De Feesten staan garant voor onverwachte ontmoetingen met vreemden, en hoe dieper in het hol van de nacht, hoe vreemder de vreemdelingen en hoe eigenaardiger de verhalen achteraf nog doorklinken. Stoners in speeltuinen, groezelige gezelschappen die het met elkaar aan de stok krijgen vanwege een vrouw of een gemorste pint, afgeleefde veertigers, jongeren die voor het eerst losgelaten worden, en gerateerde B-artiesten die voor een halfironisch publiek de warme waardering krijgen waar ze naar snakken. Als ik God was, dan kon ik op Gent kijken vanuit de hemel vol donkere, zwoele wolken, en kon ik zeggen dat het goed was. Dat mijn volk zich amuseert, en probeert de drukkende aanwezigheid van de zovele massa’s met een zekere berusting te ondergaan. God zou er bij God zelf zin van krijgen om mee te feesten en ergens een pita te gaan eten, of in de nachtwinkel die fles spijtjenever te kopen die vierentwintig uur later een afschuwelijk idee zou blijken. Maar meer nog dan de locaties, de tenten en het gratis vertier draait het om de mensen. Omdat ik God niet ben, zit ik daarom graag neer op bankjes, leuningen en grasheuvels om het volk alle richtingen te zien uitstuiteren, terwijl ik me ook probeer te kwijten van mijn taak om een sociaal mens te zijn onder de andere sociale mensen. Ik tracht de conversaties oppervlakkig te houden, omdat dat precies is wat ik nodig heb om me af te leiden van die draaikolk aan indringende, eigenaardige en soms dieptragische gedachten.
Ik mag mezelf stilaan een Feestenveteraan beginnen noemen, en ik weet niet of dat nu wel iets positiefs is. Wat ik wel weet, is dat ik dit jaar nog nooit zo schizofreen heb gestaan tegenover die tien dagen gekte. Dit jaar sta ik alweer sterker en dieper verankerd in zekerheid, zonder dat ik het gevoel heb dat ik deprimerende weken moet goedmaken met waanzinnige weekends. En er is veel meer liefde en echte vriendschap aanwezig, dat helpt ook. Maar ik blijf over messen lopen. De laatste weken, vol overtollige warmte en grote verplichtingen die me uiteindelijk vooruit zullen helpen in het leven, waren er ook waarin ik niet kon schuilen in een exoskelet van onverschilligheid zoals vroeger. Enkele melancholische noten van muziek op een verder afgelegen plein doen me wegzinken in een zacht neuriënde melancholie, terwijl het altijd geïmpliceerde geweld van massa’s angstbeelden oproept van één nacht ergens beurs geslagen en beroofd te eindigen. Die denderende goederentreinen vol onbevatbare gevoelens kan alleen maar stilgelegd worden door me zo moe te amuseren dat ik niets liever wil dan slapen. De Gentse Feesten zijn één lang weekend.
Hoe lang zullen wij dit leven nog kunnen volhouden? Het is een vraag die in mijn mistige achterhoofd prikt terwijl ik op weg ben naar huis, langs groepen dronkelappen, dranghekkens, vermoeide agenten, vensterbanken vol bierblikjes en verlepte feestvierders die zonder veel animo een hamburger of een pak friet eten. We zijn een cultuur die gebouwd is op gemak. Een supermarkt is dichtbij en heeft het hele jaar rond alles in huis, winter of zomer, droog of vers. In de strijd om de wensen van de etenden, drinkenden en zich amuserenden tegemoet te komen, pleegt men gewetenloze roofbouw op de wereld. Het lijkt bizar dat ik in mijn toestand, waarbij mijn stappen niet helemaal recht meer zijn en uit alle straathoeken een vreemdsoortig gezang lijkt te komen dat altijd welwillend en boeiend lijkt, daar aan moet denken. Aan de andere kant is dat niet onlogisch – wat is er een groter culminatiepunt van volslagen zinloze massa-consumptie, niet verder denken dan het volgende uur en het wij-gevoel ten koste van de anderen dan een evenement als de Gentse Feesten? En ook ik doe mee. Ik ben geen verheven, taaie heilige op wie dit alles geen aantrekkingskracht uitoefent. Wel integendeel, het is net in een soort grenzeloos, collectief hedonisme dat ik een allesdoordringend verlangen voel om nog verder te gaan dan de rest. Ik zal een enorme fles leegdrinken en ik zal buiten drie pakken sigaretten ook nog wel een paar joints roken. En daarna op grandguignoleske wijze tegen een lagere school overgeven, of in wartaal aan een beste nieuwe vriend wijsmaken dat alles goed gaat met de wereld, dat we allemaal vrienden zijn geworden en alle negatieve opmerkingen van de hand wijzen met het magische “… maar het zijn Gentse Feesten.” Het is precies dat soort onnozelheid waarvan ik mijzelf wil doordringen, om later ook nog te kunnen denken aan het exact tegenovergestelde. Het is zelfs geen excuus, want het is wat het is.
Als ik eenmaal mijn vuile kleren uitgedaan heb, en wegzink in mijn grote bed, zijn de meeste innerlijke stemmen intussen uitgedoofd als een oud kampvuur. Het is deels ontnuchterend, en deels ook bevrijdend. En bovenal voel ik ook dat ik niet alleen ben. Naast mij slaapt haar lichaam, waar evenzeer moeilijk uitspreekbare gevoelens en gedachten in rondwoekeren, en ik overtuig mijzelf ervan dat door welke afgronden en langs welke besneeuwde bergtoppen ik ook gevoerd word, dat het gelukkig een lot is dat ik weliswaar zelf moet dragen, maar verzacht wordt door haar aanwezigheid. Ook al implodeert de maatschappij morgen, of ook al kom ik morgen thuis met bloed nog op mijn gezicht.
Over 'Onklare taal'
woensdag 22 juli 2009
Goed genoeg
dinsdag 2 juni 2009
Cycles d'oppositions
Ik probeer het. Ik zweer het – ik probeer het echt. Elke dag probeer ik mezelf ervan te overtuigen dat het beter zal gaan, dat als ik dit of dat doe, dat als ik iets kan bereiken en dat als ik dat maar kan veranderen, dat ik me door therapeutische daden zal stellen, ook daadwerkelijk beter zal voelen. Maar het gebeurt niet. Niet omdat er geen reden lijkt te zijn om gelukkig te zijn. De zon schijnt, de rokken zijn kort, de liefde zit in elke uithoek van mijn appartement verborgen, er breken andere tijden aan, ik heb vrienden met busladingen en ik heb geen hangsnor of een bilgewij in de vorm van Paris Hilton. Toch is mijn gevoel in tegenspraak met deze indicaties, die allemaal zouden moeten wijzen op een voortdurende, in zichzelf genoegzaam neuriënde vrolijkheid en tevredenheid. Ik ben terminaal ontevreden. Voor de neus van mijn konijnenziel hangt een onzichtbare wortel die zichzelf elke dag opnieuw herstelt, zelfs al heb ik hem de dag tevoren nog kunnen pakken met veel stunt- en vliegwerk.
Ik ben geen weeskind in Darfoer, ik zit niet in een rolstoel, noch ben ik een teneergeslagen randvedette die met droefheid moet vaststellen dat hij zelfs de fait divers van de TV Story niet meer haalt. En toch kan ik niet uit dat drijfzand raken. Woorden die mogelijk gedichten zouden kunnen vormen over deze toestand zijn slecht bijeen passende kraaltjes die ik bovendien al veel eerder, vaker en beter gebruikt heb. Teveel ongewilde deixis, teveel terugkerende patronen en verbale graancirkels. Het doek gaat open en een spot schijnt fel, maar de schrijver zit op zijn emotionele tandvlees. Ik zal vandaag geen moppen vertellen of een politiek geladen mening verkondigen, eenvoudigweg omdat ik dankzij de chemische achtbanen en het onstuitbare heen-en-weer-vuren van neuronen in dat hoofd van me ergens in een sloot ben gesukkeld. Daar bestaat medicatie tegen (die ik al een tijd niet meer gebruik) en er zijn ook nog veel mensen zoals ik (die me bij het schrijven van deze tekst maar matig kunnen boeien).
We leven dan wel in een cultuur die in sommige van haar aspecten emotioneel exhibitionisme vergoddelijkt en zinloos lijden in een luxecultuur tot een ware levensstijl verheven heeft, maar dat hoeft niet te betekenen dat ik trots ben omdat ik stemmingswisselingen moet belijden die komen en gaan op een willekeurig tempo en op willekeurige tijdstippen die zich nog het best laten vergelijken met het treinschema in een bananenrepubliek. Steeds blijf ik koppig proberen er weerstand aan te bieden, alsof positieve gedachten en nuttige activiteiten deze stromen zouden kunnen beïnvloeden. En opnieuw en opnieuw moet ik tot de conclusie komen dat dat niet gaat. Dat ik gebroken en zwak ben, een speldenkussen of een voodooslachtoffer van een mysterieuze sjamaan die per ongeluk het verkeerde slachtoffer gekozen heeft. Die conclusies maken me bang. Ze verwijderen me verder van de man die ik bijna kan zijn als ik dit masker op hou of als die long and winding road door mijn neuronengebergte weer een nieuwe top bereikt heeft.
En steeds opnieuw komt daar de niet aflatende, gloeiende druk bij van het Moeten. Ik moet een gevecht leveren tegen de entropie die alles in mij en rond mij aantast – de orde op de kamer, de veelheid aan stofvangende boeken en nostalgische parafernalia, de projecten die niet af raken, de spieren en de pezen, en tenslotte ook het brein dat langzaam maar zeker degenereert. Ik vlieg elke dag opnieuw uit de startblokken van de dagelijkse wedlopen met een achterstand, en na een matige prestatie ben ik doodmoe. En elke keer als de volgende cyclus met zijn verpletterende vermalende wiel weer een dieptepunt bereikt, dan schaam ik mij diep omdat ik me zo klein en nutteloos voel, en word ik boos omdat dat recht me tegelijk ook ontzegd wordt door de niet aflatende kritiek die ik heb op mensen die in mijn ogen dat recht ook al niet bezitten en het toch doen.
Vandaag scheen de zon, en men zong een lied. Vandaag was ik op het werk, en deed ik naarstig voort. Vandaag kwam ik thuis en moest ik al snel ergens anders heen. Vandaag was ik de hele dag een open wonde van nauwelijks beheersbare gevoelens en ingedamde woorden. Vandaag schreef ik een trieste tekst die des te tragischer werd omdat hij zoveel onblusbare waarheid bevatte.
zondag 8 maart 2009
De witte kamer
maandag 16 februari 2009
Bange blanke man
In het gezelschap van een glas koele wijn (wit, uiteraard, want ik zal niet buigen voor het cliché dat men als man geen witte wijn kan drinken zonder daarbij in de boeten aan status, charisma en mannelijkheid) denk ik aan een man in New York die gisteren gearresteerd werd omdat hij z’n vrouw onthoofd had. Hij was oprichter van een tv-netwerk. En hij was ook moslim. Hier neemt de zaak een andere wending in het hoofd van de meeste mensen – een woordnetwerk wordt opgeroepen waarin naadloos bebaarde Taliban, vrouwenbesnijders en heethoofdige broers die eremoorden begaan in elkaar overvloeien, tot ze een dikke koek worden aan clichés. Het merkwaardige is tevens ook dat de man in kwestie zijn tv-netwerk juist had opgericht om bij te dragen tot minder extremisme onder moslims en vooral ook om de rest van de Amerikanen ervan te overtuigen dat de islam zich niet beperkt tot boosaardige fatwa-uitsprekende lieden en terroristen.
Zondag is een dag waarop ik ook probeer om negatieve gevoelens onder ogen te zien en waar mogelijk, los te laten. Ik overloop al die voorgenoemde beelden van ultraconservatieve imams die de vernietiging prediken van het Westen, de extreemrechtse propaganda die moslimjongeren als een zwaar maatschappelijk probleem beschouwt, en het algemene doemdenken aangaande interculturele dialogen en relaties. Het is een feit dat, hoezeer ik me ook verzet tegen stigmatiserend denken, ik ook anders reageer als ik ’s nachts op straat een groepje uitgelaten blanke meisjes kruis, dan als het gaat over een groep jongeren van Turkse, Marokkaanse of anderszins bruinere afkomst. Dat is allemaal bijzonder jammer. Racisme is latent aanwezig in elke mens, zoveel is zeker, maar de beeldvorming rond culturele en etnische minderheden in onze maatschappij heeft dat racisme de laatste jaren bij iedereen sterk gevoed. Ik gruw van de simplistische benadering die velen erop na houden als het aankomt op het debat rond multiculturalisme, en daarmee wijs ik elke partij in dit debat met de vinger. Nog meer wijs ik de media met de vinger, die steeds opnieuw jonge ‘allochtonen’ in een slecht daglicht stellen. Op het nieuws en in de kranten moet bij een crimineel feit steeds vermeld worden wat de origine is van de vermoedelijke dader. Is dit belangrijk? Heeft dit nieuwswaarde? Ik vind van niet. Maar het leidt er wel toe dat ik zelf ook al onmiddellijk enige scepsis voel als ik op straat aangesproken word door een bruinere medemens, of zelfs maar iemand die Nederlands duidelijk niet als eerste taal heeft.
Ik schaam me om die instinctieve reactie, die het gevolg is van indoctrinatie. Daarbij komt ook dat de vele problemen die er zijn rond het multiculturele vraagstuk, volgens mij niet zozeer cultureel of etnisch bepaald zijn, maar enorm veel te maken hebben met sociale kwesties. Ruwere, minder ruimdenkende normen en waarden, grotere kans om in de criminaliteit te belanden of makkelijker overgaan tot geweld zijn typische problemen voor kansarme klassen in de maatschappij, waar jammer genoeg vaak ook mensen toe behoren van vreemde afkomst. De islam, in hoeverre het zelfs maar mogelijk is die als één gegeven te benaderen, heeft even wijze als achterlijke dingen te zeggen als het christendom, het hindoeisme of de Joden. Ik begrijp niet hoe vele crypto-racisten in Vlaanderen over zichzelf denken dat ze tolerant en vrij zijn, terwijl anderen dat zogenaamd niet zijn. Het is zoals het bekende verhaal van mensen die bij hoog en bij laag beweren “niets tegen homo’s” te hebben, tot hun eigen zoon of dochter uit de kast komt.
zondag 11 januari 2009
Alarum
We zijn weer een jaar vooruit gekomen sinds ik wakker werd met blauwe plekken en een gat in mijn geheugen, dat onder ons gezegd beter een gat gebleven was, omdat mijn feestelijke vrienden me natuurlijk hebben ingelicht wat ik in mijn stupeur et tremblement allemaal uitgekraamd heb. Het is twee jaar geleden dat ik op het punt stond de gewijde hallen te betreden van de bedrijfswereld, met al haar kantoorfauna, geleedpotige machines en vierkante blokken beton die voor eeuwig in de jaren '70 zijn blijven steken. Drie jaar terug studeerde ik een bijkomende opleiding die ik spoedig zou stopzetten. Ongeveer vijf jaar geleden leek ik warempel gelukkig, maar de herinneringen daaraan zijn schetsmatig en reeds overwoekerd door de scheve kijk op het verleden die eigen is aan een verbeten nostalgicus. Als we tien jaar terug in de tijd gaan, dan weet ik niet eens meer wat ik toen aan het doen was, maar het zal vast niet zo belangrijk zijn. Twintig jaar geleden woonde ik in een huurhuis met een steile trap en een wc buiten, en had mijn moeder een cake gebakken die onmiddellijk in brokstukken uit elkaar viel. En dertig jaar geleden was ik er niet - zelfs de gedachte aan mij bestond nog niet in de gedachten van de mensen die mijn ouders zouden worden.
Ik vraag me af wat dat is, niet bestaan, en besef dat daar geen zinnig antwoord op kan gegeven worden. Maar één ding is zeker - het moet kalm zijn, daar in die plek waar niets bestaat. Ik contempleer mijn eigen bestaan tegenover de eindeloze eeuwigheid, en tracht te beseffen dat de tectoniek van de emoties en gedachten die ik probeer te begrijpen, maar een zucht is in een orkaan, een plotse kuch van een man in een zaal die opstaat in een daverend applaus. Ik bekijk de angst, de hoop, de woede en de zachtheid. Vanuit mijn plek op het bed zit ik in het midden van een web, waarvan de onzichtbaar geweven draden lopen van mens naar mens, van man tot vrouw, man tot man, en man tot dier, koelkast, gemakkelijke fauteuil en ergens een bos sleutels waarvan ik vergeten heb waar ik hem ook al weer gelegd heb.
In dat enorme web ben ik weliswaar altijd al het centrum geweest, maar tegelijk ook de grootste blinde vlek. Terwijl de jaren gestaag voorbij zijn getrokken als een karavaan bedoeïenen, probeer ik een antwoord te vinden op de vraag of ik in al die tijd een beter persoon geworden ben, een aangenamer mens of een gelukkiger individu. En ik denk aan de anderen in dat web, of dat voor hen ook geldt. Ik zie links en rechts oude vrienden in wat de aanzet lijkt van het allesomvattende verhaal met een eigen huis, een kortgeknipte tuin en een blozend kind of twee. Ik zie ook mensen worstelen met het herfsttij van hun jeugd, en weer anderen zijn op de radar slechts veraf gelegen stippen geworden. Er zijn dagen dat ik wou dat het mogelijk was om op die manier ook mijzelf waar te nemen.
Ik open mijn ogen en tuur naar de kater, die zich behaaglijk tegen mijn lichaam opgekruld heeft. Als hij slaapt, droomt ook hij over mensen en dieren? Kent hij ook de verwarring die ontstaat als teveel indrukken zich tegelijk naar binnen willen wurmen door de trechter van zijn geest? Alsof hij die gedachte geraden heeft, opent hij zijn ogen en kijkt hij me eventjes aan, waarna hij ze traag weer sluit, op die manier die eigen is aan katten. Het is ok, zegt hij, het is allemaal ok. Ik moet glimlachen, en ik besluit om hem straks te trakteren op zalm.