Over 'Onklare taal'

'Onklare taal' is de verzamelnaam van diverse tekstprojecten van mijn hand. Dit is de afdeling columns en microstories daarvan. In 2017 bracht ik 'In de vorm van een vogel' uit, een bundeling van de beste 99 teksten van dit genre tot op dat punt, netjes geredigeerd en per seizoen geordend. Je kan die antologie gratis downloaden als je Patron wordt. De weg een beetje kwijt? Mijn eigenlijke website, die ook 'Onklare taal' heet, verwelkomt je.

zondag 13 september 2009

Herfstkathedralen

Het is een zaterdagavond waar de herfst zich al volop aankondigt, ongestoord door menselijke schema's en berekeningen. Bladeren verzamelen zich in de goten van de straten, wolken worden somberder en het gaat wat harder waaien. Ik verblijf hoog en droog in het appartement van vriend F, voorheen mijn huisgenoot, die na al die jaren dat ik hem ken nog steeds de minzaamheid zelf is. Er wordt gepraat over muziek en over film, over zijn zoektocht naar een vetbetalende job en over ergerlijke gewoontes van nieuwe huisgenoten, met op de achtergrond eerst een streep ambient uit de meesterlijke catalogus van Aphex Twin, en daarna nieuw klassiek van een Japanner wiens naam ik al vergeten ben als F hem heeft uitgesproken. Over deze avond regeert een melancholie op kousenvoeten, die ik niet eens hoef te vatten in woorden, omdat ze zichzelf steeds zo verleidelijk aanbiedt als brandpunt van gedichten en zinnen. Misschien zit het in de eenzame, herfstige straten buiten. Misschien heeft het wat te maken met de herinneringen die F zelf oproept. Of is het gewoon iets dat algemeen in de lucht hangt, het wisselen van de seizoenen en de aankondiging dat de zon weer dagelijks sneller verdwijnt en zich trager zal laten zien. Vrienden zijn geslaagd en hebben gefaald voor herexamens, schooljaren zijn verwoed begonnen en de meeste mensen hebben blijkbaar besloten deze avond binnenskamers en binnensmonds door te brengen.

Ik denk onder het praten na over mijn voorliefde voor dieptes in gevoel en verstand, die steeds klopt in mijn hart der harten. Het is twintig jaar geleden dat de muur der muren viel, en het boek der boeken wordt nog steeds gelezen. Er hebben zich nog geen kandidaten aangemeld voor de dood der doden, en wat mij betreft mag die dood nog even wachten, want hoe zacht moeder melancholie ook haar deken over mij legt, ik kan niet ontkennen dat ik me bevind in een toestand van algemeen welbevinden. Ik besef dat terwijl ik me het flessengeluk toeëigen, dat mogelijk het geluk der gelukken is. Ik heb vrienden en ik mis geen ledematen. Ik heb werk dat ik graag doe, en een dak boven mijn hoofd. En ik heb iemand om graag te zien en graag door gezien te worden. Die iemand bevindt zich onder mijn dekens steeds bij mij, maar is, terwijl ik de beslissende laatste slok neem, ergens in een duister oord waar in het zwart geklede mensen nog troost vinden in diezelfde duisternis.

Onderweg naar huis speelt een nauwelijks hoorbare muzikant tegen de wind in piano. Fietsen staan door elkaar opgesteld tegen muren en palen, en mijn voetstappen vormen de kasseidrum die die onhoorbare muziek begeleidt. Bomen verliezen hun bladeren en de afhaal-Chinees is dicht. Een norse nachtwinkeluitbater moet zijn maaltijd onderbreken om me sigaretten te slijten, en even wenste ik dat ik me in de Leie kon laten vallen, en me kon laten meevoeren met de stroom tot waar S is, om te verrijzen en als donkere messias op te duiken onder de gevlederden, waar ik me meer thuis voel dan ik zal toegeven. Ik passeer een gezelschap snobs met haar zo stijf van de gel dat een nano-beschaving er in zou kunnen bobsleëen, een knappe Marokkaan die diezelfde mensen met misprijzen gadeslaat, en een zwarte vrouw en haar geblondeerde blanke vriendin die klaar zijn om de Overpoort in te duiken, op zoek naar hits en wie weet ook naar liefde, de heilige graal waar mensen in dit leven voor sterven. Auto's razen over straat, sneller dan de hen opgelegde snelheid die op het wegdek geschilderd staat, en de bomen van het Citadelpark aan de overkant ruisen omineus. De pianist zet zijn beste beentje voor en blijft doorspelen, dwars doorheen mijn verlangen om met uitgestrekte armen op het kruispunt van de Heuvelpoort te gaan staan en in het lawaai en getoeter van de auto's de stemmen te horen van woede en verbazing.

Als ik thuis kom, is er niemand. Of toch. Vanuit het donker buiten komt een rosse kater binnengeglipt, die even vanop afstand toekijkt hoe ik hem zelf gadesla, en dan toch besluit behoedzaam te naderen op het eten dat ik hem geef. Zijn dagelijks brood, en mijn spreekrituelen tegen een dier dat nooit wat zal terugzeggen. Met enkele slotnoten is de muzikant opgehouden en strekt hij de vingers. Ik doe bewust geen enkel licht aan, en laat het enige licht in de kamer dat zijn van mijn aansteker, die al snel een sigaret aansteekt. Laat dat mijn ode zijn aan het leven, een verboden middel dat me dichter brengt bij het onvermijdelijke. Laat dat mijn valse romantiek zijn, die de echte romantiek tegenspreekt van het missen van een geliefde. En laat mijn asse de punten en de komma's vormen van een nog ongeschreven gedicht voor vrienden, familie en voor S, dat ik dankbaar ben dat ze er zijn, en dat ik hen graag zie.

zondag 6 september 2009

Vergeef me niet

Er zijn weinig zaken waar haast iedereen wel een mening over heeft: goed en kwaad, God, muziek en verhoudingen tussen de geslachten. Enkele jaren terug fulmineerde ik hevig tegen het postfeminisme dat nog steeds gepropageerd wordt door bladen als de Flair en vaandeldragers kent in persoonlijkheden als Goedele, wier cultus zich inmiddels ook uitbreidt tot een eigen magazine. Maar waar ik me toen blindstaarde op excessen van een nepfeminisme dat erin uitblonk niet uit te stijgen boven neerbuigende gemeenplaatsen en cafépraat, verloor ik de bredere context uit het oog. Omdat schrijven naar men zegt blijft, moet ik ook mijn meningen zwart op wit herzien, niet alleen om mijn eigen vederkleed te verschonen, maar om intussen ook nog eens flink uit te halen naar anderen.

Uit een recent verschenen onderzoek bleek dat veel jonge meisjes zich onder druk gezet voelen door hun partner om op seksueel vlak verder te gaan dan dat ze infeite willen. Dat omvat een heel spectrum met aan het ene uiterste misschien een onenthousiaste handjob en aan de andere kant regelrechte verkrachting en mishandeling. Dat mannen in deze daderstatistieken nog altijd heer en meester zijn, is een onaanvechtbare waarheid. En telkens als ik dat soort dingen lees, of hoor over de zoveelste vrouw die door de zoveelste griezel is lastiggevallen in het holst van de nacht, vraag ik me af waar het die mensen om te doen is. Gaat het soms om jongens die zich ook vanuit hun eigen vriendenkring onder druk gezet voelen om te presteren, waar vroege seks als vanzelfsprekend bij hoort? Gaat het ook soms om eenzame perverten met een totaal vertekend beeld van hoe vrouwen in elkaar zitten?

De waarheid ligt allicht dichter bij het tweede dan het eerste, en er spreekt uit ongewenste intimiteiten, vaak weggelachen als geestige gemeenplaats bij koffie-automaten, niet alleen een chronisch onbegrip over hoe een vrouw denkt en voelt. Het spreekt ook boekdelen over hoe mannen die steeds opnieuw grenzen overschrijden denken over vrouwen in het bijzonder, en mensen in het algemeen. In een beschrijving van een stinkende zwerver die naar de borsten graait van een vrouw, zullen de meeste mannen zich niet herkennen. Maar misschien wel in die van een man die ooit bleef aandringen tot ze geen nee meer durfde zeggen? Of een man die diep vanbinnen denkt dat vrouwen alleen maar moeders en hoeren zijn? Of misschien zal hij zich met gepaste schaamte ook plots bedenken dat hij één van die mensen is die instinctief terugwijkt als hij een vrouw kent die al dertig bedpartners gehad heeft, terwijl zijn succesvolle vriend met hetzelfde aantal een held is?

Het komt erop neer dat dat soort mannen ergens lijdt aan een gebrek, waarbij enerzijds een oerinstinct tot bezit en seks opwelt dat vrouwen als prooien gezien worden, en anderzijds dat hij er niet in slaagt vrouwen te zien als volwaardige, zelfstandige personen die evenveel respect verdienen als hemzelf. Dat dat bepaald geen hippe of dat dit zelfs een vanzelfsprekende bewering is, kan me aan mijn harige reet roesten. Ik hoor en zie nog teveel dat vrouwen slachtoffer worden van mannen die zich geen plaats meer weten te geven in de huidige, sociaal egalitairdere bovenstroom, en hun toevlucht nemen in een absurd machismo waarin vrouwonvriendelijkheid zogezegd ironisch wordt bedreven. Of ze komen aangereden in galop met het excuus dat ze zich stom en onbewust intimiderend gedragen "omdat ze nu eenmaal mannen zijn", of dat ze hun vrouw bedrogen hebben "omdat dat in de biologische aard zit". Het zit ook in mijn biologische aard om te moorden en om mijn gevoeg te doen waar het mij uitkomt. Daarom doe ik dat nog niet.

Zoals ik ook al eerder aangaf, gaat misogyn gedrag vaak hand in hand met een algemeen ontbreken van respect voor andere mensen. In mijn omgeving heb ik ze al vaak grote sier zien maken - die charmerende, geestige mannen die er zich op beroemen "echt man" (wat dat in godsnaam ook mag betekenen) te zijn, en als volleerde wiggers "bros before hoes" zeggen, maar dan zonder verpinken het lief van hun beste vriend proberen versieren. Ik ken zelfs mensen die vonden dat het personage van de übermacho en meester-verleider Vincent uit de film Loft een bewonderenswaardig figuur was. Men kan hierbij een hele jeremiade afsteken over de slechte invloed van de recente popmuziek, oude rollenpatronen die al duizenden jaren meegaan en niet zomaar uit te wissen zijn, tot zelfs de nefaste invloed van de castratiegrage Goedeles van deze wereld, maar dat heeft allemaal geen pas als het erop aankomt je persoonlijke verantwoordelijkheid op te nemen.

En dit geldt merkwaardig genoeg niet alleen voor de ploerten, de geweldenaars en de openlijke vrouwenhaters van deze wereld. Evenzeer richt ik mijn pijlen op onderdanige mannen die zich graag beroemen op hun voorgewende vrouwvriendelijkheid, maar die rol eerder aannemen om hetzelfde doel te bereiken als de ploert. Op net dezelfde wijze begrijpen zij fundamenteel niet dat menselijke relaties niet werken als een logische flowchart waarin B uit A moet en zal voortvloeien. Is het niet het vreselijke idee dat een man, hoe stom hij er ook uit ziet, puur omdat hij zijn zinnen op een vrouw zet, dat ze zal zwichten, dan is het wel het gefleem van een zelfverklaarde witte ridder die er van overtuigd is dat ze wel seks met hem zullen willen hebben omdat hij nu eenmaal lief is en begrip toont.

Bijna alle misdadigers zijn mannen. Onder seksuele geweldplegers zijn vrouwen zelfs bijna niet te vinden. Men kan zeggen wat men wil over gewelddadige vrouwen (die zeker bestaan), maar statistieken liegen niet. Het zijn, als ik dat soort dingen hoor en lees, dagen dat ik me diep schaam omdat ik ingedeeld wordt bij die verzameling losers. Mijn ergernis over domme meningen over mannen zinkt in het niets, als ik de krant open sla en opnieuw moet lezen over een serieverkrachter die er met een lichte straf vanaf komt, of als mijn oog weer eens valt op een verhaal over vrouwen die zich schuldig voelen omdat ze werden lastiggevallen door mannen. Het doet me beseffen dat er nog veel werk aan de winkel is, eer we werkelijk zullen kunnen zeggen dat we leven in een wereld waar mannen en vrouwen gelijk behandeld worden. Tot dan is het de plicht van iedereen om hier aan mee te werken, en wie dat niet wil, die verdient mijn respect niet.

maandag 31 augustus 2009

De sprinkhaan ligt zwaar

Het schijnt dat Europeanen een stuk honkvaster zijn dan Amerikanen, die er geen bezwaar in zouden zien honderden, zelfs duizenden kilometers te verhuizen voor een job, waardoor families zich als eenzame, verbrokkelde atollen uitstrekken over het hele land. In België is honderd kilometer verder gaan wonen al een hele daad. Mijn eerste levensjaar als kruipende en kwijlende baby niet te na gesproken, heb ook ik steeds in een straal van twintig kilometer rond dezelfde stad gewoond. Niet dat dat betekende dat ik nooit van onder de kerktoren ben uit gekomen, maar het betekent alleszins dat ik me steeds met enige terughoudendheid geworteld voelde in de streek met de kasseibanen, moerassen, landwegen en wisselende decors van lintbebouwing en scheefgemetste stallen. Nu is een deel van die grond weg.

Het huis waarin ik woonde tot ik een jaar of zeven was, wordt momenteel gesloopt. Al wist ik wel dat het vanbinnen intussen onherroepelijk veranderd was, gaf het toch een vaag vertrouwd gevoel om er voorbij te rijden, alsof het een grafsteen was van een oud familielid dat ik even had mogen kennen. In dat huis beleefde ik mijn eerste kwajongensstreken, toerde ik rond met kleine autootjes, probeerde ik gordijnen in brand te steken en besloot ik ook niet meer in God te geloven omdat ik er schrik van had. Die plek is nu weggeveegd. Het andere huis, waar ik meer dan tien jaar gewoond heb en steeds terugkwam om mijn ouder wordende ouders en broers te bezoeken, is nu verkocht en volop in ombouw. Het is wennen om mijn ouders plots te zien rondwaren in een kleiner appartement, met een aantal vertrouwde maar vreemd geplaatste meubels, en de kat die gedesoriënteerd en aanhankelijk als een peuter tussen hen in slaapt.

Er zijn nog foto's en er zijn tal van herinneringen, maar dat zijn maar surrogaten die de werkelijkheid niet kunnen verbloemen - alles is voortdurend in verandering, en meestal ongemerkt. Dat besef vervult me met een stille, stugge melancholie die steeds op de achtergrond aanwezig is, zoals pakken wolken in de verte op een goed geschilderde nazomerdag. Er zijn steeds deuren die zich sluiten en andere poorten die opengaan, en het blijkt er op aan te komen in momenten te leven in plaats van in het verleden of een onpeilbare toekomst.

En ook, wat is dat tenslotte, een verleden? Een verzameling aan misvormde anekdotes met vele zwarte gaten, een interpretatie van een interpretatie en een schetsmatig gevoel dat zich niet laat buigen volgens wetten van taal of poëzie. Maar dat is niet erg. Het is een zaak vol ruwe schoonheid, en hoeft ook niets meer te zijn. Omdat de moderne Europese mens zo ontworteld is, zitten de grondvesten des te meer diep verankerd in het eigen innerlijk, waar stemmen uit het heden en het verleden voortdurend met elkaar dialogeren over later. Het later van toen, toe ik nog garagist wilde worden of architect, en het later van even later, toen ik dacht dat ik politicus moest worden, of het later van nu, waarin mijn ouders gepensioneerd zijn en ik ergens verblijf op een nieuw huisnummer met nieuwe geuren en nieuwe mensen die zich nog niet kenbaar gemaakt hebben.

In het moment zijn is minder eenvoudig dan het lijkt, want het vergt aandacht. Er is niet veel voor nodig om alles om ons heen te zien veranderen en vaak ook te zien verslechteren. Om de schoonheid te appreciëren van het voorbijgaande, is er echter een voortdurende concentratie nodig, een middelpunt dat precies een middelpunt is omdat het er geen is, een manier van moeiteloze moeite. Of het is een hoop opeengebouwde sloopwoorden die nooit kan uitdrukken wat ik bedoel. Maar dat het mooi is, daar wil ik niet aan twijfelen.

maandag 10 augustus 2009

Hoge hoed


In elke nieuw tikkende nanoseconde ontstaan en vergaan weer werelden. Ik kan niets en ik kan er ook niets aan veranderen dat die onvermijdelijke cadans zijn werk gaat, stap voor stap. De massa drukt en zwelt aan, neemt af en neemt koortsachtig de temperatuur van haar eigen jachtigheid. Broodjes, trappen, blikjes, blikken. Ik lees de krant maar mijn ogen zijn gesloten. Al die letters. Misdaad tiert welig, en de betonnen vloer van het perron is een maanlandschap vol microscopische, bacteriële beschavingen en resten van absolute vergetelheid, uitgesleten kloven en barsten, kraters van harde voeten en winterse hagelbuien. Maar het is zomer. Gevangenen zijn ontsnapt en weer ingerekend. Een vrouw vlucht weg van haar familie. Mist rond het station wordt tot volwassen bewolking en lijkt daarmee ook een zomerse dag te gaan onthullen. Sport. Ze bakten er weer niets van.

“Excuseer?”

Extreemrechts in de Verenigde Staten, ver van deze treinsporen en deze kadukke wachtzalen waar één venster al meer dan twee jaar niet hersteld is geweest en het daardoor in de winter geen reet uitmaakt of je binnen zit te wachten of niet. En dan de mensen. Aan de overkant onbereikbare geesten, gescheiden door sporen, turend en wachtend. Een sigaret is wat we allemaal wel eens kunnen gebruiken, toegeven of niet. Zonverbrande dikke mensen in shorts protesteren tegen dingen die ze niet begrijpen, en een zwarte president die hen volksvreemd overkomt. Amerikanen. Een zwaarbeladen goederentrein vol clichés. Had ik niet zo’n tere maag, ik had zelfs op deze ochtend wel een hamburger kunnen eten met een vettige, romige saus. God, vergeef mij als vleeseter. Ik beoordeel anderen en veroordeel mijzelf. Flagellantisme, masochisme om steeds opnieuw dat slechte nieuws te lezen. Met de beurs gaat het beter. Leugenaars en luchtverkopers, de vrolijke alchemisten van de internationale zwendel. Ik kan me niet wenden tot het communisme, echter.

“Excuseer?”

Nu pas besef ik dat je daarnet ook al gehoord had maar te zeer half aan het lezen en half aan het mijmeren was over in stukken gehakte gedachten en me zelfs trachtte te herinneren of ik dit niet ook al ‘ns eerder gedroomd had. Ik ken je wel. Je bent er alle dagen, en als sloom gewoontedier zit ik net als jij bijna elke dag ook in de coupé van je trein, en ik zal je wat meer zeggen wat ik niet ga zeggen, maar je bent schattig en ik heb op een avond gesproken met de vriendin waar je altijd mee zit te kletsen toen ik al behoorlijk dronken was en haar herkend had. Ik had toen eigenlijk niets te vertellen en nu ook niet, maar ik denk niet dat iemand die avond ook maar iets te vertellen had dat de geschiedenis had moeten ingaan als memorabel, lovenswaardig of anderszins de moeite waard om neer te schrijven in een geheim dagboek met gouden slot. Het was een rockcafé vol zatlappen en toekomstige ex’en van elkaar.

“Ja?”
“Heeft u soms vuur?”

En of ik dat heb, ja. Iedereen heeft vuur en hoewel dat bij sommigen volkomen uitgedoofd lijkt, geloof ik altijd opnieuw dat die mensen slechts de juiste omstandigheden nodig hebben om die passie opnieuw te doen ontbranden. Een zwarte president die de diepgewortelde racistische reflexen bij oude blubberzakken in onmodieuze shorts aanwakkert, bijvoorbeeld. Of die gestoorde vrouw die duiven komt voederen en dan in een Tsjetsjeense straatmuzikant haar man herkent die er dertig jaar terug met een Congolese prostituée in Brussel vandoor is gegaan. Al dat vuur, elke dag om ons heen, en we moeten ons inhouden om de boel niet voortdurend en bij herhaling kort en klein te slaan, want dat zou geen zicht zijn. En ja, je bent nog altijd best wel schattig, maar uiteindelijk heb je ook wat het gezicht van een Duplo-mannetje en is mijn eigen lief met haar donkere manen en die grote, soms zwarte en soms erg lichtbruine ogen nog van een ander en beter kaliber. Daarover moeten we klaar en duidelijk en vooral ook eerlijk durven zijn. Die curves en rondingen van die donkerblauwe jeans, of hoe een weerbarstig krullend haar langs haar voorhoofd dreigt te ontsnappen na de ultieme daad van weldadige zondigheid. Zware literatuurstemmen.

“Absoluut.”

Geen tijd en geen zin om meer woorden vuil te maken aan wat een zakelijke transactie is. Die aansteker heb ik gekocht in een nachtwinkel in Waregem, waar een ontheemde vreemdeling de zaakvoerder was die aandachtig mijn handen gadesloeg om te zien of ik niet van plan was iets te stelen en aldus hem letterlijk letterlijk letterlijk de kaas van het brood te stelen. Zo ben ik niet. Beursgoeroes, ik steel andermans geld niet. En jullie horen of zien dat niet. Ik zou gestraft worden voor misdaden, maar de goede daden beloont de politie niet met rozen en bonbons. Overal rook, ook aan de overkant en in de achterkant, en het station binnenspoedende treinen met lichten die de steeds dunner wordende mist doorklieven. Idioten, allemaal. En ik ben de mede-idioot, de meta-idioot. De krant is verrassend dun maar ik moet nog doen alsof er iets te lezen valt, want anders doe ik mijn bestendige reputatie als intellectueel oneer aan tegenover mijzelf. Conditionering.

“Dank je.”
“Geen probleem.”

En wat als het wel een probleem was? Je hebt misschien of misschien ook niet gezien dat de aansteker een licht bevat waarmee men makkelijk uit benarde, donkere plaatsen kan wegnavigeren. De trein moet er bijna gaan zijn. Ik hou van stiptheid op z’n Duits, en ook een worst gaat er steeds wel in. Fallisch voedsel, en voedsel is een vorm van seks, net als consumptie of dat personage Dr. Strangelove die op het einde van de film een levensgrote erectie is vlak voor de ontploffing van alle atoombommen. Zo zijn we weer terug in de Verenigde Staten, en het charisma van Barack Obama, waar mijn lief wel ‘ns van bil mee zou durven gaan. Maar ook ik zou geen nee zeggen tegen de machtigste man van de wereld, behept als hij is met een oratorisch talent waar ik een drol voor zou opeten om het te hebben. De wind speelt door mijn haar en brengt het achteloos uit model. Ik heb een kapper nodig, constant, op elk moment van de dag, om mezelf belangrijk te voelen. Ooit zal ik gaan werken in een hoge hoed en met een wandelstok, maar het zal niet vandaag zijn, als me gewoon om vuur gevraagd wordt. En ik blijf altijd afgesloten van jouw gedachtenwereld en die van al de rest. De letters in de krant zijn oefenzwemmers die slechts proberen drie gedachten tegelijk door de trechter van mijn geest naar binnen te wurmen, maar tegen dat ze binnen zijn, zijn ze al onherroepelijk van mij. Interpretatieproblemen. Geen hond die er wakker van ligt. Ik vouw de krant op als een heer, en druk mijn sigaret uit tegen de rand van de metalen bank. De trein komt er immers aan.

woensdag 22 juli 2009

Goed genoeg

De Feesten staan garant voor onverwachte ontmoetingen met vreemden, en hoe dieper in het hol van de nacht, hoe vreemder de vreemdelingen en hoe eigenaardiger de verhalen achteraf nog doorklinken. Stoners in speeltuinen, groezelige gezelschappen die het met elkaar aan de stok krijgen vanwege een vrouw of een gemorste pint, afgeleefde veertigers, jongeren die voor het eerst losgelaten worden, en gerateerde B-artiesten die voor een halfironisch publiek de warme waardering krijgen waar ze naar snakken. Als ik God was, dan kon ik op Gent kijken vanuit de hemel vol donkere, zwoele wolken, en kon ik zeggen dat het goed was. Dat mijn volk zich amuseert, en probeert de drukkende aanwezigheid van de zovele massa’s met een zekere berusting te ondergaan. God zou er bij God zelf zin van krijgen om mee te feesten en ergens een pita te gaan eten, of in de nachtwinkel die fles spijtjenever te kopen die vierentwintig uur later een afschuwelijk idee zou blijken. Maar meer nog dan de locaties, de tenten en het gratis vertier draait het om de mensen. Omdat ik God niet ben, zit ik daarom graag neer op bankjes, leuningen en grasheuvels om het volk alle richtingen te zien uitstuiteren, terwijl ik me ook probeer te kwijten van mijn taak om een sociaal mens te zijn onder de andere sociale mensen. Ik tracht de conversaties oppervlakkig te houden, omdat dat precies is wat ik nodig heb om me af te leiden van die draaikolk aan indringende, eigenaardige en soms dieptragische gedachten.

Ik mag mezelf stilaan een Feestenveteraan beginnen noemen, en ik weet niet of dat nu wel iets positiefs is. Wat ik wel weet, is dat ik dit jaar nog nooit zo schizofreen heb gestaan tegenover die tien dagen gekte. Dit jaar sta ik alweer sterker en dieper verankerd in zekerheid, zonder dat ik het gevoel heb dat ik deprimerende weken moet goedmaken met waanzinnige weekends. En er is veel meer liefde en echte vriendschap aanwezig, dat helpt ook. Maar ik blijf over messen lopen. De laatste weken, vol overtollige warmte en grote verplichtingen die me uiteindelijk vooruit zullen helpen in het leven, waren er ook waarin ik niet kon schuilen in een exoskelet van onverschilligheid zoals vroeger. Enkele melancholische noten van muziek op een verder afgelegen plein doen me wegzinken in een zacht neuriënde melancholie, terwijl het altijd geïmpliceerde geweld van massa’s angstbeelden oproept van één nacht ergens beurs geslagen en beroofd te eindigen. Die denderende goederentreinen vol onbevatbare gevoelens kan alleen maar stilgelegd worden door me zo moe te amuseren dat ik niets liever wil dan slapen. De Gentse Feesten zijn één lang weekend.

Hoe lang zullen wij dit leven nog kunnen volhouden? Het is een vraag die in mijn mistige achterhoofd prikt terwijl ik op weg ben naar huis, langs groepen dronkelappen, dranghekkens, vermoeide agenten, vensterbanken vol bierblikjes en verlepte feestvierders die zonder veel animo een hamburger of een pak friet eten. We zijn een cultuur die gebouwd is op gemak. Een supermarkt is dichtbij en heeft het hele jaar rond alles in huis, winter of zomer, droog of vers. In de strijd om de wensen van de etenden, drinkenden en zich amuserenden tegemoet te komen, pleegt men gewetenloze roofbouw op de wereld. Het lijkt bizar dat ik in mijn toestand, waarbij mijn stappen niet helemaal recht meer zijn en uit alle straathoeken een vreemdsoortig gezang lijkt te komen dat altijd welwillend en boeiend lijkt, daar aan moet denken. Aan de andere kant is dat niet onlogisch – wat is er een groter culminatiepunt van volslagen zinloze massa-consumptie, niet verder denken dan het volgende uur en het wij-gevoel ten koste van de anderen dan een evenement als de Gentse Feesten? En ook ik doe mee. Ik ben geen verheven, taaie heilige op wie dit alles geen aantrekkingskracht uitoefent. Wel integendeel, het is net in een soort grenzeloos, collectief hedonisme dat ik een allesdoordringend verlangen voel om nog verder te gaan dan de rest. Ik zal een enorme fles leegdrinken en ik zal buiten drie pakken sigaretten ook nog wel een paar joints roken. En daarna op grandguignoleske wijze tegen een lagere school overgeven, of in wartaal aan een beste nieuwe vriend wijsmaken dat alles goed gaat met de wereld, dat we allemaal vrienden zijn geworden en alle negatieve opmerkingen van de hand wijzen met het magische “… maar het zijn Gentse Feesten.” Het is precies dat soort onnozelheid waarvan ik mijzelf wil doordringen, om later ook nog te kunnen denken aan het exact tegenovergestelde. Het is zelfs geen excuus, want het is wat het is.

Als ik eenmaal mijn vuile kleren uitgedaan heb, en wegzink in mijn grote bed, zijn de meeste innerlijke stemmen intussen uitgedoofd als een oud kampvuur. Het is deels ontnuchterend, en deels ook bevrijdend. En bovenal voel ik ook dat ik niet alleen ben. Naast mij slaapt haar lichaam, waar evenzeer moeilijk uitspreekbare gevoelens en gedachten in rondwoekeren, en ik overtuig mijzelf ervan dat door welke afgronden en langs welke besneeuwde bergtoppen ik ook gevoerd word, dat het gelukkig een lot is dat ik weliswaar zelf moet dragen, maar verzacht wordt door haar aanwezigheid. Ook al implodeert de maatschappij morgen, of ook al kom ik morgen thuis met bloed nog op mijn gezicht.