Over 'Onklare taal'

'Onklare taal' is de verzamelnaam van diverse tekstprojecten van mijn hand. Dit is de afdeling columns en microstories daarvan. In 2017 bracht ik 'In de vorm van een vogel' uit, een bundeling van de beste 99 teksten van dit genre tot op dat punt, netjes geredigeerd en per seizoen geordend. Je kan die antologie gratis downloaden als je Patron wordt. De weg een beetje kwijt? Mijn eigenlijke website, die ook 'Onklare taal' heet, verwelkomt je.
Posts tonen met het label werk. Alle posts tonen
Posts tonen met het label werk. Alle posts tonen

zaterdag 9 augustus 2025

Graven

Aan de ingang van het werk is er een overhangend, vierkant afdak dat gestut wordt door dikke pilaren. Boven die pilaren bevindt zich een kantoorruimte, eveneens vierkant. Omdat de rokers niet mogen gezien worden bij de ingang zelf, moeten we een ruimte innemen om de hoek, waar het vuilnis staat en waar we dus kennelijk thuis horen als de gedegenereerden die we zijn. Maar daardoor sta ik ook telkens vlak onder de scheidingslijn waar de schaduw valt van de overhang en het kleine koertje dat nog mag genieten van zonlicht. Daarnaast is er de haag van een aanpalend bedrijventerrein, voorzien van een ook al hoekig, kortpittig kapsel. Als ik naar boven kijk, strekt de strenge lijn van de overhang zich vooruit de hemel in, wat een schilderachtig contrast geeft met de hemel en zijn wolken. Als ik de enige roker ben, is het een paar minuten meditatie van lijnen en lijnloosheid, leegte en vorm.

Over vormen gesproken: na drie weken knellen de vreemde contouren en rituelen van het nieuwe werk al niet meer zo. Sic semper corporatis. Adaptatie heeft haar limieten, maar er zit kennelijk nog rek in mijn neurale circuits. En in mijn gedachten ben ik altijd vrij. Ik denk eraan om een boek of een novelle te schrijven met de werktitel ‘Graven’ en omdat ik het openlijk heb neergeschreven dat ik dat heb gedaan, heb ik het wellicht vervloekt en ga ik het nooit schrijven. Voor een man waarvan velen geloven dat hij tamelijk intelligent is, betrap ik mezelf voortdurend op magisch denken. Misschien is dat nog een grotere zwakte dan roken. Maar ja, Tweelingen is een lucht-teken en wat past daar beter bij dan geloven in onzichtbare verbanden en rook inhaleren? Voor m’n werk-avatar in de diverse softwaretabernakels waar ik constant ingelogd hoor te zijn heb ik gekozen voor de ‘jera’-rune en ik hoop dat mensen daardoor niet denken dat ik een crypto-nazi ben. Het is gewoon een mooi teken, en zou symbool staan voor de wende, de verandering, de cyclus.

‘Graven’ zou kunnen gaan over momenten als deze, waarin ik graafwerken uitvoer in mezelf, of weken als deze, waarin voortdurend zaken opgegraven worden (gesprekken van jaren geleden, momenten die plots met elkaar verbonden worden als een lichtsnoer), of jaren als deze, waarin ik dingen juist afleg en ten grave heb gedragen. Dat hoeft niet negatief te zijn. Vele bitterheden zijn niet langer deel van mij en daar ben ik opgelucht over. Bijvoorbeeld de trauma’s van de eerste helft van mijn carrière liggen feestelijk onder een hoop lachende aarde samen met m’n eerdere werkzelven. Graven – ook het meervoud van de graaf, de oer-aristocraat en vampier, oneigentijds verfijnd tegenover de opgeblazen, hatelijke en domme kakistrocraten waar we vandaag mee opgezadeld zitten. Graven in hun meer gebruikte betekenis als plaatsen waar de doden liggen zijn dan weer overal, talrijker dan ooit, de oogst van brutale moordpartijen en genocides.

Ik zou er aanspraak op kunnen maken een zonderlinge melancholicus te zijn als ik ook niet soms zo’n belachelijk figuur zou zijn. Gisteren was bij m’n thuiskomst mijn rugzak doorweekt door tomatensaus die uit een opengescheurd pak gehaktballen in tomatensaus was gelopen. Het zag eruit alsof er een klein dier in mijn rugzak gestorven was, en tot nog een stuk in de nacht bleef de rugzak door mijn wasmachine en droogkast reutelen onder hevig protest. Hij ziet er nu wel nieuwer uit dan ooit, klaar voor zijn volgende samsara. Het is allemaal ontzettend lullig, afgewogen tegen de pretparkkar waar we allemaal samen in zitten en die bijna aan terminal velocity naar beneden aan het razen is. Daar heb ik niks betekenisvols meer over te zeggen, ik kan alleen maar doen wat in mijn macht ligt om de warmte (en de sigaretten) die ik heb met anderen te delen. En te delven, delven, delven zoals ik al van oudsher heb gedaan. Misschien vind ik zelfs goud. 

dinsdag 18 februari 2025

Psychochronotopologie

Je zou een reliëfkaart kunnen maken van alle plaatsen waar je ooit geweest bent, en elke keer dat je er bent, komt er naargelang de intensiteit van de herinnering een laag bij. Met de jaren slijten lagen zoals herinneringen of zoals erosie bergen uiteindelijk afvlakt tot heuvels en tenslotte tot vlaktes. Natuurlijk duurt dat in een mensenleven slechts jaren of hooguit decennia, om nog maar te zwijgen van alles wat je de dag erop al vergeten bent, zoals de kleur van de gevels die je passeerde, een gekke brievenbus of al de auto’s die je voorbijraasden. Ik denk aan die dingen terwijl ik uit het venster van de trein staar, onderweg naar een sollicitatiegesprek. Gent-Kortrijk. In mijn eigen psychochronotopologie is Gent uiteraard de Olympus Mons, een monsterlijk uitdijende schildvulkaan waar elke dag laagjes afslijten maar er net iets meer bij komen. Ik ben er geboren (wat ik me uiteraard niet herinner), ging er naar de middelbare school, de universiteit en ging er tijdens die jaren definitief wonen. De stad heeft mijn beste momenten gekend en mijn allerslechtste. Al weet ik niet of ik, mocht ik me plots voor 10 jaar verbannen weten naar pakweg Berlijn of Praag, ik er even obsessief over zou schrijven zoals James Joyce deed over zijn Dublin toen hij in Parijs woonde. 

We rollen Deinze binnen, op mijn landkaart slechts een flauwe heuvel. Vanuit het station zie je de reclame voor de Weba, die versteend lijkt in 1995. De stationsbuurt is een kleine vluchtheuvel, niet verbonden met maar dichtbij de Brielmeersen, het go-to park waar we steeds naartoe trokken in de lagere school omdat er dieren en een speeltuin waren. Ik herinner me dat er in de bomen kippen zaten, dat er pauwen waren en dat er hoog in de lucht een leeuwerik vloog. Bij een gezinsuitstap likte er ooit een ezel aan de rug van mijn moeder. Zij is dat vergeten. De Brielmeersen zijn omgeven door een gestaag rijzend getij van 30 jaar erosie, en over 30 jaar zal het niet meer dan een mentaal Malediven zijn, gedoemd tot verdwijnen, als ik tegen dan al niet verdrink in de zondvloed van de dementie.

De trein rolt verder en stopt niet in Kruishoutem, een vrij recente maar al inzakkende heuvel op de landkaart, met één vermolmde aanlegsteiger van die keer dat ik er ’s nachts na een feestje per ongeluk was beland toen ik me misreden had en middenin een doods en verlaten centrum bevond met onderling uitwisselbare gesloten cafés, frituren en huizen tussen de 100 en 10 jaar oud maar ’s nachts allemaal even lelijk. De uitademende zandheuvel bevat een fabriekterrein recht uit de jaren ’70. Als de wind slecht zat, kon je de stank ruiken van een nabijgelegen kippenuitbenerij. Die rook naar vogelstront en miserie. Toch een ander beeld dan het gezellige Kruisem dat Marc De Bel ervan had gemaakt (en later ook geworden is als fusiegemeente in de eeuwige cyclus van fictie, waarheid, dood, herrijzenis en vogelkak).

Dan Waregem, dat zichzelf met een mooie slogan “stad in galop” noemt, naar de fameuze Waregem Koerse, een beetje het “but we have Royal Ascot at home” voor wie eigenlijk van niet beter weet. Waregem behoort tot de liminale zone tussen Oost- en West-Vlaanderen maar geen van beide wil de plek echt claimen. Nochtans herinner ik me een propere, opgewekte en drukke provinciestad, en zowel het oude hoofdkwartier van mijn voormalige werkgever Malendroit National, dat letterlijk uitkeek op de paardenracetracks, en het nieuwe hoofdkwartier aan de autostrade. Die nieuwbouw was glas van de buitenkant maar de binnenkant zag er uit als de basis van een James Bond-slechterik. Overal scherpe hoeken, zwart marmer, stilte en geluiddempend vast tapijt. En op de top van een psychologisch bergje, met daaromheen een begraafplaats uit Wereldoorlog I waar ik altijd voorbij moest fietsen, een uitnodigend bibliotheekje en nauwe straten die overspoeld werden door schoolkinderen en ambitieuze patserbakken. Intussen is het al bijna 4 jaar geleden dat ik er nog eens ben geweest, en ik denk dat het nog even zal duren. De perrons van het station zijn ongewijzigd uitgewoond gebleven. De buurt rond het station vertoont tekenen van verandering.

De eindhalte van de trein is Kortrijk. Toen ik aan de hogeschool ooit een gastles moest geven in het Duits, noemde ik de stad per ongeluk “Kortreich”. Kortrijk is nog altijd een solide maar bescheiden berg, hoewel ik deze omgeving nog langer geleden frequenteerde dan Kruisem of Waregem. Elke weekochtend stapte ik hier uit het station naar buiten zoals ik ook nu doe, regen of niet, koud weer of niet. Ik wist van niet beter dan te verdragen dat ik er elke dag in totaal 3 tot 5u over moest doen om me van en naar het werk te verplaatsen, hoewel die 5u zelfs voor mijn 25-jarige zelf al te gortig waren. Gelukkig houden werkgevers daar nu rekening mee – denk ik. Het valt nog te bezien wat de potentiële werkgever daarvan gaat denken in Zwevegem. De stationsbuurt is al jaren geleden opgeknapt. Verderop zijn straten heraangelegd, cafés van naam veranderd. Ook dat is erosie. 

Tegen dat de laatsten van mijn generatie dood zijn, zullen enkel foto’s nog getuigen van het feit dat hier op het plein vroeger een morsige verzameling fietsen stond waar naar hartenlust gepikt en gevandaliseerd werd. En geen mens buiten ik zal weten dat ik mijn fiets hier ooit bijna in twee geplooid vond, alsof aangereden door een vrachtwagen. Een vriendelijke buschauffeur wijst me de weg naar de juiste bushalte. Terwijl ik terug door de ondergrondse passagiersgeul wandel van het station, besef ik dat de herinneringen nog altijd gestaag van me afvloeien, onzichtbaar meegedragen door de entropie, terwijl ik nieuwe herinneringen opsla die nog kwetsbaarder zijn. Aanwijzingen: hier at ik ooit frietjes. Daar bovenop is de herinnering gebouwd van een lekke band, een bijzonder slecht fietspad. Diep daaronder: half-vergeten gesprekken met kennissen en toenmalige collega's. Iets over een snor die onafhankelijk bestond van zijn eigenaar. Een vrolijke ingenieur. Misschien bouwen we psychologisch niet aan bergen maar is alles bric-à-brac, een persoonlijke bidonville. Of mijn eigen Kowloon Walled City.

Het is vroeg op de namiddag maar toch is er veel volk buiten. Er schijnt een kristallijnen winterzon in een blauwe hemel. Ik zie een brug die me heraangelegd lijkt, met een fietspad in twee richtingen. Nieuw zand wordt bijgeschept. Ik rook een sigaret en kijk naar de overkant van de straat. Die oude façades herinner ik me. Net als sommige mini-rondepuntjes onderweg, verkeersborden, windmolens. Dat ik hier ooit ’s avonds laat naar huis reed in mijn eerste wagen, die ik Davy had genoemd. En opnieuw dat ik zo veel heb verdragen maar van mezelf trots vond dat ik al zo veel in twijfel trok. Heeft een mens ooit genoeg getwijfeld? Er lijkt geen balans te bestaan tussen te veel en te weinig, en ook daarover twijfel je. Het is rustig, zelfs warm op de bus. Ik repeteer nog eens wat ik kan voor het sollicitatiegesprek en kijk uit naar de halte waar ik af moet, middenin onbekend terrein, maar toch zo bekend. ’s Belgenlands wegen lijken ergens allemaal op elkaar. Een nauwe landtong loopt nu van het station naar Zwevegem, en omdat ik weet dat ik die te boek ga stellen, weet ik dat die niet zo maar zal onderlopen. Althans toch niet de eerstkomende 15 jaar. Of totdat de hele atlas mee met mij verzinkt in het slik.
 

zaterdag 21 september 2024

Niet anders kunnen

De laatste weken denk ik vaak terug aan een nachtmerrie die nu en dan opduikt in het filmfestival van mijn brein: ik ga opnieuw werken bij een werkgever waar ik ooit ontslagen ben en ik weet niet wat ik hoor te doen, of ik begrijp mijn opdracht niet, of ik kan het niet, maar vooralsnog blijft het onontdekt en kan ik doen alsof. Ik lunch mee en zit mee in vergaderingen, maar aldoor is er dat gevoel dat de komedie eerder vroeger dan later zal eindigen in schaamte dan dat ik er in zal slagen bij te benen. Niettemin doe ik dapper verder. Wat ik daar ook voel is afstand. Ik durf mijn geheim niet toevertrouwen aan collega’s, waarvan sommigen me vorige keer al zien gaan hebben en misschien evenmin als ik begrijpen waarom ik daar opnieuw zit. Misschien ervaren sommigen zelfs exact hetzelfde en zwijgen ze om precies dezelfde redenen.

Op veel vlakken sluit het wel aan op mijn reële leven: ik doe maar wat en doe verder tot iemand me tegenhoudt, maar over veel zaken hangt een groot vraagteken dat enkel ik kan zien en voelen. Ik bereid maaltijden op goed geluk, ik doe mijn best instructies van de tandarts op te volgen en probeer mee te gaan in de steeds nogal surreële gesprekken bij mijn kapper, maar het voelt alsof ik mezelf vanop afstand zie en de daden die ik stel of de woorden die uit mijn mond vallen niet helemaal horen bij het wezen dat ergens in de peilloze diepten woont van mijn geest – mijn ware ik, zeg maar, hoewel er niet iets echt bestaat als een zelf.

Hoe anders is het contrast met mijn intellectuele en creatieve leven, waar ik exact het omgekeerde voel en waar ik de zekerheid heb van een ervaren alpinist. Ik weet exact welk woord hoort bij welk concept. Namaakfilosofen en praatjesmakers die grote sier maken in het basiskamp zie ik genadeloos voor de charlatans die ze zijn. Over het paard getilde amateurs zijn maar hanen op een mesthoop, victorie kraaiend op een heuvel terwijl ik omhoog klim tegen kilometers hoge, volledig verticale rotswanden. Voor iemand me verdenkt van snobisme, elitarisme of nietzscheaanse uitspattingen van egotisme: hier zo hoog hangen is ook beseffen hoe nederig mijn positie is. Onlangs nog probeerde ik een theoretische video te snappen over de harde limieten van onze huidige AI-modellen, en ik begreep er erg weinig van. Eén van de enige ware intellectuele deugden is doordrongen zijn van het besef dat er zeer veel is dat je niet weet maar niettemin toch nieuwsgierig blijft. 

Wat beide werelden verenigt is wat hen ook uit elkaar drijft: een al jaren groeiend gevoel van langzame erosie, isolatie, zelfs vervreemding. De dagen zijn al lang voorbij dat ik moeiteloos 20 à 30 mensen bijeen kon krijgen want men woont nu veel verder uit elkaar, heeft drukke agenda’s, gezinnen, gewoon geen goesting of leeft in onvrede of ergernis jegens anderen en wil de energie er niet aan verspillen om in dezelfde ruimte te zijn als die anderen. En ik begrijp dat, want ik voel me ook zo. Ik ben trouwens zelf ook een beetje een sikkeneurige lul voor wie het kennelijk nooit goed is. Sommige mensen lijken me vaker te willen zien of horen dan ik de mentale energie voor kan opbrengen, terwijl anderen met steeds grotere tussenpozen een jammerlijke, persoonvormige holte zijn in mijn hoogsteigen zonnestelsel. Die laatste zin was als een Panamarenko-vliegtuig dat er nogal indrukwekkend uitziet maar niet kan vliegen.

Net zo in die intellectuele sferen. Er zijn overal wel evenementen waar schrijvers die ik vaag ken of vanop afstand volg aan de menigtes verschijnen, of ze komen met boekendeals, of ze worden meegetroond door de poortwachters om mee deel uit te maken van de gestelde lichamen, maar het wordt me al droef te moede als ik er zelfs maar aan denk daar in het publiek te gaan zitten. Dat ligt voor een groot stuk helemaal aan mij, omdat ik nog altijd het kinderachtige idee koester op zo’n evenement geestelijk gevoed te zullen worden, of artistieke vreugde zal kennen zoals ik laatst nog had in het Musée d’Orsay in de art nouveau-ruimtes, en daarmee zie je het al: ik verwacht er gewoon te veel van en dat is niet fair. 

En ik kan wel lamenteren over het feit dat ik er voor mezelf altijd de zweep op leg en dus niet verwacht van anderen wat ik van mezelf niet eis. Of dat ik desondanks ongezien, ongevraagd en onerkend blijf, maar wat verwacht je dan als ik al zo’n onmogelijke attitude heb? Niet dat ik denk dat ik daardoor minder gelijk heb. De meeste publieke schrijvers en intellectuelen in Vlaanderen zijn van een belabberd middelmatig niveau omdat hun demiurgen dat ook zijn. Op elke geleding geldt overigens de Wet van Sturgeon: 80% van gelijk welke klasse of genre is brol.

En als ik er lang over nadenk kom ik altijd weer tot de conclusie dat er achter al die bespiegelingen en nare oordelen van me op het einde van de dag individuen schuil gaan, net als ik. Mensen die gewoon menselijk zijn, die ook maar hun best doen, die wellicht ook vaak twijfelen of ze het goed doen, of ze het leven wel kunnen beredderen, die graag gezien willen worden maar soms niet weten hoe; mensen die op de één of andere manier net als ik kapot zijn, tegen hun wil deelnemen aan dit hele circus omdat het alternatief erger is. Op die manier verdient elk van ons erkenning, genegenheid, vergeving, ook al doen we elkaar onbedoeld pijn. Ook al zwijgen we soms over wat eigenlijk gezegd worden moet. Ook al en misschien precies omdat dit bestaan soms meer lijkt op een verwarrende droom dan omgekeerd, waarvan we ten langen leste niet mogen willen dat we er slechts een willoze toeschouwer in zijn hoewel we vaak jammer genoeg niet anders kunnen.

maandag 23 januari 2017

Kaap Goede Voornemens

Deze middag

Vanuit de refter weerklinkt een kakofonie aan stemmen. Geen één is individueel verstaanbaar. Ik probeer ze te verbannen naar de achtergrond door oortjes in te doen en muziek op te leggen via YouTube. Ik had ook tussen het lawaai kunnen zitten en eten met collega's, maar soms laat ik die kom soep aan mij voorbijgaan. Ik ben ook al niet iemand die na de collegiale lunch nog blijft zitten om na te kaarten. Dat kan als asociaal opgevat worden, maar ik zie er een manier in om mijn energie te bewaken. Temidden een carrousel zitten aan indrukken, voetstappen, verkeer beneden over de snelweg en het gerinkel van lepels en potten gaat na een tijdje uitputten. Perceptief zijn is geen vrijwillige daad.

Terwijl ik probeer om m'n gedachten te ordenen in de richting van een voorstel voor een paar professionele blogs voor een big shot in de IT-wereld, drijven diezelfde gedachten af naar het voorbije weekend. Tijdens de eedaflegging van He Who Shall Not Be Named kreeg in de marge een Amerikaans nazistisch kopstuk een vuist in z'n gezicht. Moet je zoiets toejuichen of afkeuren? Een zinloos debat. Niets lijkt te helpen tegen dat soort kakkerlakken. Geweld en afkeuring doen hen dieper in de slachtofferrol kruipen, beleefdheid legitimeert hun bagger. Een inhoudelijk debat moet je met nazi's al helemaal niet aangaan. Dat is de klassieke fout van modeldemocraten die denken dat je iemand van idee kan doen veranderen door betere of sterker beargumenteerde ideeën boven te halen.

Eergisterennacht

Midden in de nacht ben ik plots klaarwakker en is m'n hoofdkussen nat. Het is te warm in de kamer. Er ligt iemand naast me en één seconde lang heb ik geen idee hoe ze er gekomen is, wie ze is en of ik zelfs echt wel wakker ben. Dan komt de chronologie weer terug. Ja, ik ken haar, en ja, ik weet hoe we hier beland zijn. Geruisloos glijd ik uit bed om een glas water te gaan drinken, want m'n mond is droog. Op het aanrecht en de tafel staan nog de restanten van het avondmaal en het drinken nadien, willekeurig verspreid daar waar we zaten of stonden. Ik zie mezelf terug staan, enkele uren voordien, achter mijn aanrecht, terwijl zij parmantig als een kat balanceert op de rand van de zetel en mijn echte kat hongerig is naar haar aandacht.

Buiten is het een ijskoude, heldere nacht, zie ik door de balkondeuren en de kale bomen daar voorbij. Ik denk aan de nachtmerrie waaruit ik ontwaakte, waar een oude vriendschap in voorkwam met iemand die ik al meer dan 10 jaar niet heb gezien, een bisschop en een afwijzing. Hoe kunnen we verwachten anderen werkelijk te begrijpen als onze eigen dromen al oefeningen zijn in nonsens? Men is nog altijd niet zeker waarom we precies dromen. Ik hou het erop dat het een soort screensaver is van het brein, die willekeurige dingen plukt uit je hoofd en ze aan elkaar plakt tot een 'historoïde', een verhaal dat niet echt een verhaal is. Maar hoe verklaar je dan terugkerende dromen?

Gisterenavond

Het appartement is kraaknet, de wasmachine draait haar toerental en de kat ligt verzonken op het donsdeken van het bed met zijn kopje op zijn voorpootjes. Drie uur geleden lag hij in dezelfde houding op mijn borst, met zijn voorpoten gespreid langs mijn hals, alsof hij me aan het knuffelen was. Ik viel er zelf haast van in slaap, ware het niet dat ik het gezelschap had van de moeder, die in haar oneindige goedertierenheid eten voor mij aan het maken was.

Van die maaltijd blijven enkel wat remains of the day over in de koelkast. Het doet me denken aan de laatste pagina's die ik zonet heb gelezen in 'Roadside Picnic' van de gebroers Stroegatski, een sf-klassieker die de inspiratiebron was voor de Tarkovski-film 'Stalker' (die ik nog niet gezien heb). Aliens stoppen kort op onze wereld op doorreis en laten allerlei rommel achter die voor mensen frustrerend onbegrijpelijk blijft, soms wonderlijk en vaak gevaarlijk. Het past in de theorie dat communicatie met buitenaardse intelligentie wellicht onmogelijk is door het gebrek aan een gedeelde context. Misschien is zelfs dat niet voldoende. Ik breek me er de kop niet over.

Deze middag

Verderop aan een ander bureau zit iemand gulzig een peer te consumeren. Ik haat die soppige smakgeluiden en verwonder me er steeds over waarom andere mensen dit zonder problemen kunnen verdragen. Maar misschien heb ik ook van die gewoontes die andere mensen de gordijnen in jagen, zoals luid spreken of het geklop van mijn schoenen als ik ergens door ploeg op een plankenvloer of vast tapijt. Een laag muziek wordt over mijn ergernis heen geschilderd in weelderige, diepe tonen. Een collega loopt langs en zwaait. Geen small talk, vandaag.

Ik ken veel mensen die een hekel hebben aan small talk omdat er niets mee gezegd wordt. Toch is dat niet helemaal juist. Het is gewoon een nogal omslachtige manier om te erkennen dat we geen vijandelijke bedoelingen hebben tegenover elkaar. Niet elk gesprek kan peilen naar de dieptes van de menselijke ervaring. Maar toegegeven, de zone van de koetjes en de kalfjes, dat is voor mij ook hoogstens een voorportaal voor het echte werk. Op het werk wil dat wel eens tegenvallen, en daarom smokkel ik graag het absurde binnen in het alledaagse, als een Trojaans paard. Mijn baas doet dat ook graag. Toen onlangs bekend werd dat we weer een jaar mochten werken op een groot account, zei ik tegen m'n baas, "Ach ja, in de woorden van Johnny Logan, what's another year?", waarop hij vroeg "Johnny Logan, was dat niet die filosoof?". "Ja, van de school van de fenomenologie," antwoordde ik.

Eergisterenavond

Soms knijpt ze haar ogen beurtelings samen, alsof ze niet helemaal zeker is of ik ernstig ben als ik iets zeg. Het houdt de conversatie soepel. Dat, en een bescheiden hoeveelheid vodka in zo'n overgroot IKEA-wijnglas, wat me mogelijk een basic bitch maakt omdat iedereen wel zulke glazen bezit of wil bezitten, maar als tegenbewijs kan ik zeggen dat ik een Pruisische helm in mijn vitrinekast heb. We spreken over gezondheid, oude kwetsuren, katten en de levens van familie.

In de hoek van de keuken staat de radio zacht op een showcase van The xx, een band waarvan het mij enige tijd kostte om die goed te vinden. Dat kwam pas een hele tijd na de initiële hype, die hen afschilderde als "in de stijl van Burial". Waar zit die trouwens, de laatste tijd? Het is alweer enkele jaren geleden dat hij zijn magisch-donkere sound nog eens losliet op de wereld. We onderbreken een gesprek door de kat die zich tussen onze voeten in heeft gewurmd. "Wist je dat als een kat met zijn neus jouw neus aanraakt, dat dat betekent dat hij je echt leuk vindt?" vraagt ze. Ik glimlach. Mijn kater doet dat soms. Zelf mag ik dat niet doen bij hem, misschien omdat m'n hoofd te bedreigend is in zijn ogen.

Gisterennacht

Ik had me nog zo voorgenomen om vroeg te gaan slapen, maar dat plan is alweer een scheepswrak tegen de Klippen der Hardnekkigheid, ergens ter hoogte van de Kaap Goede Voornemens. Het is niet erg. Morgen is geen drukke dag en heb ik voornamelijk voorbereidend werk te verrichten. Ik maak afspraken om banden aan te halen met vrienden en vriendinnen. Het stille internet kan een zegen zijn voor sociale introverten. Intussen laat ik alle indrukken van het weekend bezinken.

Buiten staan de sterren weer kraakhelder op een maanloze achtergrond. Ik denk aan alle gevoerde gesprekken van vrijdag tot nu, van de onzin tot de ernst, en hoe we vermeden hebben om te spreken over de stortvloed van leugens die de politieke kaste steeds gretiger over de wereld laat vloeien. Het maakt ware conversaties zonder agenda des te aangenamer, als een warm deken waarin we ons kunnen wikkelen met een dampende kop koffie. Ik had ooit een discussie met een bevriende dichter over het gebrek aan een soort geïntegreerde, synthetische identiteit in woorden en daden bij de moderne mens in het Westen. Hij vond dat juist fantastisch, dat constante, teugelloze spel. Ik begrijp zijn standpunt, maar meer dan ooit ben ik het oneens met hem.

woensdag 30 oktober 2013

Tuinmeubelmensen

's Ochtends beweeg ik op automatische piloot door m'n appartement alsof ik banen trek onder water in een claustrofobisch zwembad. Ik klamp me vast aan een script. Brooddoos uit de koelkast halen, in m'n pak glijden (geen das vandaag), sigaret roken. Het programma wordt verstoord door iemand anders die nog in bed ligt, en alleen al door haar aanwezigheid tegelijk mijn ontwaakproces versnelt en de slaapdronkenschap versterkt. Kon ik maar terug bij haar en in haar armen gaan liggen - of zij in de mijne, hier hoeft niet per se een punt gemaakt te worden. Nog even een kus tot afscheid. En een tweede. En waarom ook niet een derde. De kat zit al geduldig naast het bed, klaar om mijn plaats in te nemen en handig gebruik te maken van de nestwarmte die ik achterlaat.

Ik ben een boemerang in slow motion. De opgaande beweging begint met de trein, en de neergaande beweging van de dag eindigt er ook mee. Ik besef dat ik er al vaak woorden aan verspild heb, en weinig te zeggen heb over de eigenlijke werkdag, die zich tenslotte toch vijf dagen op zeven herhaalt en meer tijd inneemt dan het pendelen. Dat komt omdat er niet bijzonder veel te zeggen valt over teksten schrijven over banksoftware. M'n collega's zijn aangename mensen die niet gauw op de zenuwen werken (behalve als mijn overbuur na z'n dagelijkse fitness een halfuur doet over een enorm bord groenten en brood). Een andere reden is dat het allemaal nogal technisch is, maar laat me daar even een pauze voor inlassen, omdat ik goesting heb om de motorkap open te klappen van mijn pen.

Intussen ben ik genoeg bekend met het metier. Net als in m'n werkdagen volg ik een paradigma bij het schrijven van dit soort literaire broodjes paté. Het is meestal een s-curve als een ruggengraat: een begin om de lezer vast te houden (ontwaken en noodgedwongen een geliefde moeten laten verderslapen terwijl de kat loert), het dalen en opstijgen van redeneringen die aan elkaar geschakeld worden via metaforen en ander stilistisch ongein (hallo), om uiteindelijk als op een zweeppunt uit te komen bij de conclusie die ik wil meedelen (meestal een emotie, ijsgekoeld geserveerd). Vandaag zijn de conclusies echter uitverkocht omdat ik ook wat persoonlijke waar te slijten heb.

Ik heb geen zin te vaak terug te komen op de routineuze frustraties met de wereld en al die w-vragen die daarmee gepaard gaan, want niemand zal ze afdoende beantwoorden. Wie m'n teksten leest, staat trouwens toch al aan mijn kant, dus waarom zou ik moeite doen om godsbewijzen te leveren voor gelovigen? Toch moet me dit van het hart: ik begrijp helemaal niet hoe zo veel mensen net als ik dag in dag uit aanvaarden dat het verkeer in dit land een nachtmerrie is. Warme bedden zijn namelijk wel het verste van mijn lijf en leden als ik 's avonds in Brussel-Centraal ben. Bijna alle treinen hebben vertraging, ik moet twee keer wisselen van perron - geen geringe prestatie, aangezien Brussel-Centraal maar zes perrons telt - het is er veel te warm, het lawaai van krijsende treinremmen knalt overal van de plafonds en de pilaren, en er zijn ontzettend veel mensen die de weg blokkeren, rugzakken aan houden, te luid tegen elkaar staan te roepen of geen notie hebben van het feit dat ze een roltrap kunnen nemen in plaats van tegen het afdalende verkeer in de trap te nemen.

Je moet je dat niet aantrekken, zeggen sommige mensen. Ik verontschuldig me voor m'n lage irritatiedrempel. Maar moet ik dat in feite wel? Elke dag worden treinen afgeschaft, treinen die later zijn dan zes minuten worden niet in de statistieken opgenomen, en het debat aangaande het spoor wordt abstract gevoerd, alsof treinreizigers een lastig cijfer zijn. Voor de stevig betaalde middenpotentaatjes van de NMBS is dat allicht ook wel zo. Reizigers: vervelend. Personeel: bende zagen. Vakbonden: nooit content. Mensen met visie: naïeve dromers.

Dat laatste verwijt is een verwijt dat nog het meeste pijn doet van al. Het is de typische toevlucht voor mensen die liever de status quo niet veranderd zien. Ze beroemen zich op hun berusting. Het is altijd al zo geweest. De zaken zijn nu eenmaal zo. Het is mijn probleem niet. Je moet er zo gevoelig niet over zijn. Maar waar stonden we nu, als er geen mensen geweest waren die eens ferm tegen de stroom in wilden varen? Voor de goede verstaander heb ik het hier niet over mensen die anderen bevestigen in platte vooroordelen en zichzelf onterecht het etiket van rebel aanmeten. Dat is zo mogelijk nog ergerlijker. Er is niks gedurfd aan om vooroordelen op scherp te stellen.

Terug naar de pijn. Daar schrijven we weinig over, behalve in dagboekontboezemingen die alleen voor de schrijver ervan therapeutisch nut hebben, hoewel pijn universeel is. Ik kan toch niet de enige zijn die het benauwd krijgt van het geschraag van metalen wielen op metalen sporen? Wat het meeste pijn doet, ligt nu op m'n schoot in een opengeslagen Humo, en ik zal maar eerlijk zijn: de bijlage van de boekenbeurs. Tien relatief jonge auteurs uitgelicht, met profiel en stijlvolle foto. When do I get to sing 'My Way'? Misschien is het marketing en ben ik wel de banksoftware onder de schrijvers. Misschien ken ik te weinig Mensen Die Ertoe Doen of misschien ben ik niet marginaal genoeg. Misschien ben ik ook gewoon een prutser. Vast staat dat ik het mezelf niet makkelijk gemaakt heb door me te specialiseren in vier literaire takken waar de meeste uitgevers van knarsetanden. Ik schrijf kortverhalen, maar weinigen debuteren met bundelingen daarvan. Ik componeer poëzie, maar alleen Gerrit Komrij en Herman Van Rompuy hebben daar ooit geld mee verdiend. Ook heb ik 17 jaar gewerkt aan een vijfdelig sf-epos, in een literaire cultuur waar het veel goedkoper is om Angelsaksische schrijvers risicoloos te vertalen in plaats van een geschift risico te nemen. Tenslotte is er dit, deze gewelfde tranches de vie, die te groot bemeten zijn voor een krant of een tijdschrift, en dat tevens in een land waar de opinieerders elkaar al voor de voeten lopen.

Mag er er nog wat ergernis bij, nu ik hier toch sta in de zweetwalmen van Brussel-Centraal en ik noodgedwongen plaats moet ruimen voor een diplodocus met een aktentas die zich moet en zal langs me wurmen? Ik erger me aan wat ik Tuinmeubelmensen noem. Een onbestemd type middenklasser voor wie de hoogmis van het burgerbestaan eruit bestaat om tuinmeubelen te gaan kopen. Ik word omringd door dat soort mensen. Ze stoten me per ongeluk aan en ik zeg beleefd sorry, ze lopen elkaar voorbij in hun queeste naar wat Nietzsche het bruine geluk noemde, en als ze in m'n hoofd zouden kijken, zouden ze me allicht maar een zure intellectueel vinden. Waar haal ik het recht vandaan? Dat kan me aan m'n eeltige sluitspier roesten. Je moet je vijanden kiezen, en voor Tuinmeubelmensen zijn vijanden per definitie al iedereen die geen behagen schept in een bestaan dat afgeschermd wordt door keurig onderhouden hagen, en er een probleem mee heeft zichzelf voor te liegen. Door onszelf namelijk wijs te maken dat we allemaal gezellig middenklasse zijn, permitteren we ons aan de lopende band neerbuigendheid tegenover de onderklasse. Door onzelf voor te stellen als ruimdenkend, bubbelen de platste gemeenplaatsen eerst naar boven. Wie de goden willen verwoesten, die treffen ze eerst met tuinmeubelen, denk ik maar.

Uiteindelijk arriveer ik meer dan een uur te laat thuis, nadat ik me nog een brood gekocht heb. Als vier Daltons leg ik m'n sneeen brood naast elkaar op de plank. Het is witbrood, omdat het al was wat nog beschikbaar was in de lokale superette. Jonge Gouda en salami, avondeten van kampioenen in de amateurboosheid. De ergernis met de NMBS ebt langzaam weg, maar ik wil wel het momentum kunnen houden van de kwaadheid, in m'n hoofd inetsen dat we veel te veel accepteren als de normale gang van zaken, terwijl dat helemaal niet zou moeten. Ze trekken ons allemaal een zak over ons hoofd, denk ik, terwijl ik sta te kauwen aan m'n aanrecht.

Ik sta er ook bij stil dat ik niet bijzonder veel geluk heb gehad in het leven voor de dingen die er voor mij toe deden. Geluk op cruciale momenten, dat wel, zoals geboren worden in België of net niet omvergereden worden door een vrachtwagen toen ik een jaar of negen was. Maar nooit een pak geld dat eens uit de hemel is komen neerdalen, of een literaire hotshot die me oppikt uit de caféscène. Een bevriend dichter zei me ooit dat je je eigen circuit moet creeren, maar daar heb je ook een dagjob aan. Er is ook altijd die gemoedelijke stem die zegt dat ik niet mag klagen, want ik heb dit en dat en dit. Het is makkelijk om onthechting te prediken van dingen die je zelf niet interesseren, zeg ik, of om succes te relativeren dat je zelf al bereikt hebt. Niet dat ik het ook niet doe. Bedachtzaam kneed ik mijn ballen. De kat staat er bij en kijkt er naar.

Een dik uur later is er werkelijk een zak over m'n hoofd getrokken, in de vorm van een filmzaal, waar ik zit met Roman en twee vrienden van hem. Eén van hen is zo vriendelijk geweest op voorhand te informeren of het stoort dat ze popcorn zal eten. Het druilerige humeur van voordien, met een afdronk van onbeantwoorde vragen over waarom ik straks geen bladzijden zal zitten signeren op de Boekenbeurs en waarom alles zo verdomde traag gaat, is weg. Ik ben volop meegespoeld met de magie van de film ('Gravity'). Ik zit op het puntje van mijn stoel, voel me in het ruimtepak zitten van de acteurs. Alles klopt. De regie, de dialogen, de geluidseffecten, de cinematografie en de speciale effecten. Ik besef dat ik het voorrecht heb te kijken naar een zeldzaam magistrale film. Tijdens het kijken bekruipt me zelf geen seconde het verlangen om te roken.

Als beïnkte linten draaien de woorden uit mijn oren. Dat is wat cultuur kan doen. Ik zie er dieper van, preciezer, weet alles wat ik doe en zeg omvat door iets dat groter is dan mezelf. Terwijl ik naar huis wandel, voel ik nog altijd de terreur, de hoop en de berusting van de film. Mijn tred sleept niet langer, hij veert. Ik kan het tot het einde van m'n dagen betreuren dat m'n gevoeligheid tot gevolg heeft dat de dingen vaker pijn doen dan bij sommige anderen, maar ik zou het niet willen inwisselen voor de hoogtes waar schilderkunst, muziek, film en andere creatieve uitingen me naar kunnen opstuwen. Luister, ik wéét dat er iets scheelt aan hoe de filters in m'n hoofd werken, maar ik ben tenminste in interessant gezelschap.

Thuis wissel ik nog berichten uit met m'n lief. De linten van de mentale typmachine blijven volop draaien, volgeladen met indrukken die er uit moeten. Wat kan het me eigenlijk schelen dat ik niet met m'n kop op de achterflap van een hardcover sta? De boemerang wentelt terug richting bed. We wisselen nachtgroeten uit als digitale vogeltjes. De dingen kloppen terug allemaal. Laat de Tuinmeubelmensen maar proberen om me met m'n kritiek en gevoel af te serveren, of om te doen alsof kunst een hobby is voor mensen die het zichzelf graag moeilijk maken. Kunst is de redding. Het is troost, het is perspectief. Het is balsem en machinegeweer. Tenslotte is het daarom dat ik schrijf en zal blijven schrijven.

dinsdag 15 oktober 2013

Onder onbekenden

We staan als bedelaars voor de werkdag aan de bushalte te verkleumen, met als enige afleiding het zich op gang trekkende verkeer op de Heuvelpoort, doorschoten van hier en daar nog een late uitgaander die glazig uit z’n ogen kijkt. De dovende lichten van de cafés en clubs sterven samen met de allerlaatste dronkenlappen of elkaar overeind houdende koppels. Wij staan als moai-beelden in weer en wind te wachten op de bus. Door routine herken ik de meeste gezichten, die elk in hun eigen gedachten gezonken zitten. Dat is goed zo. Het familiaire onbekende. Geen behoefte aan gesprekken.

Het is nog donker, maar in onze ruggen rijst alweer een grijze herfstochtend op boven de hoge daken die zich als een ketting verheffen tot over de Blandijnberg en het Sint-Pietersplein, en die opkomende zon zal straks een palet onthullen aan de donkergrijze regenwolken die al eeuwenlang over Vlaanderen regeren. Talloze schilders legden die wolken vast, met onder hun vorstelijke bedekking het landschap van weilanden, moerassen, laagstammige bossen en kromruggige boeren. Ik rook een sigaret en hoest, werktuigelijk.

Als de bus aankomt, trekken we ons op gang om op te stappen. Ook de meeste passagiers herken ik al van gezicht. Er zijn de drie Russische dames met boerengezichten die onder elkaar converseren, het slanke meisje met het aristocratische gezicht en de fijne ogen, de mysterieuze hipster met zijn perfecte baard, en de vrouw van rond de veertig die steeds een hypnotiserend strakke jeans draagt. Er is ook nog de jongen aan wie ik instinctief een hekel heb: hij draagt nooit een jas, nooit een tas, nooit een rugzak, altijd merkkledij, en zit iedereen letterlijk met open mond aan te gapen. Dat doet hij elke dag. Het moet zijn dat hij niet past in mijn Vlaamse pendelschildering, dat ik geen jas dragen onwelvoeglijk vind en dat ik het niet leuk vind in m’n ochtendburcht van rook en boeken begluurd te worden.

Regen zwiept tegen de vensters en laat de niveaus van inkt die de gevels en straten nog beheersen, door elkaar lopen. Het is een zegen voor vermoeide ogen. Ik bid dat de routine niet gebroken wordt door onnodig halt houden aan irrelevante bushaltes of zich over het voetpad tuimelende haastigen. Ik staar naar mijn handen in mijn schoot en denk aan iemand die me ooit vertelde dat je alleen aan iemands handen zijn werkelijke leeftijd kan zien. Ik verbaas me er ook telkens over hoe handen van andere mensen aanvoelen. Sommige handpalmen zijn natuurlijk sterk doorlijnd en droog, anderen hebben een vanzelfsprekende zachtheid die alleen verkregen lijkt door weinig te werken, hoewel dat niet altijd waar is. M’n vingers verstrengelen zich en trommelen dan een ritme tegen elkaar, als stomme versies van door elkaar gerammelde pophits.

De bus komt op het laatste rechte stuk richting station. In de verte weer licht, deze keer de toren van het Sint-Pietersstation die het baken vormt, als een volle maan die ingekapseld is door sprookjesbaksteen. We hangen achter een tram. We strompelen allemaal weer overeind, met de verhalen die ons nog achtervolgen van gisteren in lijf en leden. Dat is ook de ochtend, immers: onsamenhangende gevoelens en halve zinnen die als ijsblokken nog niet opgelost zijn in de menselijke soep, en dat we ons net als aan de stangen van de bus vastklampen aan de broodnodige routine om niet in slow motion de zonsopgang door te komen. Het geldt alleszins voor mij.

De deuren openen zich en met de deuren ook weer de Belgische hemel waar zelfs veroveraars als de Romeinen nooit echt aan konden wennen. Er wordt gerend door vloekende zakenmannen en schreeuwende schoolmeisjes. Stap voor stap voel ik me wakkerder worden en verleent de dag me meer focus. Tijd voor nog een sigaret. De Metro in één vloeiende beweging meegraaien en hopen dat ik geen twee exemplaren vast heb of zal staan sukkelen en andere mensen zal blokkeren. De ochtendspits mag niet vast komen zitten. Wie ik nog herken van op de bus, kan ik nu op één hand tellen, maar ik hang me aan hen vast, die onbekende vrienden, als verdwaalpalen op een strand van modder en vergeelde mozaïek.

Aan het getril van de sporen boven mijn hoofd voel ik als ervaren seismograaf dat ik nog net m’n trein zal halen en dat ik dus niet hoef te rennen, ook al omdat de roltrap werkt. De laatste rook blaas ik uit m’n mond als een IJslandse geiser die zich opmaakt om weer te gaan slapen, ik reinig m’n tanden met mijn tong, recht m’n rug, til m’n hoofd een klein beetje op en kies positie om met het juiste been te landen op het perron, en dat allemaal op twee seconden. Een vlaag wind slaat over het station en doet zowel jassen als krantenpagina’s wapperen als een herfstfeest.

De trein dendert binnen en harde geluiden weerklinken van overal. Er is de bouwput achter spoor 9, met lassers en slijpers, er zijn de onverstaanbare aankondigingen die evengoed in het Slovaaks hadden kunnen zijn, en het gegil van de stationsfluiten. Daartussenin, in de loopgraven van de sporen zelf, of aan de kiezeluiteindes van de perrons, hangt nog stilte. Het stilste van al nog zijn de mensen zelf, de passagiers die zwijgen en dankbaar zijn dat de dingen deze ochtend lopen zoals ze horen te lopen, of misschien niet helemaal zo horen te lopen, maar desondanks kiezen om de dag weer te dragen zoals hij gekomen is. Op een flard donkergrijze wolk. Op rookgordijnen. Onder onbekenden.

donderdag 23 mei 2013

Accusatief

Omdat ik de enige mens lijk die nu buiten staat tussen de windstille planten van het park en de zon net van achter een bult wolken gekomen is, voel ik me net een zonnewijzer. Hoe laat is het? Tijd om je leven te beteren. Dat zei mijn overgrootmoeder naar verluidt altijd. Ik vraag me af of die vaak gelachen heeft en draai een pirouette, want geen mens die het ziet. De zolen van m'n laarzen kraken in het stof en de al dorre bloesems. Bij de volgende tel is de zon weer verdwenen en is de indruk van de stille, marmeren vooruitgang van Romeinse uren ook opgelost. Alles verandert, behalve verandering.

Ik wandel het pad terug op dat me naar m'n werk zal voeren en laat in een daartoe niet bestemd rooster de peuk van een sigaret achter, de dubbele getuige van mijn onvolmaaktheid. Zoek er maar geen romantisering achter, want dat doe ik ook niet. Met het pad dat zich door een vierkante tunnel slingert, komt ook de hoofdweg in zicht, waar tussen het groen op elk moment van de dag eurocraten en bestelwagens laveren. Ik zie ook vaak zwarte mannen in onberispelijke pakken, onderweg naar de nabijgelegen ambassade van Nigeria. Ze komen me nooit spammail geven, maar vragen soms wel erg vriendelijk of ze al vlakbij hun ambassade zijn. Het moet hier verwarrend zijn voor hen, in Brussel. Wat een bizarre stad ook. Ik had een tijd terug een collega uit Engeland die voor zijn komst naar België besloten had om zich de taal eigen te maken. Hij keek op een kaart en zag dat Brussel in Vlaanderen lag, dus leerde hij een beetje Nederlands. Hij werd de zoveelste Engelsman die door de geslepen francofonie gevloerd werd.

Vandaag leerde ik ook dat men me op het vijfde verdiep wel eens 'die blonde Vlaming van het zevende' noemt, en ik weet niet wat ik daarvan moet denken. Buiten als ik zelf in het buitenland was, heeft men nog nooit naar mij verwezen aan de hand van mijn etnie of een of ander fysiek kenmerk. Of het moet al geleden zijn van toen ik vijftien was en bleek in een speedo langs de rand van het zwembad trippelde om niet uit de glijden. Dat berkenlichaam heb ik gelukkig niet meer, en ook de tijd van de speedo's is al voorbij. Ik staar nog even in de hemel voor ik de deuren openzwaai van de inkomhal. Het valt me nu plots binnen dat er vorig jaar wel iemand naar mij verwees aan de hand van m'n etnie: een zwerfster die ik niet te woord wilde staan maar uit m'n krachtig "non!" blijkbaar kon opmaken dat ik een "sale flamand" was. Bevreemdend.

Wij Vlamingen, wij jongleren alle dagen met dat Engels alsof het niets is, en intussen moeten Franstaligen, Turken en Marokkanen maar allemaal piekfijn Nederlands leren. Alsof we er zelf zo goed in zijn. Integendeel, die modderige bastaard van het Verkavelingsvlaams omarmen is meer dan ooit de taalkundige barak tussen de lintbebouwing, die dan wel lelijk mag zijn, maar het is verdomme wel onze barak en wie er kritiek op heeft, dat is een elitaire lul. Welnu, ik kom van een plek waar we zulke barakken van golfplaten hadden, en ben gepokt en gemazeld in de potgrond van een lokaal dialect, dus ken genoeg de voordelen van een standaardtaal om die ook te gaan gebruiken. Op m'n eigen manier. Natuurlijk, ook ik ontsnap niet aan de doe-het-zelf-mentaliteit van Rudi, Nancy en Freddy.

In de lift loop ik een delegatie projectmanagers tegen het lijf. Eén van hen lijkt op een versie van Liv Tyler die niet mis zou staan in een burlesque show, maar ik staar niet. Er wordt al zo veel gestaard in deze wereld - zonder dat er echt gekeken wordt. Het staren is misschien wel één van de ultieme uitdrukkingen van eindeloos egoïsme. Je louter iets toe-eigenen door er naar te staan gapen. Het geluid dat er bij hoort is een dikke steen die met een gulzige plons in een vijver valt en ringen maakt van ongenoegen. De delegatie projectmanagers stapt uit en we wensen elkaar een bon après midi en également. Er werken wel andere Nederlandstaligen hier, maar je weet nooit op het zicht wie wat spreekt. Een collega beweerde ooit dat je 't kon zien aan de kleren. Franstaligen zouden zich conservatiever kleden. Niet dat Vlamingen aan veel mode-experimenten zijn. Kop en kraag onder het maaiveld, graag. Voor een nationalist is dat de uiting van een gekrenkte volksziel die de herinnering aan onderdrukking in zijn cultureel DNA meedraagt, voor iemand als ik is het een reactionaire kramp die anderen moet tegenhouden van boven dat maaiveld uit te stijgen.

Op het zevende stapt de blonde Vlaming uit. Er sleept iets in m'n tred. Er hangen molenstenen rond mijn generatie. In de media is periodiek een steekspel tussen boomers en millennials, maar nuance is in dat debat niet welkom. Er zijn genoeg boomers die beseffen dat hun generatiegenoten het grandioos verknald hebben, maar er zijn evenveel millennials die zich ertoe hebben laten verleiden de verzorgingsstaat en onze verworven rechten te beschouwen als iets dat we moeten opofferen in naam van de welvaart. Wiens welvaart? Zullen de banken beter bestuurd worden als we ons langer uitputten voor hetzelfde loon? Zal nationalistische kortzichtigheid ophouden met bestaan als we die index loslaten? Of krijgen we allemaal gelijk een paar achterpoortjes toebedeeld in de belastingen, met schijnvennootschappen op Tahiti en in de Westhoek?

Ik zink neer in m'n bureaustoel, de troon mijner productiviteit. Beschuldigen, daar zijn we allemaal goed in. Publiek toegeven dat we verkeerd zijn, dat ligt lastiger. Je kan er boos over zijn dat een oliebedrijf de verantwoordelijkheid voor een milieucatastrofe vlot van de hand wijst of dat een oude politicus met losse handjes vindt dat hij tegen onthullingen over ongewenst gedrag recht heeft op een schadevergoeding van bijna één miljoen euro, maar het is een rode draad door de hele wereld, van Kamtsjatka tot Timboektoe. We kiezen de weg van de minste weerstand voor het ego, ook al leidt die recht tot in het hart van Absurdistan. Wel, ik heb in elk geval nooit genomen wat me niet gegeven werd. Ook dat is een beschuldiging en ook dat is makkelijk voor mij om te zeggen. Misschien kan ik beter maar eens écht stoppen met roken in plaats van zonnewijzertje te spelen in een Brussels park.

vrijdag 7 september 2012

Allemaal waarheid

Met rode inkt staat op de Joker-kaart van een pak kaarten waarvan maar de helft nog overblijft, het volgende geschreven: “We kunnen de cirkel breken. Het gaat allemaal trager dan ik denk, omdat je niet zomaar overstapt naar een rechte lijn. Het is niet wat vooruitgaat dat telt, maar wat omhooggaat. Architecten van gotische kathedralen wisten dat, de bouwers van de piramiden wisten het en Pfizer verdiende er miljarden aan.”

In mijn dagboek, naast een onbegrijpelijk schema over twee werelden die in staat van oorlog zijn: “Kunst is religie, zei één van m'n broers. Ik begin steeds meer te geloven dat hij gelijk heeft. Ik zie niet in waarom ik anders zo zou kunnen genieten van de gewijde stilte die hangt in een museumzaal en me zo kan ergeren aan luie kunst, luie museumbezoekers en geleide bezoeken. Ongelovigen zal ik bekeren of zal ik verbranden. Had een kerk maar een aanpalende cafetaria om een koekje in de koffie te doppen en hard, erg hard na te denken over wat nu in een museum thuishoort en wat niet.”

Stond op de buitenkant van een kapotte schoenzool gekerfd van een paar dat ik eindelijk volledig afgedragen had: “Informatie is in principe holistisch. In elke hoek van elke kaaklijn, in elke flauwe kromming van een neusvleugel, een trekken van een schouder of een lijntje onder de ogen, zit een verhaal, een plan, een tweede plan. Pagina drie: de geringschattende blik van een ex als ze me er op wijst dat mijn mop niet grappig is. Bedankt, we weten het wel. Maak geen karikatuur in postzegelformaat van me. Ik ben groter dan dat en je weet het.”

Had ik willen posten op Facebook, staat nu te verwelken in een ronddobberend txt-bestand op de harde schijf: “Welkom op Instagram. Alles lijkt er zonniger. Ik heb nog echte afgebleekte, rossige foto's uit de jaren '80 in een dik plakalbum. Alles komt terug. Wat vandaag door het riool naar beneden sijpelt uit de afvoerput, komt morgen terug naar boven op je bord. En we gaan er een Instagram-foto van nemen. We gaan het liken. We gaan er over zeuren dat we er weer eens ironisch over moeten doen. En uiteindelijk zeggen we niets.”

Geschreven met de linkerhand, nauwelijks leesbaar, in bloedtype A+: “Ik ben rechtshandig maar ben ambidexter in twee dingen: eten (voorkeur voor links) en masturberen (voorkeur voor rechts). Na beide activiteiten was ik mijn handen. Mensen slaan, als het al voorkomt en dan ook alleen maar met toestemming van de betrokkene, doe ik rechts. Rechtshandigen zijn in de meerderheid op de wereld, maar linkshandigen lijken zo veel cooler. Daarom zeg ik dat ik een rechtsbreinige ben - dus linkshandige - in het lichaam van een linksbreinige. Om maar niet toe te geven dat ik ben zoals de meerderheid.”

Eén strook heb ik gelikt tot ze wak werd. De inkt maakte onmiddellijk een smeerboel aan vlekken. Er stond op: "Het is een zachte avond. Ik zit buiten op de brandtrap te lezen. Onder me is een reeks ongelijke platte daken, voor me uit de achterkant van andere appartementsblokken, en om me heen struint huiskater Odin, die van het feit dat ik langer dan twee minuten op het smalle balkon ben, een heel evenement lijkt te maken. Mijn linkerhand aait afwezig zijn kopje. Voor de gauw geamuseerden is het leven een feest."

Een onverstuurde brief: “Word is on the street dat je me nog altijd haat, al begrijp ik niet waarom en maakt het feit dat ik niet kan achterhalen waarom, me op een latente manier nerveus. Alsof me kaltstellen toen nog niet genoeg was om me voor de rest van mijn leven te verwonden. Ik denk niet dat je verstaat dat er bij mij iets geknapt is waardoor ik nooit meer iemand zo diepgaand heb kunnen vertrouwen.”

Onder de invloed van alcohol en drugs tussen een CV geschreven: “De doodswens is van oudsher het excuus van verstandige mensen die erg veel domme dingen doen. Het komt als eb en vloed, als iets dat oprijst uit een moeras en met lange tentakels door de schedel boort en zich dan onverklaarbaar terugtrekt, waarbij nieuwe holtes achterblijven. Disintegratie. Verschillende cirkels met letters trekken voorbij aan het geestesoog, sommige woorden lichten op: belang, balling, vermoeidheid, verslaving.”

In een geringd schriftje met nota’s in slecht Frans van een vergadering. Er zit een koffievlek op: “Van de buitenkant zie ik een lichaam met een witte das dat achter een imposant bureau zit, met uitzicht op chique gebouwen uit de negentiende eeuw, verhuurd aan woekerprijzen voor de Belgische en Europese elite. De hand van dat lichaam rust om een beker koffie en het hoofd van dat lichaam bevindt zich op verschillende denksporen tegelijkertijd, waarvan één die stormvloed is aan emoties die constant door een veel te smalle sluis moet. Een ander spoor verbaast zich over het prachtige, gitzwarte haar van de secretaresse, een derde spoor schiet verder vooruit en probeert zich het eigen lichaam voor te stellen tien jaar van nu, gebalsemd door een beter leven, een beter inkomen en een staalharde state of mind. Ik denk na over het soort toekomst dat niet echt een toekomst is, maar meer een stippellijn op een scheurstrook. Intekenen is gratis, en dus helemaal niks waard.”

Op de deur van een toilet, in het Cyrillisch, omdat m’n Russisch niet toereikend is om het rechtstreeks te doen in de taal van Poesjkin: “We zijn noch uniek noch allemaal hetzelfde; we zijn relatief. Vast staat dat we moeten kunnen ademen, in de ruime zin van het woord. We nemen daar pillen voor - ik toch. Samen kunnen we de tirannie van de toekomst beëindigen.”

woensdag 26 oktober 2011

Stresskubus

Ik ben niet beroemd en ik heb rugpijn. Ik knijp in een stressbal met het bedrijfslogo op - het is eigenlijk een kubus, maar een stresskubus klinkt nogal onhandig. Leven met chronische pijn is niet eenvoudig, dat zal iedereen je vertellen die in min of meerdere mate constant moet leven met pijn, en iedereen die dat niet doet, die kan dat maar moeilijk begrijpen. Laat ons er echter geen Olympische Spelen van Miserie van maken en onmiddellijk toegeven dat ik in een provinciale cafépijnploeg speel. De zwaarste pijnen worden elders op deze wereld geleden.

De laatste dagen wisselt chagrijn zich af met hoop. In grote wereldsteden bezetten mensen diverse pleinen en financiële centra uit protest tegen de ontzagwekkende ongelijkheid in macht en middelen, de vurige verlangens naar meer vrijheid in de Arabische wereld worden nog eens opgepookt en in eigen land is er eindelijk iets in zicht dat op een regering begint te lijken na meer dan vijfhonderd dagen limbo. Het chagrijn is afkomstig van mijn weerzin tegen de gevestigde elites die het contact met de realiteit verloren lijken te zijn, en mijn woede jegens elementen uit voorgaande generaties die niet alleen het kapitaal van hun ouders, maar ook dat van zichzelf en hun eigen kinderen hebben opgesoupeerd omdat ze maar één woord kenden: "nog".

Aan de vensterbank van mijn kantoorruimte rek ik m'n rug uit. Het appartement aan de overkant van de straat is nog steeds te huur. Romantische beelden van wonen in Brussel tussen de ambassades, met in het centrum de niet aflatende geur van restaurants, snackbars, hordes toeristen en opdringerige daklozen.

Ik wou dat mijn stressbal een afstandsbediening was waarmee ik woordbommen kon doen ontploffen, clustermegafonen die niemand nog kon negeren. De eerste bom zou ik leggen onder de media. Met als ergste uitwassen de Angelsaksische landen, zoals gewoonlijk, worden de protesten doorgaans benaderd met het uitgekiende cynisme van journalisten die al te lang in het vak zitten en zelf te veel afhangen van neoliberale broodheren. Net zoals de media laatdunkend deden over de optochten tegen het politieke immobilisme, wrijft men de huidige betogerstroepen van Occupy Wall Street aan dat ze niet echt een eis of een boodschap hebben (en dus zichzelf veroordelen tot irrelevantie). Of men pikt er de meest mediagenieke, verwarde of verwaarloosde betogers uit om de hele beweging te reduceren tot een misleid-linkse opstoot van luiheid. Nochtans is het allemaal haarscherp. Alleen door met de megafoon van de media elk antwoord preventief te gaan overschreeuwen met "Ik kan jullie niet horen! Waarvoor staan jullie?" kan dit beeld ontstaan.

De media hebben, net als bij de Belgische situatie enkele maanden terug, zelf schuld aan de onrust. Politici worden onder druk gezet om hun hele ideologie te reduceren tot een soundbyte, of worden uitgenodigd om hun zielige vetes publiek uit te vechten. Mijn franstalige maar erg goed Nederlands sprekende baas vraagt me intussen hoe je dat zegt in het Engels, 'Allerheiligen'. Dat is 'All Saints', en het is zijn beurt om te lachen om het voor de hand liggende, omdat ik hem deze ochtend vroeg wat 'Allerheiligen' is in het Frans.

Tot die media, denk ik, mijn stressbal opgooiend en opvangend, behoren nogal wat mensen van de voorgaande generaties die ik eerder aanhaalde. Zij groeiden op in de decennia tussen de jaren '60 en de jaren '80. Toen was de vermogens- en inkomensongelijkheid nog niet zo groot. Toen waren er meer kansen voor mensen om zich op te werken met het klassieke ethos van hard werk, ambitie en gedisciplineerd studeren. Velen onder hen zijn opgeklommen op de sociale ladder en hebben toen de ladder onder zich omvergeduwd. "Hoger springen! Je komt er wel!" roepen ze naar wie na hen komt. Toch ga ik ook die hele generatie niet veroordelen, net zoals er nog steeds voldoende knuppels zijn onder mijn generatie die aan tweehonderd kilometer per uur vooruitstormen door over de snelwegstrook richting niets ontziende rijkdom en bruin materialisme. Rechts is alle krediet kwijt. Na twee decennia de paradox in stand te houden van zich te beroepen op een slachtoffergevoel en tegelijk de hele politieke agenda gegijzeld te houden (vreemdelingen, profiteurs, uw centen!) en de wereld mee te sleuren in een neoliberaal dogma, staat er weer een keizer zonder kleren.

Ik moet niet zo kwaad zijn, hou ik mezelf voor, terwijl ik ergens een nota maak bij het lezen van een economische paper over hoger rendement dankzij bankensoftware. De nieuwe baas van human resources komt langs met snoepjes. Ik probeer altijd Frans te praten tegen haar, maar behalve de echt Nederlands-onkundige collega's lijkt iedereen me als doelwit uitgekozen te hebben om Nederlands mee te oefenen. Het veroorzaakt een zekere knagende schaamte. Vlaams-nationalisten zouden er een velddag mee beleven. Na bedankt te hebben voor het snoepgoed, kijk ik nogmaals uit het venster. Geen woedende betogers. En ik maak zelf ook niet onmiddellijk aanstalten om er bij te gaan staan - daarvoor ben ik te graag een Einzelgänger (wat zeg ik, ik wentel me er in) en heb ik nooit het gevoel gehad echt op te gaan in een groep of een massa. Ik moet een buitenstaander zijn, of net de baas. Anders gaat het niet. De stressbal wordt in de prullenmand gemikt. Ik hoop dat de protesten nog lang zullen doorgaan. We mogen niet zo cynisch zijn.

donderdag 8 september 2011

Wachten op eendracht

Omstreeks de nationale feestdag bracht ik een vriendin naar huis langs één van de lange, bochtige en lintbebouwde wegen die Vlaanderen rijk is. Voor ons uit was er plots een andere auto gestopt en was de chauffeur uitgestapt. Ik stopte ook en zag toen dat de Belgische vlag die op z'n auto gedrapeerd ging, er af gevallen was. Ik vroeg me af hoe het moest voelen om door te rijden en dwars over die vlag te rijden, en kreeg daar gek genoeg een erg verkeerd gevoel bij.

In mijn notitieboekje schrijf ik: men denkt al te vaak dat mensen die traag praten en gewichtige pauzes laten vallen, iets interessants te vertellen hebben. Ik heb een hekel aan dat weeë gedrag. Het cliché moet vermeden worden. "Jongeren die niet links zijn, hebben geen hart, en ouderen die links zijn, hebben geen verstand," luidt één van de varianten van een welbekend centrumrechts cliché. Als dat waar is, dan heb ik noch een hart, noch veel verstand. Hoe ouder ik word, hoe schaamteloos linkser ik word. Ik veronderstel dat sommige lezers me daarvoor alleen al zullen afserveren, zullen stoppen met lezen of net verder zullen lezen om zich te kunnen ergeren. Welnu, die lezers moeten ook weten dat ik voorstander ben van klassiek rechtse principes als een slanker regeringsapparaat, meer blauw op straat, fatsoen en respect, ontvoogdingsmaatregelen, strengere straffen voor bepaalde misdrijven en een aantrekkelijk ondernemingsklimaat.

Wat ik echter te weinig lees in het maatschappelijk debat van vandaag is een echte linkse stem. Alles wordt gedomineerd door de politieke krachten van rechts, en al vijftien jaar lang moet ik boutades aanhoren die vaak niet meer zijn dan fantasieën of groteske overdrijvingen. Dit wordt nog verergerd door de sociale sfeer van schrille, gefrustreerde krantencommentatoren op het internet, sensationele berichtgeving rond diverse maatschappijproblemen en een opgeklopte sfeer waarin men onder het mom van "ik ga maar even mijn mening geven" vaak de grootste onzin kan debiteren zonder er verantwoording voor te moeten afleggen.

Een voordeel aan werken in Brussel is dat je gedwongen in contact komt met Franstaligen. Tijdens de lunch wordt er krom Frans en Nederlands door elkaar gesproken, doorspekt met Engels. Een aanwezige Nederlander merkt met z'n typische flegma op dat hij vindt dat Walen en Vlamingen meer op elkaar lijken dan Nederlanders en Vlamingen, en hij krijgt gelijk. Brussel - het gehandicapte wonderkind in de baarmoeder van Vlaanderen. Ik bedenk me ook dat ik al meer geschreven heb over mijn land dan mij lief is.

In de lift kom ik vaak een zwarte man tegen die allerlei materiaal versleept met een onvermoeibaar enthousiasme en een gedienstigheid die me met verstomming slaat. Het begrip 'politieke correctheid' werd uitgevonden in de Verenigde Staten. Mensen die er zich op beroemen 'politiek incorrect' zijn, doen dat met een air alsof ze vrijbuiters zijn tegen het gevestigde establishment, en dat ze bovendien opkomen voor 'gewone mensentaal' die een soort buikgevoel moet verwoorden. Meestal is het echter een dekmantel om racistische, vrouwonvriendelijke of platvloerse uitspraken te doen die niet verkeerd zijn omdat ze 'politiek incorrect' zijn, maar die verkeerd zijn tout court.

Ik wandel door de regen naar de metro. Poolse loodgieters (letterlijk: ze spraken Pools en kwamen met z'n vieren uit een Poolse bestelwagen) hobbelen over het trottoir naar één van de duurdere appartementsblokken. Twee oude mannen, handen op de rug en de snor naar beneden gericht, passeren me. Nog een nota voor mijn boekje: luid praten wordt te vaak verward met interessant zijn. En kritiek met intelligentie. Terwijl ik de trappen afdaal naar de smeuige, in wafelsuiker gedrenkte metro, moet ik ook denken aan het slachtoffercomplex waar ik vandaag tegen uitgevaren was aan tafel. Mijn Waalse collega's beweerden dat dat ook leefde in Wallonië, maar zich vertaalde aan onvoorwaardelijke steun aan de oppermachtige socialisten. In Vlaanderen keert het zich net tegen links. Geen gelegenheid wordt onbenut gelaten om links niet alleen als dom, maar ook als gewelddadig af te schilderen.

Natuurlijk bestaat er randgroupuscules van wereldvreemde of zelfs gewelddadige extreemlinkse oorsprong, maar laat ons die vooral niet overdrijven. Bij gewelddaden en aanslagen die links geïnspireerd waren, is in België de laatste dertig jaar welgeteld één persoon omgekomen, en hard links stelt electoraal in België niks voor. Geweld van extreemrechtse signatuur daarentegen heeft helaas al meer mensenlevens geëist in België, en is angstwekkender omdat die principes ook een electorale voedingsbodem hebben.

Als ik terug opstijg uit de metro, een kwartier later, kruist een buis van De Lijn een bus van de MIVB. Te absurd voor woorden. Een echte Belgenmop, lacht m'n Nederlandse collega smakelijk in mijn hoofd. Moeten we dit eigenlijk erg vinden? Ik merk dat ik vaak afscheid neem van deze toestand. De wereldeconomie heeft koorts en klauwt wild om zich heen. Overal wordt driftig gesproken, geschreven en nagedacht. Het kan zijn dat België binnen tien jaar niet meer bestaat. Ik probeer mezelf op te kikkeren, weg van mijn kwaadheid over populisme en oneerlijkheid, en mik nog een laatste zin in mijn notabloc, als ik al op de trein zit: mensen die alles kapotrelativeren, worden al te vaak gezien als realisten.