Over 'Onklare taal'

'Onklare taal' is de verzamelnaam van diverse tekstprojecten van mijn hand. Dit is de afdeling columns en microstories daarvan. In 2017 bracht ik 'In de vorm van een vogel' uit, een bundeling van de beste 99 teksten van dit genre tot op dat punt, netjes geredigeerd en per seizoen geordend. Je kan die antologie gratis downloaden als je Patron wordt. De weg een beetje kwijt? Mijn eigenlijke website, die ook 'Onklare taal' heet, verwelkomt je.

donderdag 19 september 2013

Dagen met Davy

Aan elk verhaal gaat een verhaal vooraf. De proloog van mijn verhaal met Davy begint in december 2009. Op dat moment had ik al drie jaar een voorlopig rijbewijs, en kon ik door een gelukkig toeval vooralsnog mijn praktisch rijexamen afleggen de dag voor dat theoretische rijbewijs zou vervallen. Goden en examinatoren waren me gunstig gezind, want ik was er door bij m'n eerste poging. Al snel drong dan ook de aankoop van een auto zich op, want ik was het constante treinen en bussen naar het werk meer dan beu.

In januari 2010 kocht ik Davy aan: een zilvergrijze, vriendelijke Honda Jazz. Een kleine auto met een sportief uiterlijk, ruim vanbinnen, robuust genoeg om niet weggeblazen te worden op de autostrade, maar nooit een atleet of het soort wagen dat mensen spontaan voor uit de weg zouden gaan. Davy leek me de ultieme naam die dat weerspiegelde: willen maar niet altijd kunnen, hoge schouders opzetten maar vooral veel bluffen.

Davy kwam overal - Brussel, Antwerpen, de kust, Kortrijk, Limburg - en was tegelijk instrument en getuige van een aantal eerste ervaringen. De eerste keer dat ik de weg totaal kwijtraakte, bijvoorbeeld, in een stuk verloren dorpskern van Heule bij Kortrijk. Mijn eerste aanrijding (resultaat: permanent ingedeukte voorbumper, precies in het midden), ook. Achterwaarts reed ik bij te fel zonlicht ook een paal annex uithangbord uit de grond in Gent. De eigenaar van dat uithangbord, een oude franskiljon, besloot, om mijn verzekering te sparen, het op een Belgisch akkoordje te gooien.

Er waren ook veel momenten waar het grijze ros een cruciaal positieve rol speelde. Zijn baanvastheid redde me het leven tijdens een zwaar zomeronweer op de omineus rechte autostrade tussen Sluis en Gent, toen ik terugkeerde van een trouwfeest. Ook redde een gelukkige hoek en een stevige voorruit me het leven toen een vrachtwagen een blok hout verloor - had die door het venster gevlogen, dan had die m'n hoofd tot pulp herleid. Zijn churchilliaanse finest hour kwam nog begin dit jaar, toen ik vanuit Leuven in het holst van de nacht terug naar huis moest onder de hevigste sneeuwstorm die in jaren het land geteisterd had. Ik zal nooit vergeten wat voor aarsvernauwend minuten het waren om om twee uur 's nachts de Brusselse Ring op te glijden door het ijs, met nauwelijks zichtbaarheid dankzij een gevaarlijk slippende Poolse vrachtwagen.

Een auto betekent niet alleen mobiliteit en vrijheid, maar ook veiligheid, zoals Gary Numan wist. Als Natasha of Roman me kwamen halen van een vermoeiende reis terug uit Engeland, bijvoorbeeld, en ik zag Davy staan wachten, wist ik pas echt dat ik thuis was. Ook die talloze momenten dat ik in kon stappen na een stresserende werkdag, m'n favoriete cd kon opleggen en me schor schreeuwen in die paar kubieke meter auto, was beter dan het beste hoofdkussen of veiligheidsdeken.

Over de jaren kreeg Davy nog een aantal extra blutsen, en na een avond feestgeweld in de buurt vandaliseerde iemand ook één van zijn achteruitkijkspiegels. Zijn littekens werden steeds zichtbaarder. Hij was mobiele opslagplaats, rookkot en mismeesterd vliegtuig tegelijk. De laatste nagel in zijn doodskist was de komst van een bedrijfsauto. Toch voelden Roman, Natasha en ik nog altijd een zekere sentimentaliteit tegenover Davy, die al zo veel missies succesvol beëindigd had, gaande van dronken vrienden veilig thuisbrengen tot het verplaatsen van zware meubels. Is dat iets als je eerste lief, je eerste auto?

Roman had de dubieuze eer om Davy naar de garage te brengen en te verkopen. In mijn hoofd had het iets van een oud dier naar het slachthuis brengen. Ja, Davy had putten in zijn dak en die groene verfspatten van de notarispaal waren nooit uit de kofferdeur gegaan, maar dat maakte hem ook uniek, zorgde ervoor dat hij een eigen gezicht had. Terwijl Roman te voet terugkeerde van de garage, met slechts een nummerplaat op zak als tijdelijk aandenken, belde hij me. Hij voelde zich melancholisch. Pas toen drong het tot me door, definitief, dat ik nooit meer in die rokerige zetel zou zitten (in de nieuwe auto wordt er absoluut niet gerookt), me riskant met zijn compacte gestalte zou kunnen parkeren, noch verontwaardigd toeteren naar een Ronny die me van rechts zou inhalen.

Adieu, Davy. We zullen je niet vergeten.

vrijdag 13 september 2013

Gouden regen

Weinig mensen gaan graag naar buiten als het regent in dit grijze land, tenzij onder een paraplu of in een regen die modieus licht genoeg is voor romantische komedies. Kijken naar regen vanachter een venster, dat kan dan weer wel. Het creëert de nodige afstand tot de wereld, en wikkelt straten in ondoorzichtige dekens waardoor contouren minder scherp lijken. Ik vraag me af of holbewoners dat ook deden, aan de rand van hun grotingang gaan zitten, terwijl ze de laatste restjes bot afknuisden en zwijgend keken naar de bakken water die neer kwamen plensen over de velden, bomen en bladeren. Misschien namen ze dan ook de tijd om verder te werken aan hun grotschilderingen, of vertelden ze verhalen om te proberen begrijpen hoe hun wereld in elkaar zat.

We zijn die kunsten nog altijd niet verleerd, voor als we stil zitten en gedwongen zijn om niets te doen. We kunnen in de zetel gaan liggen en kijken hoe eindeloos al die druppels in kolonnes hun weg naar beneden vinden, en intussen fantaseren over plotse rijkdom, ons afvragen waar het ook alweer verkeerd liep met die verloren liefde en of dieren werkelijk kunnen nadenken. Ik kijk rond, naar beneden, vooruit, naar boven, met de gedurigheid van een periscoop. Alle dingen die ik zie, zijn artefacten van andere verhalen. De auto's zijn een ketting van consumerisme ("ein Volkswagen für allen"), de gebouwen dromen van een bakstenen burgerij die via andere artiesten zichzelf tentoonstelde als hoogtepunt van smaak.

In de kranten die op tafel liggen, ligt dan weer een ander verhaal besloten. Het gaat weer beter met de economie, de heilige cijfers vertonen tekenen van leven. Om de een of andere reden moeten we daar blij mee zijn. Geen enkele krant, geen enkele columnist die zich de vraag lijkt te stellen waarom dat op optimisme onthaald wordt net alsof er een welpje geboren is in Planckendael. De groeicijfers betekenen niet noodzakelijk dat er plots minder werklozen zijn. Alleen de miljonairs laten de champagnekurken knallen: er zijn nog nooit zo veel superrijken geweest in België.

Dat we blij moeten zijn als de beurs of 'de economie' het goed doen, is vooral dat we rozen moeten werpen naar de lui die buitensporige lonen, bonussen en ontslagvergoedingen incasseren zonder dat daar veel risico's aan vasthangen. Immers, zij hebben het verhaal waargemaakt dat als een wereldslang ons denken omspant: ze zijn succesvol, materieel welstellend en onafhankelijk kunnen worden, en de achterliggende gedachte is dat we dat allemaal kunnen. Als we hard genoeg werken. Als we niet op de zetel liggen en niets doen terwijl we genieten van regen die tegen vensters uiteenspat. Als we toevallig de juiste connecties hebben. Als we geluk hebben. Als we blanke mannen zijn. Als we de juiste partijkaarten bezitten en goed pakken op tv. Als we domweg de rest een rad voor ogen kunnen draaien.

Wat regen ook doet, buiten laten stilstaan, is verzachten. Het is een balsem voor een overaanbod aan geluiden en verhalen, bijvoorbeeld de talloze verhalen die over de ether en langs reclamevensters binnendringen in de leefwereld. De clou van die verhalen is meestal een variant op 'gij zult kopen'. Het is moeilijk om die afstand tot die constante impulsen werkelijk of ironisch te maken. Ook ik droom van een eigen zwembad, een kostuum op maat of een snel-snel programma dat me zou transformeren in een Griekse god. Misschien is dat het enige dat nog positief is aan mijn generatie, namelijk dat we door het stokken van die continue stroom aan propaganda, des te duidelijker het falen ervan zien.

Ik spreid mijn hand zo ver mogelijk uit tegen het venster en beeld me in dat die de regen aan de andere kant zal tegenhouden. Hoe harder systemen beginnen te sputteren, hoe schriller en evangelischer hun voorstanders beginnen te klinken. De kepi's in de Sovjetunie werden zo groot als vliegende schotels toen de jaren van stagnatie onder Brezjnev aangebroken waren, en het potsierlijke vlaggengezwaai in de Verenigde Staten is meer dan ooit een keizer zonder kleren. Nee, zelfs Reagan en Thatcher waren niet extreem genoeg voor hen: dat was het enige wat ze ooit verkeerd deden.

Iedereen is iemands antagonist, is het niet in z'n persoonlijke narratief, dan is het wel in dat van een grotere groep. Wat voor mij de zegedronken neoliberale elites zijn die high worden van hun eigen gouden pis, dat ben ik allicht voor de lakeien van diezelfde elites. Niet dat dat een oproep is tot relativisme, integendeel. We snappen allemaal wel dat een happy end niet onmiddellijk in het verschiet ligt, maar trekken andere conclusies. We zijn andere verhalen gaan bewonen, andere kolonies en andere grotten, terwijl we in feite grotendeels dezelfde problemen tegemoet gaan. We worden allemaal nat in de regen, en ze zeggen dat we er nog blij mee moeten zijn ook.

maandag 2 september 2013

De rand van gisteren

Door de rondzwervende gedachten en herinneringen voelt m'n hoofd aan alsof het niet één ding is, maar een namaakschedel waarvan verschillende stukjes nog terug moeten samengelegd worden om één coherent geheel te vormen. Ik sta aan het grote venster van m'n living en ik kijk naar de straat - een aquarium dat ik zo nu en dan voeder met asse. De wijn smaakt me niet, en ik proef nog altijd Chinese champignons op m'n tong. Beter dan de zoute pindanootjes van deze namiddag, alleszins, die ik nog niet zout genoeg vond en daarom vruchteloos met extra zout had proberen bedekken. Deze banale walgelijkheid werd ontdekt door Natasha, die me er dan ook prompt voor veroordeelde.

In m'n rug zit een druk gezelschap aan tafel, verzameld rond lege en halflege dozen van de afhaalchinees. Ik frons, de baan volgend van een lawaaibestelwagen, en ik vraag me af wie er nu nog, zondagavond laat, in de vele cafés zit die op het Heuvelpoort-kruispunt open zijn. Intussen voer ik een gesprek met een paar mensen die ook mee aan het raam zijn komen staan voor afdeling. Ik veeg de fragmenten van mijn imaginaire schedel bijeen. Er is een herinnering van de nacht voordien, van schuifelen over een plakkerige dansvloer, een herinnering aan armen vastnemen en een gegrom in donkere kamers, en ook aan gesprekken met onbekenden die nergens naartoe gingen. Het labyrint van het uitgaan. Wordt een mens daar ooit te oud voor? Alleszins wel voor de katers.

Magdalena en ik praten over geld. Zij die nooit wat tekort kwamen, weten zelden wat geld echt betekent, en zijn altijd zo snel om de rekening te maken van anderen. Ja, als ik nooit gerookt had, had ik met al dat gecombineerde geld al een vette SUV kunnen kopen voor m'n imaginaire familie, maar hoeveel niet-rokers hebben er een vette SUV, dan? Magda en ik verstaan elkaar op dat vlak. Hoe dan ook ben ik niet in de stemming om op de imaginaire pupiter te kloppen over de misverstanden in de wereld.

Al meermaals heb ik m'n liefde uitgedrukt voor de betere lulconversatie. Het is de verbale variant van kinderen die creatief een bal naar elkaar toekaatsen op het speelplein. Het hoeft niet echt over iets wezenlijk te gaan, het moet vooral gesmeerd lopen. Een element van verrassing, hier en daar, een onverwachte domme mop of een dolkstoot: het kan allemaal. Het is een zuiver taalspel dat Wittgenstein trots zou gemaakt hebben, om maar niet Shakespeares 'all the world's a stage' erbij te slepen, want ook originaliteit blijft belangrijk.

Als kind observeerde ik volwassenen graag in hun onderlinge gesprekken. Ik had al snel in de gaten welke strategieën grote mensen hanteerden. Er was een aangetrouwd familielid dat altijd traag praatte, met veel gevoel voor romantiek en retoriek. Er was ook een tante die zich specialiseerde in snedige one-liners, en er was natuurlijk de oom die compleet toondoof was voor wat er gebeurde. Voor hem waren gesprekken vooral een kans om te monologeren over zijn al dan niet ingebeelde verwezenlijkingen. Ik voel me overigens slecht op m'n gemak bij mensen die taalspelen aangrijpen om hun persoonlijke drama's tentoon te spreiden, ook al doen ze het niet opzettelijk. Dito voor wolven aan de rand van de conversatie die niet willen deelnemen aan bredere gesprekken en agressief enkel jouw aandacht blijven vasthouden. Luister, ik heb ook het boek met regels voor goede sociale interactie niet meegekregen bij m'n geboorte, maar door dat gebrek heb ik verduiveld goed m'n best leren doen om bij te benen, dus verwacht niet van mij dat ik een uur foto's zit te bekijken op je smartphone van je voettocht door de Peloponnesos.

Wat ook weer waar is: iedereen maakt zijn eigen verhaal over zichzelf. We zijn wandelende verhalen. De ene ziet zichzelf als de vervulling van een noodlot, de andere als een tragikomedie waar stukken van ontbreken. Iemands wereldbeeld zegt vaak meer over zijn zelfbeeld dan over hoe de dingen werkelijk zijn.

Ik sluit de ogen en voel via de maag, die ook op wandel lijkt te zijn door het lichaam, hoe gisteren zich in vandaag duwt als een kreukelzone van een gecrashte auto. Zo gaat het altijd met de dagen. De ene boort zich in de andere, de regenbui van de nacht laat sporen na in de natte ochtend en het hete zonlicht van vandaag zal er ook nog even over doen om zich terug te trekken uit mijn kamer. Ik koester al jaren de ijdele hoop dat het ritme van mijn dagen zich op een mooie keer eindelijk volmaakt om de contouren van week- en weekenddagen zal kunnen plooien, maar een modelburger zal ik wel nooit worden. Ik steel te graag de uren na middernacht.

Soms denk ik dat de samenleving een zwijgend complot heeft gesmeed tegen mensen als ik. Er is altijd zo veel bullshit waar je je hoort mee bezig te houden: papieren invullen, rekeningen betalen, de auto binnendoen voor groot onderhoud, formulieren en officiële stempels gaan krijgen, vertragingen verdragen van het openbaar vervoer, gedwongen tijd doorbrengen met familie en collega's of simpelweg de almacht van de media, die je langs alle kanten in je oor brullen met nieuws dat er niet toe doet.

Roman vindt me op dat vlak onverdraagzaam en te hard. Ik zeg: het is een bijzondere gevoeligheid om te weten wat er wel en wat er niet toe doet. Het is niet dat alles een explosie moet zijn van zorgeloos genot, integendeel. Het is dat de maatschappij gebouwd is op wat goed hoort te zijn voor de grootste gemene deler, en daar hoor ik niet bij. Het is niet dat ik daar trots op ben. Als tiener had ik niets liever gewild dan normaal zijn, handjes vasthouden met leuke meisjes en goed zijn in voetbal. Ik heb echter al lang aanvaard dat ik niet pas in de mal van tuinmeubelen en reality-tv.

Intussen raakt de drank op en gaan de gesprekken verder over bizarre seksuele handelingen (de Poltergeist, de Steamboat Willie, de Jelly Doughnut) of hoe verleidelijk een carrière als astroloog zou zijn. Er is geen reden tot klagen. Onzichtbaar is Natasha weer maar eens de perfecte gastvrouw en ruimt ze efficiënt de tafel af, terwijl de gasten één na één huiswaarts gaan. Roman onderhoudt me over m'n boeken die hij aan het proeflezen is, en Shinji kijkt uit naar zijn nieuwe kippen op stok zetten en verder zijn balzak te verzorgen waar hij onlangs hete thee over gegoten had. Je bedenkt zoiets niet.

In de laatste stralen warmte van het menselijke gezelschap gaat Odin de huiskater languit op de vloer liggen. Hij kijkt schalks op naar iedereen die om hem heen staat, om ze uit te dagen hem te strelen, waarna hij naargelang zal beginnen spinnen met gesloten ogen, of brutaal zal uithalen met zijn sterke voorpoten. Voor hem bestaan er maar drie soorten dingen: speelgoed, voedsel en kussentjes. Terwijl de laatsten vertrekken, maai ik door zijn pels alsof het mals gras is.

Het wordt weer stil in huis. De cd die tijdens het Chinees eten en de gesprekken nog stomende beats uit 2004 rondstuwde, is afgelopen. Alleen de lichten wachten nog om gedoofd te worden. Morgenochtend is nog zeven uur verwijderd van het moment waarop ik een laatste sigaret rook bij het venster, maar dat voel ik niet. Ik voel het nooit, tot op het moment de wekker afgaat en gisteren en vandaag in elkaar klappen. Tomorrow never comes until it's too late. De fragmenten van herinnering gaan langzaam op hun plaats liggen, en ik weet dat m'n bed op me wacht als een regeneratief bad. Geen nieuwe berichten op de gsm, niemand die me momenteel nodig heeft. Dat is goed. Ik heb alleen mezelf nodig, en zelfs daar twijfel ik regelmatig aan.

donderdag 8 augustus 2013

Anton in Dublin - dag 5

Kogel in de anus

De kortste dag breekt aan. Die dag is gereserveerd voor de National Gallery, een gratis museum. De cultuurtempel zelf is indrukwekkender dan wat hij herbergt. Het hoogtepunt van de kunstverzameling zijn enkele Caravaggio’s die me met verbluffing slaan. Er hangen ook een paar Vlaamse meesters en één van de mindere Picasso’s. Sculpturen van Ierse staatsmannen. In een ruimte waar bezoekers zelf kunnen tekenen, maak ik een clowneske demon met één nephand. Freona maakt een bescheiden karakterstudie van mijn hoofd.

Op straat is het zeer druk. Er zijn vooral jonge mensen. Lucius en ik bedenken een sexy versie van Tetris met commentaarstemmen van Isaac Hayes. Het is zeer warm, wat ook weer een mooie cirkel rond maakt en doet terugdenken aan ons vertrek uit het dampende België. Bij de St. Patrick-kathedraal liggen we loom in het gras en geven we ons over aan de nutteloze, meanderende gesprekken die horen bij een laatste reisdag.

De taxi naar de luchthaven komt er sneller dan verwacht. Ik krijg een klop van de hamer. In de luchthaven zelf is het gelukkig rustig. Het meisje achter de check-inbalie ziet er dodelijk vermoeid uit, zelfs onder haar lagen fond de teint, alsof ze al haar dodenmasker draagt voor een zwaar weekend. Ik word gefouilleerd, maar men vindt niets. Niet dat er iets te vinden valt, tenzij Miss Bucharest als weerwraak voor m’n nachtelijke gesnurk een kogel in m’n anus geduwd heeft.

De Power Rangers hebben zin in goedkoop vertier en slaan roddelboekjes en tabloids in. Natasha geeft met een exemplaar van de FHM, een Engels mannenblad dat ik vroeger graag las. Ik maak er terug kennis mee met terughoudendheid. Het is ongeveer wat ik me ervan herinner: in bepaalde mate wel seksistisch, maar ook met een bredere kijk dan men zou verwachten van zo’n machobastion. Het artikel over voetbal en types mannen op het strand doet me zelfs terwijl we opstijgen, hardop lachen.

Het vliegtuig landt en triomfantelijk trompetgeschal weerklinkt. Het heeft iets zwart: “Hoera, we leven nog!” Ook nog steeds zwart is het avondlijke Charleroi. Zonder omkijken wandelen we voorbij een frietstand, allicht bedoeld om ontheemde Belgen thuis te doen voelen en hen en passant vijf euro armer te maken, maar we hebben al genoeg (mottige) frieten gezien in Dublin.

Op de terugrit kan ik wel ademen. Ik zit namelijk aan het stuur. Als in de tien kleine visjes vallen we één voor één af. Als de koffer thuis opengaat, is er niks dat nog naar vis ruikt.

Anton in Dublin - dag 4

Liefde is... de hele dag naar zijn panfluitmuziek luisteren

Natasha en Freona reserveren de vierde dag voor shopping. Voor de ingewijden in de rituelen en de gebruiken in de shoppingwereld is dat een spannend vooruitzicht, vooral omdat blijkt dat kleren in Dublin een fors stuk goedkoper zijn dan in ye olde Gent. Tiësto, Lucius en ik zijn wat aan ons lot overgelaten. Daardoor beperken we ons tot het observeren van de shoppers in de straat en te schatten hoe hoog de Dublin Spire – een enorme naald in het centrum – precies zou reiken. Ik schat ongeveer 100 meter. Het blijkt 121 meter te zijn. Mensen zijn slecht in hoogtes inschatten van iets dat meer is dan vier meter.

De dienster in een goedkope bistro is geamuseerd door Tiësto’s bestelling van twee spuitwaters voor zichzelf. Ik neem de pizza deal. Er is een bordje frieten bij. De Indische zaakvoerder neemt alles op met een benevolente blik en een glimlach. We wisselen sterke verhalen uit over het uitgangsleven te Gent. Van zware feestjes hebben we in Dublin tot nu toe niet veel gemerkt, maar we zijn dan ook niet gekomen om te feesten, bedenk ik me.

De shoppingstraat heeft ook een zeer persistente panfluitist. Hij ziet er authentiek uit. We vragen ons af wie er in godsnaam graag luistert naar panfluitmuziek. Misschien dezelfde mensen die oprecht vrolijk worden van het kaboutervoetengestamp van Ierse folk. Naast de panfluitist staat er een vrouw cd’s te verkopen. We besluiten al gauw dat het de echtgenote van de muzikant moet zijn. Niemand anders zou de hele dag lang kunnen luisteren naar panfluit. Dat is muziek die je blijft achtervolgen tot op het toilet en tot tijdens seks.

Het shoppen van de dames strekt zich tot voorbij de middag uit. Lucius en ik geven er de brui aan en gaan terug richting hostel, wat een beproeving wordt voor ons gebrek aan oriëntatievermogen. Gelukkig is Dublin niet zo moeilijk te navigeren. Het lijkt ook niet groot. Nochtans wonen er meer dan één miljoen mensen. Misschien is het het gebrek aan hoogbouw, of dat de buitenwijken zich ver buiten het centrum uitwaaieren, zoals bij sommige andere steden op de Britse Eilanden het geval is.

We passeren een café waar uitgepakt wordt met het feit dat zich er een scène in James Joyces klassieker ‘Ulysses’ afspeelt. Het is niet de eerste verwijzing naar Joyce, maar wel de meest openlijke die ik zie. Het plan om de route van Leopold Bloom af te leggen door de stad, heb ik al lang opgeborgen. Waarom zou ik ook? Het Dublin van nu lijkt vooral een samenraapsel te zijn van architecturale beslissingen van na de tijd van Joyce en zijn hoofdpersonage. Ik zou me er ook pretentieus bij voelen.

Buiten aan het hostel maak ik kennis, via Freona, met de Britse sportmannen, die blijkbaar uit Leeds afkomstig zijn. Freona heeft hen onmiddellijk de uitdrukking ‘geil wijf’ geleerd. Hun cynische humor doet me terugdenken aan al die keren dat ik zelf in Leeds was. Ik verontschuldig me voor m’n Zuid-Engelse accent (“yeah, you do sound a bit posh mate”), maar dat vegen ze al snel van tafel door te zeggen dat ze zelf niet eens goed Engels spreken. Het inferioriteitscomplex van Noord-Engeland houdt hen niet tegen van later op de avond te proberen aanpappen met een Frans en twee Zwitserse meisjes.

Ik gebruik de tijd die ik heb gewonnen door mijn ontsnapping aan het woeste shoppen om te lezen. Er overvalt me een langzaam gevoel van melancholie als ik terugdenk aan de buurt waar we zijn, en in de verte enkele mensen die voorbijschuifelen die hier hun toekomstloze leven leiden. Dublin is geen rijke stad. Wat opgeschoond, dat wel, maar zoals men in boerenfamilies het zilver koestert dat bij patriciërs als onopmerkzaam zou gelden. Met m’n ogen volg ik de gang van een sigarettenschooiend boefje. Ik stel me voor hoe de rest van zijn leven er nog zal uitzien. Lelijk is hij niet echt, maar hij ziet er gemeen uit, met harde blauwe ogen die omrand worden door te lange zwarte wenkbrauwen. Ik zou hier niet kunnen wonen.

’s Avonds is Lucius’ gloriemoment aangebroken. Hij heeft zich verzekerd van een plaatsje op een lokale stand-up comedy-avond. Dat vindt plaats in de Temple Bar-buurt, waar tussen hipsters, toeristen en uitgaansvolk ook opvallend veel daklozen rondhangen. In het zaaltje boven de pub zit de sfeer er al onmiddellijk in. De presentator van de avond is een Noord-Ier die praat als een machinegeweer, en de ene grap na de andere het publiek in vuurt. Als buitenlanders moeten we het ook ontgelden (“I know fuck all about Belgium”), vooral als blijkt dat ik niet Natasha’s vriend ben en Tiësto ook niet. Slechts één oude man in het publiek antwoordt positief op de vraag of hij z’n lief op reis zou laten gaan met zijn broer.

Het niveau van de comedians ligt opvallend hoog. Eén man met een grappig krom gezicht doet iets over spraakgebreken en polsstokspringen, en hekelt de onnozele woede van dertigers tegenover jongeren die verkeerd een Kit Kat opeten. Een andere man treitert een Welsh koppel in het publiek (“Oh, people in Ireland love the Welsh! Even though you’ve never done anything for us. You’re not even funny”). Lucius brengt het er goed vanaf. Zijn tempo ligt laag, maar zijn timing is goed. Het publiek kan vooral zijn grappen over hemzelf smaken.

We willen nadien nog wel wat rondhangen in de buurt, maar de meeste pubs zijn dicht. Ook dat is typisch Britse Eilanden, en moeilijk om aan te wennen. ’s Nachts is Dublin mooier dan we gedacht hadden. De straten liggen er proper bij. Er hangt ook niet de dreigende sfeer die sommige grote steden in het donker kenmerkt. Incidenten zijn er niet. In het hostel zetten de mannen van Leeds hun beste beentje voor bij de Zwitsersen.

Buiten – tradities moeten in ere gehouden worden – raken Tiësto en ik nog in gesprek met een innemende Duitse uit Bremen. Ze spreekt zelfs een beetje Nederlands, en zegt dat ze “het sneeuwt” de allerschattigste zin vindt die ze kent. Tiësto en ik proeven het op onze tong en kijken elkaar aan met een lege blik. Vreemd hoe banaliteiten voor anderen exotisch zijn.