Over 'Onklare taal'

'Onklare taal' is de verzamelnaam van diverse tekstprojecten van mijn hand. Dit is de afdeling columns en microstories daarvan. In 2017 bracht ik 'In de vorm van een vogel' uit, een bundeling van de beste 99 teksten van dit genre tot op dat punt, netjes geredigeerd en per seizoen geordend. Je kan die antologie gratis downloaden als je Patron wordt. De weg een beetje kwijt? Mijn eigenlijke website, die ook 'Onklare taal' heet, verwelkomt je.

zondag 24 juli 2022

Hans en de C130

Door puur toeval zat ik gisteren schouder aan schouder met honderden medemensen in de Capitole in Gent te kijken naar een show van Hans Teeuwen. Een goede vriend kon niet gaan omdat hij in Italië zat met zijn vriendin, dus schonk hij grootmoedig zijn ticket weg aan mij, wetend dat ik anders aan zoiets geen geld zou willen (en kunnen geven). Nog voor het optreden begon zat ik al in dat kleine klapzeteltje in mezelf te graven om mijn gemoed te kalibreren, want zo temidden een massa zitten waaruit je niet zomaar weg kan in het halfdonker valt me elk jaar zwaarder en zwaarder. Het is confronterend. Waar is die twintiger heen die zich daar moeiteloos over kon zetten? Het hielp toen natuurlijk ook dat ik toen veel vaker buiten kwam (of ergens anders binnen zat).

Het was bijna 20 jaar geleden dat ik in de Capitole zat. Toen was ik met mijn toenmalige vriendin gaan kijken naar een vertoning van 'Scrooge' die alles had van een musical, maar vreemd genoeg geen enkel muziekstuk bevatte. Ik herinner me dat het redelijk slecht was maar dat we dat op last van de krant waarvoor we het stuk bijwoonden, niet mochten zeggen. Ook niet door te schrijven dat het "een wervelend familiespektakel" was en dat de hoofdredacteur wist dat dat codetaal was voor "net goed genoeg om je koters stil te houden". Nadien was er een receptie waar ook Eric Van Rompuy aanwezig was en een meisje van een jaar of 10 dat make-up droeg. Als je denkt dat je de dingen goed herinneren een zegen is, vertel me dan eens waarom ik dat nog weet en tot welk nut het strekt.

Hans Teeuwen kwam genadig snel en fluks het podium op gehuppeld. Ik was benieuwd wat het zou worden. De man heeft in mijn ogen een aantal fantastische sketches bedacht die kunnen wedijveren met het beste van Angelsaksische comedy, maar toch ook een aantal bedenkelijke dingen gebracht, vooral de laatste jaren. Maar, om gefrustreerde comedians op retour te parafraseren, "dat mag je niet zeggen" of je krijgt een hele trein krijgers der vrijemeningsuiting over je heen. Terwijl het daar niet om gaat. Je kan en mag zowat alles zeggen. Ik ben alleen niet verplicht om het grappig te vinden en mag er ook kritisch over nadenken.

Teeuwen was direct al in overdrive in zijn gekende, energieke en soms bombastische stijl. Hier en daar improviseerde hij wat, meestal negeerde hij de paar toeschouwers die iets riepen naar hem of gewoon rare geluiden zaten te maken (waarom trekt een comedian toch altijd dat soort parasieten aan?). Hij dolde met het publiek, en hun neiging om soms op automatische piloot te lachen met dingen omdat ze dat verwachtten. Het beste van alles was dat hij me al snel deed vergeten dat ik zo dicht zat bij een hele hoop vreemden. Mensen om me heen en ikzelf leken telkens om licht andere dingen te moeten lachen - ook een fijn teken. Alleen vroeg ik me af of sommige mensen bepaalde dingen wel grappig vonden om dezelfde redenen. Geen voorbeeld uit zijn show hier, maar als je een grap maakt over pakweg Marokkanen en vooral racisten zitten te lachen, dan is de grap wellicht niet zo geslaagd (tenzij je zelf een racist bent).

Naarmate Teeuwen zich steeds meer in het zweet werkte en zelfs fysiek van vorm leek te veranderen en fitter en dynamischer werd, was mijn zweet verdwenen en voelde ik enkel een zoemende dorst en een sluimerende vermoeidheid. Het was volop wat ik van der Hans verwacht had: soms waanzinnig geestig en clever, soms misplaatst en niet echt meer van deze tijd, soms volbloed absurd. Een omelet en zijn eieren, zeker. Hij had de zaal op zijn hand toen hij zijn gal uitbraakte over artsen-specialisten, die hij er gratuit van beschuldigde dat 75% onder hen de Holocaust ontkenden. Dat hij zei dat hij ermee kon leven als het een lager percentage was, was nog het grimmigste van alles, omdat ik me goed kon voorstellen dat een fiks pak mensen dat eigenlijk oprecht zou denken. 

Nadien, toen ik als één van de eersten de zaal verliet, wandelde een jong koppel voor me de trappen af. Het meisje zei dat ze teleurgesteld was en dat Hans vroeger een idool van haar was geweest, maar dat ze vond dat hij was blijven steken in zijn tijd. "Misschien," dacht ik, "ben jij het die veranderd is." En maar goed ook, zeker? Het zal ook wel een rol gespeeld hebben dat zij Aziatisch was en hij er Midden-Oosters uitzag. Ja, Teeuwen is zo één van die mensen die een gesprek over pakweg wit, mannelijk privilege eigenlijk niet goed kan velen omdat hij er (gedeeltelijk) blind voor is. Maar dat is het punt: zelfs als je iedereen in gelijke mate beledigt vanuit de idee dat we allemaal gelijk zijn, zit je nog altijd met dezelfde verhoudingen al voorheen. Natuurlijk ben je ten andere als comedian hoegenaamd niet verplicht om te strijden voor sociale veranderingen.

Terwijl ik m'n fiets terug losmaakte onder de lome laatavondzon en mensen met veel meer energie dan ikzelf ijsjes aten, iets dronken, telefoneerden en zich naar het stadscentrum begaven, waar weer Gents Gefeest werd, voelde ik me vreemd genoeg nog altijd zoals daarnet in de zaal: tegelijk nietig en tegelijk te groot. Nietig omdat al mijn gedachten er geen fluit toe deden, te groot door de kleine stoeltjes en die C130 vol van diezelfde gedachten die steeds laag over de grond mee met mij reist. Dat moest ik Teeuwen toch nageven - hij had me even helemaal niet doen nadenken, en met een trap onder mijn kont het vliegtuig uit geduwd. Of de parachute naar behoren had gewerkt, dat was weer een andere vraag. 

donderdag 12 mei 2022

Omega

Ik rij al voor de tweede keer vandaag naar huis, en voor de tweede keer min of meer via dezelfde route en op dezelfde fiets. Alleen is er nu veel minder tegenliggend verkeer, waardoor ik minder vaak recht voor me uit moet kijken en vaker de hemel in kan kijken, die bevolkt is met figuren in diverse vaag-geografische en vaag-dierlijke vormen. Dat stelt me altijd wat meer gerust omdat ik besef dat ondanks alles wat dit tijdsgewricht een maalstroom maakt van pure, onuitgegeven waanzin, dat mijn onbekende voorouders 10.000 jaar geleden zulke wolken en hemels ook zagen en er ook figuren in probeerden te herkennen. Het is dezelfde geruststelling die ik voel als ik lees dat de oudste bekende mop ter wereld gaat over scheten of dat Shakespeare al "haha en je moeder dan"-comebacks verwerkte in zijn serieuze dramateksten. Want ik zoek net als zovelen de geruststelling waar ik ze kan vinden.

Pedaalde ik enkele uren geleden nog huiswaarts van het werk, ben ik nu weggelipt - zeg maar weggevlucht - van de laatste editie van een woordkunstpodium in Gent. Ik vind het erg jammer dat de bezieler er mee stopt, maar het is zijn keuze en er is niemand, ook ik niet, die het wil overnemen. Al de hele dag twijfelde ik om überhaupt te gaan kijken, wegens een acuut gebrek aan goede luim. Maar ik wilde mezelf het huis uit duwen, niet toegeven aan een avondlijke, asociale lethargie die me steeds vaker overvalt, afgewisseld met periodes van zinloze woordsmederij aan allerlei projecten die ik zal uitrollen voor een lege zaal, of juist voor het dierbare en kleine publiek dat me al lang volgt. Intussen neem ik een duikvlucht onder Palinghuizen. Ik zie er ongetwijfeld lullig uit op het kleine vouwfietsje en in de praktische regenjas, een kledingstuk dat ik eens zo verfoeide als lelijk en provinciaal. Zoals Joyce wist: "Was du verlachst, wirst du noch dienen", want wat ben ik in feite anders dan een lelijke provinciaal die toevallig al 20 jaar in Gent woont en er ook geboren is, maar de eerste 18 jaar grootgebracht werd tussen bloemenvelden, bunkers en buurtwinkels?

Als een lint lopen de herinneringen voorbij aan het stervende woordkunstpodium, dat ik enkele keren presenteerde, een paar keer een verslag voor schreef en waar ik ook vaak optrad. In de periode 2018-2021 was het zelfs de enige bron van optredens. Dat is illustratief voor de nauwer zittende cirkels waarin ik me de laatste jaren beweeg. Een bevriende dichter spoort me al 3 jaar aan om meer buiten te komen, het podiumavontuur op te zoeken en connecties te maken in de literatuurwereld. En dat zou ik wel willen maar eigenlijk heb ik geen goesting. Mijn kunst is mijn laatste bastion waarin ik enkel maar compromissen hoef te maken met mezelf, en het laatste wat ik wil is aan de ballen gaan likken van één of andere lagere demon in die wereld waar ik toch geen respect voor heb. Er zijn al genoeg ballen die ik moet likken, meer dan me lief is, puur om te overleven.

Er zoeft mij een druk bijtrappende man voorbij op zijn benummerplaatte speedpedelec. Ik vind het gek dat die nummerplaten zo beperkt lijken: SP-XX-000. Maar dat zijn nog altijd 676.000 mogelijke combinaties. Het is een weetje dat een artiest had kunnen brengen op het podium, en daarmee gebruik het woord "artiest" in ruime zin. Er passeerde de laatste 3 jaar veel de revue dat gewoon slecht was, en de uitvaarteditie beloofde weinig goeds. Dronkemansabsurditeit en geile bierkaartendichters, vooral. Nu, elke weekavond waar een evenement dat hoofdzakelijk bestaat uit poëzie georganiseerd wordt dat meer publiek heeft dan dichters, is eigenlijk al een succes. Maar ik vond het vooral confronterend om te zien en te voelen en te horen hoe laag de horizon gevallen is. Je kan het snobistisch noemen dat ik niet kan lachen om de zoveelste flauwe trouvaille of dat ik geen vrolijkheid kan vinden in mensen die zich ondanks alles toch lijken te vermaken. Je kan je ook terecht afvragen of ik het mezelf niet onmogelijk maak. Het antwoord op beide vragen is wellicht ja, maar dat maakt de pijn er niet minder werkelijk om.

Ik vermijd ei zo na een botsing met een elektrische bakfiets die gepiloteerd wordt door een dame met stevige kuiten en een oplichtende fietshelm, maar ik rij zelf te snel om nog "sorry" te kunnen zeggen. Een christendemocratische pleger van belegen cursiefjes zou hier vast één of andere onnozele metafoor in zien. Maar alsjeblieft niet vandaag en val er me niet mee lastig. Weer het uit mijn tijdlijnen op sociale media, waar onkritische mensen al snel iemand die een zin in een goede plooi weet te leggen op het schild hijsen als een poëet. Niet nu, waar we op erg korte tijd Arno zijn verloren, Henny Vrienten en Jeroen Brouwers. Dan vind ik meer plezier in mijn dagjob, waar ik bekvecht met klanten over reële marketingcijfers, van gedachten kan wisselen over sociale media-campagnes met keien in het vak en tussendoor echt belang stel in de levens van mijn collega's. Het is evenzeer bullshit als literatuur bullshit is, maar ik hoef tenminste niet te kampen met bullshitters die doen alsof ze iets doen dat cool en relevant is, en in hun eigen bullshit zijn ze tenminste goed.

Om de hoek van mijn straat staat buiten aan zijn deur een gremlin-achtig oud mannetje die daar vaak staat zonder aanwijsbare reden. Soms spreekt hij voorbijgangers aan - vriendelijk, sociaal. Ik denk dat hij eenzaam is. Ik rij hem voorbij. Ook hier zijn de metaforen voor zelfingenomen opiniemakers plukrijp. Ik kijk weer naar de wolken en rem vlak voor m'n eigen deur. Ik adem diep uit. De keuze om weg te gaan en zelfs niet te wachten tot de pauze van het podium, terwijl van de benedenverdieping in het café nog storend regulier barlawaai kwam, was de juiste. Ik had het al gevoeld toen ik op m'n lip stond te bijten en me ergerde aan de onderpersoonde toog, de blikken van sommige half-bekenden die zich wellicht afvroegen waarvan ze me kenden (ik co-presenteerde de voorlaatste editie in een badjas en een zilveren pyjama, bitch) en het gestuntel van vreemd sinister aanvoelende Scandinavische toeristen met veel te goed zittend haar. Maar ik voel me tegelijk toch als een landverrader. Wat had die man die links van me zat uiteindelijk misdaan? Hij wilde enkel sociaal zijn. En rechts van me had de afzwaaiende organisator er enorm veel schik in. Wat zie ik die man graag. Ik wou dat ik meer kon zijn zoals hem en zijn donker-heldere Noord-Brabantse klei. Maar ik ben ik.

Discreet rol ik de fiets binnen door de inkomhal. Ik vermijd mijn damoclesiaanse brievenbus door de andere kant op te kijken, in de spiegel. Er kijkt me een vermoeid, licht vertrokken gezicht aan, geaccentueerd door het zwarte behangpapier met bloemenpatronen, waardoor de inkomhal van het gebouw me altijd doet denken aan een bordeel. Tenslotte zijn huisbazen ook een soort pooiers, dus zo raar is het niet. In de lift moet ik ten langen leste toch nog lachen om en met mezelf. Voor al mijn nutteloos gemopper over hypocrisie, slechte kunst en het genoegen dat men er mee lijkt te nemen, kijk ik als een kind in de Sinterklaasperiode uit naar de tweede halve finale van het Eurovisiesongfestival morgen. Ik weet best wel hoe slecht ik kan zijn. 

dinsdag 15 maart 2022

Spaß an der Arbeit

Ik sluit zachtjes mijn laptop en leun achteruit. Er is weer een werkdag voorbij en straks maak ik eten aan de hand van een weekmenu, een volwassenmensenitem waar ik me al jaren van had voorgenomen het te maken, maar het pas vorig weekend ben beginnen doen. Daarna strekt zicht een avond uit met weinig plannen. Dat is zeker niet slecht, want meer dan de helft van de keren dat ik 's avonds nog buiten kom, kost het me moeite om mezelf over de drempel te duwen (of te rollen, met mijn komieke vouwfietsje). Aan de andere kant, die avonden die ik opeis voor mezelf, wat doe ik daar eigenlijk mee?

Al maanden schrijf ik bijna niets meer - relatief gezien, want in vergelijking met sommige andere schrijvers heb ik alweer een half oeuvre bij elkaar geschreven. Maar het is dan ook geen race. Ik verwonderde me er vandaag over hoe snel de voorbije vijf jaar zijn gegaan en hoe ver significant positieve, inspirerende of simpelweg gelukkige herinneringen zich terug clusteren. Het is niet dat er na 2017 niks fijns meer gebeurd is in mijn leven, het lijkt er eerder op alsof er een zichzelf oneindig delende staat van ongenade gekomen is waarin er voor elk positief feit telkens twee negatieve meereisden. Een spoedig herstel van iets wat een lang aanslepend gezondheidsprobleem had kunnen zijn dat vergezeld wordt van een plotse monsterbelasting en een jobverlies. Een erg fijne eerste date waarop onmiddellijk een dood huisdier volgt en een pijnlijke rechtsgang. Meer kunnen thuiswerken, maar - en je voelt 'm al komen - het moest gebeuren middenin de eerste pandemie in 100 jaar waarin de fiscale duimschroeven bij de werkende single nog wat harder werden aangedraaid.

Ik en vele anderen met mij zijn boksballen geworden. We moeten almaar incasseren. De gevolgen incasseren van beslissingen die gemaakt zijn door dictators die dromen van hun eigen glorie, maar ook die van het legioen dommeriken, beunhazen en middelmatigen dat in de stratosfeer wordt gekatapulteerd eens ze een microfoon onder hun neus krijgen of een column in de krant. Wat we zelf verkeerd doen, daar dragen we ook nog altijd de gevolgen van, natuurlijk. Responsabilisering bestaat er enkel voor wie al weinig heeft. De lijnen zijn allemaal afgevlakt. Mogelijke inreiswegen in de literaire wereld zijn dichtgeslibd. Ik heb geen paniekaanvallen meer, overslaap me nog maar zelden en zou mezelf niet direct depressief noemen, maar er is veel vreugde die weg is, veel radeloze kwaadheid die in de plaats gekomen is. Ik ben ouder, zwaarder en armer geworden, maar niet veel wijzer. Maar laat dit niet mijn Klaagmuur zijn, ook al ben ik aan geen mens verplicht hierover te zwijgen.

Dingen die recent aanvoelen, blijken plots al vier jaar geleden. De tijd zelf is een stroperige rivier geworden waar elke nieuwe oever lijkt op de vorige, of er een ergere versie van is. We waggelen precies al zo lang op het randje van de totale ineenstorting dat we eigenlijk niet meer opkijken van de zoveelste zot die op het nieuws zijn of haar eigen complottheorie mag verkondigen, dode kinderen en nominaal democratische politici die armen, zieken en minderheden bejegenen met kille onverschilligheid of pesten met een sadistisch genoegen. Het is ironisch dat waar ik 15 jaar geleden elke dag zo tegen op zag, tegenwoordig mijn meest stabiele bron is van vreugde: mijn werk. Ik kijk naar het dunne laptopje op zijn verhoog, nu al bijna twee volle maanden mijn compagnon op de nieuwe job. Het is er vaak druk, maar die drukte helpt om het spinrag in mijn hoofd weg te blazen, en bovendien kan ik competenties verder ontwikkelen die wat lagen te sluimeren. Dat alles met kantoordagen waar vers brood is 's middags, en het station gezellig dichtbij. Treinen zien aankomen en vertrekken doet altijd een beetje dromen. Of neem nu het rendez-voushotel naast ons kantoor, steeds met stug gesloten gordijnen en rolluiken, maar een fascinerende wereld vlak naast de deur.

Op een andere job moesten een collega en ik indertijd erg hard lachen met een Duitser die we op LinkedIn waren tegengekomen, een man van middelbare leeftijd met een strenge, vierkante kop en een grote kin, die bloedserieus in de lens keek. Bij zijn profiel stond: "Mein Motto? Spaß an der Arbeit." Een type dat wellicht met zijn mond in een überneutrale streep na een goede grap zou zeggen: "Das war lustig, Ulli. Aber jetzt wieder die Betriebserfolge, bitte." En toch, der Spaßmacher had geen ongelijk, en plezier beleven aan je job is nu ook niet elke dag schuddebuiken van het lachen. Het ligt soms verscholen in kleine dingen zoals een gesprekje aan de koffieautomaat, een complimentje of een nabespreking van hoe het bij een klant was.

Ik maak mijn elektrische waterkoker schoon door die te ontkalken met azijn. Als ik de laatste jaren al iets ben geworden, dan is het een veel betere huisvader, ondanks de afwezigheid van een gezin. Als weleer ontvang ik nog altijd graag mensen. Feestjes zijn er niet echt meer, en interesseren me ook niet zo veel meer. Ik had altijd gedacht dat ik die vrijgekomen tijd, met minder verplichtingen dan ooit, zou opvullen met literatuur en noeste schrijfarbeid, maar het tegendeel is waar. Ten andere heb ik er tijdens de pandemie een manuscript uitgeperst, dus laat ik ook niet te veel aan katholieke zelfkastijding doen omdat ik niet drie boeken heb geschreven in plaats van één, maar aan dat manuscript is nog heel wat redactiewerk. Het boek speelt zich ook hier af, in dit appartement, en probeert een indexatie te zijn van de voorbije zes jaar aan liminaal bestaan in deze ruimtes, met of zonder mensen en dieren die zich al dan niet nog in mijn leven ophouden. Maar ik wil er zo langzaam wel eens uit. Ik ben al iets te lang de gevangene van zowel de keuzes van anderen als de griezelige cipiers in mijn brein. Maar ik ga eerst nog mijn bed opmaken.

dinsdag 18 januari 2022

Winterkaartjes

1

Het is iets na zessen en ik merk dat ik geen pen bij me heb om mijn Railpass in te vullen, die intussen op vier ritten staat zonder dat er een controleur is gekomen. Waarom zou ik 'm eigenlijk nog invullen? In het verleden heb ik het zeker al met succes gedaan, op de trein zitten met een oningevulde Railpass (natuurlijk net binnen handbereik en erop bedacht om die snel in te vullen als de controleur de wagon betreedt, want ik ben geen volbloed rebel maar een verknipte petit-bourgeois), maar ik ben twee dagen in het nieuwe werkjaar al te vermoeid om straks in de wagon de hele tijd uit te kijken voor de komst van de treinbegeleider. Dus ik moet een pen vinden.

Ik vraag het eerst aan een groepje van vier jongeren. Die kunnen me niet helpen.

"Wollah, ik heb geen pen bij meneer," gesticuleert een zittende jongen met zijn mondmasker bijna tot aan zijn ogen getrokken.

"Ik ook niet, meneer," zegt zijn West-Vlaamse vriend, doelloos zwabberend met zijn armen in een jaren '90-training. Waarschijnlijk zijn die armen vandaag alweer 2cm langer geworden, en wat doe je daar in godsnaam ook mee als je staat?

"Sorry meneer, sorry!" herhaalt het meisje op de bank naast de zittende jongen, en nog eens "sorry!" terwijl ik weg stap. Wie zegt dat jongeren geen manieren meer hebben? Ze zijn wel luid en los en versteven eerst toen ik, een "meneer" dus, op hen toe stapte, maar met een onschuldige vraag tot hulp en beleefdheid kom je in dit land zowat overal nog erg ver. Maar ik heb nog steeds geen pen.

Een ongewild duo komt het perron op: een grote kerel met een baard en een schattige jonge vrouw met blond-ros haar. Ze kennen elkaar duidelijk niet en wandelen toevallig naast elkaar, maar allebei blijven ze staan en beginnen ze verwoed in hun jassen en tassen te zoeken naar een pen om me te helpen. De Baardman moet opgeven: "sorry, ik heb mijn pen thuis laten liggen denk ik!" Uiteindelijk vist het meisje diep in haar tas uit een doorzichtige etui een stiftje op. Ze verontschuldigt zich voor haar onhandigheid. Al die sorry's en we zijn nog geen 10 minuten ver. Het is wat onbeholpen-charmant allemaal, maar het verzacht wat voor de rest het meteorologische equivalent is van een portie koud aarsvocht. Dit zijn de guurste weken van het jaar, en tegen februari zijn we allemaal weer zo depressief van de duisternis en de klamheid dat onze gebroken goede voornemens slechts poedersneeuw zullen zijn op de ruïnes van ons welzijn. Maar misschien is al die apocalyptiek nergens goed voor. Tenslotte hebben we collectief al vele winters overleefd en nu op de trein is het relatief rustig en warm.

2

Er is initieel niet zo veel volk komen opdagen. Het publiek van het evenement is de gebruikelijke merkwaardige mix aan toevallige passanten, entourage van artiesten, vaste bezoekers en 21ste-eeuwse Breugheliaanse figuren in wanproporties waar ik anders weinig ruimtes mee deel. En daarom net zo belangrijk om hier te zijn. Bijna alle aanwezige mannen zijn lelijk - niet op de coole rockstermanier, noch op de rozig-onbeholpen manier van bepaalde types kindmannen op fantasyconventies, maar complexloos lelijk. Daar kan ik nog wat van leren. De meeste dames zien er niet veel beter uit, of hebben een ruw geschetst soort aantrekkingskracht waar live-love-laugh-wijnmama's afkeurend naar zouden kijken. Dit is mijn volk, ik kan het niet ontkennen. 

Op de binnenkoer babbel ik wat met één van de optredende artiesten, een mede-Gentenaar in een iets te grote hoodie die er dodelijk vermoeid uitziet en dat ook toegeeft. Hij werkt bij de groendienst maar is al maanden technisch werkloos en kon door de coronamaatregelen de voorbije twee jaar nauwelijks optreden. Je ziet dat hij zich vastklampt aan de weinige energie die hij nog over heeft nadat die maatregelen en het maandenlang nietsdoen haast de ziel uit zijn lijf hebben gezogen.

Je zou er mee kunnen lachen dat de hoofdbezieler van dit podium, dat in alles zo authentiek Gents aanvoelt, een Nederlander is, maar tegelijk is het geen geheim dat de onderbuik, de stroomfrequentie en de kern van gemeenschappen soms veel beter en scherper aangevoeld worden door mensen die initieel buitenstaanders zijn. Ronald is al lang geen buitenstaander meer, hij is één van ons. We mogen ons in Gent zelfs verheugen dat hij de moeite neemt mee te zorgen voor ons cultuurpatrimonium aan cafédichters, verloren artistieke zielen en volksintellectuelen. Als hij na zijn dood niet op z'n minst zalig verklaard wordt, dan organiseer ik rellen. En o, wat zou hij dat haten, tenzij de rellen grappig zijn.

3

"Het is als een eerste schooldag op een nieuwe school," zeg ik een paar keer voorafgaand aan de eerste werkdag op mijn nieuwe werk, maar ik besef dat het meer is dan dat. Het valt meer te vergelijken met veranderen van schooltype én school. Een werkplek met weer andere gewoontes, andere mensen, andere ongeschreven regels over wat hoort en niet hoort. Ik bedenk het na de eerste lunch op de kleine parking achterin, als ik sta te roken. Het rookgrijs vermengt zich met het mistgrijs dat eigen is aan januaridagen die ook overdag donker zijn, en waarvan vanaf de namiddag bij me thuis de mist terug dikker door de kale takken begint te kruipen. Van de hele straat lijkt dan zelfs de lucht zelf te kil om adem te halen, alsof er een collectief de adem inhoudt met ijspegels in de haren en angst in de ogen, bang voor wat misschien kan opdoemen uit die wintermist.

Maar nu is het middag. De nieuwe werkplek is een geconverteerd herenhuis vlak achter Gent-Sint-Pieters. Vanaf waar ik deze voormiddag zat, kon ik diverse kusttreinen zien aankomen op spoor 12. Aan de achterkant van het kantoor hoor je de stationsgeluiden gek genoeg niet meer, enkel de vage geluiden van verre boren en betongebonk. Al meer dan 10 jaar werkt men aan de vernieuwing van het hoofdstation van Gent, en de werken kruipen nog trager vooruit dan een slome schimmel op de muur van een vierdewereldpand. Misschien zitten ze eindelijk aan spoor 1 en 2 tegen dat ik met pensioen mag.

Achter mij komt de kantoorhond naar buiten, een goed verzorgde, sociale 'chocolate lab', met zijn baasje, één van mijn nieuwe collega's. Ik heb zonet moeten zeggen dat ik eigenlijk allergisch ben aan honden, hoewel ik zeer van dieren hou. Zo lang de labrador niet te veel in mijn buurt komt, zal het wel lukken. De hond gaat haast linea recta naar een grote, stoverijkleurige drol die al sinds deze ochtend vroeg op de parking ligt af te koelen en begint die met veel enthousiasme op te eten.

"Is dat normaal?" vraag ik aan zijn baasje.

"Nee!" reageert die geschrokken, het dier wegtrekkend van de nu half-opgegeten drol. Een smakelijk zicht is het niet, maar laten we zeggen dat het slechter kan op de zogezegde Blue Monday. Ik noteer: de kantoorhond mag geen stront eten. Gelukkig was het geen chocolade.

dinsdag 30 november 2021

Micro-intolerantie

Als ik mijn appartement verlaat, staat er een SUV op half over de parkeerplaats die voorzien is voor elektrische wagens aan een laadpaal, en half op een parkeerplaats voorzien voor chauffeurs met een handicap. De vier knipperlichten staan aan: "één simpele truc om de verkeerswet te omzeilen - agenten haten het!" Het is overigens niet dat er in de buurt geen parkeerplaats meer is. Deze chauffeur was gewoon te lui om zich deftig te parkeren. Ik zou eigenlijk de politie moeten bellen, maar dat maakt me ook weer zo'n griezelig intolerant mannetje of een fascistische burgerwacht in de dop, en God weet dat we er daar al veel te veel van hebben.

Sommige mensen vinden dat, nu de tweede verjaardag van de pandemie nadert, beleefdheid en verdraagzaamheid in de maatschappij op een lager pitje branden dan ooit. Misschien is dat wel waar. Er wordt alleszins openlijker en directer met de vinger gewezen en zowat iedereen en zijn moeder hebben onderhand hun eigen theorieën ontwikkeld over hoe we uit de pandemie moeten raken, de ene theorie al simplistischer en verkeerder dan de andere. Ik heb heus geen veel betere ideeën, hoor. Bijna twee jaar na de start is de pandemie en het hele waanzinnige circus errond meer dan ooit een Rorschach-test: je ziet er in wat je voordien eigenlijk toch al geloofde. De periodes van gedwongen isolatie hebben mogelijk wel radicaliseringsprocessen bij enkelen op scherp gesteld. Daar gaan we nog jaren de politieke en sociale prijs voor moeten betalen.

Ik wacht om over te steken. Het is guur weer, typisch voor eind november. Alles ziet er vochtig en miserabel uit. Mijn voeten doen pijn, want al meer dan een maand speelt mijn oude vriend lupus weer op en omklemt hij de middelste drie tenen aan elke voet als hield hij van classicistische symmetrie en perspectief. Soms is de pijn zo hevig dat ik bijna door een voet heen dreig te zakken en dan schaam ik me. Ik ben nog geen 40 en mijn gewrichten kraken en knarsen al meer dan die van de gemiddelde CD&V-backbencher. Het is overigens omwille van die pijnopstoten dat ik naar buiten moest. Ik was gisteren voorschriftjes gaan indienen bij de apotheker, maar het was er zo druk dat ze me vroegen om de dag erop terug te komen. Mijn medicijnen zouden klaar staan.

Ondanks mijn lichamelijke ongemak moet ik de pas inhouden tenzij ik op twee lome tienerjongens wil in lopen die traag babbelend voor me uit gaan in vormeloze donkere jassen. Opnieuw een opstoot van ergernis. Het is niet dat ik onhoorbaar wandel, toch? Sommige mensen hebben geen flauw benul van hun eigen ruimtelijke positionering, ik daarentegen neem waar en beweeg in zeven dimensies tegelijkertijd (en toch kom ik nog ongelukken tegen, dus daar sta je dan met je hyperwaakzaamheid, domme lul). Rustig maar, Hilarius, spreek ik mezelf toe. Ik noem mezelf soms Hilarius omdat dat de naam is die ik zou kiezen als ik zou verkozen worden tot paus. Er is ooit al een paus Hilarius geweest, dus ik zou paus Hilarius II worden. De naam alleen al doet me altijd glimlachen.

De kans is ontieglijk klein dat het pauselijke Conclaaf me zou verkiezen tot paus, natuurlijk (ik ben - komt-ie - geen pausibele kandidaat), maar technisch gesproken kan het. Elke volwassen, door de Katholieke Kerk gedoopte man die zich niet heeft bezondigd aan de verkoop van kerkelijke privileges, is volgens de Kerk in theorie verkiesbaar tot paus. Als de multiversumhypothese klopt, bestaat er bijgevolg ergens een versie van deze wereld waarin ik paus Hilarius II ben. Die zou wellicht niet onderweg zijn naar een apotheek in dit verzopen stukje Gentse buitenstad maar behandeld worden door een lijfarts terwijl hij flauwe moppen vertelt. Ben je protocollair verplicht te lachen als de paus een grap maakt? Ik herinner me een hele subplot in 'De naam van de roos' waarin monniken hevig en bitter discussiëren of Jezus al dan niet ooit zou gelachen hebben. Indien wel, dan is komedie goddelijk, houden de voorstanders vol. Indien niet, dan is humor verwerpelijk en ketters, zweren de tegenstanders. De monniken raken het er niet over eens tot (spoilers!) hun abdij afbrandt.

Intussen ben ik binnen in de apotheek. De man van wie ik vroeger verkeerdelijk aannaam dat hij de apotheker was, is er niet. Als ik over hem spreek, noem ik hem altijd de Sceptische Apotheker, omdat hij je telkens lijkt te monsteren, kijkend van je voorschriften naar jou, alsof hij zich er echt van moet vergewissen dat je geen fraudeur bent die drugs komt kopen. Je ziet hem denken "zozo vriend, Piroxicam, hebt gij dat echt wel nodig?". Maar hij blijkt dus niet de Apotheker te zijn, enkel Sceptisch, want mijn huisarts vertelde me dat hij enkel helpt in de winkel - het is zijn echtgenote die het farma-diploma heeft.

Er staat een man met grijs haar en een zwaar Denders accent voor mij zijn leven te vertellen aan de balie door het plexiglas. En de apotheker plus haar assistente wérken goddomme al zo traag. Aan het andere loket zit een vreemd baby-achtige vrouw in een rolstoel te wachten op haar medicijnen. Denderman heeft minstens 15 dozen verschillende medicijnen nodig en blijft maar lullen, in het apotheek-equivalent van die ene persoon in de frituur die komt bestellen voor de hele voetbalkantine. Achter mij komen nog twee mensen binnen. Uiteindelijk vertrekt Denderman en rolt Babyvrouw, die blijkbaar zwanger is, kan ik opmaken uit de Franstalige conversatie met de assistente, terug de gezwind de zaak uit. Ik vraag me af of ik iemand zou daten die in een rolstoel zit en ik realiseer me dat ik me nog nooit eerder iemand heb voorgesteld in een rolstoel die zwanger is. Is dat fout? Of is het eigenlijk nog fouter indien ik daar wel veelvuldig aan zou denken?

"U kwam een bestelling ophalen, niet?" vraagt de apothekeres - of moet ik het genderneutrale "apotheker" gebruiken? Apothekerin? Nee, dat klinkt pas echt verkeerd.
"Inderdaad."
Ze kennen mij hier al, want dit is hier mijn stamapotheek.
"Gij doet mij aan iemand denken," had de Sceptische Niet-Apotheker ooit tegen me gezegd.
"Wie dan?" vroeg ik nieuwsgierig.
"Ik weet het niet. Maar ge komt me bekend voor."
Ik had toen misschien moeten zeggen: "Ja, het zal geweest zijn van die gangbang bij Hot Marijke", maar dat dacht ik toen niet dus het is maar Treppenwitz, en zelfs als ik het al gedacht had, had ik het zeker niet gezegd.
"U kent alle medicijnen al?" vraagt de apothekeres, die nu het bakje leegt en elk doosje inscant.
"Ja, we gaan elk jaar samen op fietsvakantie naar de Dolomieten," fantaseer ik.
"Wat bent u toch grappig, Monseigneur Hilarius," fantaseer ik verder. In werkelijkheid knik ik gewoon.

Op de terugweg doe ik nog een kleine inkoop in de Match. Ik word vlot bediend aan de broodjesbalie door een dame met een vaag Slavisch accent die altijd ontzettend professioneel is. Racisten vechten een achterhoedegevecht, denk ik dan. Mensen van niet-Belgische origine zijn overal en dragen vlot mee bij aan onze maatschappij en economie. Meer nog, in dichtste vriendenkring ken ik maar een drietal koppels waar beide partijen Belg zijn. Twee van mijn beste vriendinnen zijn respectievelijk samen met een Rus en een Italiaan, de partners van twee bevriende schrijvers zijn achtereenvolgens Peruaans en Duits, de vriendin van één van mijn broers is een Bulgaarse en die van mij is Roma-Roemeens. De door bedompte béchamelboomers en frisse scoutsnazi's gevreesde omvolking is al lang bezig, man. Time to get with the program.

Ik moet me even nog wurmen langs een stoet kinderen in fluohesjes en hun lerares. Op de trein is je coupé delen met een klas kinderen een kermis uit de hel, maar op hen op straat passeren vind ik eigenlijk prettig om al die energie en levendigheid samen te zien, die semi-coördinatie tussen al die blozende keuteltjes en hun iele stemmetjes incluis. Bij aankomst aan m'n appartement zie ik dat de knipperlicht-SUV er nog altijd staat. Ik ga de flikken niet bellen. Dan maar beter boos tweeten.