Ik probeer het. Ik zweer het – ik probeer het echt. Elke dag probeer ik mezelf ervan te overtuigen dat het beter zal gaan, dat als ik dit of dat doe, dat als ik iets kan bereiken en dat als ik dat maar kan veranderen, dat ik me door therapeutische daden zal stellen, ook daadwerkelijk beter zal voelen. Maar het gebeurt niet. Niet omdat er geen reden lijkt te zijn om gelukkig te zijn. De zon schijnt, de rokken zijn kort, de liefde zit in elke uithoek van mijn appartement verborgen, er breken andere tijden aan, ik heb vrienden met busladingen en ik heb geen hangsnor of een bilgewij in de vorm van Paris Hilton. Toch is mijn gevoel in tegenspraak met deze indicaties, die allemaal zouden moeten wijzen op een voortdurende, in zichzelf genoegzaam neuriënde vrolijkheid en tevredenheid. Ik ben terminaal ontevreden. Voor de neus van mijn konijnenziel hangt een onzichtbare wortel die zichzelf elke dag opnieuw herstelt, zelfs al heb ik hem de dag tevoren nog kunnen pakken met veel stunt- en vliegwerk.
Ik ben geen weeskind in Darfoer, ik zit niet in een rolstoel, noch ben ik een teneergeslagen randvedette die met droefheid moet vaststellen dat hij zelfs de fait divers van de TV Story niet meer haalt. En toch kan ik niet uit dat drijfzand raken. Woorden die mogelijk gedichten zouden kunnen vormen over deze toestand zijn slecht bijeen passende kraaltjes die ik bovendien al veel eerder, vaker en beter gebruikt heb. Teveel ongewilde deixis, teveel terugkerende patronen en verbale graancirkels. Het doek gaat open en een spot schijnt fel, maar de schrijver zit op zijn emotionele tandvlees. Ik zal vandaag geen moppen vertellen of een politiek geladen mening verkondigen, eenvoudigweg omdat ik dankzij de chemische achtbanen en het onstuitbare heen-en-weer-vuren van neuronen in dat hoofd van me ergens in een sloot ben gesukkeld. Daar bestaat medicatie tegen (die ik al een tijd niet meer gebruik) en er zijn ook nog veel mensen zoals ik (die me bij het schrijven van deze tekst maar matig kunnen boeien).
We leven dan wel in een cultuur die in sommige van haar aspecten emotioneel exhibitionisme vergoddelijkt en zinloos lijden in een luxecultuur tot een ware levensstijl verheven heeft, maar dat hoeft niet te betekenen dat ik trots ben omdat ik stemmingswisselingen moet belijden die komen en gaan op een willekeurig tempo en op willekeurige tijdstippen die zich nog het best laten vergelijken met het treinschema in een bananenrepubliek. Steeds blijf ik koppig proberen er weerstand aan te bieden, alsof positieve gedachten en nuttige activiteiten deze stromen zouden kunnen beïnvloeden. En opnieuw en opnieuw moet ik tot de conclusie komen dat dat niet gaat. Dat ik gebroken en zwak ben, een speldenkussen of een voodooslachtoffer van een mysterieuze sjamaan die per ongeluk het verkeerde slachtoffer gekozen heeft. Die conclusies maken me bang. Ze verwijderen me verder van de man die ik bijna kan zijn als ik dit masker op hou of als die long and winding road door mijn neuronengebergte weer een nieuwe top bereikt heeft.
En steeds opnieuw komt daar de niet aflatende, gloeiende druk bij van het Moeten. Ik moet een gevecht leveren tegen de entropie die alles in mij en rond mij aantast – de orde op de kamer, de veelheid aan stofvangende boeken en nostalgische parafernalia, de projecten die niet af raken, de spieren en de pezen, en tenslotte ook het brein dat langzaam maar zeker degenereert. Ik vlieg elke dag opnieuw uit de startblokken van de dagelijkse wedlopen met een achterstand, en na een matige prestatie ben ik doodmoe. En elke keer als de volgende cyclus met zijn verpletterende vermalende wiel weer een dieptepunt bereikt, dan schaam ik mij diep omdat ik me zo klein en nutteloos voel, en word ik boos omdat dat recht me tegelijk ook ontzegd wordt door de niet aflatende kritiek die ik heb op mensen die in mijn ogen dat recht ook al niet bezitten en het toch doen.
Vandaag scheen de zon, en men zong een lied. Vandaag was ik op het werk, en deed ik naarstig voort. Vandaag kwam ik thuis en moest ik al snel ergens anders heen. Vandaag was ik de hele dag een open wonde van nauwelijks beheersbare gevoelens en ingedamde woorden. Vandaag schreef ik een trieste tekst die des te tragischer werd omdat hij zoveel onblusbare waarheid bevatte.
Over 'Onklare taal'
'Onklare taal' is de verzamelnaam van diverse tekstprojecten van mijn hand. Dit is de afdeling columns en microstories daarvan. In 2017 bracht ik 'In de vorm van een vogel' uit, een bundeling van de beste 99 teksten van dit genre tot op dat punt, netjes geredigeerd en per seizoen geordend. Je kan die antologie gratis downloaden als je Patron wordt. De weg een beetje kwijt? Mijn eigenlijke website, die ook 'Onklare taal' heet, verwelkomt je.
dinsdag 2 juni 2009
Cycles d'oppositions
zondag 8 maart 2009
De witte kamer
Deze kamer is groot, vierkant en wit. Een breed venster toont langs één kant de stad, langs de andere kant de heuvels en de velden van het platteland. Er kan vanalles in die kamer: bedden, tafels, stoelen, biedermeiermeubels, kitscherige stillevens en bloemenbehang. Er kunnen ook muren in gezet worden die kleinere compartimenten van elkaar afschermen, ze kan omgebouwd worden tot een nagebootst binnenste van een ruimteschip, en ze kan ook leeg blijven met slechts een matras op de vloer en enkele half-opgegeten etenswaren die nog ruiken naar wanhoop. De kamer kan een oneindig aantal mensen bevatten, werkend, wonend, ademend, slapend, manifesterend, roepend, liefkozend, dromend. Er is plaats voor politiek, voor herinneringen, voor toekomstvisies en utopieën. Het is het volmaakte onbewoonde eiland, verankerd in een landschap waar het tegelijk deel van uitmaakt en tegelijk ook niet bij hoort. De buitenmuren kunnen afgebroken worden om de gehele kamer te maken tot een alziend oog over de wereld. Desgewenst kunnen die vensters langs één kan ondoorzichtig gemaakt worden, om te vermijden dat de wereld op haar beurt kan binnenkijken in die kamer. Langs één kant kan er licht zijn, langs een andere kant duisternis. Er kunnen deuren uitgehakt worden, of de muur kan verlucht worden met religieuze inscripties die zich richten tot de mensheid, tot een godheid of tot alle wezens, ingebeeld of echt, die daar tussenin zitten. Er is plaats voor lampen en boeken, voor jazz en voor de bonkende basdrums van minimalistische techno of loeiharde rave. Het kan ook een tijdmachine zijn naar een vervlogen vooroorlogse manier van leven, volledig met oude staklokken en bijgewerkte zwartwitfoto’s van statige overgrootouders wier blikveld in de kamer beperkter was dan dit, en die ook de kamer op hun eigen manier zouden ingevuld hebben. Vast tapijt of parket? Of gewoon de koude witte vloer, die zich niet laat vervullen van menselijke en dierlijke warmte? Grote olifanten kunnen erin: Jumbo, Dumbo en desnoods ook Dombo. Alles wat bezield is, heeft zijn plaats in een lang magazijn met een veelheid aan gangpaden, sommigen zo smal als een kinderhand, anderen zo breed als een viervaksbaan voor tientonners en monstertrucks. Maar bovenal is de kamer vervuld van stemmen: dreunende monotonen die spreken over plicht, eer, trouw, moeten moeten moeten. Flinterdunne echo’s van vervormde vrouwen- en mannenstemmen, flarden van conversaties die nadampen en –gisten van alcohol, beledigingen en kreten van verbazing, of ook wel moppen en weinig amusante anekdotes. Geschreven woorden: de muren stonden er al vol van, en worden uiteindelijk volledig zwart, zodat men terug met witte inkt kan beginnen schrijven. Zwart wit wit zwart dag nacht. Het is een podium en een parlement, een tribune en een rechtzaal waar men op abstracte wijze tot besluiten komt en veroordeelt. Of men schort er alles op om gezellig te gaan barbecuen tussen vliegen en uitgezakte familieleden. Men speculeert er over de eindigheid van het bestaan en fantaseert hardop over zijn uitvaart, de muziek die daarbij moet horen en de voorganger die vooral niet mag vermelden dat de dierbare overledene rust in de vrede van God. Ook God kan bevat worden door de kamer, zij het dan fragmentarisch en met dien verstande dat Hij zich zowel binnen als buiten bevindt, maar uiteindelijk toch meer binnen dan wat anders. Is de kamer deel van een netwerk aan kamers, of is de kamer de enige witte kamer die er bestaat? Kunnen we tot een conclusie komen? Welk merk hondevoer is ook eetbaar door mensen, en wat zit erin? Hoe komen al die mensen hier die we helemaal niet uitgenodigd hebben, en waarom ligt het hier altijd vol troep en rommel? Laden en kasten puilen uit van de prullaria en komen soms met donderend geraas naar beneden. Alle foto’s grijnzen ons toe. En voortdurend die muziek en die stemmen. We kunnen moeilijk slapen. Het is een gevangenis en een bevrijding tegelijk, een ritmische oefening in vertrouwdheid en het vreemde. Men weegt af hoeveel men van beide nodig heeft en verdragen kan, zoals men ook probeert sinds mensenheugenis lood in goud te veranderen. Bovenal is de witte kamer een onbetwistbaar gegeven, het moederaxioma van alle axioma’s en de bron van de euclidische wiskunde. Zij is echter niet zo vierkant als men denkt: in principe is zij rond. In principe is zij in principe.
maandag 16 februari 2009
Bange blanke man
Het is zondagavond en ik ben aan het uitbollen. Pas zondagavond, als de noodzaak van een volgende week zich weer onverbiddellijk aan me opdringt, nadat de hersenschade van een dronken vrijdagavond en de fysieke letsels van een driftige zaterdagavond geleden zijn, kom ik een toestand die men kan omschrijven als weekendgevoel. Rijkelijk te laat, natuurlijk. Op zondagavond ontstaat ook het merendeel van mijn goede voornemens en eindigen alle slechte gewoontes, die zich de week erop weer kenbaar zullen maken op onverstaanbare wijze. Zondag is doorgaans ook de dag waarop ik in de stemming ben om enkele woorden op papier te zetten, en ideëen die doorheen de week gerijpt zijn, hun neerslag vinden in zinnen en paragrafen.
In het gezelschap van een glas koele wijn (wit, uiteraard, want ik zal niet buigen voor het cliché dat men als man geen witte wijn kan drinken zonder daarbij in de boeten aan status, charisma en mannelijkheid) denk ik aan een man in New York die gisteren gearresteerd werd omdat hij z’n vrouw onthoofd had. Hij was oprichter van een tv-netwerk. En hij was ook moslim. Hier neemt de zaak een andere wending in het hoofd van de meeste mensen – een woordnetwerk wordt opgeroepen waarin naadloos bebaarde Taliban, vrouwenbesnijders en heethoofdige broers die eremoorden begaan in elkaar overvloeien, tot ze een dikke koek worden aan clichés. Het merkwaardige is tevens ook dat de man in kwestie zijn tv-netwerk juist had opgericht om bij te dragen tot minder extremisme onder moslims en vooral ook om de rest van de Amerikanen ervan te overtuigen dat de islam zich niet beperkt tot boosaardige fatwa-uitsprekende lieden en terroristen.
Zondag is een dag waarop ik ook probeer om negatieve gevoelens onder ogen te zien en waar mogelijk, los te laten. Ik overloop al die voorgenoemde beelden van ultraconservatieve imams die de vernietiging prediken van het Westen, de extreemrechtse propaganda die moslimjongeren als een zwaar maatschappelijk probleem beschouwt, en het algemene doemdenken aangaande interculturele dialogen en relaties. Het is een feit dat, hoezeer ik me ook verzet tegen stigmatiserend denken, ik ook anders reageer als ik ’s nachts op straat een groepje uitgelaten blanke meisjes kruis, dan als het gaat over een groep jongeren van Turkse, Marokkaanse of anderszins bruinere afkomst. Dat is allemaal bijzonder jammer. Racisme is latent aanwezig in elke mens, zoveel is zeker, maar de beeldvorming rond culturele en etnische minderheden in onze maatschappij heeft dat racisme de laatste jaren bij iedereen sterk gevoed. Ik gruw van de simplistische benadering die velen erop na houden als het aankomt op het debat rond multiculturalisme, en daarmee wijs ik elke partij in dit debat met de vinger. Nog meer wijs ik de media met de vinger, die steeds opnieuw jonge ‘allochtonen’ in een slecht daglicht stellen. Op het nieuws en in de kranten moet bij een crimineel feit steeds vermeld worden wat de origine is van de vermoedelijke dader. Is dit belangrijk? Heeft dit nieuwswaarde? Ik vind van niet. Maar het leidt er wel toe dat ik zelf ook al onmiddellijk enige scepsis voel als ik op straat aangesproken word door een bruinere medemens, of zelfs maar iemand die Nederlands duidelijk niet als eerste taal heeft.
Ik schaam me om die instinctieve reactie, die het gevolg is van indoctrinatie. Daarbij komt ook dat de vele problemen die er zijn rond het multiculturele vraagstuk, volgens mij niet zozeer cultureel of etnisch bepaald zijn, maar enorm veel te maken hebben met sociale kwesties. Ruwere, minder ruimdenkende normen en waarden, grotere kans om in de criminaliteit te belanden of makkelijker overgaan tot geweld zijn typische problemen voor kansarme klassen in de maatschappij, waar jammer genoeg vaak ook mensen toe behoren van vreemde afkomst. De islam, in hoeverre het zelfs maar mogelijk is die als één gegeven te benaderen, heeft even wijze als achterlijke dingen te zeggen als het christendom, het hindoeisme of de Joden. Ik begrijp niet hoe vele crypto-racisten in Vlaanderen over zichzelf denken dat ze tolerant en vrij zijn, terwijl anderen dat zogenaamd niet zijn. Het is zoals het bekende verhaal van mensen die bij hoog en bij laag beweren “niets tegen homo’s” te hebben, tot hun eigen zoon of dochter uit de kast komt.
In het gezelschap van een glas koele wijn (wit, uiteraard, want ik zal niet buigen voor het cliché dat men als man geen witte wijn kan drinken zonder daarbij in de boeten aan status, charisma en mannelijkheid) denk ik aan een man in New York die gisteren gearresteerd werd omdat hij z’n vrouw onthoofd had. Hij was oprichter van een tv-netwerk. En hij was ook moslim. Hier neemt de zaak een andere wending in het hoofd van de meeste mensen – een woordnetwerk wordt opgeroepen waarin naadloos bebaarde Taliban, vrouwenbesnijders en heethoofdige broers die eremoorden begaan in elkaar overvloeien, tot ze een dikke koek worden aan clichés. Het merkwaardige is tevens ook dat de man in kwestie zijn tv-netwerk juist had opgericht om bij te dragen tot minder extremisme onder moslims en vooral ook om de rest van de Amerikanen ervan te overtuigen dat de islam zich niet beperkt tot boosaardige fatwa-uitsprekende lieden en terroristen.
Zondag is een dag waarop ik ook probeer om negatieve gevoelens onder ogen te zien en waar mogelijk, los te laten. Ik overloop al die voorgenoemde beelden van ultraconservatieve imams die de vernietiging prediken van het Westen, de extreemrechtse propaganda die moslimjongeren als een zwaar maatschappelijk probleem beschouwt, en het algemene doemdenken aangaande interculturele dialogen en relaties. Het is een feit dat, hoezeer ik me ook verzet tegen stigmatiserend denken, ik ook anders reageer als ik ’s nachts op straat een groepje uitgelaten blanke meisjes kruis, dan als het gaat over een groep jongeren van Turkse, Marokkaanse of anderszins bruinere afkomst. Dat is allemaal bijzonder jammer. Racisme is latent aanwezig in elke mens, zoveel is zeker, maar de beeldvorming rond culturele en etnische minderheden in onze maatschappij heeft dat racisme de laatste jaren bij iedereen sterk gevoed. Ik gruw van de simplistische benadering die velen erop na houden als het aankomt op het debat rond multiculturalisme, en daarmee wijs ik elke partij in dit debat met de vinger. Nog meer wijs ik de media met de vinger, die steeds opnieuw jonge ‘allochtonen’ in een slecht daglicht stellen. Op het nieuws en in de kranten moet bij een crimineel feit steeds vermeld worden wat de origine is van de vermoedelijke dader. Is dit belangrijk? Heeft dit nieuwswaarde? Ik vind van niet. Maar het leidt er wel toe dat ik zelf ook al onmiddellijk enige scepsis voel als ik op straat aangesproken word door een bruinere medemens, of zelfs maar iemand die Nederlands duidelijk niet als eerste taal heeft.
Ik schaam me om die instinctieve reactie, die het gevolg is van indoctrinatie. Daarbij komt ook dat de vele problemen die er zijn rond het multiculturele vraagstuk, volgens mij niet zozeer cultureel of etnisch bepaald zijn, maar enorm veel te maken hebben met sociale kwesties. Ruwere, minder ruimdenkende normen en waarden, grotere kans om in de criminaliteit te belanden of makkelijker overgaan tot geweld zijn typische problemen voor kansarme klassen in de maatschappij, waar jammer genoeg vaak ook mensen toe behoren van vreemde afkomst. De islam, in hoeverre het zelfs maar mogelijk is die als één gegeven te benaderen, heeft even wijze als achterlijke dingen te zeggen als het christendom, het hindoeisme of de Joden. Ik begrijp niet hoe vele crypto-racisten in Vlaanderen over zichzelf denken dat ze tolerant en vrij zijn, terwijl anderen dat zogenaamd niet zijn. Het is zoals het bekende verhaal van mensen die bij hoog en bij laag beweren “niets tegen homo’s” te hebben, tot hun eigen zoon of dochter uit de kast komt.
Op zondag, in mijn poel van verpozing voor ik weer een week te lijf ga, zit ik geen allesomvattende oplossingen te bedenken voor maatschappelijke kwesties. Ik denk ook niet dat één man dat kan (en zij die het probeerden, hebben gefaald). Wat ik wel besef is dat ik zelf positiever kan bijdragen door niet alleen te erkennen dat er iets van al die drek die dagelijks uitgestort wordt over etnische minderheden in ons land, aan mij is blijven kleven. Dat ik soms ook irrationele angsten voel waar ik me achteraf over schaam. En dat ik daar iets aan kan doen. En tenslotte, dat er iets grondig verkeerds is aan de manier waarop deze gevoelens gevoed worden door de populaire media.
zondag 11 januari 2009
Alarum
De mens is een mengvat van vreemde indrukken, voorbijgaande gedachten en gevoelens die soms de vorm aannemen van plotse flikkeringen of lichtflitsen, en dan weer op de bodem rusten als uitgestrekte, vage vormen die traag vooruitbewegen. Terwijl ik uitgespreid op mijn bed lig als een dode, met in een uithoek van datzelfde bed mijn kater, die tevreden met zijn kopje op mijn enkel rust, probeer ik dat mengvat te reinigen.
We zijn weer een jaar vooruit gekomen sinds ik wakker werd met blauwe plekken en een gat in mijn geheugen, dat onder ons gezegd beter een gat gebleven was, omdat mijn feestelijke vrienden me natuurlijk hebben ingelicht wat ik in mijn stupeur et tremblement allemaal uitgekraamd heb. Het is twee jaar geleden dat ik op het punt stond de gewijde hallen te betreden van de bedrijfswereld, met al haar kantoorfauna, geleedpotige machines en vierkante blokken beton die voor eeuwig in de jaren '70 zijn blijven steken. Drie jaar terug studeerde ik een bijkomende opleiding die ik spoedig zou stopzetten. Ongeveer vijf jaar geleden leek ik warempel gelukkig, maar de herinneringen daaraan zijn schetsmatig en reeds overwoekerd door de scheve kijk op het verleden die eigen is aan een verbeten nostalgicus. Als we tien jaar terug in de tijd gaan, dan weet ik niet eens meer wat ik toen aan het doen was, maar het zal vast niet zo belangrijk zijn. Twintig jaar geleden woonde ik in een huurhuis met een steile trap en een wc buiten, en had mijn moeder een cake gebakken die onmiddellijk in brokstukken uit elkaar viel. En dertig jaar geleden was ik er niet - zelfs de gedachte aan mij bestond nog niet in de gedachten van de mensen die mijn ouders zouden worden.
Ik vraag me af wat dat is, niet bestaan, en besef dat daar geen zinnig antwoord op kan gegeven worden. Maar één ding is zeker - het moet kalm zijn, daar in die plek waar niets bestaat. Ik contempleer mijn eigen bestaan tegenover de eindeloze eeuwigheid, en tracht te beseffen dat de tectoniek van de emoties en gedachten die ik probeer te begrijpen, maar een zucht is in een orkaan, een plotse kuch van een man in een zaal die opstaat in een daverend applaus. Ik bekijk de angst, de hoop, de woede en de zachtheid. Vanuit mijn plek op het bed zit ik in het midden van een web, waarvan de onzichtbaar geweven draden lopen van mens naar mens, van man tot vrouw, man tot man, en man tot dier, koelkast, gemakkelijke fauteuil en ergens een bos sleutels waarvan ik vergeten heb waar ik hem ook al weer gelegd heb.
In dat enorme web ben ik weliswaar altijd al het centrum geweest, maar tegelijk ook de grootste blinde vlek. Terwijl de jaren gestaag voorbij zijn getrokken als een karavaan bedoeïenen, probeer ik een antwoord te vinden op de vraag of ik in al die tijd een beter persoon geworden ben, een aangenamer mens of een gelukkiger individu. En ik denk aan de anderen in dat web, of dat voor hen ook geldt. Ik zie links en rechts oude vrienden in wat de aanzet lijkt van het allesomvattende verhaal met een eigen huis, een kortgeknipte tuin en een blozend kind of twee. Ik zie ook mensen worstelen met het herfsttij van hun jeugd, en weer anderen zijn op de radar slechts veraf gelegen stippen geworden. Er zijn dagen dat ik wou dat het mogelijk was om op die manier ook mijzelf waar te nemen.
Ik open mijn ogen en tuur naar de kater, die zich behaaglijk tegen mijn lichaam opgekruld heeft. Als hij slaapt, droomt ook hij over mensen en dieren? Kent hij ook de verwarring die ontstaat als teveel indrukken zich tegelijk naar binnen willen wurmen door de trechter van zijn geest? Alsof hij die gedachte geraden heeft, opent hij zijn ogen en kijkt hij me eventjes aan, waarna hij ze traag weer sluit, op die manier die eigen is aan katten. Het is ok, zegt hij, het is allemaal ok. Ik moet glimlachen, en ik besluit om hem straks te trakteren op zalm.
We zijn weer een jaar vooruit gekomen sinds ik wakker werd met blauwe plekken en een gat in mijn geheugen, dat onder ons gezegd beter een gat gebleven was, omdat mijn feestelijke vrienden me natuurlijk hebben ingelicht wat ik in mijn stupeur et tremblement allemaal uitgekraamd heb. Het is twee jaar geleden dat ik op het punt stond de gewijde hallen te betreden van de bedrijfswereld, met al haar kantoorfauna, geleedpotige machines en vierkante blokken beton die voor eeuwig in de jaren '70 zijn blijven steken. Drie jaar terug studeerde ik een bijkomende opleiding die ik spoedig zou stopzetten. Ongeveer vijf jaar geleden leek ik warempel gelukkig, maar de herinneringen daaraan zijn schetsmatig en reeds overwoekerd door de scheve kijk op het verleden die eigen is aan een verbeten nostalgicus. Als we tien jaar terug in de tijd gaan, dan weet ik niet eens meer wat ik toen aan het doen was, maar het zal vast niet zo belangrijk zijn. Twintig jaar geleden woonde ik in een huurhuis met een steile trap en een wc buiten, en had mijn moeder een cake gebakken die onmiddellijk in brokstukken uit elkaar viel. En dertig jaar geleden was ik er niet - zelfs de gedachte aan mij bestond nog niet in de gedachten van de mensen die mijn ouders zouden worden.
Ik vraag me af wat dat is, niet bestaan, en besef dat daar geen zinnig antwoord op kan gegeven worden. Maar één ding is zeker - het moet kalm zijn, daar in die plek waar niets bestaat. Ik contempleer mijn eigen bestaan tegenover de eindeloze eeuwigheid, en tracht te beseffen dat de tectoniek van de emoties en gedachten die ik probeer te begrijpen, maar een zucht is in een orkaan, een plotse kuch van een man in een zaal die opstaat in een daverend applaus. Ik bekijk de angst, de hoop, de woede en de zachtheid. Vanuit mijn plek op het bed zit ik in het midden van een web, waarvan de onzichtbaar geweven draden lopen van mens naar mens, van man tot vrouw, man tot man, en man tot dier, koelkast, gemakkelijke fauteuil en ergens een bos sleutels waarvan ik vergeten heb waar ik hem ook al weer gelegd heb.
In dat enorme web ben ik weliswaar altijd al het centrum geweest, maar tegelijk ook de grootste blinde vlek. Terwijl de jaren gestaag voorbij zijn getrokken als een karavaan bedoeïenen, probeer ik een antwoord te vinden op de vraag of ik in al die tijd een beter persoon geworden ben, een aangenamer mens of een gelukkiger individu. En ik denk aan de anderen in dat web, of dat voor hen ook geldt. Ik zie links en rechts oude vrienden in wat de aanzet lijkt van het allesomvattende verhaal met een eigen huis, een kortgeknipte tuin en een blozend kind of twee. Ik zie ook mensen worstelen met het herfsttij van hun jeugd, en weer anderen zijn op de radar slechts veraf gelegen stippen geworden. Er zijn dagen dat ik wou dat het mogelijk was om op die manier ook mijzelf waar te nemen.
Ik open mijn ogen en tuur naar de kater, die zich behaaglijk tegen mijn lichaam opgekruld heeft. Als hij slaapt, droomt ook hij over mensen en dieren? Kent hij ook de verwarring die ontstaat als teveel indrukken zich tegelijk naar binnen willen wurmen door de trechter van zijn geest? Alsof hij die gedachte geraden heeft, opent hij zijn ogen en kijkt hij me eventjes aan, waarna hij ze traag weer sluit, op die manier die eigen is aan katten. Het is ok, zegt hij, het is allemaal ok. Ik moet glimlachen, en ik besluit om hem straks te trakteren op zalm.
vrijdag 26 december 2008
Quaero pacem
Ik ben niet zo'n grote fan van kerstkaarten, om niet te zeggen dat ik ze volledig nutteloos vind. Natuurlijk is het leuk te weten dat iemand enkele ogenblikken aan mij gedacht heeft, iets op een kaartje gekribbeld heeft en dat vervolgens in m'n postbus is komen schuiven, maar het is tegelijk ook een weinig originele manier om mee op te gaan in de grijsheid der feestdagen. Vandaar, omdat ik er niet van wil beschuldigd worden te cynisch te zijn om in deze dagen van vrede en vreten niet aan mijn medemens te denken, besloot ik dat het misschien een beter idee was enkele meer uitgewerkte schetsen en gedachten te wijden aan deze periode en de mensen die er toe doen, en me daarbij niet te bedienen van voorgedrukte tekeningen van konijnen, kerstmannen in bruin sfumato of brandende haardvuren met negentiende-eeuwse families.
De eindejaarsperiode is er één van lege straten en straatlantaarns waarvan de lichten tegelijk ongemeen hard en koud de donkere nacht verlichten, en tezelfdertijd ook iets diffuser worden omdat de kilte zelfs lichtbronnen half doet bevriezen, alsof je staat te kijken naar een wateroppervlak dat voor altijd stil is blijven staan op het ogenblik dat een steen die in dat water werd geworpen ringen maakt in het meer. Het is de periode van treurig kijkende mensen die aan uitgewoonde bars een sigaret roken, omkransd door een halo van neon en de gemoedelijke geur van goedkoop bier, kitscherige kerstverlichting en misschien een oude jukebox die fm-rock speelt uit de jaren '80. En het is, bij God, zeker ook de tijd dat sommige mensen zich afvragen, terwijl ze die lege straten afschuimen en somber door het venster kijken naar de binnenwereld van zo'n afgelegen café, of het allemaal nog wel zin heeft om in deze wereld hun licht brandende te houden als er niemand is om het te zien, of als er niemand is die er zich aan komt verwarmen.
Er zijn al dan niet religies geïnspireerde mensen die eenzamen onder hun vleugels nemen in deze tijd van het jaar, of die als vrijwilligers werken voor daklozen, opdat ook die mensen een vorm kunnen beleven van kerstwarmte. Terwijl ik met de handen diep in de comfortabele zakken over straat kuier en de wolken van mijn adem mijn komst aankondigen als een nevelige vlag, denk ik aan die mensen, en dat ik hen bewonder omdat ze zich op die manier inzetten voor deze scherven van mensen, die uiteindelijk net als iedereen ook gevoelens hebben en ook verlangens hebben. Kerst en nieuw doen me ondanks alle burgerlijke gewoontevorming en aantasting door marktdenken elk jaar opnieuw beseffen dat ik die luxe heb om op die manier rond te dwalen in mijn binnen- en buitenwerelden. Dat ik ervoor kan kiezen om onder vrienden te zijn, of om me terug even te wanen in de nestwarmte van het gezin, waar elke maaltijd iets is dat lekker is en waar aan alle behoeftes voldaan wordt.
De veel te korte weken vakantie op het einde van december, met haar korte, mistige dagen en lange, mysterieuze nachten die steeds vochtig en koud zijn, zitten ook vol van vuurwerk en oplichtende, veraf gelegen signalen die doen dromen over een beter jaar dan hetgeen geweest is. We kunnen de bladzijde weer omdraaien, we kunnen verdergaan. Ik word week vanbinnen, en laat mezelf er toe verleiden om mensen te gunnen wat ze wensen voor dat nieuwe jaar, ook al ben ik het er misschien niet mee eens of vind ik die wensen ridicuul of materialistisch. Maar uiteindelijk ben ik zelf ook de grootste farizeëer onder de vrijdenkers, want ook ik weet dat ik mijn geld aan het tellen ben, denk aan nieuw meubilair of bezig ben de ideale geliefde bijeen te puzzelen met alle vormen en maten en geplogenheden waar ik van droom.
Het is een periode waarin de scherven terug samenkomen, als een omgekeerd afgedraaide film van een glas dat terug samengevoegd wordt op de vloer in een volmaakte implosie, en naar boven springt op het aanrecht. Het is een tijd waarin ik jaaroverzichten vol negativiteit en verzuring mijd als de pest, en de knop omdraai als ik de zoveelste doodsklok hoor luiden over politiek en maatschappij. Ik probeer de blik scherper te stellen naar binnen, en ik probeer naar buiten toe dieper door te dringen in wat vrienden, vijanden en onbekenden drijft en voortstuwt om toch verder te blijven gaan, te drinken en te dromen. Ik probeer een beter mens te zijn.
De eindejaarsperiode is er één van lege straten en straatlantaarns waarvan de lichten tegelijk ongemeen hard en koud de donkere nacht verlichten, en tezelfdertijd ook iets diffuser worden omdat de kilte zelfs lichtbronnen half doet bevriezen, alsof je staat te kijken naar een wateroppervlak dat voor altijd stil is blijven staan op het ogenblik dat een steen die in dat water werd geworpen ringen maakt in het meer. Het is de periode van treurig kijkende mensen die aan uitgewoonde bars een sigaret roken, omkransd door een halo van neon en de gemoedelijke geur van goedkoop bier, kitscherige kerstverlichting en misschien een oude jukebox die fm-rock speelt uit de jaren '80. En het is, bij God, zeker ook de tijd dat sommige mensen zich afvragen, terwijl ze die lege straten afschuimen en somber door het venster kijken naar de binnenwereld van zo'n afgelegen café, of het allemaal nog wel zin heeft om in deze wereld hun licht brandende te houden als er niemand is om het te zien, of als er niemand is die er zich aan komt verwarmen.
Er zijn al dan niet religies geïnspireerde mensen die eenzamen onder hun vleugels nemen in deze tijd van het jaar, of die als vrijwilligers werken voor daklozen, opdat ook die mensen een vorm kunnen beleven van kerstwarmte. Terwijl ik met de handen diep in de comfortabele zakken over straat kuier en de wolken van mijn adem mijn komst aankondigen als een nevelige vlag, denk ik aan die mensen, en dat ik hen bewonder omdat ze zich op die manier inzetten voor deze scherven van mensen, die uiteindelijk net als iedereen ook gevoelens hebben en ook verlangens hebben. Kerst en nieuw doen me ondanks alle burgerlijke gewoontevorming en aantasting door marktdenken elk jaar opnieuw beseffen dat ik die luxe heb om op die manier rond te dwalen in mijn binnen- en buitenwerelden. Dat ik ervoor kan kiezen om onder vrienden te zijn, of om me terug even te wanen in de nestwarmte van het gezin, waar elke maaltijd iets is dat lekker is en waar aan alle behoeftes voldaan wordt.
De veel te korte weken vakantie op het einde van december, met haar korte, mistige dagen en lange, mysterieuze nachten die steeds vochtig en koud zijn, zitten ook vol van vuurwerk en oplichtende, veraf gelegen signalen die doen dromen over een beter jaar dan hetgeen geweest is. We kunnen de bladzijde weer omdraaien, we kunnen verdergaan. Ik word week vanbinnen, en laat mezelf er toe verleiden om mensen te gunnen wat ze wensen voor dat nieuwe jaar, ook al ben ik het er misschien niet mee eens of vind ik die wensen ridicuul of materialistisch. Maar uiteindelijk ben ik zelf ook de grootste farizeëer onder de vrijdenkers, want ook ik weet dat ik mijn geld aan het tellen ben, denk aan nieuw meubilair of bezig ben de ideale geliefde bijeen te puzzelen met alle vormen en maten en geplogenheden waar ik van droom.
Het is een periode waarin de scherven terug samenkomen, als een omgekeerd afgedraaide film van een glas dat terug samengevoegd wordt op de vloer in een volmaakte implosie, en naar boven springt op het aanrecht. Het is een tijd waarin ik jaaroverzichten vol negativiteit en verzuring mijd als de pest, en de knop omdraai als ik de zoveelste doodsklok hoor luiden over politiek en maatschappij. Ik probeer de blik scherper te stellen naar binnen, en ik probeer naar buiten toe dieper door te dringen in wat vrienden, vijanden en onbekenden drijft en voortstuwt om toch verder te blijven gaan, te drinken en te dromen. Ik probeer een beter mens te zijn.
Abonneren op:
Posts (Atom)