Over 'Onklare taal'

'Onklare taal' is de verzamelnaam van diverse tekstprojecten van mijn hand. Dit is de afdeling columns en microstories daarvan. In 2017 bracht ik 'In de vorm van een vogel' uit, een bundeling van de beste 99 teksten van dit genre tot op dat punt, netjes geredigeerd en per seizoen geordend. Je kan die antologie gratis downloaden als je Patron wordt. De weg een beetje kwijt? Mijn eigenlijke website, die ook 'Onklare taal' heet, verwelkomt je.

dinsdag 15 maart 2022

Spaß an der Arbeit

Ik sluit zachtjes mijn laptop en leun achteruit. Er is weer een werkdag voorbij en straks maak ik eten aan de hand van een weekmenu, een volwassenmensenitem waar ik me al jaren van had voorgenomen het te maken, maar het pas vorig weekend ben beginnen doen. Daarna strekt zicht een avond uit met weinig plannen. Dat is zeker niet slecht, want meer dan de helft van de keren dat ik 's avonds nog buiten kom, kost het me moeite om mezelf over de drempel te duwen (of te rollen, met mijn komieke vouwfietsje). Aan de andere kant, die avonden die ik opeis voor mezelf, wat doe ik daar eigenlijk mee?

Al maanden schrijf ik bijna niets meer - relatief gezien, want in vergelijking met sommige andere schrijvers heb ik alweer een half oeuvre bij elkaar geschreven. Maar het is dan ook geen race. Ik verwonderde me er vandaag over hoe snel de voorbije vijf jaar zijn gegaan en hoe ver significant positieve, inspirerende of simpelweg gelukkige herinneringen zich terug clusteren. Het is niet dat er na 2017 niks fijns meer gebeurd is in mijn leven, het lijkt er eerder op alsof er een zichzelf oneindig delende staat van ongenade gekomen is waarin er voor elk positief feit telkens twee negatieve meereisden. Een spoedig herstel van iets wat een lang aanslepend gezondheidsprobleem had kunnen zijn dat vergezeld wordt van een plotse monsterbelasting en een jobverlies. Een erg fijne eerste date waarop onmiddellijk een dood huisdier volgt en een pijnlijke rechtsgang. Meer kunnen thuiswerken, maar - en je voelt 'm al komen - het moest gebeuren middenin de eerste pandemie in 100 jaar waarin de fiscale duimschroeven bij de werkende single nog wat harder werden aangedraaid.

Ik en vele anderen met mij zijn boksballen geworden. We moeten almaar incasseren. De gevolgen incasseren van beslissingen die gemaakt zijn door dictators die dromen van hun eigen glorie, maar ook die van het legioen dommeriken, beunhazen en middelmatigen dat in de stratosfeer wordt gekatapulteerd eens ze een microfoon onder hun neus krijgen of een column in de krant. Wat we zelf verkeerd doen, daar dragen we ook nog altijd de gevolgen van, natuurlijk. Responsabilisering bestaat er enkel voor wie al weinig heeft. De lijnen zijn allemaal afgevlakt. Mogelijke inreiswegen in de literaire wereld zijn dichtgeslibd. Ik heb geen paniekaanvallen meer, overslaap me nog maar zelden en zou mezelf niet direct depressief noemen, maar er is veel vreugde die weg is, veel radeloze kwaadheid die in de plaats gekomen is. Ik ben ouder, zwaarder en armer geworden, maar niet veel wijzer. Maar laat dit niet mijn Klaagmuur zijn, ook al ben ik aan geen mens verplicht hierover te zwijgen.

Dingen die recent aanvoelen, blijken plots al vier jaar geleden. De tijd zelf is een stroperige rivier geworden waar elke nieuwe oever lijkt op de vorige, of er een ergere versie van is. We waggelen precies al zo lang op het randje van de totale ineenstorting dat we eigenlijk niet meer opkijken van de zoveelste zot die op het nieuws zijn of haar eigen complottheorie mag verkondigen, dode kinderen en nominaal democratische politici die armen, zieken en minderheden bejegenen met kille onverschilligheid of pesten met een sadistisch genoegen. Het is ironisch dat waar ik 15 jaar geleden elke dag zo tegen op zag, tegenwoordig mijn meest stabiele bron is van vreugde: mijn werk. Ik kijk naar het dunne laptopje op zijn verhoog, nu al bijna twee volle maanden mijn compagnon op de nieuwe job. Het is er vaak druk, maar die drukte helpt om het spinrag in mijn hoofd weg te blazen, en bovendien kan ik competenties verder ontwikkelen die wat lagen te sluimeren. Dat alles met kantoordagen waar vers brood is 's middags, en het station gezellig dichtbij. Treinen zien aankomen en vertrekken doet altijd een beetje dromen. Of neem nu het rendez-voushotel naast ons kantoor, steeds met stug gesloten gordijnen en rolluiken, maar een fascinerende wereld vlak naast de deur.

Op een andere job moesten een collega en ik indertijd erg hard lachen met een Duitser die we op LinkedIn waren tegengekomen, een man van middelbare leeftijd met een strenge, vierkante kop en een grote kin, die bloedserieus in de lens keek. Bij zijn profiel stond: "Mein Motto? Spaß an der Arbeit." Een type dat wellicht met zijn mond in een überneutrale streep na een goede grap zou zeggen: "Das war lustig, Ulli. Aber jetzt wieder die Betriebserfolge, bitte." En toch, der Spaßmacher had geen ongelijk, en plezier beleven aan je job is nu ook niet elke dag schuddebuiken van het lachen. Het ligt soms verscholen in kleine dingen zoals een gesprekje aan de koffieautomaat, een complimentje of een nabespreking van hoe het bij een klant was.

Ik maak mijn elektrische waterkoker schoon door die te ontkalken met azijn. Als ik de laatste jaren al iets ben geworden, dan is het een veel betere huisvader, ondanks de afwezigheid van een gezin. Als weleer ontvang ik nog altijd graag mensen. Feestjes zijn er niet echt meer, en interesseren me ook niet zo veel meer. Ik had altijd gedacht dat ik die vrijgekomen tijd, met minder verplichtingen dan ooit, zou opvullen met literatuur en noeste schrijfarbeid, maar het tegendeel is waar. Ten andere heb ik er tijdens de pandemie een manuscript uitgeperst, dus laat ik ook niet te veel aan katholieke zelfkastijding doen omdat ik niet drie boeken heb geschreven in plaats van één, maar aan dat manuscript is nog heel wat redactiewerk. Het boek speelt zich ook hier af, in dit appartement, en probeert een indexatie te zijn van de voorbije zes jaar aan liminaal bestaan in deze ruimtes, met of zonder mensen en dieren die zich al dan niet nog in mijn leven ophouden. Maar ik wil er zo langzaam wel eens uit. Ik ben al iets te lang de gevangene van zowel de keuzes van anderen als de griezelige cipiers in mijn brein. Maar ik ga eerst nog mijn bed opmaken.

dinsdag 18 januari 2022

Winterkaartjes

1

Het is iets na zessen en ik merk dat ik geen pen bij me heb om mijn Railpass in te vullen, die intussen op vier ritten staat zonder dat er een controleur is gekomen. Waarom zou ik 'm eigenlijk nog invullen? In het verleden heb ik het zeker al met succes gedaan, op de trein zitten met een oningevulde Railpass (natuurlijk net binnen handbereik en erop bedacht om die snel in te vullen als de controleur de wagon betreedt, want ik ben geen volbloed rebel maar een verknipte petit-bourgeois), maar ik ben twee dagen in het nieuwe werkjaar al te vermoeid om straks in de wagon de hele tijd uit te kijken voor de komst van de treinbegeleider. Dus ik moet een pen vinden.

Ik vraag het eerst aan een groepje van vier jongeren. Die kunnen me niet helpen.

"Wollah, ik heb geen pen bij meneer," gesticuleert een zittende jongen met zijn mondmasker bijna tot aan zijn ogen getrokken.

"Ik ook niet, meneer," zegt zijn West-Vlaamse vriend, doelloos zwabberend met zijn armen in een jaren '90-training. Waarschijnlijk zijn die armen vandaag alweer 2cm langer geworden, en wat doe je daar in godsnaam ook mee als je staat?

"Sorry meneer, sorry!" herhaalt het meisje op de bank naast de zittende jongen, en nog eens "sorry!" terwijl ik weg stap. Wie zegt dat jongeren geen manieren meer hebben? Ze zijn wel luid en los en versteven eerst toen ik, een "meneer" dus, op hen toe stapte, maar met een onschuldige vraag tot hulp en beleefdheid kom je in dit land zowat overal nog erg ver. Maar ik heb nog steeds geen pen.

Een ongewild duo komt het perron op: een grote kerel met een baard en een schattige jonge vrouw met blond-ros haar. Ze kennen elkaar duidelijk niet en wandelen toevallig naast elkaar, maar allebei blijven ze staan en beginnen ze verwoed in hun jassen en tassen te zoeken naar een pen om me te helpen. De Baardman moet opgeven: "sorry, ik heb mijn pen thuis laten liggen denk ik!" Uiteindelijk vist het meisje diep in haar tas uit een doorzichtige etui een stiftje op. Ze verontschuldigt zich voor haar onhandigheid. Al die sorry's en we zijn nog geen 10 minuten ver. Het is wat onbeholpen-charmant allemaal, maar het verzacht wat voor de rest het meteorologische equivalent is van een portie koud aarsvocht. Dit zijn de guurste weken van het jaar, en tegen februari zijn we allemaal weer zo depressief van de duisternis en de klamheid dat onze gebroken goede voornemens slechts poedersneeuw zullen zijn op de ruïnes van ons welzijn. Maar misschien is al die apocalyptiek nergens goed voor. Tenslotte hebben we collectief al vele winters overleefd en nu op de trein is het relatief rustig en warm.

2

Er is initieel niet zo veel volk komen opdagen. Het publiek van het evenement is de gebruikelijke merkwaardige mix aan toevallige passanten, entourage van artiesten, vaste bezoekers en 21ste-eeuwse Breugheliaanse figuren in wanproporties waar ik anders weinig ruimtes mee deel. En daarom net zo belangrijk om hier te zijn. Bijna alle aanwezige mannen zijn lelijk - niet op de coole rockstermanier, noch op de rozig-onbeholpen manier van bepaalde types kindmannen op fantasyconventies, maar complexloos lelijk. Daar kan ik nog wat van leren. De meeste dames zien er niet veel beter uit, of hebben een ruw geschetst soort aantrekkingskracht waar live-love-laugh-wijnmama's afkeurend naar zouden kijken. Dit is mijn volk, ik kan het niet ontkennen. 

Op de binnenkoer babbel ik wat met één van de optredende artiesten, een mede-Gentenaar in een iets te grote hoodie die er dodelijk vermoeid uitziet en dat ook toegeeft. Hij werkt bij de groendienst maar is al maanden technisch werkloos en kon door de coronamaatregelen de voorbije twee jaar nauwelijks optreden. Je ziet dat hij zich vastklampt aan de weinige energie die hij nog over heeft nadat die maatregelen en het maandenlang nietsdoen haast de ziel uit zijn lijf hebben gezogen.

Je zou er mee kunnen lachen dat de hoofdbezieler van dit podium, dat in alles zo authentiek Gents aanvoelt, een Nederlander is, maar tegelijk is het geen geheim dat de onderbuik, de stroomfrequentie en de kern van gemeenschappen soms veel beter en scherper aangevoeld worden door mensen die initieel buitenstaanders zijn. Ronald is al lang geen buitenstaander meer, hij is één van ons. We mogen ons in Gent zelfs verheugen dat hij de moeite neemt mee te zorgen voor ons cultuurpatrimonium aan cafédichters, verloren artistieke zielen en volksintellectuelen. Als hij na zijn dood niet op z'n minst zalig verklaard wordt, dan organiseer ik rellen. En o, wat zou hij dat haten, tenzij de rellen grappig zijn.

3

"Het is als een eerste schooldag op een nieuwe school," zeg ik een paar keer voorafgaand aan de eerste werkdag op mijn nieuwe werk, maar ik besef dat het meer is dan dat. Het valt meer te vergelijken met veranderen van schooltype én school. Een werkplek met weer andere gewoontes, andere mensen, andere ongeschreven regels over wat hoort en niet hoort. Ik bedenk het na de eerste lunch op de kleine parking achterin, als ik sta te roken. Het rookgrijs vermengt zich met het mistgrijs dat eigen is aan januaridagen die ook overdag donker zijn, en waarvan vanaf de namiddag bij me thuis de mist terug dikker door de kale takken begint te kruipen. Van de hele straat lijkt dan zelfs de lucht zelf te kil om adem te halen, alsof er een collectief de adem inhoudt met ijspegels in de haren en angst in de ogen, bang voor wat misschien kan opdoemen uit die wintermist.

Maar nu is het middag. De nieuwe werkplek is een geconverteerd herenhuis vlak achter Gent-Sint-Pieters. Vanaf waar ik deze voormiddag zat, kon ik diverse kusttreinen zien aankomen op spoor 12. Aan de achterkant van het kantoor hoor je de stationsgeluiden gek genoeg niet meer, enkel de vage geluiden van verre boren en betongebonk. Al meer dan 10 jaar werkt men aan de vernieuwing van het hoofdstation van Gent, en de werken kruipen nog trager vooruit dan een slome schimmel op de muur van een vierdewereldpand. Misschien zitten ze eindelijk aan spoor 1 en 2 tegen dat ik met pensioen mag.

Achter mij komt de kantoorhond naar buiten, een goed verzorgde, sociale 'chocolate lab', met zijn baasje, één van mijn nieuwe collega's. Ik heb zonet moeten zeggen dat ik eigenlijk allergisch ben aan honden, hoewel ik zeer van dieren hou. Zo lang de labrador niet te veel in mijn buurt komt, zal het wel lukken. De hond gaat haast linea recta naar een grote, stoverijkleurige drol die al sinds deze ochtend vroeg op de parking ligt af te koelen en begint die met veel enthousiasme op te eten.

"Is dat normaal?" vraag ik aan zijn baasje.

"Nee!" reageert die geschrokken, het dier wegtrekkend van de nu half-opgegeten drol. Een smakelijk zicht is het niet, maar laten we zeggen dat het slechter kan op de zogezegde Blue Monday. Ik noteer: de kantoorhond mag geen stront eten. Gelukkig was het geen chocolade.

dinsdag 30 november 2021

Micro-intolerantie

Als ik mijn appartement verlaat, staat er een SUV op half over de parkeerplaats die voorzien is voor elektrische wagens aan een laadpaal, en half op een parkeerplaats voorzien voor chauffeurs met een handicap. De vier knipperlichten staan aan: "één simpele truc om de verkeerswet te omzeilen - agenten haten het!" Het is overigens niet dat er in de buurt geen parkeerplaats meer is. Deze chauffeur was gewoon te lui om zich deftig te parkeren. Ik zou eigenlijk de politie moeten bellen, maar dat maakt me ook weer zo'n griezelig intolerant mannetje of een fascistische burgerwacht in de dop, en God weet dat we er daar al veel te veel van hebben.

Sommige mensen vinden dat, nu de tweede verjaardag van de pandemie nadert, beleefdheid en verdraagzaamheid in de maatschappij op een lager pitje branden dan ooit. Misschien is dat wel waar. Er wordt alleszins openlijker en directer met de vinger gewezen en zowat iedereen en zijn moeder hebben onderhand hun eigen theorieën ontwikkeld over hoe we uit de pandemie moeten raken, de ene theorie al simplistischer en verkeerder dan de andere. Ik heb heus geen veel betere ideeën, hoor. Bijna twee jaar na de start is de pandemie en het hele waanzinnige circus errond meer dan ooit een Rorschach-test: je ziet er in wat je voordien eigenlijk toch al geloofde. De periodes van gedwongen isolatie hebben mogelijk wel radicaliseringsprocessen bij enkelen op scherp gesteld. Daar gaan we nog jaren de politieke en sociale prijs voor moeten betalen.

Ik wacht om over te steken. Het is guur weer, typisch voor eind november. Alles ziet er vochtig en miserabel uit. Mijn voeten doen pijn, want al meer dan een maand speelt mijn oude vriend lupus weer op en omklemt hij de middelste drie tenen aan elke voet als hield hij van classicistische symmetrie en perspectief. Soms is de pijn zo hevig dat ik bijna door een voet heen dreig te zakken en dan schaam ik me. Ik ben nog geen 40 en mijn gewrichten kraken en knarsen al meer dan die van de gemiddelde CD&V-backbencher. Het is overigens omwille van die pijnopstoten dat ik naar buiten moest. Ik was gisteren voorschriftjes gaan indienen bij de apotheker, maar het was er zo druk dat ze me vroegen om de dag erop terug te komen. Mijn medicijnen zouden klaar staan.

Ondanks mijn lichamelijke ongemak moet ik de pas inhouden tenzij ik op twee lome tienerjongens wil in lopen die traag babbelend voor me uit gaan in vormeloze donkere jassen. Opnieuw een opstoot van ergernis. Het is niet dat ik onhoorbaar wandel, toch? Sommige mensen hebben geen flauw benul van hun eigen ruimtelijke positionering, ik daarentegen neem waar en beweeg in zeven dimensies tegelijkertijd (en toch kom ik nog ongelukken tegen, dus daar sta je dan met je hyperwaakzaamheid, domme lul). Rustig maar, Hilarius, spreek ik mezelf toe. Ik noem mezelf soms Hilarius omdat dat de naam is die ik zou kiezen als ik zou verkozen worden tot paus. Er is ooit al een paus Hilarius geweest, dus ik zou paus Hilarius II worden. De naam alleen al doet me altijd glimlachen.

De kans is ontieglijk klein dat het pauselijke Conclaaf me zou verkiezen tot paus, natuurlijk (ik ben - komt-ie - geen pausibele kandidaat), maar technisch gesproken kan het. Elke volwassen, door de Katholieke Kerk gedoopte man die zich niet heeft bezondigd aan de verkoop van kerkelijke privileges, is volgens de Kerk in theorie verkiesbaar tot paus. Als de multiversumhypothese klopt, bestaat er bijgevolg ergens een versie van deze wereld waarin ik paus Hilarius II ben. Die zou wellicht niet onderweg zijn naar een apotheek in dit verzopen stukje Gentse buitenstad maar behandeld worden door een lijfarts terwijl hij flauwe moppen vertelt. Ben je protocollair verplicht te lachen als de paus een grap maakt? Ik herinner me een hele subplot in 'De naam van de roos' waarin monniken hevig en bitter discussiëren of Jezus al dan niet ooit zou gelachen hebben. Indien wel, dan is komedie goddelijk, houden de voorstanders vol. Indien niet, dan is humor verwerpelijk en ketters, zweren de tegenstanders. De monniken raken het er niet over eens tot (spoilers!) hun abdij afbrandt.

Intussen ben ik binnen in de apotheek. De man van wie ik vroeger verkeerdelijk aannaam dat hij de apotheker was, is er niet. Als ik over hem spreek, noem ik hem altijd de Sceptische Apotheker, omdat hij je telkens lijkt te monsteren, kijkend van je voorschriften naar jou, alsof hij zich er echt van moet vergewissen dat je geen fraudeur bent die drugs komt kopen. Je ziet hem denken "zozo vriend, Piroxicam, hebt gij dat echt wel nodig?". Maar hij blijkt dus niet de Apotheker te zijn, enkel Sceptisch, want mijn huisarts vertelde me dat hij enkel helpt in de winkel - het is zijn echtgenote die het farma-diploma heeft.

Er staat een man met grijs haar en een zwaar Denders accent voor mij zijn leven te vertellen aan de balie door het plexiglas. En de apotheker plus haar assistente wérken goddomme al zo traag. Aan het andere loket zit een vreemd baby-achtige vrouw in een rolstoel te wachten op haar medicijnen. Denderman heeft minstens 15 dozen verschillende medicijnen nodig en blijft maar lullen, in het apotheek-equivalent van die ene persoon in de frituur die komt bestellen voor de hele voetbalkantine. Achter mij komen nog twee mensen binnen. Uiteindelijk vertrekt Denderman en rolt Babyvrouw, die blijkbaar zwanger is, kan ik opmaken uit de Franstalige conversatie met de assistente, terug de gezwind de zaak uit. Ik vraag me af of ik iemand zou daten die in een rolstoel zit en ik realiseer me dat ik me nog nooit eerder iemand heb voorgesteld in een rolstoel die zwanger is. Is dat fout? Of is het eigenlijk nog fouter indien ik daar wel veelvuldig aan zou denken?

"U kwam een bestelling ophalen, niet?" vraagt de apothekeres - of moet ik het genderneutrale "apotheker" gebruiken? Apothekerin? Nee, dat klinkt pas echt verkeerd.
"Inderdaad."
Ze kennen mij hier al, want dit is hier mijn stamapotheek.
"Gij doet mij aan iemand denken," had de Sceptische Niet-Apotheker ooit tegen me gezegd.
"Wie dan?" vroeg ik nieuwsgierig.
"Ik weet het niet. Maar ge komt me bekend voor."
Ik had toen misschien moeten zeggen: "Ja, het zal geweest zijn van die gangbang bij Hot Marijke", maar dat dacht ik toen niet dus het is maar Treppenwitz, en zelfs als ik het al gedacht had, had ik het zeker niet gezegd.
"U kent alle medicijnen al?" vraagt de apothekeres, die nu het bakje leegt en elk doosje inscant.
"Ja, we gaan elk jaar samen op fietsvakantie naar de Dolomieten," fantaseer ik.
"Wat bent u toch grappig, Monseigneur Hilarius," fantaseer ik verder. In werkelijkheid knik ik gewoon.

Op de terugweg doe ik nog een kleine inkoop in de Match. Ik word vlot bediend aan de broodjesbalie door een dame met een vaag Slavisch accent die altijd ontzettend professioneel is. Racisten vechten een achterhoedegevecht, denk ik dan. Mensen van niet-Belgische origine zijn overal en dragen vlot mee bij aan onze maatschappij en economie. Meer nog, in dichtste vriendenkring ken ik maar een drietal koppels waar beide partijen Belg zijn. Twee van mijn beste vriendinnen zijn respectievelijk samen met een Rus en een Italiaan, de partners van twee bevriende schrijvers zijn achtereenvolgens Peruaans en Duits, de vriendin van één van mijn broers is een Bulgaarse en die van mij is Roma-Roemeens. De door bedompte béchamelboomers en frisse scoutsnazi's gevreesde omvolking is al lang bezig, man. Time to get with the program.

Ik moet me even nog wurmen langs een stoet kinderen in fluohesjes en hun lerares. Op de trein is je coupé delen met een klas kinderen een kermis uit de hel, maar op hen op straat passeren vind ik eigenlijk prettig om al die energie en levendigheid samen te zien, die semi-coördinatie tussen al die blozende keuteltjes en hun iele stemmetjes incluis. Bij aankomst aan m'n appartement zie ik dat de knipperlicht-SUV er nog altijd staat. Ik ga de flikken niet bellen. Dan maar beter boos tweeten.

maandag 5 juli 2021

Op een jetstraal van stront de rijkdom in

Al zowat sinds ik kan lezen en schrijven krijg ik geregeld het verwijt dat ik arrogant zou zijn, zeker niet van veel mensen en meestal niet van mensen die me goed kennen. Arrogant zijn houdt voor mij in dat je neerkijkt op bepaalde personen of groepen, en wat dat betreft is dat verwijt misschien terecht. Toch kijk ik niet neer op mensen die minder fortuinlijk zijn dan ik, maar eerder op mensen die vanuit een machtspositie gretig naar beneden trappen; mensen die alle kansen in de wereld krijgen maar die kansen verkwanselen of ten slechte gebruiken; en mensen die aannemen dat hun afkomst, kapitaal, gender of verwezenlijkingen hen een gratis ticket geven om zich verheven te voelen boven anderen. In wezen ben ik dus niet écht arrogant, net zoals je moeilijk kunt stellen dat een antiracist niet meer is dan een soort racist, of dat intolerant zijn tegenover intoleranten je geen haar beter maakt dan wie je beweert te bekritiseren.

Het bovenstaande moet verklaren vanuit welke positie ik over mijn kantelen kom piepen en mijn kruisboog aanleg. Sowieso ben ik al geen grote festivalganger om diverse redenen, maar steeds als ik hoor over het Kamping Kitsch-festival, bekruipt me een onaangenaam gevoel. Niet enkel omwille van de verhalen over grensoverschrijdend gedrag, maar ook omdat het precies een soort minstrel-show lijkt voor middenklassers die zich verkleden in mensen die ze eigenlijk uitlachen. Maar mogen we dat niet eens lachen, Anton? Moet alles altijd zo serieus tegen het licht gehouden worden? Luister, ik verplicht je niet om bevriend met mij te zijn en het is niet dat ik op dat vlak altijd smetteloos en wrijvingsloos door het leven ben gegaan. Laat staan dat ik de goede Samaritaan word als ik (zoals bijvoorbeeld vanavond) een verwilderde sukkelaar de bus op zie struikelen met vet grijs haar, zijn mondmasker op zijn kin en in één hand een half-lege Schultenbräu, intens rondkijkend om te beslissen wie hij zal lastigvallen met zijn gewauwel.

Maar mijn punt blijft, in tegenstelling tot de homo cervisius van deze avond, overeind: vanuit een hoger diep je kont naar buiten steken door het venster en schijten naar wie beneden moet leven in de miserie, is toch al te makkelijk? En het goede voorbeeld wordt als vanouds gegeven door onze leidende klasse van de vlaamskiljons. Het is naast laakbaar ook gewoon laf om je politiek te profileren ten koste van mensen die geen weerwerk kunnen bieden. Matthias Diependaele, de vleesgeworden bobblehead des Vlaanderens die bij elke Kaakslag voor de Vlaming één cm in elkaar krimpt, die op 30 juni zegt dat een sociale woning geen "win for life" mag zijn, alsof iedereen staat te springen om in een sociale woning in te trekken en dat daar ongehoorde luxe heerst. 

Of wat dacht je van deze: Sammy Mehdi, die nog het geluk heeft tenminste fysiek te lijken op een goede Samaritaan, die op dezelfde dag zegt dat je zwartwerkende illegalen niet mag steunen in hun hongerstakingen omdat dat hen enkel aanmoedigt, alsof dat hongerstaken een stunt is en geen wanhoopsdaad. Maar natuurlijk gaan mensen die het extreem moeilijk hebben niet reageren op wat Diependaele zegt: ze hebben zijn uitspraak vermoedelijk niet gezien, of ze hebben het te druk met overleven. Natuurlijk gaan illegalen geen plek opeisen in de studio van De Afspraak om weerwerk te bieden als hun bouwpatron hen 16u per dag doet werken aan een hongerloontje. Zo lang dat kan, zullen veel mensen hun jobs nog niet snel naar robots zien verschuiven, want directe uitbuiting is vooralsnog goedkoper.

Wie overigens in naam van de stemlozen, de machtelozen en zo meer opkomt, die moet er in rechts Vlaanderen liefst ook zo snel mogelijk aan geloven. Artiesten, academici, juristen, idealistische jongeren, vakbonden en intellectuelen worden op zijn best gebrandmerkt als "wereldvreemd" en op zijn ergst wakkert rechts haatcampagnes aan tegen die mensen tot er ergens een Jürgen Conings opstaat die besluit dat een Marc Van Ranst de dood verdient omdat hij uitgesproken opkomt tegen onrecht en racisme. Dat "wereldvreemde" is overigens ook een ironische beschuldiging, komend van mensen met minstens €5.000 netto maandloon, chauffeurs, fiscale voordelen en politieke partijen die meer lijken op investeringsbanken dan wat anders. Hoe kan je ooit van die lui verwachten dat ze iets gaan doen aan rechtvaardigheid als ze op de jetstralen stront die ze onophoudelijk uitstoten zichzelf naar boven blijven stuwen tot grote rijkdom. Je zou een dergelijke raket 'Brown Origin' kunnen noemen.

Misschien dat ze dan ook een festivalletje kunnen organiseren waarin ze zich verkleden als u en ik, in onethisch gestikte confectiekleding. Aan de standjes kan je FPOS-omeletten krijgen, er zijn piñata's in de vorm van alleenstaanden waar gratis belastinggeld uit kan gemept worden en in een fake gladiatorenarena kunnen als politie-officieren verklede festivalgangers bruut ongewapende betogers in elkaar meppen. Fun voor het hele gezin (uit Brasschaat of Sint-Martens-Latem), en je mag ook je gang gaan met robots à la 'Westworld'. 

Het vast niet erg kuis om die mensen verbaal door mijn houtversnipperaar te draaien. En God weet dat ik in mijn leven wellicht al mensen heb beledigd, een slecht gevoel gegeven heb of hen heb doen twijfelen aan zichzelf waar dat helemaal niet nodig was, want ik ook ik reageerde me af in dit jeder für sich und Gott gegen alle. Ook daar had ik het vandaag over, op het werk, na het me inlezen in dieptrieste verhalen over pesten op het werk. Is er in mijn werkomgeving ooit gepest geweest en zag ik het niet? Statistisch gezien kan het bijna niet anders. 

Een mens zou er voor minder van gaan drinken, maar dat is niet aan de orde. Ik heb Jupiler 0.0 in de koelkast staan en dat zal moeten volstaan. Ik denk ook weer terug aan die robots en de robotica. Een collega vertelde dat ze hun robot-stofzuiger de 'Kristofzuiger' genoemd hebben, wat bij een tweede aanblik nog zou kunnen doorgaan voor een omineuze bijnaam van iemand die aanpapt met appelblauwzeegroene Wunderboy Kristof Calvo. Nog zoiets: die seksrobots, voor wanneer zijn die eigenlijk? En gaan die zorgen voor de revolutie? Wellicht niet. Aangezien ze door mensen in elkaar zijn gedraaid, zullen ze waarschijnlijk ten onder gaan aan zichzelf, nog voor ze een beledigend festival kunnen organiseren waarin ze de spot drijven met lager geplaatste robots van de assemblage, de fruitpers en het digitale dambord.


zondag 25 april 2021

Met de ijsjeskar de afgrond in

Sinds ik hier woon, is het vanaf de lente tot in de nazomer bijna elke avond rond 9 uur vaste prik: de ijsjeskar die passeert in de buurt. Ik heb me al ontelbare keren afgevraagd of je geen sociopaat moet zijn om elke avond opnieuw datzelfde onnozele deuntje superluid te moeten horen uit je eigen luidsprekers. Ik vind de luttele minuten dat ik het moet horen al ergerlijk, laat staan dat ik er elke avond middenin zou zitten. Dat, of de ijsjesverkoper is doof. Maar dat is dan weer niet handig als mensen iets willen bestellen.

Tegelijk heeft zo'n kar iets romantisch. Ik herinner me als kind dat we nog een mosselboer hadden en een melkboer die aan huis kwam - en ja, ook een man van IJsboerke, die we uiteraard helemaal metonymisch 'den IJsboer' noemden. Mijn vader spreekt zelfs nog over messenslijpers die aan huis kwamen, zelfs in wat nu de aangekoekte fusiekernen van Gent zijn. De enigen die nu nog aan huis komen zijn getuigen van Jehova en leurders met energiecontracten. Ik had ooit zo'n hevig zwetend exemplaar in een te groot kostuum toch eens zijn parlé laten doen en wees er hem voorzichtig op dat het contract dat hij voorstelde duurder was dan wat ik toen betaalde. Hij droop half-stotterend af. Ik had medelijden met die jongen, eerlijk gezegd.

Nu, morgen moet ik zelf weer de hort op, maar dan digitaal. Het is ondertussen een stolperstein van een boutade geworden dat de meest 'essentiële werkers', die wel nog elke dag moeten gaan werken (verplegers, politielui, bouwvakkers, garagisten, hulpverleners, en zo voort) en zich blootstellen aan gevaar van de pandemie, vaak ook niet erg goed betaald zijn. Terwijl één of andere overrijpe consultant in een bak van een BMW leeft van lulkoek en het driedubbele opstrijkt (ik wàs ooit een overrijpe consultant, weliswaar met een Mercedes, dus ik wéét waarover ik spreek), laat staan onze belachelijk overbetaalde cumulards in de politiek, waarvan 75% wellicht nog niet competent genoeg is om een computer aan te zetten.

Het volk kraakt en barst en het verlangen naar iets wat lijkt op een normaal leven is groot. Net zoals messenslijpers, melkboeren of de postbode die bij de mensen thuis een glaasje cognac kwam drinken voorgoed verleden tijd zijn, hopen velen onder ons dat er enerzijds een hernieuwd respect komt voor het essentiële personeel, liefst in een mooie opslag, en anderzijds dat de witteboordenbedienden in de norm van thuis uit mogen werken als ze dat willen. Maar de inertie is groot. Als 1/3 bedrijven de coronaregels al niet goed naleeft, maak ik me geen illusies dat zeker het dubbele daarvan terug zal willen naar business as usual.

Enerzijds is dat begrijpelijk. Mensen zijn gewoontedieren en voelen zich comfortabel bij gewoontes, ook al zijn het slechte of domme gewoontes. Dingen veranderen kost energie en vraagt een bijstelling van je wereldbeeld of je visie op jezelf. Zeker de huidige powers that be hebben er hoegenaamd geen belang bij om in een post-coronawereld dingen te veranderen. De machtsverhoudingen in onze steden, regio's en landen zijn ongewijzigd. Er is geen revolutie op til. Ik betwijfel of bijvoorbeeld Nederland zijn afbraakbeleid in de zorgsector zal omkeren of dat Boris Johnson minder een lul zal zijn tegen eind 2021.

Maar het kan ook niet zo blijven duren of we hebben tegen 2024 (of daaromtrent) een volgende superzware economische crisis aan ons been, een populistische nihilist als Orbàn of een pilaarbijter als Erdogan die ergens een democratie verder ontmantelt, een natuurramp die enkele miljoenen mensen wegvaagt, en ga zo maar door. 

In theorie kunnen we die dingen keren, hoor. Maar momenteel zijn we nog altijd de Paaseilanders die de laatste bomen aan het omhakken zijn voor bouwwerken. Misschien zijn velen doof geworden voor het altijd herhaalde muziekje van de ijskar als onvermijdelijk achtergrondgeluid, of het nu gaat over de professionele beunhazen die we elke dag op tv zien, of de waarschuwingen van wetenschappers en activisten dat het zo niet verder kan. Verandering - ten goed of ten slechte - lijkt altijd onmogelijk tot ze gebeurt.