Over 'Onklare taal'

'Onklare taal' is de verzamelnaam van diverse tekstprojecten van mijn hand. Dit is de afdeling columns en microstories daarvan. In 2017 bracht ik 'In de vorm van een vogel' uit, een bundeling van de beste 99 teksten van dit genre tot op dat punt, netjes geredigeerd en per seizoen geordend. Je kan die antologie gratis downloaden als je Patron wordt. De weg een beetje kwijt? Mijn eigenlijke website, die ook 'Onklare taal' heet, verwelkomt je.
Posts tonen met het label haat. Alle posts tonen
Posts tonen met het label haat. Alle posts tonen

woensdag 6 maart 2013

Antenne

In de trein zit ik tegenover een man die slaapt. Voor één keer doe ik geen dutje en zit ik te lezen ('The Dice Man'). Mijn medepassagier zal me zich niet meer herinneren. Er is zo veel dat vergeten wordt, maar er zijn ook zo veel herinneringen die ons opgedrongen worden. Waar was jij toen koning Boudewijn overleed? Was niet iedereen droevig, die dag? Waar was jij toen Frank Vandenbroucke geld verbrandde? Waar was jij toen Marc Dutroux ontsnapte? Iedereen was bang en moest binnen blijven. Ik herinner me ook de brandende Twin Towers en een vriend die na tien minuten al opperde dat een zekere Osama bin Laden erachter zat. We zaten aan zee toen, ontluikende bourgeoiszonen dat we allemaal waren, in een appartement met een scheef zicht op het strand, de regen en de dijkbejaarden die als grijze peren her en der in het landschap ingeplant leken. Die alles doordringende sfeer van koesterend burgerdom zit ook in het boek dat ik lees. Rhinehart kan alleen maar zijn knotsgekke experimenten doen omdat hij de luxe heeft om keuzes te maken. Dat is het fundamenteelste mensenrecht dat er bestaat: keuzes maken, vrij van alle dwang, ook als het de keuze is om niet te kiezen. Plechtige woorden, zuiver als koud water, dat. De passagier naast me besluit een brikje chocomelk te drinken. De hele handeling heeft iets zielig, maar ik krijg er de vinger niet op gelegd wat het is. Een volwassen man die een piepklein brikje Cécémel drinkt, misschien is het gewoon dat.

Tijdens de lunch kwam er een herinnering terug die ik al lang vergeten was. Op m'n eerste vakantiejob, in het restaurant van de Makro in Eke, was ik op de derde dag tijdens een kalme periode toegewezen tot de controleshift in de grote eetzaal. Dat betekende rondpatrouilleren in een slagerspak met een papieren hoedje op de kop en kijken of mensen wel hun plateaus zelf teruggebracht hadden. Als er echt geen slordigaards meer over waren, moest ik de stoelen goed zetten. Op een bepaald moment zag ik één eenzame plateau aan een onbemande tafel. Het eten was nauwelijks opgegeten. In mezelf foeterend over zo veel verspilling, kieperde ik alles de vuilbak in. Bij m'n volgende ronde stond er op die plek een armzalig uitziende man bedeesd te vragen aan één van de managers waar zijn eten naartoe was. Ik durfde niet zeggen dat ik dat per ongeluk weggegooid had, maar voelde me nadien een rotzak; stelde me voor dat die man al weinig geld had en daar wat zielig alleen zat te eten, en dat ze zijn eten nog hadden weggesmeten ook. Die moet zich die avond ook gevoeld hebben alsof het universum een drol op z'n hoofd gelegd had, met mij als onwetende medeplichtige aan die rotdag. Ik vertelde het hele verhaal aan mijn collega's, en het werd algauw gerelativeerd, want het kon zo veel erger. Onder het eten van pizza's zeilden we zo nog een paar anekdotes af.

Ik kom graag opgerezen uit ondergrondse plaatsen. Al wat naar boven gaat is leuk, en daar zal Sigmund vast wel een theorie over gehad hebben. De massa pendelaars heeft haar normale viscositeit en geordende chaos. Routine. Intussen heb ik voldoende geleerd om te beseffen dat routine niet alleen een knuppel is om mensen murw en dom mee te slaan, maar dat het evengoed een staalvlechtwerk kan zijn dat een beter doel dient. Er barst ergens spontaan een jaren '80 synthrock-soundtrack los: Anton in veel te korte jeansshorts joggend op het strand, Anton met bezweet gezicht in de fitness, Anton die yoghurt eet en Anton die in een keurig pak met das met forse passen voorwaarts komt door de massa van Gent-Sint-Pieters, elke dag. Uit het primordiale slijk van de opvoeding, het afbreken en de zelfuitvinding rijzen de contouren op van een beter type mens. Beter in de losse zin van het woord, want zelfs na al die jaren kan ik trage, bolvormige bejaarden die de weg blokkeren nauwelijks verdragen.

Het roken wordt uitgesteld tot ik goed en wel op straat ben. Ik maak mezelf wijs dat het een voorbereiding is op het definitieve einde van mijn relatie met vader tabak en moeder nicotine, maar het is eigenlijk een uiting van m'n latente masochisme om plezier uit te stellen en geduld te oefenen, hoe onzalig kort die tijdsspanne ook is. Luciano de Crescenzo stelde dat mensen epicuristen of stoïcijnen zijn, fundamenteel, en ik denk dat hij gelijk had. In een gunstig geval kan de epicurist leren van de stoïcijn dat plannen maken en die uitvoeren ook persoonlijke voordelen kan opleveren, en zal de stoïcijn leren beseffen dat niet alles zo godallemachtig belangrijk is, maar het is een torenhoog conflict dat elk moment terug kan losbarsten. Je kan het ook inkaderen als een tegenstelling tussen de structurerende en de opmerkzame persoon. Micro- en macrostructuren aanbrengen, daar ben ik goed in. Ik heb al honderddrieëndertig passen gezet sinds ik uit het station ben gekomen, en marcheer gestaag richting park, richting huis.

Frisbees vliegen door het park. Iemand beatboxt. Jong zijn, jong zijn. Veertig is het nieuwe dertig, proclameren veertigers die het nu voor het zeggen hebben in de media. Ze hebben een punt. Ze verkneukelen zich graag in hoe richtingloos late twintigers en vroege dertigers van nu soms lijken, verlengde adolescentie en al die dingen. Redacteurs van lifestylemagazines toeteren dat we dat net leuk moeten vinden, die vrijheid van dat ronddobberende levensvlot. Ze vergeten er bij te zeggen dat één van de redenen dat we blijven hangen, is dat de huizen peperduur zijn en dat onze geroemde bourgeoisklasse, dat plankton van de maatschappij, op instorten staat doordat we ons allemaal blauw betalen aan schulden die wij niet gemaakt hebben, om privileges in stand te kunnen houden voor generaties die de wereld leeggezogen hebben. Ik werk in marketing en bullshit is mijn beroep, die probeer me alsjeblieft niet zelf te belazeren. Maar wie weet wat denken die drie Turkse jongens nu over mij terwijl ik hen kruis onder de eminente parkplatanen? Ze zien een kerel lopen in kostuum en een lederen tas, dus zullen ze mij ook wel catalogeren als zo'n latent racistische Vlaamse clown die het veel te goed geeft. We horen nochtans samen, allemaal. Alleen zo slaagt de revolutie. Kamagurka tekende ooit een winkel waar je revolutionaire vuisten kon kopen. Zelf heb ik de handen van mijn moeder, maar gelukkig heeft mijn moeder ruim bemeten mannenhanden vol karakter.

Ik ben tot de conclusie gekomen dat ik een gevoel als haat niet begrijp. Ik begrijp woede, ik kan ook een smeulende wrok verstaan om oud onrecht, of superieur medelijden, maar haat is al zo lang geen deel meer van m'n gedachten dat zelfs de ervaring van plotse vijandigheid van anderen surreëel voor me is. Niet iedereen hoeft me leuk te vinden en ik kan gerust een reden of zes bedenken waarom iemand me niet zou lusten, maar onmiddellijke vijandigheid, daar weet ik geen blijf mee. Vanuit die gedachte springt een nieuwe archiefkast open: ik zie het beeld voor me van een zekere Bert, Dirk of Baffus, een negatief heerschap die soms wel eens in cafés zit waar ik ook kom, en zich duidelijk tot doel gesteld heeft om ieders persoonlijke strontvlieg te worden. Je merkt dat hij nooit veel vrienden gehad heeft en daarom maar besloten had dat anderen a priori rotte figuren waren. Voeg dat ook maar toe aan de lijst van dingen die ik niet versta. Hoe kan iemand zichzelf nu aanmatigen om door mensen constant te kloten, een soort hypocrisie tevoorschijn te toveren? Je moet mensen er niet eens kwaad voor krijgen om dat te doen. Schuif aan bij een willekeurig gesprek een de zelfrechtvaardiging fluit je al om de oren. Kruispunt. Bijna thuis. De metallic centipede aan forenzen rolt van rood licht naar rood licht. Plodden gras onder m'n laarzen voelen lijkt een gunst, denk ik dan. En overal mensen, overal. Je kan niet leven zonder input, maar soms moeten de machines eens losgekoppeld worden. Het samengeperst zitten maakt wel dat we interessante dingen doen, maar we zijn tegelijk ook ratten in knellende tunneltjes. We verlaten die veel te weinig, ook psychologisch. In elk chic gebouw voel ik me onmiddellijk weer die blozende jongen die 's zomers tussen de koeien liep en bijna in een vossenklem trapte. Het is best pathologisch allemaal: de stad is mijn vluchthuis om te ontkomen aan de benepenheid van harde boerentronies, maar de échte verfijning van de stadsadel voelt voor mij aan als onwerkelijk.

Het wordt groen. Ik bedenk me dat ik straks alleen ga eten. Ook dat heb ik allicht ergens aan verdiend, maar er zal tenminste niemand ongevraagd m'n plateau komen wegnemen. Boterhammen met jonge kaas. De opstandige burger betreedt zijn rommelpaleis.

dinsdag 11 oktober 2011

Swingen met haat

Contrasten en gelijkenissen zijn vormen van perceptie. Vrijdag zit ik omgeven door cybergoths, waar zelfs binnen het al vrij perifere gothmilieu mee gelachen wordt, zaterdag word ik omringd door een hoop erg zelfbewuste, linksige hipperds die niet mis zouden staan op de covers van lifestylebladen - en op beide avonden neemt het alcoholgehalte stuwend toe in mijn bloed, met het geluid van vliegtuigturbines en gesprekken die je denkt al eens elders eerder gevoerd te hebben in andere uitgaves. Op beide avonden voel ik me evenzeer in mijn element. Vodka is mijn vriend, muziek is een katalysator. Of was het omgekeerd? Ik ben een bewonderaar van de betere menselijke vorm. Zelden zijn mensen werkelijk lelijk, maar er zijn er ook weinig die werkelijk mooi zijn. Dat is een gedachte die op beide avonden in mij opkomt.

Er wordt vaak gezegd dat Gent een stad is die groot genoeg is om aan te voelen als meer dan een provincienest, en tegelijk klein genoeg is om niet weg te zinken in typische grootstadsproblemen. Als je er al jaren woont en al in de meeste cafés bent gekomen, beginnen bepaalde mensen je toch automatisch bekend voor te komen. Het helpt ook niet dat Gents artistieke, creatieve of culturele jonge honden soms zo verdomd goed op elkaar lijken. Elke paar jaar komt er wel een modetrend die me met verstomming slaat. Het is makkelijk om me af te doen als iemand die geen verstand heeft van mode, dus ga ik ook niet proberen daar street cred te gaan halen. Wat ik wel vrijblijvend meegeef is dat ik me herinner hoe de trend van de driekwartsbroeken alleen maar mooi was bij vrouwen die lange benen en smalle heupen hadden, dat de enorm hoog getailleerde semibloezen zelfs normale vrouwen dik of zwanger deden lijken, en dat de meeste mensen ook absoluut niet staan met die grote hipsterbrillen. In het algemeen begrijp ik ook hipsters niet zo goed. Op zijn best is het een dubbelzinnige uitloper van de postsyncretische popcultuur, op zijn ergst is het de duizendvoudige dood van de ironie. Sloterdijk legde de vinger op de wonde in "Je moet je leven veranderen" door zijdelings te zeggen dat ironie als levensoefening een enorme barrière is voor zelfontplooiing, en a fortiori dus ook om dichter tot andere mensen te komen. De vraag is ook: willen we dat, dichter komen tot andere mensen? Je zou soms denken dat het niet wenselijk is.

Ik begrijp soms wat Gary Numan bedoelde als hij zei dat we "safest of all" waren in onze auto's. Het schept afstand, het laat me volledig alleen zijn met de cd's die ik al grijsgedraaid heb en het laat me concentreren op iets onbenullig (het verkeer) wat de geest terug leegmaakt. Ik verlang enorm naar resetknoppen. Dat is ingegeven door spijt over alle domme dingen die ik ooit gezegd en gedaan heb en ook een voortdurende wil tot vernieuwing, tot ritueel verbranden en terug opbouwen. Een betere analogie is misschien het ingegraveerde patroon van de seizoenen. Met wil tot kitsch zou men daar een erfenis in kunnen zien van het platteland waar ik als kind rondkoerste met mijn fietsje, maar de waarheid zal eerder prozaïsch zijn. Twintig jaar geleden was ik zo goed als een ander persoon en had ik die resetknoppen nog niet nodig.

Het is aangenaam om nog eens een letterlijk masker te dragen - verkleedfeestjes zijn altijd de beste feestjes. Vrijdag ben ik één van de weinigen die niet van de partij is met neondreads, industriepiercings en andere accessoires uit videoclips van 1995, zaterdag behoor ik tot de krappe meerderheid die wel verkleed is gekomen. Mijn schtick is een variant op de orgiedeelnemers in "Eyes Wide Shut". Ook al een film over afstand en intimiteit. Maar dat denk ik pas achteraf met de bruine helderheid van een weekendkater en een fikse dosis slapeloosheid. Het is een enorm dilemma: ben ik deel van het orkest op een zinkende Titanic, of probeer ik met woestheid nog zo veel mogelijk mensen aan boord te krijgen van sloepen? Is het wel mijn verantwoordelijkheid? Sommige ambities zijn onverenigbaar. Ik kan niet zeggen dat ik schrijver ben als ik niet sommige nachten uithol, wegsteel en me zo ver mogelijk hou van alles wat menselijk is om me te kunnen wijden aan het toetsenbord. Ik kan ook niet zeggen dat ik niet zou stilvallen als ik me niet af en toe nog eens stevig liet opgieten en met vaak storende gretigheid mensen zou verkennen als vrienden, vijanden, gestoorde dansers of medebeoefenaars van een vreemd soort leven dat eigen is aan deze tijd.

En deze tijd is me wat. Vrijdag heb ik evenveel zin om daar stil bij de staan als dat ik er naar uitkijk om mijn belastingen in te vullen. Zaterdag verlang ik ernaar: een debat, een slaande ruzie, een discussie. Ze komt niet. Ik moet het stellen met kruimels en kleine kiertjes in gesprekken over de staat van België, een paar schampschotten over het integratiedebat en een doodlopende boswegel in een discussie over seksuele gewoontevorming. Het zijn geen verwijten. Ik drijf mee, en daar ben ik al dankbaar voor. Geestig zijn doet geen pijn en verzacht de zeden ook. Wie denkt dat goeie humor geen literatuur kan zijn, heeft er volgens mij niks van begrepen. Ten andere: slechte humor is nog erger dan misplaatste ernst. Het is beter een masker te dragen van een monster dan een masker te dragen van normaliteit over een monstergezicht. Ik kan daarbij verwijzen naar de vele psychopaten die de wereld nog telt, nog een glas achteroverkappen en nadenken over mijn eigen onwetendheid en die van anderen. Of hoe sommige mensen sociopatische karaktertrekken aannemen als het gaat over iets wat ze niet leuk vinden - een artiest, een stijl, een politicus. De eerste reactie op al die haat is kwaadheid. Je kan de straat op komen, roepen, mensen dooreenrammelen en hen zeggen dat het een verspilling is van energie, maar au fond weet je dat het niets uitmaakt. Ik heb het schip niet ontworpen, zie je, en toch voel ik me schuldig. Ik ben deel van het orkest, maar er zijn dagen dat ik geen juiste noot kan aanslaan.