping, maar m'n spiegelbeeld is niet overtuigd: de enige bagage die je altijd en overal meeneemt, zijn de linten en de kettingen die zich met haken en knopen vastgemaakt hebben aan een ingebeeld verleden.

maandag 22 juli 2013

Het zijn de zotten die hier koning zijn

Nadat ik mijn auto achtergelaten had in de momenteel nog doodse Machariuswijk, ging ik te voet naar het centrum van Gent onder een brandende namiddagzon. Voor de gelegenheid was m'n melkblanke zelf slechts gehuld in een lijveke en een pas verknipte jeans die verdachte gaten vertoonde rond de liesstreek. Ik had besloten de Gentse Feesten van 2013 zo veel als ik kon te mijden, omdat het een herhaling was geworden van hetzelfde ritueel, al sinds 2006: overdag drank stockeren, afspreken na zonsondergang met enkele welwillenden, en dan steevast eindigen in het Baudelopark in het vertrapte gras, dronken of anderszins onnozel en gesprekken zonder betekenis aanknopen met wildvreemden. Buiten een paar vage foto's en een gefaalde koppelpoging leverde het me nooit wat op, en bovendien was er de laatste jaren over de Feesten ook een sentiment neergedaald van latent liefdesverdriet. De zomer, zo had ik al jaren het gevoel, was eigenlijk iets voor andere mensen.

Maar nu was ik dus toch onderweg naar het epicentrum van de Feesten, en wel omdat ik zou optreden bij 'Dichters in 't raam', waar ik ook het jaar voordien van de partij was. Tegen optredens zeg ik nooit nee tenzij ik andere verplichtingen heb. Voorbij de lome schaduwen van het brutalistische Belgacom-gebouw sloeg de hete waanzin van de Feesten me vlak in het gezicht. Uit één café klonk een dolgedraaide Italiaanse ballade terwijl ik vanop het trottoir gekeurd werd door twee vrouwen van middelbare leeftijd en een oudere homo, terwijl een wilde kleuter bij een opgeblazen brasserie met een speelgoedpaard zijn stoeltje aan stukken trachtte te meppen. Groepen jongeren, ouderen en bruineren waaierden uit over de gehele straat. Vanop de Vlasmarkt pompten de beats me reeds tegemoet, de dappere inspanningen van een trio rockers met corpse paint niettegenstaande.

De Vlasmarkt zat vol, maar niet afgeladen. De hitte had de professionele dronkaards weggejaagd. Intussen moest ik m'n zonnebril af en toe terug naar boven schuiven omwille van het zweet dat uit m'n (net geknipte) haar liep. Overal waren er mooie mensen te bespeuren. Eigenaardig gevormde mensen ook. Mannen met korte dunne benen en een gigantische bierton, of vrouwen met een sensueel lichaam maar een gezicht dat er 20 jaar ouder uit zag. Aan een fruitstand probeerde iemand in de taal van Pierke Pierlala een verkoopster te imponeren. Ik zwom door al die dingen met de schoolslag van een ervaren warmteduiker.

Eens aangekomen bij Lottes Leescafé leegde ik een Duvel op wat een recordtempo moest zijn, terwijl ik m'n ogen uitwreef van het zweet en m'n materiaal (wat vellen papier, een fototoestel en een boek voor het geval dat, want als schrijver betrapt worden zonder boek is een doodzonde) op de bovenkamer afzette. Poëzie-evenementen, als ze al volk lokken, lokken niet zelden vreemde vogels. Om te beginnen zijn veel dichters zelf sociaal onaangepaste individuen, soms met een overschot aan weemoed of gevoelens die ze nergens kwijt kunnen en ergens in de weg zitten tussen henzelf en de rest van de wereld, soms ook met een elefantesk ego dat een triest protest lijkt tegen een wereld die onverschillig is voor poëzie, en dat vooral ziet als een hobby voor wufte marginalen en dronkaards. Er is iets van.

Voordat het evenement goed en wel van start kon gaan en ik schipperde tuseen twee Venijnige Broeders en bevriend volk dat was opgedaagd om me aan het werk te zien, was het eerste slachtoffer van de avond al gevallen: een technicus had in z'n vinger gesneden en werd terstond met een ambulance naar de spoedafdeling afgevoerd. De dichters en het aanwezige publiek overschouwden het met milde berusting. Overal op het trottoir lagen dikke spatten bloed. Het voegde een onbedoeld element toe aan de live-action painting die voor het Leescafé gaande was.

Godfather Frank, de organisator van 'Dichters in 't raam', was gerust op een goede afloop en regelde links en rechts overal zaakjes met baardige mannen en bleek dichtvolk. Intussen was de eerste dichter al aangetreden, een Nederlander die recht uit 1975 gekomen was en een carpet bombing van monosyllaben dropte op het aanwezige publiek. Hij was zo luid en expressionistisch (m'n kop eraf dat hij het niet als ekspresijonisties zou schrijven) dat op een zeker moment de Gentse flikken een kijkje kwamen nemen of hij niet op de lijst voorkwam van Gekende Zotten. Ze lieten hem begaan. Mijn vrienden en ik zagen het aan met ironie.

Na twintig minuten werd ik naar boven gesommeerd. Terwijl een andere dichter bedaard uit eigen werk voorlas en welwillend glimlachte naar het publiek beneden, joeg ik linten tekst door m'n hoofd. Ooit, als ik meer tijd heb, zat ik te denken, leer ik m'n gedichten uit m'n hoofd, want ik vind het rotvervelend om van een vel papier af te lezen. Ik denk altijd dat m'n ogen scheel draaien als ik van dat blad opkijk naar de konijnenspots van de zon of het publiek. Ik had 11 gedichten meegenomen en zou er 6 lezen.

Uiteindelijk verscheen ik voor het venster na een sympathieke introductie door Frank, een kei in het omgaan met de gedeukte zielen in de onderwereld van de Gentse dichterij. Je voelt dat. Ik ploegde door m'n pagina's. Tussen de gedichten door liet ik weinig pauze, wat het publiek weinig te applaudisseren gaf, maar voor het applaus deed ik het ook niet. Waarom ook? Een dichter is geen rockster en één goed gedicht schrijft zelfs de mottigste dichter ook wel eens per ongeluk. In m'n selectie zat ook een verkapte haatliefdesbrief aan de NMBS. Noblesse oblige (obliesje, zou de Nederlander uit '75 gezegd hebben) op nationale feestdag.

Vanuit m'n venster kon ik hier en daar de tricolores zien wapperen in de avondoven van de straten. Gent, bolwerk van dwars belgicisme. Het was geen toeval dat zowel premier Di Rupo als de uitzwaaiende Albert II Gent kozen om te bezoeken als respectievelijk eerste en laatste Vlaamse stad. Ik braakte intussen Engels en Frans uit en reeg de woorden aan elkaar. Achter mij hoorde ik af en toe een zucht van een andere dichter die in de coulissen zat, of gegrinnik om een trouvaille die zijn goedkeuring kon wegdragen. Rond de tien minuten klokte ik af. Bescheiden applaus was m'n deel. Godfather Frank en ik bedankten ons wederzijds, en m'n posse had honger. Het was sympathiek dat ze afgezakt waren.

Vier uur later lag ik op m'n rug in het gras in de buurt van de Portus Ganda als een lamme goedzak te kijken naar vuurwerk dat begeleid werd door breakbeats en hip gezang. Ik dacht aan het gevaar dat Gent erop afstevende langzaam een zelfgenoegzame stad te worden van hippe designbobo's, maar aan de andere kant, dat was nog altijd een beter alternatief dan het Antwerpen van De Wever en zijn kortebroeknationalisten. Daardoor moest ik ook denken aan Filip die de eed vandaag afgelegd had als zevende koning der Belgen. Het meest tekenende daaraan was zijn glimlachje nadien: "zie je wel, ik kan dit". Zijn vader stond aan de zijlijn "vive le roi" te roepen, alsof kleine Filip onstuimig een beslissende pass of tackle had geplaatst op het voetbalveld van FC Young Boys Laken.

Er waren weinig knopen in m'n gedachten. Er zaten tortilla's in m'n maag die ik opgegeten had met de bravoure van een ongemanierde zesjarige, maar dat liet ik niet aan m'n hart komen. Een vriend had fijntjes opgemerkt dat Oost-Vlaamse dialecten verdacht veel woorden hebben voor "niet kunnen eten", en hij had gelijk. Flitsende bloemen en bommen knalden door de lucht. Gillende keukenmeiden. Splinters van rood en groen. Ik dacht aan de sterren die achter dat geweld nauwelijks zichtbaar waren en slurpte van een plastic beker met vodka. Het weekend passeerde de revue. Voor de werkenden onder ons was het een absurd idee dat er morgen iets bestond als opstaan en achter een bureau gaan zitten.

En kijk: met ferm in het achterhoofd dat ik me zo weinig mogelijk ging aantrekken van les Fêtes Gantoises en dat dit niet de zoveelste zomer moest worden van dwaze verwachtingen, werd deze oefening in nietsdoen een bescheiden hoogtepunt in tevredenheid. Ik liet m'n hoofd leunen op m'n intussen verbrande armen, en terwijl het slotboeket de massa in vervoering bracht, en mogelijk enkele oorlogsveteranen PTSD-flashbacks, werd de vrede totaal.

Die stemming hield aan in de autorit naar huis, waarbij ik moest laveren tussen fietsers, voetgangers en andere auto's vol gezinnen die terugkeerden van het vuurwerk. En wat zag iedereen er mooi uit. Ritueel switchte ik tussen kanalen op de radio, die allemaal schadeloze muziek speelden. Geen nieuws. Ik dacht weer terug aan dat monkellachje van Filip, eindelijk koning. Wat mij betrof mocht er morgen een republiek geïnstalleerd worden, maar ik gunde hem zijn moment in het spotlicht. Ik wist dat thuis nog één blik cola en een lege asbak op me wachtten, en de noodzakelijke voorbereiding voor een nieuwe gruwelmaandag van openbaar vervoer en zweethitte, maar ik dreef die gedachten voor me uit, net zoals de nakende slaap niets meer was dan een theoretisch concept.

maandag 24 juni 2013

Maanrivier

Het heeft alles in zich om een lelijke zomer te worden. Het geeft experts in het koetjes- en kalfjesgesprek wel weer een uitgebreide voorraad munitie om de dag mee door te komen, dus dat we weinig zachte zomeravonden zullen hebben met klatergepraat en wijn, is misschien het einde van de wereld niet. Intussen draait het reuzenrad van emoties door, van de ijl makende hoogtes tot de mistige dieptes. Je moet meer adjectieven schrappen, zegt de fantoomredacteur die over m’n schouder meeleest. Je moet vooral je bek houden, zeg ik terug.

Ik ben in Brussel en neem opzettelijk niet de metro die ik normaal moet nemen, en wandel tot aan het volgende metrostation bij het Jubelpark. Brussel, stad van eters, heb ik ooit ergens gezegd, en het is waar. Met het aandikken van de tijd en al haar eenheden heb ik mezelf erop betrapt dat ik indrukken steeds minder opdrink. Is het dat de honger voorbij is? Of is het net dat ik de dingen onverdraaglijk scherp zie. Bijvoorbeeld: op de trein zat deze ochtend een dikke vrouw tegenover me, en die haalde een reep chocolade boven.

Los van het feit dat ik me gegijzeld voel door andermans eetgeluiden, besefte ik ook dat die vrouw weinig goeds kon doen in de ogen van anderen. Een dikke mens die iets gezond eet, daar zit iedereen met genoegen van te denken “ha, eindelijk op dieet!” en als die persoon zit te snoepen, dan heerst de verontwaardiging. Dik zijn, het moet niet bepaald prettig zijn. Maar bekijk het zo: binnen twintig jaar word ik misschien ingehaald door een gruwelijke vorm van kanker, en daar sta ik dan met m’n normale confectiematen.

Al te vaak probeer ik er mezelf van te overtuigen dat ik bepaalde zinnen of slierten woorden moet onthouden, omdat ik geloof dat ze iets zullen zeggen over de condition humaine of op z’n minst amusement zullen bezorgen aan wie ze lezen, maar tegen dat ik ze vergeet ga ik er eigenlijk van uit dat die woorden wel zo geweldig niet zullen geweest zijn. Ook dat hoort bij het minderen aan honger. Er valt minder te bewijzen. Niet dat ik de geweldenaars, brulkikkers en idioten van deze wereld niet graag nog eens een paar klappen zou verkopen, maar het hoeft niet zo nodig.

De fontein sproeit grijs water naar boven in een grijze lucht. Auto’s slingeren over de betonnen ringen van Saturnus, in en uit het groezelige tunnelnetwerk onder Brussel. Ook dat is België. Het wordt tijd dat het verlof is. Je ziet het aan de uitgelaten, gespannen scholieren die net nog wachten op hun resultaten, of de laatste troepen studenten die nog knarsetandend examens moeten afleggen over materie die ze binnen tien jaar niet meer zullen kennen. Het reuzenrad zal zijn revoluties blijven afleggen.

Misschien is het zo, denk ik bij het oversteken en het handopsteken naar een vriendelijke loodgieter die voor me gestopt is, dat ik vergeten ben dat ik honger heb en het daarom niet meer voel. Het is makkelijker om verlangens met stilzwijgen te begroeten dan om er door verteerd te worden (graag ‘Slechte metaforen in het werk van Anton Voloshin voor €5000, Luc!’). Beter om te denken dat het wel gaat zo, in m’n fijn gelegen appartement en m’n leuke vrienden, dan dat ik m’n tong op bankbiljetten vol cocaïne wil leggen en intussen met een geverfde dame TS Eliot wil deconstrueren in een jacuzzi.

Honger is een holle wachtkamer. Je merkt het ook aan die verguisde hangjongeren, rondlummelend op perrons, met weinig beters te doen dan dreigende blikken te schieten naar wat hen niet aanstaat. Wat als die energie in iets positief kon omgezet worden? Wat als ze hier in BXL die idiote 19 gemeenten zouden afschaffen? Wat als men niet meer aan allerlei goedbedoelend manvolk moest uitleggen waarom geweld tegen vrouwen ook hun probleem is? Dan leidde ik allicht het bestaan van een blij varken in een modderpoel. Het enige wat dat varken-zijn momenteel benadert, zijn m’n stampende laarzen over de trappen van Montgomery.

Terwijl het natte halfdonker van de metro zich over me heen buigt, probeer ik me voor te stellen dat de metrosporen veranderd zouden zijn in een wildwaterrivier. Dan kwam ik misschien een sympathieke slang tegen die me zoals het egeltje in ‘Jozjik v toemanje’ zou meevoeren tot bij m’n vriend de beer. Of naar het Wonderland van Alice, dat mag ook. Alle fictie is één groot boek verspreid over miljoenen ruggen.

Caligula zou ooit gezegd hebben: had het volk maar één nek. Ik denk: hadden we maar één bibliotheek, een rondwentelend gevaarte waarin alles wat men ooit neerschreef, bewaard was gebleven. Ze zouden me er van de kaften moeten wegsleuren als een halve gare fetisjist. De metro komt er aan gepiept. Ik ga me vanavond eieren bakken en ondertussen zal ik een boek lezen. Het duurt nog even tegen dat het reuzenrad weer begint aan z’n tocht naar boven, en het duurt nog even tegen dat ik zal dansen van de honger. Hopelijk zal ik nog op tijd zijn voor de hoofdschotel.

donderdag 23 mei 2013

Accusatief

Omdat ik de enige mens lijk die nu buiten staat tussen de windstille planten van het park en de zon net van achter een bult wolken gekomen is, voel ik me net een zonnewijzer. Hoe laat is het? Tijd om je leven te beteren. Dat zei mijn overgrootmoeder naar verluidt altijd. Ik vraag me af of die vaak gelachen heeft en draai een pirouette, want geen mens die het ziet. De zolen van m'n laarzen kraken in het stof en de al dorre bloesems. Bij de volgende tel is de zon weer verdwenen en is de indruk van de stille, marmeren vooruitgang van Romeinse uren ook opgelost. Alles verandert, behalve verandering.

Ik wandel het pad terug op dat me naar m'n werk zal voeren en laat in een daartoe niet bestemd rooster de peuk van een sigaret achter, de dubbele getuige van mijn onvolmaaktheid. Zoek er maar geen romantisering achter, want dat doe ik ook niet. Met het pad dat zich door een vierkante tunnel slingert, komt ook de hoofdweg in zicht, waar tussen het groen op elk moment van de dag eurocraten en bestelwagens laveren. Ik zie ook vaak zwarte mannen in onberispelijke pakken, onderweg naar de nabijgelegen ambassade van Nigeria. Ze komen me nooit spammail geven, maar vragen soms wel erg vriendelijk of ze al vlakbij hun ambassade zijn. Het moet hier verwarrend zijn voor hen, in Brussel. Wat een bizarre stad ook. Ik had een tijd terug een collega uit Engeland die voor zijn komst naar België besloten had om zich de taal eigen te maken. Hij keek op een kaart en zag dat Brussel in Vlaanderen lag, dus leerde hij een beetje Nederlands. Hij werd de zoveelste Engelsman die door de geslepen francofonie gevloerd werd.

Vandaag leerde ik ook dat men me op het vijfde verdiep wel eens 'die blonde Vlaming van het zevende' noemt, en ik weet niet wat ik daarvan moet denken. Buiten als ik zelf in het buitenland was, heeft men nog nooit naar mij verwezen aan de hand van mijn etnie of een of ander fysiek kenmerk. Of het moet al geleden zijn van toen ik vijftien was en bleek in een speedo langs de rand van het zwembad trippelde om niet uit de glijden. Dat berkenlichaam heb ik gelukkig niet meer, en ook de tijd van de speedo's is al voorbij. Ik staar nog even in de hemel voor ik de deuren openzwaai van de inkomhal. Het valt me nu plots binnen dat er vorig jaar wel iemand naar mij verwees aan de hand van m'n etnie: een zwerfster die ik niet te woord wilde staan maar uit m'n krachtig "non!" blijkbaar kon opmaken dat ik een "sale flamand" was. Bevreemdend.

Wij Vlamingen, wij jongleren alle dagen met dat Engels alsof het niets is, en intussen moeten Franstaligen, Turken en Marokkanen maar allemaal piekfijn Nederlands leren. Alsof we er zelf zo goed in zijn. Integendeel, die modderige bastaard van het Verkavelingsvlaams omarmen is meer dan ooit de taalkundige barak tussen de lintbebouwing, die dan wel lelijk mag zijn, maar het is verdomme wel onze barak en wie er kritiek op heeft, dat is een elitaire lul. Welnu, ik kom van een plek waar we zulke barakken van golfplaten hadden, en ben gepokt en gemazeld in de potgrond van een lokaal dialect, dus ken genoeg de voordelen van een standaardtaal om die ook te gaan gebruiken. Op m'n eigen manier. Natuurlijk, ook ik ontsnap niet aan de doe-het-zelf-mentaliteit van Rudi, Nancy en Freddy.

In de lift loop ik een delegatie projectmanagers tegen het lijf. Eén van hen lijkt op een versie van Liv Tyler die niet mis zou staan in een burlesque show, maar ik staar niet. Er wordt al zo veel gestaard in deze wereld - zonder dat er echt gekeken wordt. Het staren is misschien wel één van de ultieme uitdrukkingen van eindeloos egoïsme. Je louter iets toe-eigenen door er naar te staan gapen. Het geluid dat er bij hoort is een dikke steen die met een gulzige plons in een vijver valt en ringen maakt van ongenoegen. De delegatie projectmanagers stapt uit en we wensen elkaar een bon après midi en également. Er werken wel andere Nederlandstaligen hier, maar je weet nooit op het zicht wie wat spreekt. Een collega beweerde ooit dat je 't kon zien aan de kleren. Franstaligen zouden zich conservatiever kleden. Niet dat Vlamingen aan veel mode-experimenten zijn. Kop en kraag onder het maaiveld, graag. Voor een nationalist is dat de uiting van een gekrenkte volksziel die de herinnering aan onderdrukking in zijn cultureel DNA meedraagt, voor iemand als ik is het een reactionaire kramp die anderen moet tegenhouden van boven dat maaiveld uit te stijgen.

Op het zevende stapt de blonde Vlaming uit. Er sleept iets in m'n tred. Er hangen molenstenen rond mijn generatie. In de media is periodiek een steekspel tussen boomers en millennials, maar nuance is in dat debat niet welkom. Er zijn genoeg boomers die beseffen dat hun generatiegenoten het grandioos verknald hebben, maar er zijn evenveel millennials die zich ertoe hebben laten verleiden de verzorgingsstaat en onze verworven rechten te beschouwen als iets dat we moeten opofferen in naam van de welvaart. Wiens welvaart? Zullen de banken beter bestuurd worden als we ons langer uitputten voor hetzelfde loon? Zal nationalistische kortzichtigheid ophouden met bestaan als we die index loslaten? Of krijgen we allemaal gelijk een paar achterpoortjes toebedeeld in de belastingen, met schijnvennootschappen op Tahiti en in de Westhoek?

Ik zink neer in m'n bureaustoel, de troon mijner productiviteit. Beschuldigen, daar zijn we allemaal goed in. Publiek toegeven dat we verkeerd zijn, dat ligt lastiger. Je kan er boos over zijn dat een oliebedrijf de verantwoordelijkheid voor een milieucatastrofe vlot van de hand wijst of dat een oude politicus met losse handjes vindt dat hij tegen onthullingen over ongewenst gedrag recht heeft op een schadevergoeding van bijna één miljoen euro, maar het is een rode draad door de hele wereld, van Kamtsjatka tot Timboektoe. We kiezen de weg van de minste weerstand voor het ego, ook al leidt die recht tot in het hart van Absurdistan. Wel, ik heb in elk geval nooit genomen wat me niet gegeven werd. Ook dat is een beschuldiging en ook dat is makkelijk voor mij om te zeggen. Misschien kan ik beter maar eens écht stoppen met roken in plaats van zonnewijzertje te spelen in een Brussels park.