Over 'Onklare taal'

'Onklare taal' is de verzamelnaam van diverse tekstprojecten van mijn hand. Dit is de afdeling columns en microstories daarvan. In 2017 bracht ik 'In de vorm van een vogel' uit, een bundeling van de beste 99 teksten van dit genre tot op dat punt, netjes geredigeerd en per seizoen geordend. Je kan die antologie gratis downloaden als je Patron wordt. De weg een beetje kwijt? Mijn eigenlijke website, die ook 'Onklare taal' heet, verwelkomt je.

woensdag 3 januari 2024

Anton in Zwitserland (en Liechtenstein) - Dag 2b: Luzern & Rigi

De boottocht is niet goedkoop: omgerekend meer dan €90 voor twee personen. Zwitserland is enorm duur, sowieso. Je krijgt er wel één van de beste levenskwaliteiten ter wereld voor in de plaats. Op de hele reis zal ik welgeteld één dakloze zien, en laat ik me vertellen dat onze thuisbasis Zürich één van de hoogste concentraties aan miljonairs ter wereld heeft. De boot zelf is modern en snel. De passagiers zijn bijna allemaal toeristen, en het valt op hoe divers de toeristen zijn als groep: ik tel Chinezen, Indiërs, Amerikanen en uiteraard de obligate Nederlanders. De boot maakt drie stops aan pittoreske haventjes met statige hotels die wel een filmdecor lijken of bedacht hadden kunnen zijn door Wes Anderson (de realiteit is wellicht omgekeerd).

Aan de voet van de Rigi in Vilznau moeten we nog een bergtrein nemen die steil omhoog rijdt langs de flanken van het gebergte. Overal zie je huizen en vakantiewoningen en vraag ik me af hoe de bewoners die bereiken, want veel wegen zijn er niet te bespeuren. Volgens Matthias zijn veel Zwitsers eraan gewoon door de bergen te wandelen dus voor een steile helling minder of meer draaien ze hun hand (of voet) niet om. Op de bergtrein zitten we naast een familie Indiërs waarvan de grootvader hetzelfde stemtimbre heeft als opa Simpson uit de animatiereeks. Hij lijkt constant in de war. Later loopt hij nog twee verschillende keren in de weg als we op de Rigi Kulm zijn.

Na de voorlaatste halte begint een soort Alpenschlager door het geluidssysteem van de trein te schallen: het Rigi Lied van het Quartett Waschächt, dat met veel gevoel voor kitsch “die Königin der Berge” bezingt (“Rigi” zou afgeleid zijn van “regina”, Latijn voor “koningin”). Ik stel me voor hoe de kabels van de trein zouden knappen en we aan een rotvaart onze dood tegemoet zouden denderden terwijl de vrolijke kerels van Quartett Waschächt blijven yolo-lo-loën door het gegil en gekrijs van de passagiers heen in doodsangst. Het hiernamaals is hier geen rit met Walkuren, maar wordt begeleid door buikige mannen op hoempa-pa-muziek.

Het uitzicht over de besneeuwde bergtoppen is de moeite eens we bovenaan de Rigi Kulm zijn maar gek veel is er verder niet te doen. We eten respectievelijk een nogal mottige schnitzel en een vettige worst en het is warm genoeg om gewoon buiten te zitten met onze jassen aan. Naast het treinspoor loopt een sleebaan. Ik vind dat die er gevaarlijk smal uitziet, met aan de andere kant een gapende diepte zonder rails, maar de kinderen vermaken zich. Matthias zegt dat hij in zijn 12 jaar Zwitserland nog maar zelden heeft gehoord over ongelukken in de bergen. De Zwitsers weten wel wat ze doen. Misschien ben ik gewoon een broekschijter. Daarover gesproken: als ik op het toilet zit, komt er in het belendende stalletje haastig een man zitten die met een oerkreet een hoeveelheid diarree loslaat in de pot die lijkt alsof er iemand een grote kookpot groentensaus in één keer in uitstort. Hij verlaat even haastig het toilet als hij gekomen is.

Na een uurtje houden we het voor bekeken op de Rigi Kulm en maken we de omgekeerde tour terug naar Luzern, waar we de namiddag en vooravond doorbrengen. Luzern is volgens Matthias één van de meest “typisch Zwitserse” steden. De hoofdattracties zijn de Kappel- en Spreuerbrücken, twee overdekte houten bruggen die stammen uit de 14de eeuw en in de nok van het dak driehoekige schilderijen tonen met diverse, meestal gewelddadige, episodes uit de geschiedenis van Zwitserland. Ook de Pest is hier van de partij. In de verte blinken de lichten van een circus aan het water dat de weinig creatieve naam “Zirkus Weihnachten” draagt, maar door de afstand en het krullerige lettertype lees ik per ongeluk eerst “Zirkus Wehrmacht”.
 
Aan de oevers van de Reuss-rivier liggen diverse hotels en restaurants die op het gelijkvloers open, ronde bogen hebben, een beetje zoals in Venetië. Wat verraadt dat je echter niet in Italië bent, zijn de enorme koperen kaasfonduestellen die al klaarstaan en blinken in zowel kaars- als kunstlicht. De binnenstad heeft vele oude, goed bewaarde gevels met heiligentaferelen en versieringen. Het water uit de fonteinen ziet er zo helder uit dat het me drinkbaar lijkt, maar ik ga het niet proberen, Diarreeman van de Rigi indachtig.

We gaan ook even binnen in de Sint-Franciscuskerk van de Jezuïeten, volledig ingericht in barok- en rococostijl, iets wat je niet vaak ziet in België, waar de meeste belangrijke kerken van voor of juist na die tijd zijn. Luzern is één van de weinige Duitstalige kantons van Zwitserland die altijd katholiek gebleven zijn, in tegenstelling tot Zürich, de thuisstad van Huldrych Zwingli, één van de prominente aanvoerders van de Reformatie. Zwitsers zijn patriottisch: je ziet overal in het land de vlag wapperen en de geschiedenis is er duidelijk zichtbaar. Het helpt dat veel gebouwen nooit zijn verwoest of platgebombardeerd in beide Wereldoorlogen, waar de Zwitsers geen deel aan hebben genomen. Al is het inderdaad waar dat Zwitserland sinds 1847 geen echt geweld meer heeft gekend en sinds 1648 diplomatiek erkend is als neutraal, heeft het land toch een bloedige geschiedenis achter zich.

Is het huidige Zwitserland een soort “fatsoenlijk rechtse” utopie? Banken en financiële instellingen zijn er groot, de mensen over het algemeen beleefd en aan de conservatieve kant en er lijken geen grote recente sociale schokken te zijn. In Vlaanderen doen Vlaams-nationalisten natuurlijk alsof Zwitserland niet bestaat, omdat het toont dat je in een meertalig land toch succesvol kan samenleven. Ten andere is extreemrechts ook hier groot geworden, met als dieptepunt een brutale campagne van de Zwitserse Volkspartij waarbij op een affiche een wit schaapje een zwart schaapje wegstampt met de achterste poten.

Avondeten doen we terug in Zürich in een wat rare sportbar-achtige keet met eten dat eerder gemicrogolfd lijkt, maar daarom jammer genoeg niet goedkoper. Er speelt aanhoudend pop uit de late jaren ’90. Matthias vindt het er maar niets, maar de dienster is wel enorm vriendelijk en doet me denken aan een jonge zwarte actrice maar ik kan er niet op komen wie. Daarna is het met onze afgejakkerde lijven terug richting hotel om te proberen slapen. De dag erop is Zürich zelf aan de beurt als hoofdmoot van de reis. 

dinsdag 2 januari 2024

Anton in Zwitserland (en Liechtenstein) - Dag 1+2a: Zürich

Mijn broer Matthias woont al 12 jaar in Zwitserland en kwam op het idee om me naar daar te halen tussen Kerst en Nieuw. Ofschoon hij in Genève woont, stelde hij voor om er een city-trip van te maken in en rond Zürich. Ik was enkel ooit nog maar op doorreis geweest door Zürich, op de luchthaven van – ja, lach allemaal maar even – Kloten.
 
De heenreis begint met drie valse noten. De eerste: een oud mens op de bus dat drie (!) plaatsen bezet houdt met zichzelf en haar bagage. De tweede: een familie Aziaten op de trein waarvan de kinderen door elkaar zitten te gamen op maximaal volume. Ik zie zo veel scenario’s waarin ik me nog meer ga ergeren (ze verstaan misschien geen Engels of doen alsof, ze weigeren de vraag of beginnen te discussiëren met mij) dat ik niets zeg en in een tussencompartiment ga zitten. Door de wanden kan ik de gamegeluiden nog altijd horen.

De derde en laatste valse noot: de vlucht is vertraagd en de zon schijnt maximaal door het venster van de gate naar binnen, waardoor ik zit te zweten op een decemberochtend. Ik haat luchthavens. Ze maximaliseren alles wat er mis is in deze kapitalistische hellewereld: de constante oproep tot consumptie van (luxe)producten die je nergens voor nodig hebt, overal veel te fel licht en veel te veel lawaai, mensen die nu eens veel te jachtig zijn en dan weer rondslenteren alsof ze de enige mensen ter wereld zijn en al de rest NPC’s in een videospel, de onderbetaalde medewerkers van de bagagehandelaars en de vliegtuigmaatschappijen en natuurlijk de mega-vervuilende vliegtuigen zelf.

“Maar Anton, je bent toch niet verplicht om op een vliegtuig te gaan zitten?” Ik heb geen auto, een treinreis is trager en duurder en zoals ik wel vaker pleeg te zeggen is ethische consumptie onder kapitalisme simpelweg niet mogelijk.

De vlucht vertrekt uiteindelijk slechts met 25 minuten vertraging en ik kan een genadig dutje doen onderweg. Ik ga slapend naar de Kloten, als het ware. Op de luchthaven moet ik nog een trein nemen naar het centraal station van Zürich, waar Matthias op me wacht. Een vriendelijke oudere medewerker helpt met de juiste trein te kiezen. Hoewel ik hem aanspreek in het Duits, lijkt hij in eerste instantie te denken dat ik Franstalig ben. Het zal niet de laatste keer zijn. Jaren geleden had ik op een vakbeurs in Parijs het omgekeerde voor, met Fransen die aan mijn Frans meenden te horen dat ik een Duitser was.

Hoewel ik de volgende dagen het centraal station van Zürich geregeld zal bezoeken, raak ik er nooit echt volledig aan uit. Het station heeft meer dan 40 (!) sporen en behoort tot de oudste van Europa. Bovendien ben je onmiddellijk in het stadscentrum als je erin slaagt uit te vissen hoe je het labyrintische complex kan verlaten.

Matthias is al redelijk bekend met de stad en gidst me te voet naar ons hotel, een discreet weggestopte viersterrenbedoening in de steegjes van het oude centrum (de straat waar het is heet letterlijk “In Gassen” of “In Steegjes”). Mijn hotelkamer is groot, een beetje te groot voor één persoon zelfs, en op tafel staat een fles spuitwater die elk dag vernieuwd wordt en liggen drie stukken fruit op me te wachten. Er is ook een gigantische flatscreen (die ik nooit zal aanzetten) en een badkamer met zowel inloopdouche als ligbad. Het is er, zoals eigenlijk bijna overal in Zwitserland, heel proper.

Avondeten doen we in Hiltl, wat klinkt als de verre achterneef van een zekere Duitse dictator maar dan met een onfortuinlijk spraakgebrek maar volgens het Guinness World Records-boek het oudste vegetarische restaurant ter wereld is, opgericht in 1897. Het is een smaakvol, klassiek gebouw met op het gelijkvloers een café en buffet en op de bovenverdieping rondom rond het eigenlijke restaurant, dat een hele straathoek inneemt. Omdat ik groggy en moe ben, gewrichtspijn heb en last heb van een vervelende reflux, krijg ik haast geen hap binnen van de nochtans lekkere maaltijd. Matthias eet zijn portie op en wat overblijft van de mijne.

Ik probeer meestal Duits te spreken en mijn vrees komt een beetje uit dat de Zwitsers mij prima verstaan maar ik hen moeilijk tot zelfs helemaal niet. De geschreven standaardtaal van Duitstalig Zwitserland mag dan het standaard Hoogduits zijn (mits een paar uitzonderingen in spelling en woordenschat), de gesproken taal is eigenlijk bijna een andere taal. De meeste Zwitsers spreken echter ook een aardige mond Engels, maar ik wil me niet al te snel laten kennen.

Na het avondeten bespreken we de plannen voor morgen en praten we lang bij, initieel in een guitige cocktail/mocktailbar die naderhand een gay bar blijkt te zijn. Matthias komt niet vaak meer naar België en dat we alleen kunnen spreken zonder een scherm tussen ons is al vele jaren geleden. We hebben er allebei een zwaar jaar op zitten en kijken met gemengde gevoelens uit naar 2024.

Het hotelontbijt de volgende ochtend is niet alleen uitstekend, je kan in ons hotel ontbijten tot de middag, dus eigenlijk gewoon brunchen. Niettemin staan we relatief vroeg op na een voor ons beiden semi-slapeloze nacht. Ik heb altijd al slecht geslapen in bedden die niet de mijne zijn en hotels verergeren dat probleem nog – te warm, te droge lucht, te dikke dekens, te stijve of juist te slappe matrassen of kussens, er is altijd iets. Bovendien ben ik mijn slaappillen vergeten in Gent. De onderbroken slaap is bovendien geplaagd door een type nachtmerrie dat ik de laatste jaren vaak heb. Ik moet er meestal dingen regelen op het werk maar ik kom er maar niet toe omdat ik voortdurend weer andere prioriteiten krijg, noodgevallen moet beantwoorden of me moet verplaatsen naar ruimtes die ik niet vind of in vergaderingen moet zitten waar ik niets weet en de schijn hoog moet houden dat ik toch op de hoogte ben van alles.

Maar het ontbijt dus: er is ruime keuze uit alles, en de hotelmanager komt ons persoonlijk voorzien van koffie of thee. Als hij het al vreemd vind dat ik Duits met hem spreek en mijn broer Engels, laat hij het alleszins niet merken. Mijn reflux is weg dus ik haal ook de schade in door me stevig te goed te doen aan roereieren, spek, toast, versgeperst fruitsap en koffie.

Vandaag is het weer erg helder, dus Matthias stelt voor om de Rigi te bezoeken, een kleine bergketen aan de rand van de Vierwaldstättersee, en meerbepaald de Rigi Kulm, de hoogste piek aldaar met 1797m hoogte. De Vierwaldstättersee vormt het hart van de oorspronkelijke drie Zwitserse kantons Schwyz, Uri en Unterwalden, waarbij vooral de laatste naam klinkt als een duister sprookjesbos waar zich nog trollen schuilhouden de pijlen van trefzekere jagers je om de oren kunnen zoeven. Om de Rigi Kulm te bereiken nemen we eerst de trein naar Luzern (in België beter gekend onder haar Franse naam Lucerne) om de tocht verder te zetten per boot. Trein en boot zijn ontzettend goed op elkaar afgestemd, zo goed dat we de boot bijna missen omdat ik eerst nog dringend op de pot moet, die ook weer wonderlijk proper is. Belgische stations lijken verloederde derdewereldstations uit sloppenwijken vergeleken hiermee.

zondag 19 november 2023

Drie uren

Ik heb vannacht maar drie uren geslapen en zonder een slaapmiddel was dat wellicht zelfs niets geweest. De reden valt volledig op de schouderloze schoudertjes van mijn nieuwe huisgenoot, de jonge kitten-kater Pascal. Die heeft zo goed als de hele nacht kabaal gemaakt: gekke sprongen maken op en rond het bed, rondracen door het appartement of luid spinnen terwijl hij met mijn hand probeerde te spelen. Ik reageer me niet af op het arme dier, hij doet maar wat zijn natuur hem ingeeft en hij is tenminste niet meer zo bang en zielig als hij was tijdens zijn eerste twee weken bij mij, toen hij de hele tijd liep te piepen, op zoek naar zijn mama en groetjes en zusjes, gedesoriënteerd en klein.

Mijn zenuwen zijn shot to shit. Het voorbije weekend heb ik integraal moeten gebruiken om niet in te storten. Voor de goede verstaander: dat is niet hetzelfde als de batterijen opladen, maar eerder voorkomen dat je batterijen exploderen. Het is de gebruikelijke cocktail die verantwoordelijk is voor die toestand: geldzorgen (plotselinge achterstallige belastingen!), gezondheid (een hele week ziek zijn en toch werken zoals elke rechtgeaarde Vlaming!) en mentaal geswaffeld worden door veeleisende klanten op het werk. 

Dat, samen met een gebrek aan slaap, kan al eens leiden tot donkere gedachten. Donkerder dan anders. Ik bedenk me dat ik eigenlijk niet had mogen bestaan, misschien een vergissinkje ben in het universum. Ik heb letterlijk elke slechte eigenschap geërfd van mijn beide ouders en heb er zelf nog een paar bijgekweekt doorheen mijn leven. Men zegt vaak dat ik best intelligent ben maar het enige wat je ermee koopt is hoe veel scherper je alles ziet dat verkeerd loopt. 

Soms lijkt het alsof mijn leven zelf een verhaal is dat ik heb geschreven en dat alles wat er werkelijk toe gedaan heeft in dat leven, geen contact heeft gemaakt met de realiteit. Dat er nergens een aanwijsbaar resultaat is geboekt en dat de voorbije vier decennia zich bondig laten samenvatten als een vage vetvlek zonder belang. Een droom waarin ik zelf niet eens echt lijk te bestaan. Dat soort gedachten is vergif, ik weet het, maar ik heb ze wel.

Tevens ben ik niet zomaar een onschuldig schaap. Bijvoorbeeld de dating app die ik gebruik confronteert me dagelijks met mijn lelijke kanten door de instant-oordelen die ik vel over de profielen die ik te zien krijg. Zo veel mensen lijken gewoon geen enkele moeite te doen om zich leuk te presenteren. Ik sluit de app af en kijk door het venster. Het is ook gewoon een miezerige herfstdag en veel mensen lijken er de pest in te hebben. Intussen heb ik al mails gehad van drie knorrige klanten. Soms wil ik wel eens zeggen dat ik ook maar mijn best doe, dat ik ook maar een overlever ben die zo goed als machteloos is om de structuren en systemen waar we deel van uitmaken te veranderen.

Is dat echt zo? Men zegt dat ware verandering begint bij jou thuis, maar zoals the Spaceape ooit zei: “Look, look upon the state of your home.” 

Ik sluit mijn ogen en stel me voor dat ik op Mars ben, als lid van de eerste menselijke kolonie aldaar, met vista’s van oneindig rode woestijnen, stofstormen en permafrost. Geen mens die er me kan bereiken met een pinnig e-mailtje, geen oude lullen in pantserbakken die me van het fietspad kunnen rijden, geen nachtmerries over inadequaat zijn. Maar ach, ook in dit utopisch mijmeren vindt de bagagetrein van miserie je vroeg of laat wel, want wie weet zijn je collega-astronauten onuitstaanbare eikels en ben jij diegene die de meest misvormde patatten heeft gekweekt.

Als ik mijn ogen open is het nog altijd volop herfst buiten. Ik hou me voor dat mijn stemming toch vooral te maken heeft met het slaapgebrek, dat mijn gevoelens niet ik zijn, en zo voort en zo verder. Voor iemand in mijn naam de Zelfmoordlijn belt of een wellness-interventie op poten zet met Dirk De Wachter, Marie Kondo en president Zelensky. Vanavond ga ik best maar wat vroeger gaan slapen en mijn plannen stilletjes opbergen om me te houden aan m'n voornemen om te schrijven. Want dat is natuurlijk het vreemde aan dit alles: ook al was ik de laatste persoon in de kosmos, ik zou schrijven. Niet alleen is dat mijn ventiel, maar ook mijn dialoog met mezelf als niemand anders er is of als ik tijd nodig heb om gesprekken te voeren in opperste stilte.  

maandag 18 september 2023

Een permanent lagedrukgebied

Als mensen mijn teksten lezen, doen ze dat ofwel om mij een plezier te doen, ofwel omdat ze oprecht willen weten wat ik te vertellen heb. Dat is één van de meer vergulde kanten aan het feit dat ik een grotendeels (en overigens volstrekt onterecht) onbekende schrijver ben. Je kan met m’n teksten niet uitpakken in eindejaarslijstjes of met m’n literatuur pronken op de schoorsteenmantel zonder één letter in m’n oeuvre gelezen te hebben. Ik heb daar grotendeels vrede mee en voel tegenwoordig hooguit milde wrevel als er nog maar eens iemand gelanceerd wordt die mogelijk nog niet eens geboren was toen ik al serieus begon te schrijven voor de Eeuwigheid. Jaloezie is lelijk en onproductief, en is het niet mijn goede vriend Gavril die me er al jaren op wijst dat ik eigenlijk geen moeite meer doe om nieuwe connecties te maken?
 
Ik zou mezelf kunnen heruitvinden als een gluipkop eerste klas die zich met een overdosis vaseline in de kont wurmt van het uitgeversgild, ik zou me kunnen hyperfocussen op een bepaalde niche op sociale media of ik zou met een wanhopige gretigheid culturele evenementen, podia en vernissages plat kunnen lopen, maar ik doe het niet want ik wil het niet.

Ik denk ook dat ik er de energie niet meer voor heb. Ik heb een veeleisende dagjob en ben daarnaast zelfstandig in bijberoep, en als ik dan moet kiezen tussen me een avond wijden aan de voortzetting van een nieuw boek, een nieuwe bundel of het lezen van literatuur enerzijds of me stierlijk te staan vervelen op een literair evenement waar misschien 30% van wat gebracht wordt de moeite is om naar te luisteren en het leeuwendeel van het publiek me ergert, dan is de keuze snel gemaakt. 

En toch ben ik soms bevangen van een soort aporie – weten dat ik iets voel maar niet weten wat het is – als ik alles overschouw vanop mijn taiga. De grootste voorspellende factor van hoe morgen er zal uit zien, is hoe vandaag geweest was. Ik metsel een beetje voort aan een verhaal. Ik maak eten. Misschien komt er een vriend op bezoek. Ik bekijk een documentaire of een reeks op Netflix of Disney+. Ik swipe op een dating app en ik ga na middernacht slapen. Ik voel me niet slecht, maar al jaren hangt er een soort permanent lagedrukgebied om me heen, een malaise op laag niveau die aanzwelt en wegebt als het getij zelf. En het ergste is dat ik dat als een overwinning moet beschouwen.

Bij het avondeten moest ik in mijn bord kijken en me focussen op het kauwen om niet te huilen bij het avondnieuws: in Soedan alweer oorlog en rampspoed met alle gevolgen van dien, een macabere herdenking van de honderden vluchtelingen die in 2013 voor de kust van Lampedusa verdronken en het relaas van de dokter die met zichtbare moeite vertelde hoe die dode kinderen op hun paasbest gekleed waren, alsof de ouders hadden willen zeggen: “wij zijn eerlijke, deftige mensen – geen half-verdierlijkte wilden” – en dan de klimaatprotesten die radicaler worden omdat er simpelweg te weinig gebeurt in de goede richting.
 
Intussen nemen onze politici ons letterlijk in de zeik – aan een combi, in een Brusselse bloembak. Dit is niet de strandstoelen op de Titanic verplaatsen terwijl hij zinkt, maar onbekommerd lachen met wie aan al aan het verdrinken is. Als je denkt dat het “maar asielzoekers” zijn voor wie de rechtstaat nu terzijde wordt geschoven, dan moet je maar eens het lemma “precedent” opzoeken in het verklarend woordenboek. Anderen die in de sociale pikorde onder jou staan als uitschot behandelen is terug van eigenlijk nooit echt weggeweest, en wie tegen dat onrecht opkomt, wordt zelf als het probleem afgeschilderd.

Over dergelijke afschilderaars gesproken, je zou ook denken dat mijn malaise komt omdat ik stilaan de Bart De Wever ben geworden van het burgermansbestaan en telkens mijn “afspraak met de geschiedenis” lijk te missen. Ik heb geen gezin en geen relatie, en ik verdenk er sommige mensen van medelijden met me te hebben om die reden, maar ik voel me daardoor niet per se slecht. Ik heb geen eigen huis maar ook dat is geen catastrofe. In mijn eersteling ‘Fragmentariërs’ vreesde ik een dergelijk toekomstbeeld, in ‘Constellatie’ worstelde ik er nog mee. Nu is het er is, is het merkelijk verdraaglijker dan gevreesd. De positieve pool van het lagedrukgebied om me heen schenkt geheel op zijn eigen, rare manier een vorm van waardigheid.
 
Dat slecht wereldnieuws me raakt en dat ik nog begaan ben met de wereld, daarin schuilt een onuitwisbare menselijkheid waarvan ik overtuigd ben dat velen die voelen. Ook al staan ze niet op de barricaden of houden ze hun gedachten voor zich. Het heeft me ook afgeleerd, na al die jaren, om te denken dat ik uitzonderlijk of speciaal ben. Ik zal wellicht de wereld niet meer veranderen, en zei onlangs tegen mijn goede vriend Joeri nog dat al wat ik bij mijn dood zal kunnen hopen, is dat ik misschien dat ene keitje heb verlegd in de rivierbedding ten goede. Dat is geen valse bescheidenheid of als eenvoud verpakte, pretentieuze platitude. Intussen rook ik een sigaret en vertaal ik enkele zinnen van ‘Fragmentariërs’ naar het Engels (na bijna 3 jaar zit ik al aan 272 van 372 pagina’s). Altijd weer trek ik verder over de taiga. Altijd weer werk ik. Want zo hoort het. 

maandag 7 augustus 2023

Oppenheimer style

Drie dagen geleden ben ik naar ‘Oppenheimer’ gaan kijken, alleen. De reden dat ik alleen ging kijken was omdat ik te ziek was om een eerdere afspraak met vrienden te kunnen huldigen. Bovendien vind ik alleen een film gaan bekijken niet zielig of raar, integendeel. Er is geen gebabbel links en rechts van je, geen afleiding. Gewoon de film en ik. En dat is heerlijk.

Christopher Nolan is onderhand gekend voor zijn bombast en zijn oorverdovende soundtrack, soms ten koste van de film zelf. Intussen is ook zijn obsessie met tijd genoegzaam bekend. Een obsessie die ik in mijn teksten trouwens deel – Fragmentariërs is opgebouwd volgens een omgekeerde, logaritmische tijdspiramide, Constellatie is een huis clos dat zich beperkt tot 12 uur op één locatie, en mijn nog onuitgegeven Conduit-cyclus stelt zich naderhand de grootste vraag van allemaal: hoe kunnen we de ultieme entropie tegenhouden?

Ik zat in de Sphinx, omdat ik onafhankelijke cinema’s steunen belangrijk vind en omdat de Sphinx het dichtste ligt bij m’n appartement. Er waren niet al te veel mensen. Tenslotte was het een namiddagvoorstelling. De micro- en quantumcosmos kregen veel visuele aandacht in de film. Ik heb het altijd een bevrijdend gevoel gevonden op te kijken naar een sterrenhemel en te beseffen dat ik in de ongevoelige, titanische tijdschalen van het universum helemaal niets beteken. Maar wat met het omgekeerde? Mensen en hun acties zijn omgekeerd net als onverschillige titanen tegenover de microcosmos, waarvoor ze vreemd genoeg ook niets betekenen.

Toen ik buiten kwam, was er veel stof tot nadenken. Voor een vrijdag was het kalm op en rond de Korenmarkt, zeker voor een zomerse dag. ‘Oppenheimer’ is twee films in één. De eerste film is een selectieve biopic van Robert Oppenheimer zelf en zijn wording van potentieel maar frustrerend genie tot de vader van de atoombom, plus de fallout daarvan. De tweede film is bijna een rechtszaaldrama waarin Oppenheimer via schimmige procedures in achterkamers door de machiavellistische Lewis Strauss buiten beeld wordt geduwd om later een koekje van eigen deeg te krijgen.

En als je denkt aan zowel de microcosmos als het universum, wordt Lewis Strauss’ ambitie het equivalent van een onzekere macho die met een SUV zijn wijk terroriseert.

Het was volop genieten van elke acteur en elke actrice tijdens het kijken. Zowel Cillian Murphy als Robert Downey Jr. hebben als steracteurs hun tics, maar leken die gelukkig achterwege te laten om al te goedkoop te scoren. Ook de bijrollen werden ingevuld door acteurs en actrices die talent uitstralen per woord: Florence Pugh, Emily Blunt, Matt Damon, Alden Ehrenreich, Jason Clarke, Kenneth Branagh, Matthew Modine, David Dastmalchian en ga zo maar verder. Als er één film een snapshot kan geven van de who’s who in Hollywood-zwaargewichten, is het ‘Oppenheimer’ wel. Het is juist nog wachten op het tweede deel van ‘Dune’ (waar Florence Pugh trouwens ook haar opwachting in maakt).

Eergisteren dan weer was ik op een blind date, min of meer georchestreerd door mijn goede vriend Georgy. Het was lang geleden dat ik bij een eerste ontmoeting met iemand zo vaak moest lachen, dus dat belooft hopelijk. 

‘Oppenheimer’ onderzoekt, net als andere Nolan-films zoals ‘Memento’, ‘Interstellar’ en zelfs het frustrerend slechte ‘Tenet’, de dubieuze natuur van keuzevrijheid en consequenties. Eveneens een thema dat me nauw aan het hart licht. Eergisteren antwoordde ik vaak spontaan op vragen die een diep antwoord ontlokken (“heb je al erge dingen meegemaakt in je leven?” – “waarom zit je op een dating-app?”, en zo verder). Zijn antwoorden op zulke of op enig welke vragen quantumbeslissingen, waarbij elke mogelijkheid weer een ander universum doet ontstaan? Misschien had m’n date niet tot middernacht geduurd indien ik op de vlakte was gebleven met mijn antwoorden en zou ik nooit geweten hebben dat er andere mogelijkheden waren. In de film lijkt de titulaire Oppenheimer meer te worstelen met de implicaties en gevolgen van zijn keuzes dan het maken van keuzes zelf. Voor wie een psychologisch wormgat verwachtte van de film, zal dat best frustrerend geweest zijn, maar ik vond het een interessante keuze. Des te interessanter omdat zijn opponent Lewis Strauss doorgaans uitgaat van de voorspelbaarheid van de gevolgen van zijn eigen acties en die acties nooit in vraag stelt.

Gisteren maakte ik de staat op van m’n verlof, op de allerlaatste dag. Ik heb geen atoombom ontwikkeld of nieuwe theorieën over het universum, noch ben ik passionele affaires begonnen. Maar toch heb ik m’n in potlood ingevulde doelen gerealiseerd (mijn boekenkast herorganiseren, mijn administratie op orde krijgen, een aanslepend probleem met Proximus rechtzetten en steun bieden aan vrienden die het nodig hadden). En ik heb spontane daden gesteld waarvan ik mogelijk pas veel later zal moeten nadenken over de gevolgen. Ik ben niet gaan snorkelen in Bali noch heb ik pretparken bezocht of ben ik uitzinnig laat gaan feesten op de Gentse. Ik koos voor een actieve vorm van passiviteit, zoals het hoofdpersonage in Humboldt’s Gift van Saul Bellow, dat opmerkt dat anderen denken dat hij een passieve, reactieve persoon is, terwijl zijn geest zich voortdurend aan lichtsnelheid vooruit spoedt. Zo zie ik ook het personage van Oppenheimer, en zo zie ik mezelf, maar dan zonder het genie of de knappe kop van Cillian Murphy.