Over 'Onklare taal'

'Onklare taal' is de verzamelnaam van diverse tekstprojecten van mijn hand. Dit is de afdeling columns en microstories daarvan. In 2017 bracht ik 'In de vorm van een vogel' uit, een bundeling van de beste 99 teksten van dit genre tot op dat punt, netjes geredigeerd en per seizoen geordend. Je kan die antologie gratis downloaden als je Patron wordt. De weg een beetje kwijt? Mijn eigenlijke website, die ook 'Onklare taal' heet, verwelkomt je.
Posts tonen met het label angst. Alle posts tonen
Posts tonen met het label angst. Alle posts tonen

donderdag 13 augustus 2026

Aardbeien met zout

Dit had een gedicht moeten worden, maar de woorden kwamen met te veel tegelijk en bouwden zich al snel tot in elkaar klikkende bakstenen, niet de art nouveau-krullen of de bestudeerd nonchalante vijvers van de poëzie. Het zij zo. Ik zit misselijk aan de schrijftafel. Het is moeilijk te zeggen door wat die misselijkheid komt - een te sterke koffie, het aanhoudend mottige weer, een sluimerende paniekaanval die als een sinistere zeeslang door mijn onderbewustzijn zwemt? Mijn demonen zijn als vanouds talrijk. Daarnet dacht ik een half bakje aardbeien op te eten, maar ik had er per ongeluk zout op gestrooid in plaats van poedersuiker. Ik ben bijna beschaamd omwille van het stereotype. Wie me een idioot wil vinden, zal niet lang moeten zoeken naar bewijzen. Twee dokters hebben me kort op elkaar ten strengste aanbevolen om te stoppen met roken om sommige van mijn gezondheidsproblemen te verbeteren. Denken die nu werkelijk dat als het makkelijk was, ik het niet al lang gedaan had? Rokers zijn zowat de laatste minderheid in dit land die je ongestoord de volle laag mag geven. Er zijn natuurlijk rokers die er zelf aan meewerken door te doen alsof hun behandeling gelijk staat aan een Jodenster opgespeld krijgen. Ik ben nog wel even veilig van in een concentratiekamp gestopt te worden.

Over Jodensterren gesproken, ik was enkele weken geleden weer in Duitsland. Hoe vaker ik er kom, hoe liever ik er ben. Soms kan ik me voorstellen dat ik er zou wonen, soms jaagt het idee me schrik aan omdat ik alles wat me echt vertrouwd is, zou moeten achterlaten voor een onzekere toekomst. En vergeet niet dat m'n demonen ook zullen meereizen met me, zoals ze altijd doen. Het zijn entiteiten bij uitstek die zich te goed doen aan onzekerheid, twijfel en angst. Dat daar nog geen Chaos-god uit ontstaan is: er is er één voor geweld, ambitie, decadentie en verrotting, maar geen van angst. Het is ironisch dat de laatste jaren diep geïnteresseerd ben geraakt in het legendarium van Warhammer 40K als een vorm van escapisme uit een wereld die almaar feller brandt van de leugens, het fanatisme en de domheid, terwijl het universum van WH40K nog apocalyptischer, fanatieker en dommer is. Misschien is het vergelijkbaar met mensen die verdrietig zijn en dan naar muziek luisteren die hen nog verdrietiger maakt. Een vorm van katharsis. Dagen van angst volgen vaak op nachten met weinig slaap, en soms voeden ze elkaar. 

Maar slaap maar eens lekker in deze weersomstandigheden. Het gras is overal roestbruin. We beleven moordzomer na moordzomer, maar je kan er je klok op gelijkzetten dat wie z'n mond opendoet over het klimaat, met medewerking van sympathiserende media wordt weggezet als een hysterische drukmaker of het eigenlijke probleem. Tegelijk krijgen rechtse types al decennia vrije baan om al hun spastische paroxysmes rond migratie met overslaande stem in het rond te spuien. Geen enkele publieke intellectueel of mediamagnaat heeft er ooit al op gewezen dat die figuren constant arbeidsmigranten, asielzoekers en afstammelingen van migranten op één hoop gooien. Dat er niemand in dat "debat" (dat tegenwoordig enkel een spectrum van milde tot harde xenofobie bestrijkt) bijvoorbeeld toegeeft dat er migratie nodig is om onze sociale zekerheid betaalbaar te houden of arbeidsplaatsen aan te vullen in de zorg en de diensten? Ook dat maakt me misselijk. Altijd weer dat geblaat over "bruin mannen" maar tegelijk wegkijken van problemen die er echt toe doen, of die problemen boudweg verergeren met beleid. Subsidies aan luchthavens voor rijke papzakken? Passeert. Uitholling van sociale zekerheid met meer flexijobs? Uiteraard. Rechterlijke beslissingen steenkoud negeren? Cool. 

Gisteren was een zeldzaam moment in de buurt. Vele mensen - groepen vrienden, familie, eenlingen zoals ik - stonden op de Mariakerkebrug of in de Zomerliefweide met een plastic brilletje te kijken naar de zonsverduistering. Ik kan me heel goed voorstellen dat voor wie niet wist wat dit was, in vroegere tijden, dit een omineus gebeuren moet zijn geweest. Het is ook knettergek dat het antropoceen gebeurt op een wereld met een satteliet die voor het blote oog even groot is als haar moederster. De kans daartoe is letterlijk astronomisch klein. Ik heb al vaker gedacht dat als er een reden zou zijn voor buitenaards intelligent leven om Aarde te bezoeken, dat een reden zou kunnen zijn. Waar vind je elders zulke vista's? Ik vroeg me af wat er zou gebeuren als het bruine gras van de Zomerliefweide zou beginnen branden. Zouden mensen zich toch blijven vergapen aan de eclips? Of wat als het gebeurde in een oorlogszone? Hier kwam iedereen vreedzaam naar buiten, er waren zelfs geen hints tot onvrede of geweld zoals je wel eens hebt op pakweg een kerstmarkt of een kermis.

Ja, apocalyptiek zit me vertrouwd, maar het is wel grappig: toen ik me serieus begon te wijden aan poëzie in mijn studententijd, greep ik vaak terug naar mythische, apocalyptische beelden. Zeemeerminnen met voorspellende krachten. Achtergelaten profeten op onbewoonde eilanden. Schreeuwende goden. Maar hoe meer een echte apocalyps nadert, hoe minder ik erover schrijf. Misschien ook omdat ik niet meer de overmoed heb van een knappe twintiger. Met de jaren word ik dommer. Ik kan moeilijker op namen komen van kennissen of beroemdheden. Soms schiet een woord me eerst te binnen in het Engels en dan pas in Nederlands. Mijn Frans en Duits zijn er op achteruit gegaan. En ik mag dan nog niet eens klagen, want sommige mensen hebben in de eerste plaats nooit geweten wat ik vergeten ben. Maar ook dat doet me soms zweten: iets niet meer weten. Bijvoorbeeld hoe laat ik gaan slapen ben. Of achteraf in de keuken een half opgegeten koekje vinden dat ik 's nachts wel moet gegeten hebben, maar me niets meer van herinner.

Verval is natuurlijk, zegt men. Maar ook kanker bij kinderen is natuurlijk, en dat bestrijden we. Er is aan ons als mensheid op dit punt zo goed als niets dat natuurlijk is, en wat "natuurlijk" nu is, is ook steeds vaker het gevolg van onze eigen activiteiten. Ik weet dat ik moet hopen dat we het halen en ik weet dat Grote Leugenaars van ons tijdperk er wel bij varen als ik de hoop verlies, maar soms is het ontzettend lastig. 

woensdag 15 januari 2025

Helft

Vlakbij waar ik nu al bijna 10 jaar woon is er een brug over de Brugse Vaart. Die brug kwam enkele jaren geleden in het nieuws omdat ze op instorten stond en vernieuwd werd. Tijdens die vernieuwing brak de coronapandemie uit en kon je er zowel dag als nacht, als de werken van de dag gedaan waren, als voetganger over gaan wandelen – over het deels opgebroken wegdek, het trottoir, langs de achtergelaten werktuigen. Dat voelde als een ongehoorde vrijheid. Nu ik terug over de volledig functionele brug wandel, enkel op dat smalle trottoir, voel ik angst. Ik ben gaan wandelen omdat ik onrust voelde en een idioot deel van me denkt dat ik die onrust klein kan krijgen door m’n angsten te confronteren. Ik kijk naar het wegdek, niet naar de Brugse Vaart onder de brug, of de N9. Vreemd genoeg boezemt de N9 me nog meer angst in dan de Brugse Vaart. Een smak in het zwarte water zou natuurlijk verschrikkelijk zijn, maar een doodssmak op de N9 zou dat nog veel meer zijn, met het harde beton van de baan en de voorbijrazende vrachtwagens die me tot pulp zouden herleiden, zelfs na de dood. In het water kan ik tenminste een volledig lijk blijven.

In het voorjaar van 2021 blokkeerde mijn bankkaart aan de automaat van het treinstation van Waregem (omdat ik aan de limiet geraakt was) en moest ik m’n Visa-kaart gebruiken om een treinticket te kopen. Daarna in Gent viel ik in slaap op de bus naar Mariakerke en werd ik wakker in een niemandsland tussen Gent en het Meetjesland, aan de eerder vernoemde N9. In die tijd waren mijn voetwortelbeentjes ontstoken, maar ik kon niet anders dan te voet naar die brug toe stappen en de metalen trap te nemen naar boven, die nachtmerrie-doorzichtig was en waar ik bij elke stap het gevoel kreeg dat ik één windzucht verwijderd was van een fatale val, alsof alle demonen van voorbije honen van sportleraars, onbegrip van klasgenoten, collega’s en onbekenden zich hadden verenigd in één bericht: “Val maar. Je bent toch maar een loser. Je hele verguld voorspelde leven was een grap. Je verdient het om uit onze maatschappij van winnaars, klimmers, atleten en door erfenissen voorbestemde elites verwijderd te worden.”

Ik viel niet en raakte thuis, net zoals ik nu de brug afdaal en oversteek om dan het tegengestelde parcours te nemen, terug de brug op. Je kan het larmoyant noemen, die dwaze hoogtevrees van me en wat ik ermee associeer qua sociale bagage, maar het maakt die niet minder echt. Ik steek een sigaret op en passeer een koppel dat wandelt in de tegengestelde richting. In het winterduister en door hun kappen is het moeilijk te ontwaren, maar ik vermoed dat de man en de vrouw allebei in hun midden-twintiger-jaren zijn. Ze praten onderling in een taal die ik niet versta en niet herken. Als ik hen passeer, heeft de man de koppositie genomen, met zijn partner achter hem. Ik zou dat ook doen. Ze weten immers niet wie deze vreemde man is die hen passeert, met zijn zwarte jas en zwarte muts, rokend, en zelfs in 2025 zijn vrouwen nog altijd kwetsbaarder dan mannen, ook in het liberale België.

Ze zeggen soms dat de jeugd een verkwanseld geschenk is aan wie jong is, omdat je als jongere zo veel niet weet maar zo veel kan doen, en er is wat van aan. Enkele weken geleden probeerde ik voor het eerst in een decennium nog eens mijn oude vergif van de vodka-Red Bull, en mijn God wat smaakte dat niet alleen verschrikkelijk, ik kon er niet van slapen. En dan te denken dat ik dat rond m’n 25 dagelijks dronk. Nu nader ik de 42 en ben ik volgens officiële statistieken over de helft van mijn leven. Ik sprak dat recent uit tegenover mijn huisarts die me nog “jong” noemde (die huisarts is jonger dan ikzelf) en daar had die weinig meer tegen in te brengen dan een sobere glimlach.

Ik passeer de bushalte op het lager gelegen deel van de brug, eindelijk weg van de verlokkelijke duisternis van de N9 en de Brugse Vaart. De laatste jaren hebben gevoeld alsof ik gevangen zat in stroop zo zwart als die Brugse Vaart. Ik beschouw mijn romans ‘Fragmentariërs’ (2020) en ‘Constellatie’ (2024) als faits divers die geen enkele naald wezenlijk hebben bewogen, ik voel me bij mijn promoties en loonsopslagen als een eeuwig zwijgend moai-beeld van het Paaseiland, voor het feit dat ik al m’n haar niet heb ben ik niet eens dankbaar, ik onderga stoïcijns het eb en het vloed van het online daten dat nergens wezenlijk heen lijkt te gaan, en denk over mijn weigering om het nieuws nog op de voet te volgen sinds de herverkiezing van dat oranje stuk stront Donald Trump als een laffe vaandelvlucht. Je ziet, je hoeft geen uitgeteerde heroïnegebruikers op een kraakpand te zijn om een over zichzelf klagende poète maudit te zijn die zelfs niet eens echt blij is met de positieve aspecten in zijn leven. Het is waar, ik dik het aan ter wille van het pathos, want op zo veel vlakken ben ik ook gewoon gezegend, #blessed zeg maar.

Ik kom voorbij de fietsenwinkel waar een jonge werknemer me enkele dagen terug nog zo vriendelijk en kosteloos heeft geholpen. Waar vind je dat nog? Ik zou de naam wel willen vermelden van de winkel maar dan komt het direct over alsof ik gesponsord word – kennelijk is niet alleen ethische consumptie niet mogelijk onder kapitalisme, ook aan belangeloze promotie kleeft onvermijdelijk de stank van het geld. En ik kan het weten, want de betaalde variant is mijn beroep. Ik heb vrienden die academici zijn of leraars. Dat zijn de Atlassen die mee de maatschappij op hun schouders torsen, net zoals vuilnisophalers, therapeuten, of ambulanciers. Waar is die goedbedoelde warmte naartoe toen we 5 jaar geleden op het balkon om 19u applaudisseerden voor de mensen in de zorg en zouden er onder die klappers lui zijn die nu als vanouds weer tekeer gaan tegen hulpdiensten als halfverwilderde beesten? Oordelen is altijd makkelijk. Ik ben een boek aan het lezen over de geschiedenis van stank, en daarin wordt uitvoerig ingegaan op de walging die de bourgeoisie voelde voer de arme klasse, die met stank en vuil werd geassocieerd. Terwijl denk ik dan: dat waren toch ook maar mensen. Maar ik heb de luxe dat te denken vanop een witte toiletpot met een sifon, aangesloten op een ondergrondse riolering. Voor al mijn voorouders die verder teruggaan dan mijn overgrootouders is mijn wc-pot niets meer dan de vorstelijke troon van een man die leeft als een koning.

Als ik de deur open, tref ik Reginald de kat aan, behaaglijk opgekruld tegen één van de hoofdkussens op het bed. Ik kan zijn ogen niet goed zien maar ik weet dat hij naar mij kijkt. Voor hem moet ik zelfs lijken op een onsterfelijke – hij zal met geluk afklokken rond de 15 jaar, terwijl ik vanuit zijn standpunt niet veel ouder zal geworden zijn. Ik heb al bijna drie volle kattenlevens geleid, en nog zit ik maar “net over de helft”. Ik laat hem knus op het bed zitten. Als hij affectie wil, is hij niet te beroerd daar zelf om te komen vragen, want zo is hij wel. Ik wandel door het appartement en kan door de venster bij het balkon terug die brug zien, die nu zo onschuldig, zelfs weerloos oogt als het landschap zelf. Niet die moordkuil richting water of beton die ze leek van bovenaf. Hier zit vast een platitude in over perspectieven maar bedenk ‘m zelf maar.
 

maandag 16 februari 2009

Bange blanke man

Het is zondagavond en ik ben aan het uitbollen. Pas zondagavond, als de noodzaak van een volgende week zich weer onverbiddellijk aan me opdringt, nadat de hersenschade van een dronken vrijdagavond en de fysieke letsels van een driftige zaterdagavond geleden zijn, kom ik een toestand die men kan omschrijven als weekendgevoel. Rijkelijk te laat, natuurlijk. Op zondagavond ontstaat ook het merendeel van mijn goede voornemens en eindigen alle slechte gewoontes, die zich de week erop weer kenbaar zullen maken op onverstaanbare wijze. Zondag is doorgaans ook de dag waarop ik in de stemming ben om enkele woorden op papier te zetten, en ideëen die doorheen de week gerijpt zijn, hun neerslag vinden in zinnen en paragrafen.

In het gezelschap van een glas koele wijn (wit, uiteraard, want ik zal niet buigen voor het cliché dat men als man geen witte wijn kan drinken zonder daarbij in de boeten aan status, charisma en mannelijkheid) denk ik aan een man in New York die gisteren gearresteerd werd omdat hij z’n vrouw onthoofd had. Hij was oprichter van een tv-netwerk. En hij was ook moslim. Hier neemt de zaak een andere wending in het hoofd van de meeste mensen – een woordnetwerk wordt opgeroepen waarin naadloos bebaarde Taliban, vrouwenbesnijders en heethoofdige broers die eremoorden begaan in elkaar overvloeien, tot ze een dikke koek worden aan clichés. Het merkwaardige is tevens ook dat de man in kwestie zijn tv-netwerk juist had opgericht om bij te dragen tot minder extremisme onder moslims en vooral ook om de rest van de Amerikanen ervan te overtuigen dat de islam zich niet beperkt tot boosaardige fatwa-uitsprekende lieden en terroristen.

Zondag is een dag waarop ik ook probeer om negatieve gevoelens onder ogen te zien en waar mogelijk, los te laten. Ik overloop al die voorgenoemde beelden van ultraconservatieve imams die de vernietiging prediken van het Westen, de extreemrechtse propaganda die moslimjongeren als een zwaar maatschappelijk probleem beschouwt, en het algemene doemdenken aangaande interculturele dialogen en relaties. Het is een feit dat, hoezeer ik me ook verzet tegen stigmatiserend denken, ik ook anders reageer als ik ’s nachts op straat een groepje uitgelaten blanke meisjes kruis, dan als het gaat over een groep jongeren van Turkse, Marokkaanse of anderszins bruinere afkomst. Dat is allemaal bijzonder jammer. Racisme is latent aanwezig in elke mens, zoveel is zeker, maar de beeldvorming rond culturele en etnische minderheden in onze maatschappij heeft dat racisme de laatste jaren bij iedereen sterk gevoed. Ik gruw van de simplistische benadering die velen erop na houden als het aankomt op het debat rond multiculturalisme, en daarmee wijs ik elke partij in dit debat met de vinger. Nog meer wijs ik de media met de vinger, die steeds opnieuw jonge ‘allochtonen’ in een slecht daglicht stellen. Op het nieuws en in de kranten moet bij een crimineel feit steeds vermeld worden wat de origine is van de vermoedelijke dader. Is dit belangrijk? Heeft dit nieuwswaarde? Ik vind van niet. Maar het leidt er wel toe dat ik zelf ook al onmiddellijk enige scepsis voel als ik op straat aangesproken word door een bruinere medemens, of zelfs maar iemand die Nederlands duidelijk niet als eerste taal heeft.

Ik schaam me om die instinctieve reactie, die het gevolg is van indoctrinatie. Daarbij komt ook dat de vele problemen die er zijn rond het multiculturele vraagstuk, volgens mij niet zozeer cultureel of etnisch bepaald zijn, maar enorm veel te maken hebben met sociale kwesties. Ruwere, minder ruimdenkende normen en waarden, grotere kans om in de criminaliteit te belanden of makkelijker overgaan tot geweld zijn typische problemen voor kansarme klassen in de maatschappij, waar jammer genoeg vaak ook mensen toe behoren van vreemde afkomst. De islam, in hoeverre het zelfs maar mogelijk is die als één gegeven te benaderen, heeft even wijze als achterlijke dingen te zeggen als het christendom, het hindoeisme of de Joden. Ik begrijp niet hoe vele crypto-racisten in Vlaanderen over zichzelf denken dat ze tolerant en vrij zijn, terwijl anderen dat zogenaamd niet zijn. Het is zoals het bekende verhaal van mensen die bij hoog en bij laag beweren “niets tegen homo’s” te hebben, tot hun eigen zoon of dochter uit de kast komt.
Op zondag, in mijn poel van verpozing voor ik weer een week te lijf ga, zit ik geen allesomvattende oplossingen te bedenken voor maatschappelijke kwesties. Ik denk ook niet dat één man dat kan (en zij die het probeerden, hebben gefaald). Wat ik wel besef is dat ik zelf positiever kan bijdragen door niet alleen te erkennen dat er iets van al die drek die dagelijks uitgestort wordt over etnische minderheden in ons land, aan mij is blijven kleven. Dat ik soms ook irrationele angsten voel waar ik me achteraf over schaam. En dat ik daar iets aan kan doen. En tenslotte, dat er iets grondig verkeerds is aan de manier waarop deze gevoelens gevoed worden door de populaire media.