Over 'Onklare taal'

'Onklare taal' is de verzamelnaam van diverse tekstprojecten van mijn hand. Dit is de afdeling columns en microstories daarvan. In 2017 bracht ik 'In de vorm van een vogel' uit, een bundeling van de beste 99 teksten van dit genre tot op dat punt, netjes geredigeerd en per seizoen geordend. Je kan die antologie gratis downloaden als je Patron wordt. De weg een beetje kwijt? Mijn eigenlijke website, die ook 'Onklare taal' heet, verwelkomt je.

woensdag 24 februari 2021

Wijsheid

Het is 10u ’s ochtends en ik zit in de nogal bric-à-brac ingerichte wachtzaal van de dienst stomatologie van AZ Jan Palfijn. De eerste keer dat ik dit ziekenhuis bezocht, bijna 20 jaar geleden, was het een aftands hospitaal met donkere gangen, afwisselend groene muren en muren die wellicht ooit wit of ecru waren geweest maar tegen dan al grijs- en beigegerookt waren. Nu is het een modern ziekenhuis als een ander. Maar in een wachtzaal zitten verandert fundamenteel nooit. Het is altijd onaangenaam, potentieel eindeloos, onnuttig en soms ook een treffen met medemensen die je instant ergeren. Hier liggen zelfs geen Libelles uit 2016 om de tijd mee te verdrijven.

Ik moet op pre-consult om een afspraak te maken om mijn wijsheidstanden te laten weghalen. Gelukkig zijn die alle vier uitgekomen waardoor de operatie niet al te ingrijpend zou moeten zijn en het is ook (nog) geen acuut probleem, al zei de tandarts twee jaar geleden al dat ik er gaatjes in begon te krijgen en dat ik ze dus best preventief laat verwijderen. Niet elke mens heeft ze alle vier, sommige mensen hebben er zelfs geen (35%, lees ik). Ik vroeg aan de tandarts lachend of dat betekende dat ik primitiever was, en ze zei doorernstig “ja, wellicht wel.” Gelukkig heb ik geen rugtapijt of teruglopend voorhoofd, denk ik dan maar.

Een half uur te laat roept de assistente van de stomatoloog mij naar binnen. De man zelf ziet er vermoeid uit en verontschuldigt zich voor het verplaatsen van de afspraak, die normaal deze namiddag zou zijn. Deze namiddag krijgt hij immers zijn coronaprik. Het zij de man gegund. Alle kleine prikjes helpen ons vooruit, want de hele wereld staat in overdruk, nog meer dan normaal en bovenop de druk om te presteren, te renderen en interessant te zijn. 

Waar moet al die stress heen? Er zijn mensen die furieus de hele dagen vingerwijzen: het is de slordige overheid, het zijn de asocialen, het zijn de doempredikende virologen, het zijn de perfide media, het zijn de zure bejaarden of de nonchalante jongeren, het zijn boomers die een jaar in de pandemie nog altijd met hun lulneus uit hun mondmasker lopen, het is iedereen buiten henzelf. Dan heb je de klagers: waarom mag ik dit niet, waarom mogen zij dit wel? Dan zijn er nog de redders des vaderlands, mensen die altijd een griezelig soort optimisme lijken te bewaren tegen beter weten in of vinden dat het hun publieke taak is om de mensen wat op te vrolijken. Als laatste is er een amorfe groep waartoe ik zelf behoor, denk ik: ik probeer dit kruis zo veel mogelijk in stilte te dragen, te doen wat ik kan om aan zelfzorg te doen (en daar frequent in mislukken), en de rest te negeren.

Even later zit ik weer in een wachtzaal, samen met twee dames waar ik daarnet al in de eerste wachtzaal mee zat, een koppel klagers die het hospitaal beschuldigen van hebzucht en egoïsme, wat waarschijnlijk meer zegt over henzelf dan over het ziekenhuis. Ik vul een pre-operatieve lijst in – ik ben nog nooit eerder onder narcose gegaan en nog nooit geopereerd. Het is toch een serieuze boterham, die lijst. Ik probeer me alle medicijnen te herinneren die ik moet nemen, met hun onmogelijke namen. Vroeger zou ik er sneller op gekomen zijn, maar ook mijn geheugen is langzaam aan het wegmalen onder de molensteen van de tijd, net als al de rest. Ik kan overigens nog altijd niet klagen over datzelfde geheugen. Ik kon me onlangs bijvoorbeeld nog alle namen herinneren van leraars die ik had gehad in de middelbare school, alles in totaal zo’n 50-tal mannen en vrouwen. Je iets herinneren is overigens ook zeker niet altijd een zegen. Door dingen te willen weten, zijn we verbannen uit het Aards Paradijs, wijsheidstanden en al.

Rond de middag rust ik even uit op een bankje aan de Watersportbaan. Een fit jong koppel doet er oefeningen die het midden houden tussen fitness en yoga. Ik kijk in het water. Wat zou er gebeuren als je al het water in de Watersportbaan zou vervangen door urine? Dan blijft het gewoon de Watersportbaan, maar van een ander type watersport. Kan de Watersportbaan overstromen bij aanhoudende regen? Daar bestaan zeker berekeningen voor, wat me doet denken aan de uitspraak van zo’n positivist die zei dat wetenschap superieur is aan religie omdat je met wetenschap altijd tot dezelfde conclusies komt, ongeacht je achtergrond, geslacht of taal, terwijl dat niet geldt voor religie. Wat kort door de bocht, vind ik. Je kan ook een perfect uitgebalanceerd dieet van astronautenvoeding in een soort pap naar binnen spuiten en gezond zijn, veel gezonder dan als je elke week een pakje frietjes met mayonaise eet, maar mag er ook iets fijn zijn? Religie lenigt een andere nood. Voor sommige zelfverklaarde euforische fedoradragers en sciëntisten heeft de idee van wetenschap trouwens zelf de plaats van een religie ingenomen, waarin onkritisch vooral de “wetenschappen” worden uitgedragen die al passen in het ideologische kraam van de volger, met onzin tot gevolg als evopsych en het godcomplex dat veel ingenieurs aangepraat krijgen.

Ik strijk met mijn tong langs mijn tanden, de wijsheidstanden inclusief. Die tanden hebben me alleszins niet wijzer gemaakt, moet ik zeggen. Wijsheid kan je overigens niet claimen. Je kan het je laten aanpraten, maar of het waar is of niet, is uiteindelijk een mysterie. Wat het alleszins niet is, is betweterigheid. De pandemie is een oefening in proberen zien wat werkt en daarop voortborduren. Vind ik dat sommige mensen met grote verantwoordelijkheden hier serieuze blunders hebben gemaakt? Absoluut, en dat die nog niet geroyeerd zijn is stuitend. Maar zouden de roepers en klagers het allemaal zelf zo veel beter doen? De kans is zo goed als nihil. Ik adem diep uit onder de vroege lentezon en in de verkoelende bries. Veel beter wordt het niet meer vandaag.

vrijdag 20 november 2020

Pirouettes in het park

We zouden graag willen dat het leven eerlijk is (of geloven dat het eerlijk is omdat we ons goed voelen), maar dat is het niet. Het is bijvoorbeeld niet eerlijk dat ik makkelijk en snel dingen kan onthouden en van vrij complexe informatie een synthese kan maken. Het is bijvoorbeeld evenmin eerlijk dat ik soms alle moeite van de wereld lijk te moeten doen om niet domweg kopje onder te gaan terwijl anderen over water kunnen wandelen. Er is geen menselijke wetmatigheid die arbeid en energie koppelt aan resultaat. Je kan je hele leven een perfect parcours afleggen met je auto en toch nog na 50 jaar door één simpele onoplettendheid eindigen als koude paté tegen een vangrail.

Op het werk zijn we intussen net een maand weer collectief in telewerk gegaan. Anders dan de telewerkperiode tijdens het voorjaar zijn er nu minder mogelijkheden om te gaan wandelen die je eigenlijk niet nog meer deprimeren. Sommige avonden lijk ik buiten mezelf te leven. Ik slaap erg weinig en zeer onderbroken, telkens met dromen die meer weg hebben van een mislukte visioenqueeste dan wat anders. Ik wil gerust optimistisch zijn inzetten op allerlei lifehacks (“zing een liedje terwijl je kookt!”, “denk elke dag aan wat je dankbaar terwijl je het patattenhoofd van Jan Jambon visualiseert!”, “probeer cybersex op LinkedIn!”), maar het zijn uiteindelijk ook maar pleisters op zo veel houten benen.

Twee maand geleden verscheen mijn eerste roman in boekvorm. Een volkstoeloop had ik niet verwacht, en doordat het lanceerevenement eerst node uitgesteld werd en dan nog eens uitgesteld, zijn er buiten het digitale niet echt gelegenheden geweest om er als marktkramer mee geboren te worden. Ten andere ben ik natuurlijk niet de Eddy Wally van de literatuur en is een roman nog iets anders dan een handtas. Misschien dat een innoverende kruisbestuiver daar wel raad mee weet - een boek dat ook handtas is en omgekeerd. Rapporten sijpelen binnen van de eerste lezers. Die zijn tamelijk gelijkaardig. Leest als een trein, dat boek. Eigenaardige muziekkeuze. Geslaagde sfeerschepping. Hier en daar een kleine uitschuiver, wat ik uiteraard afschuif op een gebrek aan een redacteur met een andere naam dan Anton Voloshin en diens vrienden.

Iemand zei me onlangs dat ze achterwaarts de toekomst in wandelt. Ik draai meer slordige pirouettes maar verleden noch toekomst geven me bijzonder veel hoop. Intussen ben ik gewoon fysiek wandelend, op een zo normaal mogelijke manier, tijdens mijn middagpauze naar buiten gegaan om over het natte gras te wandelen van het plaatselijke park. Vanuit twee schoolpleinen in de verte hoor ik gejoel van kinderen, voor de rest zie ik enkele lopers en een paar neerslachtige medioren met te grote honden. Sommige mensen denken dat het gouden tijden moeten zijn voor schrijvers die niet moeten leven van hun cultuur, maar dat klopt niet. Er moeten dingen gebeuren om de machinerie in gang te zetten, en het idee dat je in principe een miserabel leven moet leiden vol liederlijkheid en gebroken harten is al even onnozel. Ten eerste: er zijn massa's veel ongelukkige mensen die niet willen schrijven en er zijn veel trieste mensen die het wel willen maar die het niet kunnen. Ten tweede: inspiratie kies je niet, maar je kan wel je akker zo bemesten dat de kans groter wordt dat er iets anders op gaat groeien dan vreemd haar en rattenstaarten.

Het cliché van de rauwe artiest is ook maar een bourgeois construct. Je kan daar het positieve van inzien, zoals Kamagurka die stelde dat mensen naar kunst komen kijken om te begrijpen dat ze zeker niet alleen zijn met hun rare gedachten en gevoelens die ze zelf niet altijd durven uiten of gebruiken, maar je kan het eveneens zien als een diffusie – als een kunstenaar voldoet aan het beeld van een marginale halve gare, dan bevestigt dat enkel een al heersend vooroordeel en hoeft men niet echt diep na te denken over wat die te zeggen heeft. Neem het van mij aan dat dat een duivelspact is waar vooral prutsers die niks te vertellen hebben wel bij varen. Ieder zijn plek onder de zon, zou je dan zeggen. Maar waar is de zon vandaag, verdomme? Wellicht op 1AU afstand, zoals gewoonlijk, maar ze laat zich niet zien door de laag stopverf die over de wereld geschilderd lijkt.

Binnen enkele maanden ziet dit park er net zo uit als het nu is, enkel met volledig kale bomen en nog wat zompiger gras. Ook ik zal niet radicaal veranderd zijn, omdat verandering ons besluipt en zelfs als die in grote sprongen lijkt te komen, achteraf bekeken niet te vangen valt in één eerste begin van een vlindereffect. Maar je moet ergens iets mee kunnen, leven in een stroperig, viscoos soort nu is onhoudbaar voor je dagelijkse definities. Zoals een zenmonnik ooit ergens schreef, in het begin dacht hij dat bomen bomen waren, bergen bergen en de wolken de wolken, toen hij meer leerde wist hij dat de bomen geen bomen waren en zo verder, om tenslotte toch te begrijpen dat bomen ondanks alles bomen zijn.

Zo ook: het is beter te aanvaarden dat de wereld niet conformeert aan mijn idee van recht en onrecht, maar dat neemt niet weg dat je niet voor een betere plek kan strijden. Dan mag het ook af en toe dat ik even moegestreden in een park wil gaan zitten en me verdrietig voel door die overdaad aan introspectie. Ach wee, ach ik, ach dommekloot van 37 die er blijkbaar zelfs niet in slaagt zich volop te wentelen in zelfmedelijden. Of is dat juist volwassen zijn.

zaterdag 15 augustus 2020

Schim op de schuimkop

Na een kleine drie weken verlof en met als aanloopje een paar dagen thuiswerk, bevind ik mij weer op kantoor. Hier is airco, een luxe als het buiten zo drukkend warm is dat ik het gevoel krijg dat mijn gedachten zelf verdampen. Tijdens mijn verlof is de wereld er alweer niet beter op geworden. Zelf ben ik twee lelijke muggenbeten rijker, al zou ik het liever hebben over mooie dingen, want die bestaan ook. De reden daarvoor is dat ik er simpelweg de pest in heb te klagen over dat waarover iedereen klaagt, dat het niet helpt als ik boos word over alles wat misloopt en dat ik enkel maar de zoveelste druppel schuim ben op een schuimkop in de woeste zee van de mensheid.

Hoe makkelijk ik het ook vind om op te komen voor anderen, hoe veel geweld ik me soms moet aandoen om op te komen voor mezelf. Dat kan gaan over kleine dingen. Zoals zeggen: "nee, dat gaat niet" tegen een vriend of vriendin. Of zoals mijn kaarten op tafel leggen tegenover iemand waar ik nu al maanden berichten mee aan het uitwisselen ben maar slechts één keer kon zien. Plaats innemen zonder direct een veroveraar te zijn door de clown uit te hangen, plaats afstaan zonder op te lossen in het niets, zoals op mijn nachtelijke zwerftochten vroeger.

Ik baalde er deze ochtend van om te moeten opstaan om zes uur, maar het was wel fijn om eens buiten te komen in iets koelere buitenlucht. Het gras in de berm was gemaaid en het was rustig op straat. Ik weet beter dan deze micro-snapshot van eenvoudig, kalm en leuk, maar heb ik zo veel andere dingen om me aan op te trekken? Ik kan een groot deel van mijn vrienden voor God weet hoe lang weer niet zien, mijn liefdesleven voelt aan als de laatste vonkjes die uit een lege aansteker geperst worden met een pijnlijke duim, en voor de rest lijkt het alsof ik leef in stroop.

's Middags eet ik een koud slaatje uit de Spar. In de late namiddag stroomt het zweet uit alle poriën terwijl ik op het tereinperron hoop om een zuchtje wind te vangen. Mijn oog valt op het skelet van een vogeltje tussen de rails. "Birds flying high you know how I feel," denk ik, maar ik denk niet aan de versie van Nina Simone, omdat de eerste versie van die tekst die ik leerde kennen van Viper was, een Belgisch clubhouse-project uit de late jaren '90. Op de trein vermijd ik een wagon joelende Brusselse kinderen en denk ik in een tussengedeelte wat meer rust gevonden te hebben.

Ik blijk echter in het gezelschap te zitten van een jonge vrouw die de hele treinrit haar lief op andere gedachten probeert te brengen dan de relatie te beëindigen. Onderhandelen, het tweede stadium van de rouw. Ik heb het ook nog gedaan, altijd vergeefs. Nog erger is als de andere partij, waar het in dit geval ook op lijkt, niet eens wil of kan zeggen wat die dan wél wil. Emotionele geletterdheid, gooi het ook maar in de eindtermen van ons overbevraagde en onderpresterende onderwijs.

Het landschap laat zich lezen als kilometerpalen op een autostrade: hier dat oorlogsmonument, daar die kluit doorzonwoningen, in de verte die toren die me zegt dat we binnen een kleine 10 minuten de Gentse agglomeratie zullen binnenrollen. In het felle zomerlicht ziet alles er tenminste mooi en helder uit, behalve mijn gedachten. Je kan hetzelfde zeggen van een winterzon. Tijd is een illusie, maar ik word wel ouder. Ik ben al lang geen gave Enceladus meer maar een verweerde Ganymedes, voor wie tuk is op astronomische vergelijkingen.

Het meisje naast me is nog altijd haar noodlot aan het tegensmeken als ik uit moet stappen. Mijn mondmasker knapt los aan één kant en als een stoethaspel moet ik de trap af met mijn rechterhand tegen m'n oor. Ik besluit niet te wachten op nog maar eens een bus, maar trakteer mezelf op een taxi. De chauffeur is een zwijgzame, kale man. Ook daar ben ik dankbaar voor. Soms zijn palliatieve zorgen de enige zorgen waar we troost in kunnen vinden.



dinsdag 19 mei 2020

Waar de fuck is jouw Ferrari dan?

Ik heb geluk. Ik woon in een wijk in Gent waar vrij veel groen is, waardoor ik op mijn dagelijkse wandeling (#wandeltje) door lang gras kan slenteren, tussen de bomen kan kuieren en zelfs dromerig kan uitkijken over kleine meertjes, beekjes en als het moet de Brugse Vaart. Ik behoor tot de middenklasse in een wijk die overwegend ook uit middenklassers lijkt te bestaan. Toch herken ik ook direct armoede als ik die zie. Niet enkel aan de marginalia die je op het zicht associeert met armoede, zoals slechter zittende kleren, meer decibels of het occasionele blikje Cara Pils, maar ook omdat ik zelf aan de onderkant van die middenklasse zit, en dat al mijn hele leven. Laten we het een ‘paydar’ noemen. Een cynicus kan opmerken dat dat een makkelijk talent is om te claimen omdat er zo veel armoede is en armoede zelfs in een land waar we het relatief goed hebben, al jaren toeneemt.
 
Ik groeide op in een omgeving met veel groen, net als hier, maar ongeveer 15 kilometer buiten Gent, in een dorpskern met buurtwinkeltjes, fietsgelegenheid voor het hip was om daar actief werk van te maken, en twee cafés waarvan er één zo schraal was dat het niet eens een officiële naam had. Bij mij thuis was er geen onmiddellijke armoede, maar elke cent werd omgedraaid en in twee gebeten. Sommige dingen waren er voor mij simpelweg niet bij, zoals deelnemen aan bepaalde schoolreizen naar het buitenland, dure cadeaus krijgen op communies of verjaardagen, of merkkledij. Ik vond dat minder erg dan mijn moeder dacht. Wat me veel meer stoorde, was hoe andere kinderen en jongeren van rijkere komaf steeds met ongeloof reageerden als ik zei dat ik voor iets “geen geld” had. Hoe kon da nu?
 
Want: we hadden thuis diverse spelconsoles! Vervang het door een smartphone, een televisie of een nieuwe auto, en daar heb je dat eeuwige, domme argument tegen financiële onzekerheid: “geef toch geen geld uit aan X, dan zou je Y kunnen doen!”. “Als je niet zou roken, had je al een Ferrari kunnen kopen van al dat geld!” Ja, en waar de fuck is jouw Ferrari, dan? Als je financiële moeilijkheden hebt, moet je blijkbaar al vol zweren staan, in lompen gekleed zijn en beschuit eten met wormen vooraleer je je mag verheugen op het superieure medelijden van anderen. Bovendien zijn veel mensen die worstelen met geld ook mensen met trots die nog liever zouden creperen dan armoede uitdragen.
 
Ik ga zitten op een bankje. Al snel krijg ik gezelschap van een aantal muggen. In de verte is een nogal aangepaterneerd gezin aan het ravotten op het grasveldje. ‘Aangepaterneerd’ is een Gents woord voor iemand die slecht gekleed is, letterlijk aangekleed door de paters. Hopelijk dan wel niet de blote pater, die nog altijd met zijn fier zichtbare bobbel zijn sokkel betrekt in het Rabot. Onlangs had iemand hem voorzien van een giletje en een gedicht.
 
Het is niet dat ik veel beter ben dan die mensen die neerkijken op armen en marginalen, eigenlijk. Ook al een gevolg van niet echt arm maar niet écht middenklasse te zijn. Ik erger me vaak aan wat men gemakshalve catalogeert als marginalen. “Het is toch niet omdat je arm bent, dat je onbeleefd moet zijn?”. “Het is toch niet omdat je geen opleiding hebt gehad, dat je je zo lelijk moet kleden of je kinderen Shanaya en Kayden moet noemen?”. Ik heb niet veel, maar ik ben tenminste niet als ce gens là, monsieur. Dezelfde reflex ligt volgens mij aan de basis van de gemeenheid waarmee sommige politici die zelf in armoede opgroeiden, armen nu behandelen. “Ik heb het gemaakt, waarom jij dan niet?”

Mijn ouders waren niet hoogopgeleid, maar wel verstandig, en samen zorgden ze ervoor dat mijn broers en ik konden studeren. Ik werkte ’s zomers en soms tijdens het academiejaar. Wie overigens denkt dat een diploma gelijk staat aan intelligentie, is wellicht zelf niet erg snugger. Donald Trumps schoonzoon Jared Kushner, die levende buikspreekpop die gemodelleerd lijkt naar een kind van 8 dat plots 40 geworden is, heeft ook een diploma. Niet dat dat diploma me materieel enorm vooruit geholpen heeft trouwens, het zorgde er alleen voor dat ik zelf niet armer ben geworden dan hen. Ook diploma's hebben last van inflatie. Het is een gevoel dat ik al mijn hele leven moet slikken: alle zeilen bijzetten simpelweg om te kunnen standhouden, niet om per se vooruit te gaan. En elk foutje betaal ik onmiddellijk cash. Terwijl een mocassin- en polodragende dijkflaneerder in Knokke-le-Zoute eens lacht met een zware verkeersboete en de koers checkt van zijn aandelen in Amazon.
 
Ik verhef me van het bankje na een sigaret en sluip terug de bosjes in. Ik volg het aanbevolen pad niet, maar nergens staat dat je niet gewoon tussen de bomen door mag lopen. Het peukje zit trouwens al netjes in een vuilnisbak, dus niemand die me kan bekritiseren. Ik slof door dode bladeren en kijk omhoog door de takken en het loof naar een mooie open lentehemel. Er zijn ook positieve kanten aan dit soort bestaan leiden. Door tussen twee stoelen te vallen heb ik, denk ik, een redelijk goed begrip van die twee stoelen. In het diepst van mijn gedachten ben ik gewoon een tooghanger die toevallig een woordenboek of drie ingeslikt heeft, niet meer en niet minder. Uitgerolde yogamatten benader ik als schuwe kat en de cultussen van quinoa, mager vlees en kombucha zuigen spontaan alle levensvreugde uit mijn lichaam. Maar zij zullen vast het laatste en het beste lachen als ik tegen m'n 55 ten grave gedragen word.
 
Net zo goed kijk ik met ergernis en woede naar de parade aan figuren die we moeten tolereren die zich laten voorstaan op hun volksheid. Ik denk niet dat er een type vreugdelozere volksnationalisten bestaat dan Vlaams-nationalisten. Wie heeft er nog hernieuwbare energie nodig als de rancune van die lui een heel land kan aandrijven? Daarbij gaan ze prat op hun völkische Empfindlichkeit, terwijl ze vooral lijken te vinden dat de modale Vlaming zich best nog doodwerkt, zijn bek houdt en mee moppert over de volksvijand du jour, terwijl de heren en dames promoveren op hun plutocratische boertigheid. Ook Vlaams Belangers, die steeds de mond vol hebben over zorgen voor de gewone (lees: witte) Vlaming, stemmen steevast tegen elk initiatief om het lot van die Vlaming te verbeteren. Terwijl ze in het pluche geen klop uitvoeren voor een riante gage.
 
Ik wandel een brugje over en hou halt om een koppel joggers ruim baan te geven. We glimlachen naar elkaar zoals witte Vlamingen dat doen – van je mond een streep maken maar je mondhoeken niet echt naar boven trekken, want dat is misschien al te vrolijk. Ook dat voordeel heb ik, door mijn jeugd gemarineerd te zijn in het Gentse stoofvlees, dat ik al onze sociale codes ken als een tweede huid.
 
Als ik klaag over de economische ongelijkheid in dit land en iemand merkt op dat België een vrij lage inkomensongelijkheid heeft, denk ik aan die cartoon waarin een takken zeulende, afgeleefde Middeleeuwse boer zegt: “ik vind dat we de dingen hier toch wat kunnen verbeteren”, terwijl uit een waterput een gladjanus opduikt die zegt: “en toch leef je ook in deze maatschappij! Ik ben heel erg slim.” Wel ja. Ik passeer aan het eclectische kasteeltje van Claes-Bouüaert, en vraag me af waar de gemiddelde arbeider aan dacht bij het zien van zo veel protserige weelde die gebouwd was op zijn rug. Want het beeld dat arme mensen op zijn best ongelukkige sukkelaars zijn en op zijn ergst asociale potverteerders, is een handige goocheltruc die moet verbergen dat het vaak juist die armen zijn die de rijkdom hebben gebouwd van de rijken.
 
Je mag als ondernemer nog zo’n geniaal idee hebben, als er niemand is die het uitvoert, dan sta je daar. Wat zou Jeff Bezos zijn zonder die duizenden onderbetaalde werknemers die zijn pakjes stapelen en transporteren? Ik las onlangs ergens dat Bezos elke maand een miljoen dollar zou kunnen uitgeven van de steentijd tot nu en nog altijd miljonair zou zijn. Hoe iemand dat ethisch kan verantwoorden zonder een ronduit psychopathische levenshouding te promoten, ik weet het niet.
 
Diagonaal ga ik over de Zomerliefweide terug naar huis. Het gras staat lang en de pollen zijn talrijk. Pre-lockdown kwamen hier elke zondag Dominicanen (denk ik?) baseball spelen. Nu zijn er slechts ouders en kleine kinderen en het occasionele tienerkoppeltje. Waar is de tijd dat mijn hoofd niet zo zwaar woog. Ik heb tenminste zelf geen kinderen waar ik me zorgen over hoef te maken en ik ben nog niet oud genoeg om me er zorgen over te maken dat er geen zullen zijn die zorg van mij zullen dragen, later. Ik heb gelukkig alweer bijna een maand overleefd zonder al te veel kleerscheuren.

donderdag 23 april 2020

De gewoonlijke dipshits

Lockdown en quarantaine lijken op het eerste zicht godsgeschenken voor een klagende schrijver die altijd klaagt dat hij niet genoeg tijd heeft om te schrijven, maar dat is niet helemaal juist, voornamelijk omdat een klagende schrijver in de eerste plaats graag klaagt en het object van de klacht er niet zo veel toe doet. Er zijn voor mensen die houden van literatuur met grote of kleine L overigens wel degelijk voordelen aan een periode van zonnig weer, weinig verplaatsingen en geen bezoek. Een doelloze wandeling hier, een boekje lezen daar, videobellen met wie je anders zou moeten zien in een café waar je op het einde van de avond onnozel geschreeuwd buiten komt.

Maar er gebeurt ook weinig dat inspireert omdat de pauzeknop is ingedrukt door de dikke vinger die zichzelf het noodlot noemt. Geduld is een deugd als je ligt te wachten in het kreupelhout op een vette mammoet die zal langskomen, maar als je weet dat er geen mammoeten meer zijn, wat moet je dan doen? Er zijn geen toevallige ontmoetingen meer of geen onverwachte cadeaus. Wat recent nog het dichtste in de buurt kwam was een zakje paaschocolade en een kaartje dat aan mijn deur afgezet was door een mysterieuze ‘Juanita’, maar dat bleek uiteindelijk bestemd voor mijn bovenbuur. Geen zwoele mysterieuze Latijns-Amerikaanse aanbidster voor mij dus.

Mensen willen liever bij elkaar zijn, of er toch liever voor kunnen kiezen om dat te doen. Ik merk dat als ik naar de winkel wandel, vrouwen in het voorbijgaan anders kijken naar me dan vroeger. Of ik ben het misschien zelf, met mijn geprojecteerde augmented reality waarin alles een aura krijgt van aantrekking en seks (“I was looking back at you to see you looking back at me to see me looking back at you,” als in ‘Karmacoma’). Sommigen beweren dat we binnen een kleine 9 maand een babyboom zullen zien, maar ik denk dat als dat zo zal zijn, dat die zich als de staart van een komeet zal uitstrekken tot nog ver voorbij de 9 maand na de coronacrisis.

Begin januari zat ik naar het nieuws te kijken bij het avondmaal en dacht ik “dus zo gaat het allemaal beginnen,” terwijl elke dag slechter nieuws kwam uit Wuhan. Voor je mij voorspellende gaven toedicht: ik heb diezelfde gedachte gehad tijdens de NAVO-bombardementen op Servische stellingen in Kosovo in 1999, de dubieuze herverkiezing van George W. Bush in 2004 en het vermeende gaslek in de kelder van mijn appartement in 2013. Toch heb ik de maanden sinds de uitbraak van het coronavirus niet beleefd als apocalyptisch, daarvoor blijkt mijn positie in de sociale pikorde vooralsnog iets te sterk en lijkt de socio-economische cohesie van ons land te stevig, tot spijt van reactionairen die wellicht likkebaardend zaten te wachten op het ineenstorten van België en de krijgswet.

Nee, het meest ergerlijke aan dit alles is nog de banaliteit ervan. Mensen proberen zo goed en zo kwaad als het kan hun leven verder te zetten en te slalommen rond de beperkingen die er zijn. De meerderheid volgt de adviezen van de experts en de politieke leiders op, zij het knarsetandend. Er is geen spektakel. Geen grote, inspirerende leider die opstaat aan wiens voeten ik mijn zwaard wil werpen, geen antichrist waartegen ik van leer wil trekken buiten de gewoonlijke dipshits in hun gewoonlijke blauwe dipshitkostuums met hun gewoonlijke bruine dipshitschoenen. Er is geen strijd om te overleven, enkel een eindeloze zondag op een onbewoond eiland waar niemand me komt omhelzen, waar ik door niemands haar kan strelen en waar ik zelfs geen vriend een hand mag geven. Het is een beetje triest, maar niet inspirerend.

Misschien is het dat, dat we allemaal zijn teruggebracht tot onze ware proporties. De mopperende middenstander, de ploeterplusmama, de boze syndicalist, de mensenhater, de scheefpoepende papa en de misnoegde schrijver. 

Zoals gewoonlijk is de enige muze die me werkelijk uit deze schutskring kan krijgen, de muziek. Ik klamp me vast aan het goede oude gebonk van de late jaren ’90, sommige keldermetal uit de vroege jaren ’00 en de kohl-oogklassiekers van de jaren ’80. Van lieverlee zou ik zelfs durven overwegen om mijn pen aan de haak te hangen en terug te beginnen met platen door elkaar te haspelen met meer enthousiasme dan kunde. Maar zo verlangend naar vrijheid voel ik me nog niet, dus kijk ik nog eens naar de beelden van de musicerende Doof-krijger uit ‘Mad Max: Fury Road’ die aan een staak bengelt met een vlammen spuwende gitaar, tegen een achtergrond van enorme woofers. Dat is pas apocalyptiek. Niet de banale killer van corona, die weliswaar tienduizenden mensen heeft geveld, maar ons voorts intact laat in onze stinkende sokken en ons ondergoed dat we al twee dagen dragen. Misschien is dat wel iets om blij over te zijn.