Over 'Onklare taal'

'Onklare taal' is de verzamelnaam van diverse tekstprojecten van mijn hand. Dit is de afdeling columns en microstories daarvan. In 2017 bracht ik 'In de vorm van een vogel' uit, een bundeling van de beste 99 teksten van dit genre tot op dat punt, netjes geredigeerd en per seizoen geordend. Je kan die antologie gratis downloaden als je Patron wordt. De weg een beetje kwijt? Mijn eigenlijke website, die ook 'Onklare taal' heet, verwelkomt je.

maandag 7 maart 2016

Natuurlijk denk ik nog aan haar

Afscheid nemen kan hard zijn. Een maand geleden beëindigde ik een relatie van een jaar. Het is zeker niet de eerste keer dat ik uit een relatie stap (of eruit gegooid word) en hopelijk is het wel één van de laatste keren geweest. Onmiddellijk gaan herinneringen druk aan het werk om etiketten te kleven op wat geweest is. Zo staan er verschillende glazen bokalen in de kelder met de namen op van voormalige geliefden en daaronder een aantal steekwoorden. Het is niet fair om mensen tot karikaturen van hun slechtste en beste momenten te reduceren en dat doe ik al enkele jaren niet meer met ex’en. Misschien daarom dat ik er drie van hen tot vriendinnen mag rekenen, waar ik dankbaar om ben.

Met Emma zal dat allicht niet lukken en ik moet respecteren dat ze me niet in haar leven wil. Als initiatiefnemer van de breuk heb ik geen rechten. Ik weet niet hoe dat zit met anderen, maar uit relaties herinner ik me als tederste momenten meestal niet de Grote Woorden en de Grootste Daden. Geen passionele kus in de regen als in ‘Four Weddings and a Funeral’, geen “Frankly, my dear, I don’t give a damn.” Ik herinner me van één geliefde hoe ze met berustende geamuseerdheid kon kijken als ik voor de zoveelste keer ergens de clown kon uithangen. Of hoe ik één keer van de ouders van een ander lief bij m’n enige overnachting in haar ouderlijk huis een sponzen pyjama van haar vader (!) moest dragen omdat ik er zelf geen bij had. Met Emma denk ik aan onze laatste maaltijd, nukkig doorgebracht in het appartement waar ik nu alleen woon en zij op de valreep nooit komen wonen is. Het waren godbetert hot dogs. Ik denk aan de pot kippensoep die ze zonder iets te zeggen achterliet aan de deur toen ik ziek was. Ik denk aan een minikrantje met kruiswoordraadsels en andere spelletjes dat ze voor mij samengesteld had, of aan strandballen over en weer meppen terwijl we met modderig zand ingewreven stonden te giechelen in de Noordzee.

Maar hoe gaat dat, een relatie die voorbij gaat? Soms kan je zeggen: “zus en zo sloeg me”, of “ze wilde geen kinderen”, of “hij bleef vreemdgaan”. Maar veel vaker is het de dood van de duizend kleine steekjes. Je lichaam dat voelt dat het op is nog voor je die gedachte bewust toelaat. Het wanhopige onderhandelen van de laatste momenten, de vlam die nog eventjes opflakkert voor het einde van het vuur. En als je het zelf beëindigt, is er ook nog het schuldgevoel nadien. Vrienden proberen mijn beslissing goed te praten en het wàs ook de juiste beslissing, maar dat ontslaat me nog niet van het feit dat ik iemand pijn heb gedaan die ik graag zag, en geen klein beetje. Toen ik een veel jongere man was, was ik vaker de gedumpte. Dat doet meer pijn, maar die pijn is een rechtvaardige pijn. Je kan gerust even de andere demoniseren en verhaal halen bij sympathieke troostschouders. Als dumper heb je daar niet echt recht op, tenzij in de voornoemde gevallen waar één duidelijke aanleiding het drama in gang zet. Wat hier absoluut niet het geval was.

Natuurlijk denk ik nog aan haar. Natuurlijk hoop ik dat ze haar romantische dromen niet opgeeft en de man vindt die niet haar vertrouwen breekt. Of dat ze zelf eens iemand de wacht zal aanzeggen (wat ze, al mijn jeremiades ten spijt, allicht beter had gedaan, maar vijgen na Pasen zijn makkelijk te plukken). Je wil niet iemands persoonlijke Waterloo zijn. Een relatie beëindigen is meestal niet eens een overwinning, maar een opgeven. Cultuurpessimisten vinden dat de Westerse mens te snel opgeeft en maken zich er druk in dat we ongelukkig worden van het nastreven van de Ideale Relatie. Ik weet het niet, ik ben minder gelukkig dan drie maanden geleden maar gelukkiger dan een maand geleden. En elke keer dat iemand me dumpte, klauterde ik nadien naar hoger gelegen oorden. Ik ben er zeker van dat ik ooit terug verliefd zal worden, want ik ben een mens die nog niet half de misantroop is die hij soms denkt te zijn.

Al een half leven probeer ik de liefde te begrijpen. Ik probeer te verstaan wat mensen in elkaar aantrekt of afstoot, waarom die ene blik onweerstaanbaar is en die andere persoon toch net niet dàt is, of waarom sommige mensen altijd gehuld blijven gaan in een mist van potentiële verhalen die nooit zullen uitkomen. Hebben andere mensen dat ook? Ze zullen vast bestaan (dat maakt ons nog geen vrienden of potentiële minnaars, evenwel), maar misschien moet ik me er bij neerleggen dat het het ene puzzelstuk is dat ik nooit zal kunnen plaatsen. Laat wetenschap, politiek, taal en cultuur maar op de poorten beuken of hun meest geschifte vormen aan me opdringen – ik kauw erop, verteer ze en scheid de overtollige resten af. Maar relaties, dat blijven die vreemde schelpen die je verzamelt op het strand zonder echt te kunnen verantwoorden waarom.

vrijdag 8 januari 2016

Absolutie

Over waarom ik enkele maanden stilte inlas.

Ik ben een zoeker. Aan de binnenkant van mijn schedel tast ik voorzichtig naar nieuwe gedachten, indrukken en vonken. In een mentale ruimte die zo groot kan zijn als het universum zelf, kan ik wandelen over uitgestrekte heuvels waar het enige wat het wit van de sneeuw het wit van de mist onderscheidt, mijn zelfschets is. Het verlangen om de wereld in me op te nemen is nooit groter geweest dan het verlangen om zelf een wereld te maken en daarin weg te zinken. Vandaar dat ik als kind gefascineerd voor tv zat voor de reeks 'Odyssey', waar een jongen in coma door zijn eigen droomwereld wandelde, of hoe 'The Cell' de binnenwereld van de geest in hevige kleuren en met symbolisch spektakel tot leven bracht.

En nu, nu het jaar al een paar dagen oud is, zit ik opnieuw neer in de zetel en denk ik na. In de beste traditie van het boeddhisme probeer ik bewust om geen demarcatielijnen te trekken over datums en gebeurtenissen. Ik hoef geen synthese te puren uit de opeenstapeling van feiten die ik geleefd heb en de daden die ik gesteld heb. Want niet alles daarvan is fraai, laat staan dat het dingen waren waar ik naar uitgekeken had. Maar dat is niet per se slecht. Ik had ook niet gedacht dat ik in 2015 zo veel ging lezen of dat ik tegen het einde van het jaar mijn liefde voor film zou herontdekken. Dat mooie muziek me dieper kan beroeren dan ooit en dat ik het minder belangrijk vind dan ik gedacht had om op weinig podia te staan.

M'n ogen glijden af naar de kleine kerstboom op de salontafel, die verstikt is in slingers licht, compacte kerstballen en nepvogels. Hij is lelijk maar hij is prachtig, dat trots stuk kitsch temidden van m'n tijdelijke woonkamer waar de meubels te dicht op elkaar staan, de vloer een vuilmagneet van vinyl is en één van m'n gordijnen permanent scheef hangt. Maar het is de kamer die ik nu bewoon waar het lichaam in zit dat zichzelf bewoont en dat is belangrijk om geen enkele andere reden dan dat het er voor niemand meer zal toe doen dan voor mij.

Bij de kerstboom staan twee ruw-porseleinen ijsberen, een geschenk van mijn ouders toen ik begon te avonturieren in bijberoep en die nu goed passen bij de stilte die hier heerst. Die stilte mag nog even aanhouden. Voor het jaar dat voor de deur staat, ben ik van plan niet te veel woorden te verspillen op papier of wat daar digitaal voor doorgaat. Dat is niet omdat ik niets te zeggen heb, maar omdat ik me wil kunnen focussen op wat er nog meer toe doet.

Het is geen geheim dat ik een warme fascinatie koester voor oorden als Antarctica, de Sahara, Groenland, Mars en de ruimte. Misschien is het een chronisch geval van het gras dat groener is aan de overkant. Als ik daar had gezeten, dan zou het drukbevolkte België me misschien veel meer aanspreken. Maar opnieuw: het draait om ruimte, of beter, om vorm en leegte. Ik wil de komende maanden niet de druk voelen om toch maar weer iets online te zetten, gedachten te delen met de wereld of om mee te racen voor aandacht.

Ik sluit niet uit dat ik zo nu en dan de digitale stilte doorbreek maar ik blijf hier voorlopig nog even zitten in deze zetel, terwijl dag langzaam avond wordt, de lichtjes van de kerstboom feller worden en m'n gordijnen nog altijd scheef hangen.

maandag 16 november 2015

Van de rails

De werkdag is voorbij. Ik wacht op de tram. Over het Ledebergplein hangt er een mistroostige herfstduisternis. Er is wel nog veel volk op de been. Cafés en restaurants, het ene al wat smoezeliger dan het andere, adverteren zichzelf in neon. Boven alles torent de grote kerk van Ledeberg uit, een bakstenen gevaarte dat in zijn tijd misschien als modern gold. Nu is het een wezenloos ding, doods en onaantrekkelijk. Ledeberg heeft zijn reputatie niet mee. Gentenaars spreken soms spottend over de Ledebronx, een curieuze mix van oude en jonge marginalen die al van generatie op generatie meegaan, aangevuld door heel wat kleur. Uit Turkije, uit Oost-Europa, uit het hart van Afrika. Zouden er in Gent terreurcellen kunnen ontkiemen? Natuurlijk dat ik daar aan denk sinds de terreuraanslagen in Parijs. De schrik zit erin en samen daarmee mijn vrees dat deze tragedie nog maar eens een boksbal gaat worden voor stoere rechtse praat. Ik denk eigenlijk niet dat de vluchtelingencrisis, Daesh of terreur in Europa veel mensen die niet racistisch zijn, plots racisten gemaakt heeft. Het is gewoon dat racisten het gevoel krijgen dat ze steeds openlijker hun racisme mogen belijden.

De tram komt eraan. Er zitten niet veel passagiers op, maar ook hier weer de stedelijke diversiteit duidelijk zichtbaar. Ik vraag me af hoe mijn medepassagiers zich voelen. Denkt die moslima daar nu dat ik denk dat ze sympathiseert met de grotesquerie van Daesh? Ik las via Twitter een hartverscheurend verhaal over een Arabische taxichauffer in New York die de dag na de aanslag in Parijs meer dan twee uur moest wachten voor er een klant zijn taxi in durfde stappen. De man huilde onderweg van machteloosheid en verdriet en zei dat wat de monsters van Daesh doen, in niets lijkt op waar hij in gelooft. Ik heb ook vele goede opinies gelezen, de laatste dagen, terwijl de mijne zich nog helemaal moet vormen. Ik heb het niet zo voor de driftige, snelle reactie.

Het ergert me dat ik de laatste jaren de oren sneller spits als ik een paar hangjongeren in training zie in een slecht verlichte straat. Dat is wat de jarenlange indoctrinatie gedaan heeft van media die niet-aflatend Noord-Afrikanen en Turken in verband hebben gebracht met criminaliteit, asociaal gedrag en terrorisme. Het sijpelt erin, willen of niet. Hoe kan het ook anders, met een tram in Ledeberg waar mensen van allerlei achtergronden op zitten, maar met een eindeloze zee aan witte gezichten in de media? Sommige instanties doen hun best, het is waar, maar genoeg om op te tornen tegen de kanker van het brute wij-zijdenken? Het duurde nog geen dag of enkele complotdenkers schoven de schuld van de aanslagen in de schoenen van een ingebeeld amalgaam aan linkse bewegingen. Vanop een afstand is het bijna wonderbaarlijk hoe die mensen zo kunnen denken - feiten en nuance zullen hen worst wezen. De gore praat die vroeger beperkt bleef tot dronken gefluister aan de stamtoog, stroomt nu over het trottoir naar buiten en vindt veel te weinig weerstand.

Aan de Zuid stappen meer passagiers op. Een blonde Lijn-medewerkster slaat een vrolijk praatje met de chauffeur, een jonge Turkse man. Ik heb allicht relatief geluk van in Gent te wonen, waar de situatie niet zo is opgeklopt tot proporties als in Antwerpen, waar de homo hystericus aan de macht is en waar een kind mag omgelegd worden met wapentuig van de FN. Wapentuig, nota bene, dat ook zijn weg vindt naar Daesh. De aandelen van wapenfabrikanten gingen fors de hoogte in na het Parijse bloedbad. Maar het zal wel beteren, ooit. Er zal wel ooit een oplossing komen voor al die problemen. Dat wil ik erg graag geloven, maar optimistisch ben ik niet. Afghanistan is al bijna 40 jaar een puinhoop. De situatie in het Midden-Oosten is erger dan 15 jaar geleden, toen het er ook al geen pretje was om er te wonen. Wat als conflicten zich blijven uitbreiden? Wat als niemand de zotten hier een halt toeroept, en de foorapen van het Pegida van vandaag de bruinhemden leveren van morgen?

Men denkt dan dat dat zelf een hysterische angstfantasie van me is, allicht. Hoe zou dit nu kunnen, hier? Terwijl de tram voortkabbelt langs gerestaureerde voorgevels, eetgelegenheden, standbeelden en pleinen, gezellig warm, lijkt het idee van pogroms en etnische zuivering een absurditeit. Maar wat als de opeenvolgende militaire antwoorden van het Westen blijven mislukken en meer terreur blijven genereren? Wat als dat onze eigen ergste volksgenoten zich nog meer macht laat toeëigenen, nog meer de bakens verschuiven om een paranoïde politiestaat te installeren? Wie zal daar tegen in opstand komen behalve wie al gedemoniseerd is?

Een tijd terug bekeek ik een toespraak van een Holocaust-kenner die in een onderzoek had proberen achterhalen waarom in sommige landen zo veel Joden weggevoerd waren naar de kampen en in andere landen bijna geen Joden. Het antwoord was niet het gehalte van antisemitisme. Het antwoord was dat daar waar staatsstructuren vernietigd waren en elk begrip van normaliteit verdwenen was - zoals in Oost-Europa en de Baltische kust, die de nazi's volledig wilden annexeren - mensen veel sneller overgingen tot gruweldaden. Die casus komt terug in de Balkan-oorlogen van de jaren '90. In Bosnië werd het meeste verkracht en gemoord omdat de staat zelf er in rook was opgegaan. Een vacuüm zuigt snel de ergste elementen van de mensheid aan. Het stond zelfs al te lezen in 'Heart of Darkness', waar de wetteloze omstandigheden in Vrijstaat Congo de grootste gruwel leken te bespoedigen. Ik stap uit op de Korenmarkt, die levende postkaart voor toeristen. Aan de volgende tramhalte staan er veel van die toeristen. Het miezert en ik moet zuchten. Ja, ik ben dus bang. Maar ik ben niet zo bang van het leven te laten in een aanslag van één of andere fanaticus met een gordel semtex. Ik ben banger dat als we terugkijken binnen 40 jaar, dat we haarscherp het moment zullen kunnen identificeren waarop we zelf van de rails zijn beginnen glijden.

zaterdag 4 juli 2015

Werkloos en warm

Acht dagen geleden ben ik ontslagen. Omdat ik al een baan in bijberoep had, ben ik officieel niet echt werkloos, maar toch weer wel. Want dat bijberoep staat bij lange nog niet stevig in de schoenen om een redelijk vervanginkomen te kunnen genereren. Het ontslag stak. Is er ooit iemand die ontslagen wordt en zegt “nou, wel, dit had ik eigenlijk wel verdiend”? Dus ook ik zal zeggen dat het niet terecht was, of dat de officiële reden alleszins rook naar een stok om een hond mee te slaan. Mijn chef keek me ernstig aan, geflankeerd door zijn chef, die er bij zat alsof hij hard zijn best deed om zo boosaardig mogelijk te kijken, en aan de andere kant de rubberen vertegenwoordiger van HR.
“We erkennen dat je veel talenten hebt, Anton, maar we hadden toch gehoopt dat je wat beter ging worden in verhalen vertellen.”
Dat bestond dit heerschap te zeggen tegen iemand die tientallen kortverhalen, zeven manuscripten, een vrachtlading columns en een bestelwagen vol satire geschreven heeft. Wel, zoals ze zeggen boven de Moerdijk, krijg nou tieten.
Sereen liet ik me na het afscheid van de collega’s – shock, onzekerheid – naar buiten begeleiden door de HR-man, die dat professioneel deed en daarbij een mooie balans vond tussen professionaliteit en empathie. Het is een delicate kunst, mensen ontslaan.

En nu ben ik weer buiten, maar niet buitengezet. Ik slenter over het voetpad, rond de hoek van m’n straat en rond tien meter verder een andere hoek, naar de Eedverbondkaai, een lange sliert Gent die zich langs het water krult en waar op een bijzonder warme zaterdagavond niet veel volk is. Mir scheint die Sonne ins Gesicht, zoals Till Lindemann optimistisch constateert in ‘Ich tue dir weh’. Mijn tempo is bewust traag. Acht dagen en evenveel kilo’s lijken van me afgevallen. Geen stress meer om elke ochtend die tram te halen, dan de trein, dan de metro en dan nog een tram. Geen dagelijkse momenten meer dat ik me haast de haren uit het hoofd rukte om één of andere brok franglais die geschreven was door amateurs. Geen sociopatische oversten meer. En geen geld. Wel, momenteel is dat ook geen probleem. Dankzij de verworvenheden waar onze grootouders voor streden, is m’n voormalige werkgever verplicht me nog enkele maanden uit te betalen. Als het aan de Homansen, Lagardes, Junckers en Dijsselbloemen van deze wereld lag, dan had ik allicht niets en zou ik me maar moeten optillen uit het moeras aan m’n eigen schoenveters. Die Dijsselbloem: wat een incompetent lulletje rozenwater is me dat, zeg.

Er passeert een motorbootje met vijf twintigers of vroege dertigers erin. De twee mannen vooraan poseren voor een selfiestick, voor cultuurpessimisten het laatste nieuwe symptoom van ons terminale narcisme. Ik denk: in zo’n bootje zie je er sowieso uit als een patser, je kan dan maar net zo goed all the way gaan. Even verderop, terwijl ze zich verder van mijn trage stappen verwijderen, kruisen ze een ander bootje. Er wordt druk over en weer gewoe’d en gehoe’d. Dat zijn niet echt woorden maar wie maalt erom. Ik kan toch geen verhalen vertellen.
Ik neem plaats op een kleine betonnen rand die dienst doet als stijger voor bootjes. Rechts licht er een sympathiek blauw roeibootje gulzig te klokken en te klotsen in het water. Ik hou van dat geluid. Ik heb altijd gehouden van havens en stijgers, hoe klein ook. Het zijn de wereldse rode lopers die avonturen  beloven op uitgestrekte zeeën, meanderende rivieren en blinkende meren. Ze zijn een uitnodiging om eruit te stappen en de hele zwik hier achter te laten.
Links van me ligt een grotere boot aangemeerd, verzwaard met ballast. Hij oogt wat vuil. De gordijnen in de stuurcabine zijn dicht. Er liggen rotte bladeren op het dek. Ik adem diep in en uit. De lucht is zwaar. Is dat die fameuze ozon, waardoor ik al de hele dag wat licht in m’n hoofd ben? Of is dat ook een neveneffect van niet meer te hoeven werken, voorlopig – de ketens die gebroken zijn?

Ik slenter een ander straatje in dat me naar boven voert. Daar bots ik op een troep meisjes en één jongen. Ze praten allemaal Engels met een Zuid-Europees accent. Het zou vast al te toevallig zijn indien er Grieken tussen zaten. Ze hebben kleurige, papieren bloemen in hun haar en zien eruit alsof ze hier in Gent een vrijgezellenweekend komen vieren. We hebben geen interactie. Ondanks mijn trage tempo hoor ik al snel het flatsj-flatsj-flatsj van hun flipflops achter me wegsterven.
In de nachtwinkel – het eigenlijke echte doel van m’n wandeling, die ik bewust gerekt had om te onder te dompelen in de zwoelheid van de avond – begroet de vaste medewerker me met een glimlach. Het is een keurig geschoren jongeman die er Bengaals uitziet, maar voor hetzelfde geld vergis ik me schromelijk. Het “en waar zijde gij van?”-stadium ben ik als ingezetene van het kosmopolitische Gent al lang voorbij.
“Ah, zo sportief,” merkt hij op, doelend op mijn short en sportschoenen.
Ik moet lachen.
“Ik draag dat normaal nooit. Vandaag is het gewoon veel te warm om iets anders aan te doen.”
“Ik weet het. Ik draag ook driekwartsbroeken vandaag.”
Zonder dat ik het vraag, grijpt hij al naar m’n vaste pakje sigaretten. Onlangs moest ik noodgedwongen naar een andere nachtwinkel, die werd uitgebaat door twee oudere Turken. Toen ik hen vroeg om Gauloises, bleken ze die niet te hebben, dus vroeg ik maar om Winchester. Eén van beide mannen fixeerde me geschrokken met zijn ogen: “Niemand koopt dat.”
Het bleef een tel stil, een seconde vol suspense.
“Behalve jij,” zei hij toen, met een even loden ernst. Zijn kompaan en ik moesten allebei lachen. Nachtwinkels: eveneens een poort naar het kleine avontuur, als aanlegsteigers in een vreemde wereld.

Terwijl ik terug mijn eigen straat afdaal, kom ik nog langs een hele familie die buiten staat afscheid te nemen aan de deur. Dertigers, veertigers, een paar kinderen wier leeftijd nog niet uit twee cijfers bestaat. De mannen zijn potig. Zware buiken, brede armen, beetje roodverbrand. Eén van hen taxeert me. Geen idee waarom.
Ben ik nu ook deel van dat legioen “werkzoekenden” (ik heb al plichtsgetrouw drie sollicitaties verstuurd deze week!) dat mag rekenen op de verachting van zijn medemens? Of krijg ik toch nog wat respijt? Ik voel me er veel onbekommerder over dan misschien zou moeten. Maar we bekommeren ons al om zo veel, nietwaar moeder. De wind blaast warm over m’n gezicht en door m’n haar. Dat mag. Het is zoals iemand tegen me zei: “Er zijn ergere momenten om ontslagen te worden dan de zomer.”

maandag 15 juni 2015

De klauwen van de banaliteit

Ik weet niet hoe het zit met de gemiddelde mens, maar banaliteit is zowat mijn ergste vijand. Ik heb het daarmee over het 'busywork' dat een groot deel van de dag in beslag neemt en waarvan ik maar niet kan begrijpen dat we er in de 21ste eeuw in het Westen nog geen oplossing op hebben gevonden. Bijvoorbeeld: files, treinvertragingen, administratieve rompslomp, de 9-to-5-dag, stoppen met roken. Banaliteit en haar circumstantiële begeleider, verveling, zijn de lijken in de kast van een leven dat naar historische menselijke normen comfortabel is. Ik ben niet elke dag bezig met me afvragen of ik eten zal hebben of een dak boven m'n hoofd, ik heb vrienden om me heen, m'n familie leeft nog en is min of meer functioneel, en al bij al verkeer ik niet in slechte gezondheid. Maar dat niet per se positief. De afwezigheid van duisternis betekent nog niet dat het licht is.

Meer dan tien jaar geleden gaf een toenmalig lief als één van de redenen om me te dumpen dat ze me nooit zag functioneren in een dagelijks bestaan met een typische dagjob. Los van het feit dat dat een hard oordeel is om te vellen over iemand van 19 die nog heel wat groei voor de boeg heeft, zag ze daar een symptoom in van een gebrekkig en onvolwassen karakter. Ik was kwaad over dat verwijt. Maturiteit betekende immers niet zich neerleggen bij het dictaat van het eeuwige "omdat het zo hoort", maar met wilskracht het eigen pad effenen. Maar waar sta ik nu? Ik heb een dagjob, ik dobber rond tussen de massa forenzen die van Gent naar Brussel gaat en weer terug en ik heb er even grote stronthekel aan als dat ex-lief van me voorspeld had. Ironisch dat het deel van haar voorspelling dat ik niet kon functioneren in zo'n leven niet uitkwam. Ik kan het dus wel. Maar het vermindert me. Het dingt af op wat ik kan, wie ik ben.

Als ik m'n klaagzang aanhef over dit burgerleven, zegt een optimistische vriend wel eens dat ik het misschien eens allemaal achter me moet laten. Waarom geen ontslag nemen, enkele maanden tot jezelf komen, vrijblijvend rondsolliciteren? Dat klinkt feestelijk, maar de huur betaalt zichzelf niet. Ontsnappen aan de dwingelandij van de banaliteit is makkelijker als je die ontsnapping kan afkopen met kapitaal op reserve. Het enige kapitaal dat ik bezit, is van geestelijke aard. Met het geld dat ik heb, zou ik nauwelijks drie maand kunnen leven voordat ik door een paar gorilla's van een incassobureau beurs zou geslagen worden. Maar, zeggen goedbedoelende mensen dan, spaar dan wat meer. Dat is als zeggen tegen een hongerlijder dat hij meer moet vasten. Vanaf hier kan ik een paar kilometers wegvreten over hoe onrechtvaardig rijkdom verdeeld is, dat de fiscus een bandiet is of dat ik het recht heb op een bewonderende mecenas, maar dat is slechts pissen in de zee.

Sommige mensen verdedigen het banale omdat zonder dat achtergrondruis grootsheid niet meer tot zijn recht zou komen. Dat geloof ik niet. Er is een verschil tussen complexloze alledaagsheid, zoals een krant kopen of een kop koffie drinken, en de agressieve grotesquerie van lompe medepassagiers op de trein of een nutteloze memo zitten schrijven die toch geen hond zal lezen. Mensen raden me ten langen leste aan om het me allemaal niet zo aan te trekken. Maar hoe doe je dat? Als je constant in je hoofd een systeem kan construeren die oplossingen biedt voor al dat banale, is het om tegen de muren op te lopen om te zien dat we mijlenver verwijderd zijn van de realisatie ervan. Banaliteit is elastisch en resistent tegen wie haar uitdaagt.

Begrijp me niet verkeerd - het leven hoort voor mij geen ongeremde speeltuin te zijn. Weerstand, pijn en verlies kunnen en moeten deel uitmaken van een essentieel groeiproces. Ik zou nooit de liefde hebben kunnen waarderen als ze niet verloren had in de eerste plaats, of ik zou nooit verbluft kunnen staan van een mooie tekst als ik me eerst niet jaren had ingelezen in andere teksten. Zo gaat dat. Maar wat leert de zoveelste gruwelijke file me bij? Welk nut heeft het dat je bij een verhuis tot drie, vier keer toe moet passeren bij de administratie van de stad (en dat uiteraard tijdens de werkuren, waar je dan "vakantie" voor moet nemen)? Ik kan toch niet de enige zijn die zich ernstige existentiële vragen stelt bij de zoveelste confrontatie in een snackbar met een persoon voor je die pas begint na te denken over wat hij wil eten als het al zijn beurt is. Staat iedereen te slapen?