Over 'Onklare taal'

'Onklare taal' is de verzamelnaam van diverse tekstprojecten van mijn hand. Dit is de afdeling columns en microstories daarvan. In 2017 bracht ik 'In de vorm van een vogel' uit, een bundeling van de beste 99 teksten van dit genre tot op dat punt, netjes geredigeerd en per seizoen geordend. Je kan die antologie gratis downloaden als je Patron wordt. De weg een beetje kwijt? Mijn eigenlijke website, die ook 'Onklare taal' heet, verwelkomt je.
Posts tonen met het label liefde. Alle posts tonen
Posts tonen met het label liefde. Alle posts tonen

maandag 7 maart 2016

Natuurlijk denk ik nog aan haar

Afscheid nemen kan hard zijn. Een maand geleden beëindigde ik een relatie van een jaar. Het is zeker niet de eerste keer dat ik uit een relatie stap (of eruit gegooid word) en hopelijk is het wel één van de laatste keren geweest. Onmiddellijk gaan herinneringen druk aan het werk om etiketten te kleven op wat geweest is. Zo staan er verschillende glazen bokalen in de kelder met de namen op van voormalige geliefden en daaronder een aantal steekwoorden. Het is niet fair om mensen tot karikaturen van hun slechtste en beste momenten te reduceren en dat doe ik al enkele jaren niet meer met ex’en. Misschien daarom dat ik er drie van hen tot vriendinnen mag rekenen, waar ik dankbaar om ben.

Met Emma zal dat allicht niet lukken en ik moet respecteren dat ze me niet in haar leven wil. Als initiatiefnemer van de breuk heb ik geen rechten. Ik weet niet hoe dat zit met anderen, maar uit relaties herinner ik me als tederste momenten meestal niet de Grote Woorden en de Grootste Daden. Geen passionele kus in de regen als in ‘Four Weddings and a Funeral’, geen “Frankly, my dear, I don’t give a damn.” Ik herinner me van één geliefde hoe ze met berustende geamuseerdheid kon kijken als ik voor de zoveelste keer ergens de clown kon uithangen. Of hoe ik één keer van de ouders van een ander lief bij m’n enige overnachting in haar ouderlijk huis een sponzen pyjama van haar vader (!) moest dragen omdat ik er zelf geen bij had. Met Emma denk ik aan onze laatste maaltijd, nukkig doorgebracht in het appartement waar ik nu alleen woon en zij op de valreep nooit komen wonen is. Het waren godbetert hot dogs. Ik denk aan de pot kippensoep die ze zonder iets te zeggen achterliet aan de deur toen ik ziek was. Ik denk aan een minikrantje met kruiswoordraadsels en andere spelletjes dat ze voor mij samengesteld had, of aan strandballen over en weer meppen terwijl we met modderig zand ingewreven stonden te giechelen in de Noordzee.

Maar hoe gaat dat, een relatie die voorbij gaat? Soms kan je zeggen: “zus en zo sloeg me”, of “ze wilde geen kinderen”, of “hij bleef vreemdgaan”. Maar veel vaker is het de dood van de duizend kleine steekjes. Je lichaam dat voelt dat het op is nog voor je die gedachte bewust toelaat. Het wanhopige onderhandelen van de laatste momenten, de vlam die nog eventjes opflakkert voor het einde van het vuur. En als je het zelf beëindigt, is er ook nog het schuldgevoel nadien. Vrienden proberen mijn beslissing goed te praten en het wàs ook de juiste beslissing, maar dat ontslaat me nog niet van het feit dat ik iemand pijn heb gedaan die ik graag zag, en geen klein beetje. Toen ik een veel jongere man was, was ik vaker de gedumpte. Dat doet meer pijn, maar die pijn is een rechtvaardige pijn. Je kan gerust even de andere demoniseren en verhaal halen bij sympathieke troostschouders. Als dumper heb je daar niet echt recht op, tenzij in de voornoemde gevallen waar één duidelijke aanleiding het drama in gang zet. Wat hier absoluut niet het geval was.

Natuurlijk denk ik nog aan haar. Natuurlijk hoop ik dat ze haar romantische dromen niet opgeeft en de man vindt die niet haar vertrouwen breekt. Of dat ze zelf eens iemand de wacht zal aanzeggen (wat ze, al mijn jeremiades ten spijt, allicht beter had gedaan, maar vijgen na Pasen zijn makkelijk te plukken). Je wil niet iemands persoonlijke Waterloo zijn. Een relatie beëindigen is meestal niet eens een overwinning, maar een opgeven. Cultuurpessimisten vinden dat de Westerse mens te snel opgeeft en maken zich er druk in dat we ongelukkig worden van het nastreven van de Ideale Relatie. Ik weet het niet, ik ben minder gelukkig dan drie maanden geleden maar gelukkiger dan een maand geleden. En elke keer dat iemand me dumpte, klauterde ik nadien naar hoger gelegen oorden. Ik ben er zeker van dat ik ooit terug verliefd zal worden, want ik ben een mens die nog niet half de misantroop is die hij soms denkt te zijn.

Al een half leven probeer ik de liefde te begrijpen. Ik probeer te verstaan wat mensen in elkaar aantrekt of afstoot, waarom die ene blik onweerstaanbaar is en die andere persoon toch net niet dàt is, of waarom sommige mensen altijd gehuld blijven gaan in een mist van potentiële verhalen die nooit zullen uitkomen. Hebben andere mensen dat ook? Ze zullen vast bestaan (dat maakt ons nog geen vrienden of potentiële minnaars, evenwel), maar misschien moet ik me er bij neerleggen dat het het ene puzzelstuk is dat ik nooit zal kunnen plaatsen. Laat wetenschap, politiek, taal en cultuur maar op de poorten beuken of hun meest geschifte vormen aan me opdringen – ik kauw erop, verteer ze en scheid de overtollige resten af. Maar relaties, dat blijven die vreemde schelpen die je verzamelt op het strand zonder echt te kunnen verantwoorden waarom.

dinsdag 26 november 2013

Herfstwalkure

Het geluid van slenteren door pakken gevallen bladeren is hetzelfde als de golfslag van een ondiepe zee. Het stemt nostalgisch, zou een goedkope tekstenboer schrijven, maar in feite stemt alles nostalgisch voor mensen die vaak graafwerken uitvoeren in het geheugen, of de precieze aard proberen te achterhalen van voorbije indrukken. We grijpen vaak terug op de kindertijd, een tijd van onbekommerdheid over identiteitskaarten met chip, autoverzekeringen, een kapotte wc of agressie in het verkeer, of voor sommigen een tijd van gebrek en lange schaduwen op de muur die meestal niet goedaardig waren. Ik kijk naar m’n voeten die verborgen gaan in de bonte bladeren en slenter met genoegen verder. M’n neus heeft het koud op een aangename manier, alsof ik een briesend paard ben in een weide ’s ochtends. Ik kijk dan omhoog, naar de kalende kruinen van de bomen op hun lage heuvels, en het netwerk aan armen waarmee ze de grijze hemel doorkruisen. Er komt straks vast nog regen, zoals zo vaak. Nieuwe gedachten daaromtrent zijn er niet, alleen het nu telt, als onderdeel van de steeds terugkrullende spiralen van de tijd. Seizoenen zijn gelijkaardig, maar niet gelijk, jaarringen zijn rond maar zien er nooit hetzelfde uit. Ik trek m’n neus op en wandel verder.

De veelkleurigheid van herfstbladeren heeft al veel mensen geïnspireerd tot sentiment. Ik ben een erfvijand van sentimentaliteit. Milan Kundera had volledig gelijk toen hij schreef dat sentiment een voorbode is van totalitarisme. Het is de dood van de oprechte emotie, maar ook met oprechte emoties scoor je niet, omdat dat in principe niet de bedoeling is. Diep gevoel kan resoneren bij anderen, maar kan niet vermarkt worden, tenzij er iemand is die denkt dat een handel in dode vlinders in glazen kastjes hetzelfde is als een vlindertuin aanleggen. Misschien was dat wel een sentimentele vergelijking, denk ik, als ik even verderop een hond tegenkom die door wat losse bladeren aan het wroeten is. Hij merkt me nauwelijks op. Hij ziet er verdomde vrolijk uit, dat ook. Het doet me denken aan die anekdote over een Japanse zenmeester die ooit de vraag kreeg of honden een Boeddha-natuur hadden, waarop hij “woef” zou geantwoord hebben. Dieren zijn wat ze zijn en je zal hen niets anders wijsmaken, ook al hebben we krampachtig geprobeerd om apen te doen praten en om te ontcijferen wat dolfijnen tegen elkaar te vertellen hebben. Ik leg m’n sjaal terug goed en verberg m’n mond.

Religieuze denkers worden soms spontaan dankbaar voor het bestaan, als ze de uitbundige pracht zien van de natuur, of zoals mij nu doelloos in een herfstpark kunnen rondslenteren. Voor cynici en ploeteraars betekent die religieuze verwondering niets, maar mij zegt het wel wat. Ik heb het natuurlijk simpel, bedenkt ik me met een grimas, om dankbaar te zijn, aangezien ik toevallig terechtkwam in een wereld waarin m’n vader m’n moeder niet dagelijks een pak rammel gaf, ik niet belandde in een rolstoel en ik ook toevallig niet een huidskleur had die men onmiddellijk associeert met criminaliteit. Aan dat soort relativeren zou een mens nog dood kunnen gaan, en als Oblomov de hele dag verlamd doorbrengen door de morele verantwoordelijkheid die dat met zich meebrengt om tenminste iets te doen, maar ik denk dan dat de eerst stap al begint bij dankbaarheid. Dat is nog zo’n ding uit m’n jeugd. Ik raap een gave kastanje op, weeg ze en gooi ze op. Bedanken, verontschuldigen en complimenteren: drie essentiële kwaliteiten waarvan er te weinig is in deze wereld, gaf moeder me mee. Ze had gelijk. Ik mag dan wel iemand zijn die zich ergert aan lomperiken die hun nagels knippen op de trein of die midden op een drukke trap van een station stil blijven staan, maar ik zal die drie lessen nooit vergeten.

De hond en zijn baasje zijn inmiddels een andere richting uit geslagen. Ik staar hen na. De morele plicht tot kritische diepte betekent ook dat er genoeg zachtheid moet zijn. Ik ga op m’n hurken zitten. Dit, bijvoorbeeld, denk ik, deze zee aan bruin, goud, rood en groen. En ik ben dankbaar. Waar ik in het leven vooruitgekomen ben, heb ik dat vaak te danken gehad aan die ene uitgestoken hand die me een ladder op trok. Dat was als kind misschien die ene aangetrouwde oom met die enorme boekenkast waarin in vrijelijk mocht grasduinen (en later wil ik ook zo’n oom zijn), of als angstige en boze tiener was het Joeri die met zijn vanzelfsprekende vriendschap een rots vormde waar ik de fundamenten kon leggen voor de kerk van mijn definitieve persoonlijkheid. Zware woorden, maar in de kelders van mijn gedachten ben ik dan ook een zwaar man. Ik ga liggen in de bladeren en leg m’n armen keurig naast me. Daarbij denk ik ook aan Jelka en hoe ik wenste dat ze hier nu misschien naast me lag, maar dat de gedachte alleen al voedzaam is. Men zegt dat ook de Griekse redenaar Isocrates zich nog weken in leven hield met de geur van brood toen hij zichzelf doodhongerde. Het zijn van die feiten die niet te achterhalen zijn, maar wat is er aangenaam aan feiten als je een verhaal aan het bakken bent uit herfstlucht?

Er is haast geen geluid. De vogels zijn goeddeels weggetrokken, en het is nog te vroeg voor scholieren en forenzen om door het park de weg af te snijden naar huis. Soms beklaag ik dat het leven voelt als een klimmuur die ingesmeerd is met bruine zeep, en waar alles wat je kan doen, je uit alle macht vastklampen is om niet naar beneden te glijden. Maar dan is er die uitgestoken hand, zoals ik daarnet zei. Die ene persoon die het verschil kan maken. Al moet je dan de rest van de weg zelf nog afleggen, dat cruciale gebaar betekent een wereld van verschil. Ik kan alleen maar hopen dat ik zelf ook beschik over zulke handen. Wergtuigelijk til ik ze even op om ze in het onlicht van de najaarshemel gade te slaan. Ik heb stevige handen met sterke vingers, niet vlezig, noch skeletaal, niet eeltig, noch zacht. De gemiddelde mannenhand. Ze zeggen dat, door het verschil te meten tussen je ringvinger en je middelvinger, dat je kan zien hoe het staat met je testosteron en hoe groter je ringvinger is dan je middelvinger, hoe meer je een typische man zou zijn. Handlezen voor gevorderden en onzekeren, denk ik dan. Categorieën zijn vooral nuttig voor wie ze opstelt. Mijn wereld is ondeelbaar. Ik laat m’n handen zakken en sluit nog enkele tellen de ogen. Een eerste druppel water valt, en ik zucht. De adem die uitgeblazen wordt, is onachterhaalbaar, maar het is er opnieuw één van dankbaarheid. Dood door sentiment is weer even uitgesteld, en ik sta op.

dinsdag 17 april 2012

Dingen die kunnen breken

Leven is een kunst op zich. Ik zit in een park in Brussel en doe wat ik het liefste doe - indrukken in me opzuigen, niets zeggen, erg traag een sigaret roken (nog maar de tweede van de dag, er is weer vooruitgang). Mijn broodje is net op. Aan de overkant zit een knappe vrouw die ik drie à vier jaar ouder dan mij schat. Ze kijkt even op van haar verwoede sms'en, we erkennen elkaar en kijken dan elk een andere richting uit. Ik vraag me af hoe dat is, barrièreloos door het leven gaan. In vertellen hoe ik me voel, laat staan dat uitdrukken, ben ik nooit goed geweest. Dat komt omdat ik het cliché vrees, de ongenuanceerde uitspraak, de uitbarsting van waarheid waar ik later niet meer op kan terugkomen. Natuurlijk is dat laf. Ik werk eraan, gestaag en met de jaren. Zonder problemen heb ik leren zeggen dat ik van mensen hou en ik laat hen dat ook graag voelen, niet door cadeaus of breedsprakerige statements, maar door hen vast te pakken, een kus te geven, te zeggen wat ze betekenen voor me. Op dat vlak ben ik een zondagskind. Mensen hebben me altijd makkelijk vertrouwd en ik weet niet eens waarom, maar ik ben er dankbaar voor. Het boeit me wat iemand beweegt en motiveert, en het liefste van al nog kijk ik dwars door een mens zonder dat mijn aanwezigheid iets verandert in hoe die zich gedraagt. Voor mij hoeft niemand last te krijgen van een halo-effect. Zwakheden hebben we allemaal en het is precies door zonder te oordelen te luisteren naar waar een ander stokt, blijft haperen of struikelt, dat ik in staat raak om mijn eigen aarzelingen en fouten te vergeven.

Een strakke wind waait door de bomen. Een oude man met een krant stapt kranig voorbij. De liefde is weer eens overal, en dat kan ik me gerust permitteren om te zeggen omdat ik me al even terug aan de zijlijn bevind van dat hele gedoe. Ik denk soms aan ex'en en verhoudingen uit een amoureus verleden, dat zich intussen al meer dan een decennium uitstrekt. Soms wil ik nog wat tegen hen zeggen. De ene zou ik willen zeggen dat ik haar eindelijk vergeven heb, dat ze er niet aan kon doen dat ze suïcidaal was, maar dat het erg was dat ze haar eigen toestand ontkende. Een andere zou ik willen vragen of het waar is dat ze nog altijd slechte dingen over me vertelt en of ze beseft dat dat blijft spelen op een schuldgevoel voor dingen waar ik niet eens van weet of en hoe ik ze misdaan heb. Spijt is er nauwelijks. Een paar mensen te lang aan het lijntje gehouden, misschien. Eén meisje te snel gezegd dat ik van haar hield om een week later zelf de boel op te blazen. Iemand anders laten gaan omdat ik in haar een spiegel zag hoe ik me had gedragen tegenover de ex daarvoor. Veel geleerd. We blijven positief. Optimisme is niet altijd dom en pessimisme is niet altijd diepzinnig. Ik strek me uit en leg mijn handen op de riem van mijn jas. In Brussel lijk ik wel iemand anders: in een zwart pak, zwart hemd, lichte das en een lange jas die door oude collega's soms spottend een gestapo-jas genoemd werd. De corporate look gaat me af en dat weet ik. In m'n thuisstad ben ik weer wat anders.

Een straatventer probeert me iets te slijten maar ik moet hem afwijzen. Een wolk schuift langs de zon en kleurt het park in een paar donkerder grijstinten. Ik zou nergens anders willen zijn. De knappe, sms'ende vrouw is intussen weg om nooit meer terug te komen. Het doet me er aan denken dat mensen die me één keer opvallen, voor altijd in m'n geheugen opgeslagen blijven en dat ik er vroeger van uit ging dat dat omgekeerd ook zo was. Alles is projectie. Als ik ontroerd ben door een flard tekst of een muzieknummer, kan ik moeilijk begrijpen dat iemand anders niet hetzelfde voelt. Ik schuif mijn verkillende handen nu in mijn broekzakken en tuur in de hemel. Als een groep luidruchtige jongeren, waarvan één voortdurend dierlijke kreten uitstoot, over het brede pad rent op die overdreven energieke, enerverende manier die alleen jongeren aankunnen, probeer ik me te herinneren hoe ik zelf was op die leeftijd. Wat zou ik nu veel te vertellen hebben tegen de persoon die ik toen was, en maar goed ook. Enkele dagen terug had ik het gevoel dat ik in een tijdscapsule beland was, toen ik plots omringd werd door machogepraat van de bovenste plank. Zelfs de enige vrouw in het gezelschap deed eraan mee. Seks is geen seks als de inbreng van de andere partij gereduceerd wordt tot 'niet expliciet weigeren' en zelfs de ander plezieren eigenlijk dient om het eigen ego te voeden. Dan wordt elke interactie masturbatie, en dat is zacht gezegd.

Tijd om op te staan, want de tweede helft van de werkdag begint dadelijk en de kou begint langzamerhand de overhand te nemen op het welbevinden. Het volk blijft gestaag het park in- en uitstromen. Als het waar is dat we voortdurend projecteren, hoe is het dan mogelijk om dichter tot elkaar te komen? De vraag is ook of dat in veel gevallen wel wenselijk is, want barrières moeten er zijn. De beste momenten zijn die keren dat ze wegvallen bij wederzijds, onuitgesproken akkoord. Een lange avond met een goede vriend, een enorme fles vodka en een hoog opgetaste hoop bullshit, bijvoorbeeld. Of mensen die beseffen dat ze elkaars wonden aan het likken zijn maar daar geen groots drama aan hoeven op te hangen. We zijn aangewezen op de tast, het gehoor en de blikken. Woorden hebben afgedaan als dragers van waarheid, of ze zijn tweedehands, in een spel van Chinese telefoons. De kern van elkaar kunnen we dan wel nooit echt kennen - er is ook geen kern om te kennen - maar met wat wel kan, daarmee ben ik tevreden. Met veel misbaar rammelt er een tram voorbij. Al die mensen. De wereld lijkt te gaan ontploffen van passie. Het zijn gedachten die absoluut niet horen bij een man in een pak, das en gestapo-jas.

vrijdag 31 december 2010

Luctor et emergo

Elk ogenblik en elke seconde eindigt en begint er ergens een periode, een episode of een jaargetijde. De woede is nog niet op. Ik doseer ze als drug, om opnieuw te gebruiken als acupunctuurtherapie op momenten dat ze van pas komt. Eén mens heeft maar zoveel energie te verspillen om kwaad te zijn over alles, en uiteindelijk levert het niks op als de inspanning niet gericht is, en helemaal niet als die onterecht is. Een goed mens proberen te zijn is niet makkelijk. De maanden achter me zijn gesmolten en dan gestold tot indrukken van scharnieren, of wankele bruggen over vulkanen. De afstand van teleurstelling is afgelegd. Ik ben niet bezig met verkruimelde relaties of de centrifugale vernielzucht van anderen, noch met geld en macht. Verlicht zal ik dan wel niet worden, maar aan het dok van een nieuw januari sta ik met een zak bagage die een stuk minder zwaar weegt dan voorheen.

Het is een jaar geweest van verwarring en van hebzucht. Voor wie het wilde zien, vielen de poppenspelers en marionetten enkele malen uit hun rol - de grootbanken, de oliereuzen, de nijvere industrie van de nut- en vetvoorzieningen, van de koppigste politicus tot de gladste aal die zelfs het homohuwelijk zou kunnen verkopen aan een neonazi. Het is allang geen nieuws dat rijkdom een fetisj is van het Westen. Het is wel nieuws dat zelfs nadat de keizers van de wereld zonder kleren zijn gezet door economische rampen, ecologische catastrofes en perslekken, de meeste mensen in deze wereld de schouders blijven ophalen. Zolang de kachel brandt, de auto rijdt en de dertiende maand netjes uitbetaald wordt, kijken velen de andere kant op.

Ik vervolg een pad dat ik al jaren geleden gekozen heb. Hoe vaker talen zich laten schilderen, beeldhouwen of rauw opdienen, hoe meer ik erken dat woorden maar relatieve krachten zijn of zelfs valse richtingaanwijzers in een overbelicht landschap. Het zijn niet de letters of waarheden die tellen, maar wat ik zeg tegen jou als één op één. En het is zelfs niet eens het geluid dat uit onze monden komt dat er toe doet. Het is de lichaamswarmte eerst, dan de nabijheid, dan het idee dat de cultuur, de taal, het zelf en uiteindelijk het idee zelf een noodzakelijk kwaad is dat al te snel overwoekert wat we echt zouden kunnen en moeten voelen. Dus zet dat glas neer. Duw die sigaret uit. Hier komen we terug tot woorden als waarheid, woorden als waardeloos en tenslotte ook als het beste wat we hebben om een cirkel te trekken rond die waarheden. De clichés zijn uitverkocht dit jaar, en ook in de koopjesperiode zal ik niet meer overtollig berichten over hoe ik niet ik ben maar jij, en wij in principe elkaar zouden kunnen zijn, geweest zijn en dat ook in de toekomst weer zullen worden, omdat we mensen zijn.

Laat ons dus voor één keer de ogen opslaan en aanvaarden dat een boom een boom is, een straat een straat en dat we het in deze wereld vooral moeten redden met elkaar. Het is echt zo eenvoudig als het lijkt. En intussen, naast dat reusachtige, verpletterende inzicht dat we als kruimels stof op een stofbol in een onvoorstelbaar koud universum voortdurend in en uit elkaars bellen en sferen ademen en die alleen samen vormen, mogen we niet vergeten dat alleen wij een einde kunnen proberen stellen aan de piramidale structuur van slaven en meesters. Ik verwacht niet dat we zullen stoppen dat er vannacht ergens een man zijn vrouw in elkaar slaat. Ik verwacht eveneens niet dat er morgen een baby misschien niet van honger zal omkomen, en ik verwacht zeker niet dat men de week nadien plots niet meer zal voortrazen aan driehonderd per uur in de tegengestelde rijrichting. Maar ik verwacht wel dat ik zal proberen om ergens een verschil te maken. Een nieuwe wissel te bedenken in de sporen. Of gewoon om door daden te laten spreken wat woorden niet kunnen - mensen doen branden om bij elkaar te zijn.

woensdag 8 september 2010

Paths of glory

Met dank aan de remixes van Burial van Thom Yorke - It rained all night en van Bloc Party - Where is home?

In een les godsdienst tijdens de hoogzomer van mijn middelbare school stelde de lerares de vraag wat het belangrijkste was in het leven. Eén vroegwijze medeleerling antwoordde vastbesloten: "connecties". Het leek toen een antwoord dat op zijn minst de moeite was om over na te denken, en vandaag is het een steenharde waarheid. Filosofie van de laatste decennia heeft het zelfs centraal gesteld in haar ontologische en - in mindere mate - ethische vraagstukken. Connecties zijn banen en sporen, en die bevinden zich overal. De onzichtbare elastieken van mens tot mens, de wurgkoorden van een gedoemde relatie of de marionettenspelersverhouding tussen officier en soldaat. Ook steeds terugkerende wisselsporen en wandelpaden zijn connecties, omdat zij niet alleen plaats A en B met elkaar in verband brengen, maar zij door de baan die tussen hen loopt ook hun bestaan aan elkaar ontlenen.

Mijn ribben doen pijn en mijn hoofd is uitgegoten als een regenbui. Die pijn was een eindpunt van een onfortuinlijke knie en een verkeerd geplaatste schouders, terwijl het hoofd steeds meerolt met het weer. De E17 is een wildwaterbaan geworden in een spattend grijs waas boven en beneden. "A million engines in neutral," zingt Thom Yorke, terwijl duizenden regendruppels hun val beëindigen tegen het glas van mijn voorruit. De uitwendige reis van man en auto weerspiegelt de inwendige, meervoudige tocht van de gedachten langs welgekende wegels en snelwegen. Links zijn de enorme, labyrintische complexen van mijn fictie, rechts liggen de molshopen van onafgewerkte projecten. Een galerij oordelen over mensen. Gisteren kwam ik Sasha nog eens tegen en ik zag haar oordeel weerspiegeld in mijn oordeel - we dachten vast allebei de foute zaken over de zich van elkaar verwijderende sporen die we intussen afgelegd hebben. Het schijnt dat als je je op een willekeurig punt in het universum in een willekeurige richting begint te verplaatsen, je uiteindelijk terug uitkomt waar je vertrokken bent. Het hoofd is echter niet gemaakt om een hypersfeer te bevatten.

Van lange stroken nat asfalt tot de kleinste kromming: ik kan niet zeggen hoe vaak ik al de baan heb afgelegd tussen de Heuvelpoort en de Zuid. Ik ken er letterlijk elke steen, elke deur en elk uithangbord, en leg die baan bijna altijd af op dezelfde, methodische manier. Toen ik kind was, viel me op dat onze katten steeds dezelfde weg namen door de tuin, hoewel daar geen natuurlijke paden doorliepen. Het brein vormt kaarten, kaarten graveren zich in dat brein en vertalen zich in gewoontes. Kaarten om van punt A naar B te raken, kaarten om persoon C ding D te laten doen en nog meer wegenkaarten met knooppunten, kruispunten en doodlopende eindjes die makkelijk uitkomen op dezelfde conclusies en gedachten. De wereld is onrechtvaardig of de wereld is een bittere plek, of zij is op haar laatste benen en alles wijst erop dat God spoedig zal terugkeren om orde te scheppen Insj'Allah. Het ingegraveerde brein verandert na een tijd zo snel niet meer en geeft de voorkeur aan vooroordelen en herhaling. Geen mens die er aan ontsnapt. Ik leer iemand kennen die me te snel en te hard doet denken aan een meisje dat acht jaar geleden mijn hart brak, en het wordt me al benauwd om de pijnlijke ribben. Wie weet heb ik de vrouw van mijn leven gemist. Ik zet mijn auto niet in achteruit, en Thom Yorke gaat onverdroten verder: "They pull the cars out of the river."

De lange, kronkelige weg als metafoor voor het leven is op zich een platgetreden pad dat veel te goed bewegwijzerd is. En terwijl ik een afrit inglij richting metropool van West-Vlaamse ingenieurskunst, maak ik me de bedenking dat alles al met het leven zelf moet vergeleken zijn. Zelfs een pot appelmoes kan het hele leven omvatten, met zijn brokken en gezeefde stukken, kwaliteitslabels en ondoorgrondelijke deksels. Verbanden liggen voor het grijpen. Er komen woorden op die ik al veel te vaak gedacht heb, vertakkingen voorbij de oordelengalerij in de tuin van luwte en rust, een plek waar ik te weinig zit. Onlangs heb ik gelezen dat beslissingen maken nooit een rationeel proces is - dat het deel in het brein dat de keuze maakt al oplicht nog lang voor we de keuze bewust gemaakt hebben. En toch moet ik geloven in een vorm van discipline, al was het maar om niet toe te geven aan de luiheid en het verval van lijf en leden, maar ook dat zal vast wel deel uitmaken van die helse cyclus van determinatie. Het is diezelfde determinatie die me woest twee vrachtwagens doet inhalen en door het oranje doet rijden in de onophoudelijke regenmist.

Mensen denken niet écht in woorden. Ik schrijf omdat ik geen muziek kan maken en omdat ik een ramp ben als schilder, want uiteindelijk denken we in klank en beeld. Of hoe de geur van vochtige aarde en potgrond me doet denken aan een tijd die even mistig en flou is als het weer vandaag . Het zijn bijeengeharkte herinneringen aan kastelen bouwen uit steengruis bij de serre van mijn grootouders, mijn grootmoeder die bessensap maakte en mijn geheugen dat nog haarscherp was. Toen al trainde ik om een grootmeester te worden in het inetsen van wat mensen gezegd hadden - soms willekeurig, soms omdat ik het zelf wilde. Terwijl ik een parkeerplaats zoek en werknemers door plassen en regen spurten naar de poort van ons gezamenlijk dagverblijf, heeft de buitenaardse stem van Yorke plaatsgemaakt voor die van Kele Okereke, die zich afvraagt waar zijn thuis is. Wel, thuis is een samenplaksel van zintuiglijke, subvocale indrukken, een souterrain van suiker en vet. Het is een zwaktebod van metaforen en een plek in mijn hoofd. Het heeft een ring rond mijn ribben gelegd, en het is alles tussen wat ik zie als A en B.

zaterdag 13 februari 2010

Godin

Het is een koude vrijdagnacht, en Gent, de verweerde, stenen godin van zo vele generaties studenten, arbeiders, volksmenners, hoerenlopers, onnozelaars en marginalen, is ons mild gezind. Terwijl ik voel hoe mijn tong dikker wordt van de alcohol, denk ik aan verleden en toekomst. Hoe het verleden ons onterecht kneedt tot de personen die we zijn in het voor altijd voor ons uit snellende heden en hoe we dat gebruiken als excuus om nooit te hoeven veranderen (terwijl we dat constant doen), en hoe de toekomst de ideale droomplek is waarin we eindelijk die persoon in de spiegel zullen zien de we altijd al hadden willen zijn. Ik kom een dronken Rotterdammer tegen die er op staat elkaar te begroeten met een joviale vuistslag. De Overpoort loopt vol idioten, en een oude man in een grijze oliejas wandelt met zijn miniatuurhond. Ik denk aan de lege plek in mijn bed, straks, die slechts voor de helft door mij zal opgevuld worden. En het ijs op het trottoir. Het is geen avond voor schrijvers, zoveel is wel duidelijk. Taxi's zigzaggen zich een weg door het volk. De bushaltes zijn aggluttinerende klompen mens geworden - pubers die nog laat zijn blijven hangen na hun laatste les, soms nog met hun uniformen aan, of ouderen die hun longen vol rook en hun bloed vol alcohol gepompt hebben maar morgen nog op bezoek moeten bij familie (koffie, taart, thee). Het zou me kunnen of zelfs moeten deprimeren, maar het lukt niet.

In mijn vertrouwde stamcafé ademt het hout een verwelkoming uit. Er is gepraat met de barman over reusachtige flessen vodka en hoe ik daar aan zou raken. Ik herinner me dat liefde ook loslaten is, dus drink ik traag. Er wordt gesproken over het verenigingsleven. Over toenemend professionalisme, ook. En ook over S, die altijd op mijn tong ligt. Kennissen en vrienden komen en gaan in het café, dat het decor vormt van een verjaardagsfeestje voor een bevriend koppel, beiden verstokte West-Vlaamse immigranten die aan de slippen van Gent zijn blijven kleven. Wie kan hen dat ook kwalijk nemen. Het is een avond die infeite over niets gaat. De muziek die zich een weg baant dwars door de gesprekken en de rooklucht heen, heeft al vaak dienst gedaan als notenbehang voor moeilijk verstaanbare gesprekken. Ik drink nog een glas. Het is zeker niet het laatste van de avond, zo veel is wel duidelijk. En onder al dat gezwem van stemmen en meningen denk ik met het ijle verlangen van een gerateerd schrijver aan wat ik nog moet zeggen dat er toe doet op Valentijn, dat er binnenkort aankomt. Men kan wel heel wat afzeiken over het naakte winstbejag en de platgestampte clichépaden die op zo'n dag te bewandelen vallen, maar ik vind het tegelijk ook goed om op die manier na te denken over wat liefde betekent. Liefde bestaat in vele vormen.

Er is liefde in het café voor mijn geld, waarmee ik schaamteloos dronken kan worden zonder dat iemand er aanstoot aan neemt. In mijn hoofd en mijn vingers is er ook de liefde voor mijn vrienden, die altijd meer zullen betekenen dan dat ze zelf zouden kunnen vermoeden. En natuurlijk is er ook de liefde voor dat meisje met haar diepdonkere ogen, die allicht niet beseft dat ik zelfs van haar hou als ze aan haar lippen aan het pulken is als ze piekert en als ze praat over haar gewicht, haar boeken, haar verleden (opnieuw dat in het nu uitmondende deltaverleden) en haar haar en potentiële toekomst. Beiden zijn aanwezig in mijn nu. Dat verleden is een soort vreemde fictie, een vermenging van spookbeelden op een filmrol met een onverstaanbare klankband, en de toekomst, zelfs al is die morgen en speelt die zich af binnen een uur of tien, is altijd omringd door nevelige vraagtekens. Wie weet eten we morgen een pita, daar waar Overpoortmarginalen de nacht ervoor nog kotsten en in zichzelf dachten dat die Turken niet te vertrouwen zijn. Wie weet hebben we slaande ruzie terwijl we drinken en zware baslijnen door boxen schallen in een obscure feestzaal. Of zullen we naast elkaar zitten, hand in hand, terwijl de zon met dodelijke precisie opkomt en we daarin een teken zullen zien zoals zo vele duizenden koppels voor ons een teken hebben gezien.

Als ik besluit de vertrouwde moederschoot van het stamcafé te verlaten, en terug de kou in zal gaan, legt Gent weer haar nauwelijks merkbare, warme mantel om mijn schouders. Het zal wel gaan, lijkt ze te zeggen. Ik hoef me geen zorgen te maken. Er is al genoeg miserie in de wereld om ook nog eens mijn simpele beslommeringen er bij te nemen. Ik heb vrienden, ik heb liefde, en ik heb een familie die om me geeft. Uiteindelijk is er weinig dat een mens zich meer kan wensen om gelukkig te zijn. Dat denk ik, terwijl ik een vers pak sigaretten koop bij een nachtwinkeluitbater die gebrekkig Nederlands spreekt. En daarbij denk ik ook dat die man al vele zompige dronkaards heeft zien passeren, waarvan velen hem nooit meer zouden kunnen herkennen als ze hem op straat zouden tegenkomen. De man doet zijn werk. De klant koopt en betaalt. Kennen wij elkaar? Dat niet, nee. Elke stap brengt me dichter bij mijn bed. Nog steeds ligt daar een lege plek te wachten op mij, zacht en uitnodigend. Maar zij is er niet. Ik zal er haar bij moeten denken, vervlochten met mijn ronkslapende vorm, in in elkaar overvloeiende gestalten van een koude nacht met een warme kern. Ik steek een sigaret op. Ik adem de dood in en uit, op een nonchalante manier die intussen volledig de mijne is. Mijn sleutels roteren over mijn wijsvinger. De gedachten aan gisteren en morgen en al die mensen en wat ze allemaal zouden meemaken vannacht, laat ik van me af glijden. Ik weet dat ik niet ongelukkig ben, en heb berusting in wat morgen me zal voorschotelen. In de lift zing ik erg zacht en erg vals nog een lied, dat ik stiekem opdraag aan S. En niemand legt me ook maar een strobreed in de weg. Het is waarlijk een vreemde, erg gewone, kille vrijdagavond, maar daarom des te meer de moeite waard om over te berichten, omdat niemand anders het zou willen doen.

zondag 13 september 2009

Herfstkathedralen

Het is een zaterdagavond waar de herfst zich al volop aankondigt, ongestoord door menselijke schema's en berekeningen. Bladeren verzamelen zich in de goten van de straten, wolken worden somberder en het gaat wat harder waaien. Ik verblijf hoog en droog in het appartement van vriend F, voorheen mijn huisgenoot, die na al die jaren dat ik hem ken nog steeds de minzaamheid zelf is. Er wordt gepraat over muziek en over film, over zijn zoektocht naar een vetbetalende job en over ergerlijke gewoontes van nieuwe huisgenoten, met op de achtergrond eerst een streep ambient uit de meesterlijke catalogus van Aphex Twin, en daarna nieuw klassiek van een Japanner wiens naam ik al vergeten ben als F hem heeft uitgesproken. Over deze avond regeert een melancholie op kousenvoeten, die ik niet eens hoef te vatten in woorden, omdat ze zichzelf steeds zo verleidelijk aanbiedt als brandpunt van gedichten en zinnen. Misschien zit het in de eenzame, herfstige straten buiten. Misschien heeft het wat te maken met de herinneringen die F zelf oproept. Of is het gewoon iets dat algemeen in de lucht hangt, het wisselen van de seizoenen en de aankondiging dat de zon weer dagelijks sneller verdwijnt en zich trager zal laten zien. Vrienden zijn geslaagd en hebben gefaald voor herexamens, schooljaren zijn verwoed begonnen en de meeste mensen hebben blijkbaar besloten deze avond binnenskamers en binnensmonds door te brengen.

Ik denk onder het praten na over mijn voorliefde voor dieptes in gevoel en verstand, die steeds klopt in mijn hart der harten. Het is twintig jaar geleden dat de muur der muren viel, en het boek der boeken wordt nog steeds gelezen. Er hebben zich nog geen kandidaten aangemeld voor de dood der doden, en wat mij betreft mag die dood nog even wachten, want hoe zacht moeder melancholie ook haar deken over mij legt, ik kan niet ontkennen dat ik me bevind in een toestand van algemeen welbevinden. Ik besef dat terwijl ik me het flessengeluk toeëigen, dat mogelijk het geluk der gelukken is. Ik heb vrienden en ik mis geen ledematen. Ik heb werk dat ik graag doe, en een dak boven mijn hoofd. En ik heb iemand om graag te zien en graag door gezien te worden. Die iemand bevindt zich onder mijn dekens steeds bij mij, maar is, terwijl ik de beslissende laatste slok neem, ergens in een duister oord waar in het zwart geklede mensen nog troost vinden in diezelfde duisternis.

Onderweg naar huis speelt een nauwelijks hoorbare muzikant tegen de wind in piano. Fietsen staan door elkaar opgesteld tegen muren en palen, en mijn voetstappen vormen de kasseidrum die die onhoorbare muziek begeleidt. Bomen verliezen hun bladeren en de afhaal-Chinees is dicht. Een norse nachtwinkeluitbater moet zijn maaltijd onderbreken om me sigaretten te slijten, en even wenste ik dat ik me in de Leie kon laten vallen, en me kon laten meevoeren met de stroom tot waar S is, om te verrijzen en als donkere messias op te duiken onder de gevlederden, waar ik me meer thuis voel dan ik zal toegeven. Ik passeer een gezelschap snobs met haar zo stijf van de gel dat een nano-beschaving er in zou kunnen bobsleëen, een knappe Marokkaan die diezelfde mensen met misprijzen gadeslaat, en een zwarte vrouw en haar geblondeerde blanke vriendin die klaar zijn om de Overpoort in te duiken, op zoek naar hits en wie weet ook naar liefde, de heilige graal waar mensen in dit leven voor sterven. Auto's razen over straat, sneller dan de hen opgelegde snelheid die op het wegdek geschilderd staat, en de bomen van het Citadelpark aan de overkant ruisen omineus. De pianist zet zijn beste beentje voor en blijft doorspelen, dwars doorheen mijn verlangen om met uitgestrekte armen op het kruispunt van de Heuvelpoort te gaan staan en in het lawaai en getoeter van de auto's de stemmen te horen van woede en verbazing.

Als ik thuis kom, is er niemand. Of toch. Vanuit het donker buiten komt een rosse kater binnengeglipt, die even vanop afstand toekijkt hoe ik hem zelf gadesla, en dan toch besluit behoedzaam te naderen op het eten dat ik hem geef. Zijn dagelijks brood, en mijn spreekrituelen tegen een dier dat nooit wat zal terugzeggen. Met enkele slotnoten is de muzikant opgehouden en strekt hij de vingers. Ik doe bewust geen enkel licht aan, en laat het enige licht in de kamer dat zijn van mijn aansteker, die al snel een sigaret aansteekt. Laat dat mijn ode zijn aan het leven, een verboden middel dat me dichter brengt bij het onvermijdelijke. Laat dat mijn valse romantiek zijn, die de echte romantiek tegenspreekt van het missen van een geliefde. En laat mijn asse de punten en de komma's vormen van een nog ongeschreven gedicht voor vrienden, familie en voor S, dat ik dankbaar ben dat ze er zijn, en dat ik hen graag zie.