Over 'Onklare taal'

'Onklare taal' is de verzamelnaam van diverse tekstprojecten van mijn hand. Dit is de afdeling columns en microstories daarvan. In 2017 bracht ik 'In de vorm van een vogel' uit, een bundeling van de beste 99 teksten van dit genre tot op dat punt, netjes geredigeerd en per seizoen geordend. Je kan die antologie gratis downloaden als je Patron wordt. De weg een beetje kwijt? Mijn eigenlijke website, die ook 'Onklare taal' heet, verwelkomt je.

donderdag 23 januari 2014

Substrata - verfilming

'Substrata' van Biosphere is al meer dan een decennium één van mijn favoriete albums. Biosphere, een pseudoniem van de Noor Geir Jensen, zoekt in zijn soundscapes desolaatheid en ijlheid op in de natuur. Bergen, de ruimte, wolkenformaties of traag bewegende ijsschotsen zitten allemaal in zijn palet, maar die beschrijvingen doen geweld aan de volheid en de maturiteit van zijn geluid. Als geen ander roept de muziek van Biosphere beelden op van mystieke landschappen en meditatie, ontdaan van elke sentimentaliteit en elk cliché. Dus waarom die beelden niet toevertrouwen aan een scenario voor één lange videoclip?

Nog geen fan van Biosphere? Vandaag is je kans om er vooralsnog één te worden. Beluister 'Substrata' hier in zijn volledigheid.


01. As the Sun kissed the horizon

Opkomende zon boven een stad in de verte. Gezichtspunt vanuit de rand van een park, spelende kinderen. Een eenzaam vliegtuig wordt langzaam gevolgd terwijl het zich een weg baant over de horizon in een paraboolbui. De camera trekt zich terug in de struiken en de bomen.

02. Poa Alpina

Camera stapt in in een kleine houten roeiboot. Het water heeft een dikke, donkere kwaliteit. Langs de oevers hangt mist, en in de verte zijn bergen zichtbaar met eeuwige sneeuw op de toppen. De zon is nauwelijks zichtbaar. Diffuus licht, af en toe spelingen op de toppen van de golven (cfr. luministische schilderijen).

03. Chukhung

Camera gaat langzaam de bergen op. Majestueus uitzicht over benevelde bergflanken, hoekige rotsen met poedersneeuw op, hier en daar een bloem die zich staande houdt. Af en toe komt de zon door de mist en de hoger gelegen, weinig gedifferentieerde wolken. Zichtbaarheid is vrij goed naar beneden en vooruit, maar niet naar boven. Tegen de zesde minuut komen hier en daar tempels in zicht. Er komt rook uit van vuurofferandes, en er zijn shots van enorme klokken die over de bergen schallen, traag en verweerd. De klokken zijn grijs, onder gouden koepels. De slagen zelf doen het beeld een andere toon en schijn krijgen, wekken de indruk van verlichting, religieuze extase. Tegen het einde van het nummer is het middag.

04. The things I tell you

Het wordt versneld nacht op een bergplateau. De camera richt zich naar de hemel, waar wolken zich ontrollen en gedurende het nummer plaatsmaken voor een open sterrenhemel. De hemel is gevuld met sattelieten, waarvan er sommige zelfs zijn met zichtbare contouren. Als de tekst komt, richt de camera zich op een figuur die vlak voor de camera staat, gekleed in trekkersoutfit, achter een kampvuur. De figuur lost weer op in de nacht, en het kampvuur wordt langzaamaan flou.

05. Times when I know you'll be sad

Langzaam dooft het kampvuur uit. De camera gaat voorzichtig over de randen van een uitgerolde slaapzak, en zoomt hier en daar in op toevallige objecten (portefeuille, identiteitskaart, foto van een huisdier, twee boeken. Kleine lichtjes ontsnappen uit de grond en beschrijven trage banen rond het uitgedoofde kampvuur. De camera begint die na een tijdje te volgen, voorzichtig, dan sneller. Tegen dat het volgende nummer begint, is de camera aanbeland bij een moeras waar de dwaallichten groter geworden zijn.

06. Hyperborea

Dieren bewegen zich langs de planten en onder water. Kikvorsperspectief vanaf de oever van het moeras. Een boot komt voorbij en de camera stapt op. De stem in het nummer komt van overal en nergens, terwijl de camera rondkijkt langs de overhangende bomen en de dicht opeengehoopte plantenbegroeiing. Aan sommige boomwortels, die in het water reiken, stijgt damp op. De dwaallichten veranderen rond 2'50 langzaamaan van kleur en krijgen in plaats van de gelig-witte schijn tinten van oranje tot blauw. In de verte is licht te zien van een blokhut die op een heuvelflank gebouwd is. Het begint te regenen.

07. Kobresia

Alleen het huisje is nog zichtbaar door het dikke gordijn van regen, dat sneeuw wordt. Binnenin zit een oude man met een grijze baard en een muts aan tafel. Hij houdt een kom soep vast met beide handen, en kijkt ingespannen naar tafel terwijl hij praat. Tegen de vensters van de warme blokhut (haardvuur) loeit een immense sneeuwstorm. Bij zijn woorden verandert de kom soep langzaam in een xylofoon. Het beeld wordt flou, en het zachte bruin van de blokhut wordt eerst grijs, dan donkerblauw, als lagen kleuren in een abstract aquarel. Het beeld loopt uit als regen.

08. Antennaria

Ontwaken op een bootje in een rivier met een metaalachtige glans. De regen heeft plaatsgemaakt voor mist. Aan de flanken doemen langzamerhand de wanden op van een enorme kloof. In die wanden zijn verschillende standbeelden gehakt, sommige met een religieus karakter, anderen eerder demonisch of surrealistisch. De camera gaat traag vooruit. Uit de standbeelden lijkt een ijzige damp te ontsnappen.

09. Uva-ursi

Het bootje stopt bij een uit de stenen uitgehakte trap. Het is middag/namiddag De camera gaat de trap op en passeert langs een waterval tot de top bereikt is van de kloof, waar verschillende rotspartijen en bomen staan. Als de muziek zelf begint komt het beeld van achter een boom waargenomen: een ceremonie diegaande is rond een brandend vuur. Een dozijn mannen in wollen mantels met blauw-rode motieven die elkaar met de armen over de schouders vasthouden en in een cirkel rond het vuur bewegen in een dansritme. Ze hebben allemaal de ogen gesloten en verkeren in trance. Het beeld neemt af en toe close-ups van de gezichten, en verwijdert zich na een tijdje van de mannen tot er verder wordt gewandeld door een pad dat zich tussen de rotsen verder slingert naar een plateau, dwars door een grot.

10. Sphere of no-form

Vanuit de grot, met druppelend water, gaat het beeld naar het plateau, een uitgestrekte, bevroren taiga waar stof en oude sneeuw door een hevige wind opgezweept worden. De hemel betrekt en het begint te sneeuwen terwijl het snel donker wordt. De wolken hebben een bijzondere gloed. Als de eerste misthoorn weerklinkt, houdt het op met sneeuwen en verschijnt in de wolken een silhouet van een gigantische boot, die door de gloeiende contouren duidelijk een hallucinatie is. Bij het antwoord komt er een andere boot tevoorschijn, en naarmate de hoorns door elkaar gaan klinken, steeds meer. Het zwaarste signaal toont de grootste boot van allemaal, met de voorsteven naar het beeld gericht. De camera trekt zich wat terug en toont de figuur van de trekker die op z'n knieën gevallen is. De kleuren van de illusoire boten veranderen tussen geel, oranje, goud en wit. Uiteindelijk staat de trekker op en het beeld gaat verder vooruit tussen de onverschillige schepen, die na een tijd langzaam weer vervagen met de afnemende bewolking. Een sterrenhemel komt in zicht, en het beeld vervolgt zijn weg over de taiga.

11. Selene

Het is volledig nacht en de sterren werpen een kil paars licht over de vlakte, die kaarsrecht is. Het beeld nadert een rechthoekige machine die eruit ziet alsof ze van gietijzer gemaakt is. In het midden van die machine draaien diverse centrifuges als een soort matrjosjka aan verschilende tempo's, elk binnen een andere centrifuge. Op elke cirkel staat iets geschreven, soms leesbaar, zoals 'wereld' of 'slaap', soms onleesbaar, soms in karakters van andere talen. Af en toe schiet een lichtstraal door een cirkel. Het beeld trekt naar achter en toont de trekker, die nu neerzit en opkijkt naar de centrifuges, vlak voor een kampvuur. Het beeld vervaagt en het kampvuur dooft langzaam uit terwijl de zon op komt. Het mysterieuze object verdwijnt mee met de nacht, en de vlakte kijkt uit op de stad waaruit de reiziger aan het begin vertrok.

vrijdag 17 januari 2014

Challenger '86

In 1986 was ik drie jaar oud, en te jong om me de ramp te herinneren met het ruimteveer Challenger, dat 72 seconden na lancering van Cape Canaveral ontplofte. Geen van de zeven astronauten overleefde het ongeluk. Het was pas in de vroege jaren '90, toen mijn interesse in ruimtevaart volop op gang kwam, dat ik over het ongeluk las in een boek dat alle expedities met de space shuttles plichtsgetrouw en in volgorde besprak. De explosie van de Challenger was niet het eerste ruimtevaartongeluk dat dodelijk afliep, en jammer genoeg ook niet het laatste, maar het maakte wel de grootste indruk op me. Waarom dat zo was, en waarom andere rampen altijd minder indruk maakten, kan ik niet goed zeggen.

Ik wil geen gedachten van het nu projecteren op de kinderversie van mezelf (maar zoiets doet iedereen onvermijdelijk toch), maar misschien was het het vermorzelende besef dat het slechts één ademtocht aan willekeur is die een mens scheidt van de dood. Arm, rijk, dom, slim, lelijk of knap - voor een inferno van explosie kilometers hoog in de atmosfeer maakt dat niets uit. Wij zitten in een bubbel die die willekeur zo veel mogelijk probeert buiten de houden. Van mijn generatie hebben weinigen de verschrikking gekend van oorlog of de brutaliteit van een dictatuur, laat staan de oerkracht van vulkanen en aardbevingen. We nemen dat aan als vanzelfsprekend, en kunnen ons rouw veroorloven voor een trein die ontspoort of een roofmoord op een bejaard koppel.

Misschien was het later ook de symboliek van de Challenger die in een gevorkte rookwolk explodeerde, waar ik tijdens het lezen van Griekse mythes niet anders kon dan Icarus in herkennen. Zelfs de naam van het ruimteveer leek gekozen om de toorn van de goden op te wekken: de uitdager, de kampioen van het almachtige Amerikaanse imperium. De waarheid is eigenlijk nog wreder dan toornige goden. Het is dat het universum als god meer de diepe, onbegrijpelijke horror benadert van H.P. Lovecraft, die als enige raakvlak met onze eigen wereld een kwaadwilligheid heeft die geen monnik of filosoof kan verklaren. En voor die goden van het absolute nulpunt betekenen wij als mensen niets.

Die nietigheid bezorgt veel mensen een gevoel van angst als het over de ruimte gaat. Anderen vinden het eerder een geruststelling. Halfvol, halfleeg, neem ik aan. Het gevoel dat ik er zelf aan over hou is fascinatie. Angst voor een dood in de stratosfeer heb ik niet. Als de dood dan toch willekeurig zou komen, dan nog het liefst op een spectaculaire manier, met een schokfront dat nog jaren vooruitstormt in de geschiedenis. Al is ook dat uiteraard een vorm van hubris, want wie zal binnen 500 jaar nog weten wat de Challenger was en wie de astronauten waren die bij de ramp omkwamen? Het belangrijkste wat ik ervan onthouden heb, was dat volgens één van de laatste radio-opnamen, nadat de gastank al ontploft was, één astronaut tegen een andere zei: "Neem m'n hand." Ook in gruwel zit een kiem aan menselijkheid. Op de bodem van de doos van Pandora, nadat alle rampspoed er uit gesneld was, zat ook de hoop.

Zoals ik al eerder zei, hebben we de luxe om ons te permitteren om de dood op een afstand te houden, niet alleen letterlijk, met geavanceerde medicijnen en anti-verouderingsproducten, maar ook figuurlijk. We verstoppen bejaarden als demente paaseieren in een home, leggen witte doeken over slachtoffers van verkeersongevallen en betalen funeraria om onze doden zo levendig mogelijk te conserveren. Maar telkens opnieuw breekt de werkelijkheid in in dit wankele huis. Middeleeuwers voegden in schilderijen graag het memento mori toe om ook de rijksten ervan te doordringen dan hun leven eindig was, en naar verluidt stond er iemand achter de triomfwagen van Romeinse generaals om hen in hun oor te fluisteren dat hun zeges van voorbijgaande aard waren.

Mijn eerste dode zag ik niet zo lang nadat de Challenger explodeerde, in 1988. Een oude buurman die was overleden aan een hartaanval en thuis opgebaard lag. In 1991 volgde een overgrootmoeder die uiteindelijk ten onder gegaan was aan Alzheimer, en er uit had gezien als een spook, met huid en haar bijna even wit. Spectaculair was het niet. Maar ik ben mijn ouders altijd dankbaar geweest voor die vroege confrontaties met de werkelijkheid: ja, we worden allemaal oud en ooit gaan we er allemaal aan, om op te lossen in het niets van diezelfde kille goden die de astronauten van de Challenger gedoemd waren op een andere manier te bereiken dan in hun ruimteveer.

Op een andere manier betekende als kind lezen over wat er gebeurde op 28 januari 1986 een tempering van m'n optimisme over ruimtevaart, vooral omdat het gebeurd was na mijn geboorte. Ongelukken in de jaren '60 kon ik plaatsen in een zwart-witverleden, maar dit niet. Ik was niet de enige wiens optimisme een deuk kreeg. Ruimteveren waren al een slecht compromis tussen de oorspronkelijke ontwerpen en de eisen voor besparing op visies die niet pasten binnen de tijdsgeest van Ronald Reagan. Het Russische shuttleprogramma verging het nog slechter. In alle opzichten was hun Sneeuwstorm superieur aan de Amerikaanse shuttles, maar na één onbemande vlucht werd het tuig in een hal in Kazachstan geparkeerd, de vergetelheid in bespaard en tot schroot herleid. 's Werelds krachtigste draagraket ooit ontwikkeld, de Energia, ligt voor zover ik weet nog altijd weg te roesten in een ingestorte hangar. Ook hier is een Griekse vertelling weer op z'n plaats (al is het eigenlijk een versie van Shelley, maar hou dat voor je pedante voetnoten): koning Ozymandias liet een gigantisch standbeeld optrekken, het grootste ooit. Aan de voet liet hij ingraveren "Kijk op naar mijn werken, machtigen, en wanhoop". Het beeld stortte in en alleen de voeten en de inscriptie bleven achter.

Mogen we dan geen grotere aspiraties koesteren? Moeten we ons terugtrekken om de lelijkheden van leven en dood op afstand te houden? Ondanks alles lijkt me dat ook geen oplossing. Een tactiek van verschroeide aarde alleen wint geen oorlogen, zeker niet tegen een onuitputtelijke tegenstander als de leegte en de willekeur. In weerwil van temperingen en in de aanblik van horror ben ik daarom op de bodem van de doos altijd een optimist gebleven. Een zwaarmoedige optimist misschien, maar daarom niet met minder geloof dat dingen ooit beter zullen worden. Dat we bijvoorbeeld ooit terug een uitdaging sturen aan de ruimte, en onze verbeelding niet laten kortwieken door tunnelvisies. Het pessimisme, verkleed als realisme, van de neezeggers en de mensen die voor de dood de andere kant opkijken, brengt ons evenzeer nergens als het optimistische magisch denken van de 1%-economen. Op dit punt, waar Griekse mythe en moderniteit samenvloeien (of exploderen, dat mag ook), doemt Nietzsche op, die ervoor pleitte om volop ja te zeggen tegen het leven. En ja zeggen tegen het leven, tja, dat betekent ook ja zeggen tegen de dood.

maandag 30 december 2013

Sluitertijd

Het jaar heeft zich bijna gesloten op het moment dat ik door de venster staar van een frituur terwijl ik wacht op m'n bestelling. De Overpoortstraat is zo goed als leeg. Er zijn enkele kebabzaken open, en ook in de meeste nachtwinkels brandt er licht, maar alle cafés zijn gesloten. Het is duidelijk weer aan de hardwerkende Turken, Pakistanen en Indiërs van dit in fel kunstlicht badend stukje Gent om de lokale economie draaiende te houden. Er passeert een fietser. Buiten een kleine die door de frituur drentelt, zijn de jonge Turkse friturist en ik de enige aanwezigen in de zaak, met het gouden licht dat eigen is aan de moderne friettempel, en een tv die een melancholische pophit speelt uit Istanboel waarin een geblondeerde vrouw met bijzonder mooie benen er even in slaagt om me weg te zuigen van het venster, dat fungeert als m'n projectiescherm voor de loze gedachten die een mens heeft als hij staat te wachten op een middenpakje (waarom zeggen zo veel mensen een "middelmatig" pak alsof er ook hoogwaardige en minderwaardige frietjes te bestellen vallen?) en wat kippenbouten.

Half bewust heb ik de meeste jaaroverzichten van 2013 gemeden. Het persoonlijke jaaroverzicht heb ik al in m'n hoofd gemaakt, en de balans daarvan valt keurig positief uit. Ik vraag me af wat nieuwsredacties doen als er op 31 december nog een ophefmakend nieuwsfeit plaatsvindt, lang nadat we de voorgekauwde schotel aan sporttriomfen, dictators, filmsterren, menselijk leed en ontdekkingen in de ruimte al achter de kiezen hebben. Het zou een goede dag zijn voor geniepige criminelen of corrupte politici om hun slag in het donker te slaan. En donker, dat is het hier nu wel. De eindejaarsduisternis heeft altijd een bijzondere kwaliteit. Het leven is even op pauze gezet, de vetpijpen zijn gesmeerd en de feesttafels kloppen overuren, en ook de hemel lijkt zich dan langzaam uit te rafelen als een blauwe Picasso waar de zon een hypothese is. Het is een regenachtige duisternis die ik kan smaken. De belofte van een einde is soms mooier dan het einde zelf. Vandaar dat ik ook even kan stil zitten voor de romantiek van een vervallen voorgevel, of inhou bij een huis dat nog niet volledig gesloopt is.

De friturist is bijzonder sociaal en familiair. Hij zegt iets over een systeem dat hij ontwikkeld heeft om het overzicht van zijn bestellingen bij te houden, want "dat moet, aja", en zegt dat hij niet moe is omdat "dat niet mag, moe zijn". Het klinkt woordelijk veel triester dan hij het zegt en dan hij het waarschijnlijk bedoelt. Anno 2013 is dit ook België: frituren die gerund worden door Chinezen, Turken en Marokkanen en niemand die daar nog veel heisa rond maakt. Als het gaat over eten, kan je Belgen bezwaarlijk racistisch noemen. Italiaanse wijn kan met een lekkere couscous gedronken worden, Indonesisch gaan eten doen we met plezier, en avontuurlijker culineerders zingen de lof van Ethiopische maaltijden waar je nadien het bord mee opeet. Een stand-up comedian van laag allooi zou hier nog een grap uit kunnen puren, en ik bedenk me dat er een goede reden is waarom ik geen komiek ben. Intussen is de kleine met een zak hamburgers de frituur uit gerend, wat me alleen achterlaat met de frituurder en de tv, waar een verweesde man geïnterviewd wordt door een vrouw die wel twee meter lang lijkt.

Een combi rijdt door de straat. De sirenes loeien niet. Een vriend van me die bij de mannen en vrouwen in het blauw zit, vertelde me dat hij een wereld ziet die voor mensen als ik verborgen blijft. Tot de middenklasse behoren is dan wel niet meer zo evident in tijden waarin politici een erectie krijgen van de zoveelste knieval voor de haute finance, en over mensen die in stront zitten vooral luid roepen hoe hard ze stinken, maar het blijft een veilige zone. Tegelijk klinkt er ook een verwijt in door, want wat weet ik dan van wat er schuilgaat achter de voorgevels van de ruigere buurten van mijn thuisstad? Ik doe mijn best. Soms ga ik 's nachts op wandel door gure straatjes aan de Brugse Poort, of dwaal ik rond langs troosteloze waterkaaien, meestal met een stuk in m'n kraag om de angst op afstand te houden. In feite is dat maar het aanstellerige toerisme van iemand die op bezoek komt in een wereld die voor hangjongeren, daklozen en krabbers nog meer is dan realiteit. We hebben mooi orakelen over de verruwing van de zeden en de onbetamelijkheid van geweld als het gepleegd wordt door mannen in trieste leren jasjes als we er niet meer aan doen dan symptoombestrijding. Ten andere: ook dat is weer een luxepositie, want ik leef daar niet en ik kom nauwelijks in aanraking met de vuist van de straat.

De kleine van daarnet staat aan de auto van z'n ouders te onderhandelen over wie welke burger eerst krijgt, in het Frans. Dat doet me er aan denken dat het dat was, wat ik zo surreëel vond aan lang in Nederland zijn toen ik jong was. In België loert Frans altijd van om de hoek, als een inwonende, slordige nonkel waarvan je weet dat hij er is, ook al zit hij niet in zijn vertrouwde zetel naar tv te kijken. Aanvankelijk voelde dat in Nederland als een vreemdsoortige bevrijding: een ééntalig land waar geen rekening hoefde gehouden te worden met sprekers van andere talen buiten m'n moedertaal. Allengs werd het echter een beklemming. Nonkel Frans is misschien een moeilijke man, maar hij woont in m'n huis en verruimt m'n blik. Separatisten doen graag lacherig over Belgisch nationalisme, alsof het enkel een puntzak frieten is met een voetbal, maar elke vorm van Westers nationalisme is even onnozel. Ook wie niet gelooft in de Vlaamse suprematie, neemt al die symboliek veel te ernstig. Als we belgicisme mogen reduceren tot Manneken Pis die saxofoon speelt, wat is dan Vlaams nationalisme? Vlaamse leeuw in eigen nat en met opgetrokken kniekousen in de modder van een ondergelopen zelfbouwkelder staan? Kankeren over nepotisme maar er zelf van profiteren? Ik ben het weer te ernstig aan het nemen.

M'n bestelling is klaar en we wisselen eindejaarswensen uit op een toon alsof we elkaar al jaren kennen. Ik moet nog even naar de nachtwinkel. De wind in de straat is luw, en de weinige voorbijgangers lijken verbaasd over hun eigen aanwezigheid, alsof ze hier helemaal niet hoorden te zijn. De woest-donkere wolken kondigen mogelijk regen aan. Twee dagen geleden zag ik die wolken ook al aan zee, op de breed uitwaaierende dijken van Oostende, waar het zwart zag van het volk, en ik m'n ogen de kost gunde van het proeven van hypermoderne tavernes naast oubollige Chinese restaurants met drakenmotieven uit de jaren '70, stinkende viskramen en opgezwollen dagjesmensen met windhonden. Ook daar weer die voortdurende mix van talen. De restauranthouders aan de kust doen het natuurlijk niet uit belgicisme, hun menu's aanbieden in twee, drie of vier talen, maar omdat er centen mee te verdienen vallen, maar volledig rationeel is het allemaal niet. Anders waren er meer brave Vlamingen die de taal van Goethe zouden leren, maar tot nader order uit Berlijn haalt men er liever de neus voor op, want Duits is nog altijd vooral Hitler, bompamuziek en slechte porno met een snor.

De man van de nachtwinkel neemt gelaten mijn bestelling op. Hij is al jaren de meest gereserveerde uitbater van de atolketen van nachtwinkels in de Overpoort, wat me altijd doet vermoeden dat hij achter zijn kraaltjesgordijn een zorgvuldig afgeschermd privéleven leidt, waar hij bedachtzaam zijn shisha rookt en koelbloedig orders doortelefoneert naar zijn Indische handlangers om deze of gene koerier om het leven te brengen. Een mens mag al eens fantaseren. Met een respectvolle groet neem ik afscheid en ga ik definitief naar huis, waar me een glorievolle maaltijd opwacht met radio en literatuur. Nog steeds is het jaar bijna ten einde, tastbaar als arduin, en maken overal te lande mensen zich op om morgen vuurwerk af te schieten. Ik zal dat met berusting ondergaan, en in stilte m'n vespers opzeggen voor een leven en een land waar ik het ondanks alles toch mee kan vinden.

maandag 9 december 2013

Advent

Heidenen hadden hun rituelen om het licht terug in de wereld te krijgen, en de Kerk paste die vlotjes in in hun eigen liturgische kalender. In het diepst van de winter werden vuren aangestoken, werd het vetste kalf geslacht en zaten mensen dicht bij elkaar als remedie tegen de kou en duisternis. Vandaag hebben we elektrische verlichting, maar het heeft niets veranderd aan de existentiële duisternis die laag over ons hangt tijdens december, waar het licht zelf voor terugwijkt, en wat groot en kil is, nog groter en killer lijkt dan anders. Lang heb ik de winter gezien als mijn seizoen, omdat het ook dwingt tot introspectie en afstand, de dingen minder luid lijken en omdat ik graag wandel door verse sneeuw. Je haar en je jas vol sneeuw zijn duizend keer te verkiezen boven afgewaterd thuiskomen uit een herfststorm.

En toch. Elk jaar groei ik iets meer uit m'n oude kleren en etsen andere gewoontes zich een weg in het handelen. De winter lonkt ook altijd naar depressie, naar alleen zitten aan ijskoude bushaltes, of vanachter een sjaal toekijken hoe zich talloze komedies afspelen zonder lachband. Jelka zei me dat zelfs muziek die me blij maakt, altijd een grondlaag heeft aan tragiek. Ze had gelijk. Ik kan mezelf dan wel niet dwingen om niet een eindje te verdwalen in de geletterde nevel van emoties waar sombere strijkers de boventoon voeren, maar wat ik wel kan doen, is een warmer vuur opzoeken om bij te gaan zitten. Ik moet de heiden terug kunnen vinden die zich schuil houdt in m'n botten.

Er zijn momenten dat ik moet lachen om m'n geürbaniseerde tristesse, want wat is er nog meer bourgeois dan een schrijver met een vaste baan, een bedrijfswagen en veel vrienden, die in de gestolen uren zuchtend praat over de stille tragiek van kleine dingen en zich laat meedrijven op de baren van de eigen neuroses? Het zou wraakroepend zijn als het niet zo typisch was. Om dezelfde reden heb ik ook altijd moeten lachen om de albumtitel 'Some people have real problems' van Sia. Tenslotte is de winter, met zijn bontmantel aan melancholie en zijn lange koude vingers, ook maar iets dat voorbijgaat eens de as van de aarde zich weer gedraaid heeft.

Voor het eerst in jaren kijk ik uit naar de feestdagen. Te lang waren dat dagen van verplichting, van in te warme kamers in te stijve hemden conversatie te maken met ongeïnteresseerde familieleden, of van het moeten beluisteren van kerstmuzak en voor de zoveelste keer ergens te gourmetten. Wat paste daar anders bij dan ironische afstand? En dan zwijg ik nog over al die gulzige Oudejaarsvieringen waar, als ik me geen stuk in de bodem van mijn gezond verstand zoop, ik me op z'n minst een verloren gezwommen vis voelde tussen mensen die eigenlijk ook allemaal beseften dat ze geen idee hadden hoe ze zich moesten gedragen. Al die dingen heb ik de deur uit geveegd. De feestdagen worden leuk.

Kiezen is verliezen, gaat een volkswijsheid die de banvloek is van de en-en-generatie, maar verliezen kan een zegen zijn. Commentaren op mediasites lees ik nauwelijks nog, op Twitter hoef ik niet zo nodig de plezantste en meest ironische commentaar te posten, en sommige cafés bezoek ik niet meer. In de plaats daarvan besteed ik m'n kostbare tijd aan wat me opbouwt, niet aan wat me enkel doet rondtollen zonder richting. En we gaan vooruit, niet langer vanuit een positie van ingebeeld gebrek, maar vanuit de sterkte dat ik een dikke gelukzak ben. Laat dat dan maar mijn adventskaars zijn die ik brand tegen de duisternis.

In de les Noors lazen we ooit advies dat rechtstreeks van de oppergod Odin zou zijn overgeleverd aan zijn volk. Het ried mensen aan om te kijken voorbij materiële welstand en zich intellectueel te ontplooien, riep op tot gastvrijheid en ook tot het bewaren van vertrouwen en het matig consumeren van alcohol. Ook goede adviezen blijken dus nog niet danig veel veranderd buiten anderhalf millennium geleden. Mensen blijven mensen, en ik blijf ik. Maar de benaderingen veranderen. De winter is niet langer mijn seizoen van kaalheid en doods wit en schoonheid zo blank als de binnenmuren van een museum. De precessie heeft me een herfstman gemaakt, uitbundig en romantisch. En daarom zit ik toch met wat tristesse. Want de herfst, die is nu onvermijdelijk voorbij.

dinsdag 26 november 2013

Herfstwalkure

Het geluid van slenteren door pakken gevallen bladeren is hetzelfde als de golfslag van een ondiepe zee. Het stemt nostalgisch, zou een goedkope tekstenboer schrijven, maar in feite stemt alles nostalgisch voor mensen die vaak graafwerken uitvoeren in het geheugen, of de precieze aard proberen te achterhalen van voorbije indrukken. We grijpen vaak terug op de kindertijd, een tijd van onbekommerdheid over identiteitskaarten met chip, autoverzekeringen, een kapotte wc of agressie in het verkeer, of voor sommigen een tijd van gebrek en lange schaduwen op de muur die meestal niet goedaardig waren. Ik kijk naar m’n voeten die verborgen gaan in de bonte bladeren en slenter met genoegen verder. M’n neus heeft het koud op een aangename manier, alsof ik een briesend paard ben in een weide ’s ochtends. Ik kijk dan omhoog, naar de kalende kruinen van de bomen op hun lage heuvels, en het netwerk aan armen waarmee ze de grijze hemel doorkruisen. Er komt straks vast nog regen, zoals zo vaak. Nieuwe gedachten daaromtrent zijn er niet, alleen het nu telt, als onderdeel van de steeds terugkrullende spiralen van de tijd. Seizoenen zijn gelijkaardig, maar niet gelijk, jaarringen zijn rond maar zien er nooit hetzelfde uit. Ik trek m’n neus op en wandel verder.

De veelkleurigheid van herfstbladeren heeft al veel mensen geïnspireerd tot sentiment. Ik ben een erfvijand van sentimentaliteit. Milan Kundera had volledig gelijk toen hij schreef dat sentiment een voorbode is van totalitarisme. Het is de dood van de oprechte emotie, maar ook met oprechte emoties scoor je niet, omdat dat in principe niet de bedoeling is. Diep gevoel kan resoneren bij anderen, maar kan niet vermarkt worden, tenzij er iemand is die denkt dat een handel in dode vlinders in glazen kastjes hetzelfde is als een vlindertuin aanleggen. Misschien was dat wel een sentimentele vergelijking, denk ik, als ik even verderop een hond tegenkom die door wat losse bladeren aan het wroeten is. Hij merkt me nauwelijks op. Hij ziet er verdomde vrolijk uit, dat ook. Het doet me denken aan die anekdote over een Japanse zenmeester die ooit de vraag kreeg of honden een Boeddha-natuur hadden, waarop hij “woef” zou geantwoord hebben. Dieren zijn wat ze zijn en je zal hen niets anders wijsmaken, ook al hebben we krampachtig geprobeerd om apen te doen praten en om te ontcijferen wat dolfijnen tegen elkaar te vertellen hebben. Ik leg m’n sjaal terug goed en verberg m’n mond.

Religieuze denkers worden soms spontaan dankbaar voor het bestaan, als ze de uitbundige pracht zien van de natuur, of zoals mij nu doelloos in een herfstpark kunnen rondslenteren. Voor cynici en ploeteraars betekent die religieuze verwondering niets, maar mij zegt het wel wat. Ik heb het natuurlijk simpel, bedenkt ik me met een grimas, om dankbaar te zijn, aangezien ik toevallig terechtkwam in een wereld waarin m’n vader m’n moeder niet dagelijks een pak rammel gaf, ik niet belandde in een rolstoel en ik ook toevallig niet een huidskleur had die men onmiddellijk associeert met criminaliteit. Aan dat soort relativeren zou een mens nog dood kunnen gaan, en als Oblomov de hele dag verlamd doorbrengen door de morele verantwoordelijkheid die dat met zich meebrengt om tenminste iets te doen, maar ik denk dan dat de eerst stap al begint bij dankbaarheid. Dat is nog zo’n ding uit m’n jeugd. Ik raap een gave kastanje op, weeg ze en gooi ze op. Bedanken, verontschuldigen en complimenteren: drie essentiële kwaliteiten waarvan er te weinig is in deze wereld, gaf moeder me mee. Ze had gelijk. Ik mag dan wel iemand zijn die zich ergert aan lomperiken die hun nagels knippen op de trein of die midden op een drukke trap van een station stil blijven staan, maar ik zal die drie lessen nooit vergeten.

De hond en zijn baasje zijn inmiddels een andere richting uit geslagen. Ik staar hen na. De morele plicht tot kritische diepte betekent ook dat er genoeg zachtheid moet zijn. Ik ga op m’n hurken zitten. Dit, bijvoorbeeld, denk ik, deze zee aan bruin, goud, rood en groen. En ik ben dankbaar. Waar ik in het leven vooruitgekomen ben, heb ik dat vaak te danken gehad aan die ene uitgestoken hand die me een ladder op trok. Dat was als kind misschien die ene aangetrouwde oom met die enorme boekenkast waarin in vrijelijk mocht grasduinen (en later wil ik ook zo’n oom zijn), of als angstige en boze tiener was het Joeri die met zijn vanzelfsprekende vriendschap een rots vormde waar ik de fundamenten kon leggen voor de kerk van mijn definitieve persoonlijkheid. Zware woorden, maar in de kelders van mijn gedachten ben ik dan ook een zwaar man. Ik ga liggen in de bladeren en leg m’n armen keurig naast me. Daarbij denk ik ook aan Jelka en hoe ik wenste dat ze hier nu misschien naast me lag, maar dat de gedachte alleen al voedzaam is. Men zegt dat ook de Griekse redenaar Isocrates zich nog weken in leven hield met de geur van brood toen hij zichzelf doodhongerde. Het zijn van die feiten die niet te achterhalen zijn, maar wat is er aangenaam aan feiten als je een verhaal aan het bakken bent uit herfstlucht?

Er is haast geen geluid. De vogels zijn goeddeels weggetrokken, en het is nog te vroeg voor scholieren en forenzen om door het park de weg af te snijden naar huis. Soms beklaag ik dat het leven voelt als een klimmuur die ingesmeerd is met bruine zeep, en waar alles wat je kan doen, je uit alle macht vastklampen is om niet naar beneden te glijden. Maar dan is er die uitgestoken hand, zoals ik daarnet zei. Die ene persoon die het verschil kan maken. Al moet je dan de rest van de weg zelf nog afleggen, dat cruciale gebaar betekent een wereld van verschil. Ik kan alleen maar hopen dat ik zelf ook beschik over zulke handen. Wergtuigelijk til ik ze even op om ze in het onlicht van de najaarshemel gade te slaan. Ik heb stevige handen met sterke vingers, niet vlezig, noch skeletaal, niet eeltig, noch zacht. De gemiddelde mannenhand. Ze zeggen dat, door het verschil te meten tussen je ringvinger en je middelvinger, dat je kan zien hoe het staat met je testosteron en hoe groter je ringvinger is dan je middelvinger, hoe meer je een typische man zou zijn. Handlezen voor gevorderden en onzekeren, denk ik dan. Categorieën zijn vooral nuttig voor wie ze opstelt. Mijn wereld is ondeelbaar. Ik laat m’n handen zakken en sluit nog enkele tellen de ogen. Een eerste druppel water valt, en ik zucht. De adem die uitgeblazen wordt, is onachterhaalbaar, maar het is er opnieuw één van dankbaarheid. Dood door sentiment is weer even uitgesteld, en ik sta op.