Over 'Onklare taal'

'Onklare taal' is de verzamelnaam van diverse tekstprojecten van mijn hand. Dit is de afdeling columns en microstories daarvan. In 2017 bracht ik 'In de vorm van een vogel' uit, een bundeling van de beste 99 teksten van dit genre tot op dat punt, netjes geredigeerd en per seizoen geordend. Je kan die antologie gratis downloaden als je Patron wordt. De weg een beetje kwijt? Mijn eigenlijke website, die ook 'Onklare taal' heet, verwelkomt je.

woensdag 6 februari 2013

Sunset mission

Er is een zintuig dat het bewustzijn informeert over waar de rest van het lichaam zich bevindt in verhouding tot andere lichaamsdelen. Het is daarom dat je ook met je ogen dicht je neus kan aanraken. Als ik me bevind in een toestand tussen slapen en waken, wil dat zintuig wel even blijven haperen en verstoorde gegevens doorgeven. Het is al voorgevallen dat ik enkele tellen dacht dat ik drie armen had, of dat ik dacht dat de persoon die naast me lag ook een deel was van mijn lichaam. Er moet ook een zintuig bestaan dat tijd reguleert, en dat is zo mogelijk nog bedrieglijker. Ik ben net wakker geworden om 1:43, na ongeveer drie kwartier slaap en veel draaien en keren, en weet al na een paar seconden niet meer wat ik aan het dromen was en of ik zelfs gedroomd heb. De nacht drijft rond in de kamer in stroken of mistbanken. Het is stil op het appartement.

Ik ga op mijn rug liggen met m'n armen naast me. Ik denk aan games die ik vroeger speelde en de opwinding die ik er bij voelde in die lunaparken vol toeters, bellen en adrenaline. In games was ik nooit slecht. Ik had een snel inzicht ik hoe een spel in elkaar zat en hoe ik het beste de regels in m'n voordeel kon ombuigen. Wat het meestal verpestte was mijn ongeduld en onhandigheid, de twee vastgeketende dode gewichten aan mijn enkels. Datzelfde ongeduld doet me me nogmaals omdraaien, deze keer op m'n zij. Nog goed dat m'n bed veel ruimte heeft en veel hoofdkussens die ik op hun koele kant kan keren. Ik schud succesvol de gedachte af dat er iemand naar me staat te kijken vanuit het deurgat. Het kan niet. Maar de nacht is donker, en patronen die samen met het licht verdwijnen, beschrijven 's nachts compleet hun eigen logica.

Op een grasveld uit mijn jeugd worden ballen over en weer gegooid. Het is zomer, een zomer van de soort die ruikt naar frisse limonade en chloor van zwembaden. Weg zijn de grimmige straten van mijn andere dromen, vol decadente bordelen met oosterse tapijten en broers die moeten gered worden van zichzelf (waarom moet ik nooit mezelf redden?). Ik moet hoesten en draai me langs de andere kant. 1:43, zegt de helrode display. Twee kamers verderop rolt een balletje met een belletje over de vloer. De huiskater is actief. Zijn leven is complexloos. Had ik ook maar tapetum in m'n ogen om beter te zien in het donker. Ik verlang er naar om hem uit de living te halen en hem op m'n schoot te nemen: hij zou zulk een verrassing vast appreciëren, en van spinnende poezen wordt men zelf nu eenmaal ook rustig. Maar ik ben te lui om op te staan, te actief om de gedachte als ballast overboord te gooien.

Nog een wenteling. Ik sta stil bij de teloorgang van vriendschappen. Objecten en plekken in de paar kubieke meter slaapkamer die ik bezit doen daar aan denken, in het donker maar onder de vorm van echolocatie. Het is normaal dat sommige vrienden uit een mensenleven wegeroderen met de wind van gewoontes of het uitslijten van nieuwe rivieren. Toch voelt het als falen, alsof ik schulden moet inlossen die ik niet kon nakomen. Ik schop het deken half van me af en ga nu met m'n gezicht in een hoofdkussen liggen. Opnieuw zak ik door het ijs van een droom. Iemand eist geld en tabak van me op de metro. Geweld hangt in de lucht. Een zwerver declameert luidkeels slechte poëzie over de eindtijden. Er staat een echte lunaparkkast uit de jaren negentig in de gang: m'n volgende tegenstander is Marc Dutroux.

"Ha!" Ik veer overeind als een dode. 1:43. Er zijn nachten dat ik zo diep slaap dat de lijnen van mijn hoeslaken en kussens in m'n huid gegrift zitten. Op een kinderlijke manier ben ik daar steeds opgetogen over omdat het een bewijs lijkt te zijn dat de slaap verkwikkend genoeg was, dat ik geslapen heb om een goeie reden. Dit wordt niet zo'n nacht. Een hongergevoel rijdt rondes door mijn buik als een spookachtig verlichte tram door een ineengezakte stad. Het hart is leeg, er zit niemand in. Mijn bed is vol en er kan niemand meer bij. Een bundel licht van een werf werpt zichzelf door het venster van de kamer en bespeelt de bewijsstukken op het bureau: een bestofte stereo, enkele medicijnen en een leeg blikje Cola Zero. Ook dromen doen aan product placement.

Ik staar naar het egale plafond, dat zich voor zo ver ik weet tot in de oneindigheid zou kunnen uitstrekken. Zeker zal ik het nooit weten. Ik heb het gevoel dat er in die inkt nog ongelezen berichten circuleren die nooit tot in de inbox van m'n gsm zijn geraakt. Misschien waren het booty calls. Misschien was het scheldproza van Vlaamse militanten. M'n neus briest omwille van al die gemiste kansen. Slaap komt pas als de onnozelheden van de gedachten geen enkel logisch verband meer vertonen. Het is te koud in de kamer, maar de deur van de kooi staat op een kier. 1:44. Het is buiten beginnen sneeuwen. Het signaal is gegeven.

maandag 28 januari 2013

Boegschok

Zondag, de moeder van alle surreële dagen. Niemand houdt echt van de zondag. Decennia terug was het de setting voor het verplichte kerkbezoek en koffie met saaie familieleden, nu is het de katerdag bij uitstek, een dag die mensen niet echt bewust beleven, maar veeleer doorstaan, voortdobberend door motregen en restjes, tot de muil van de maandag zich weer breed grijnzend opent. Maar dat hoeft allemaal niet zo te zijn. Met al dat surrealisme kunnen we best aan de slag. We kunnen zondagen beter maken. We have the technology.

Er is zo goed als niemand op straat. Geen auto's, geen trams, alleen de occasionele voetganger, en zelfs die lijkt er niet eens echt te zijn, bang misschien om lawaai te maken in de volstrekt rechte lijnen van straten met tramsporen. De sneeuw van vorige week is verdwenen. De voetpaden zijn vochtig maar het regent niet. Het is werkelijk wonderbaarlijk: waar zijn al die mensen van gisteren die van en naar de Veldstraat gingen, of die 's avonds opeengepakt zaten in de cafés? 

Ik ontwijk bewust de straten waarvan ik weet dat ik er mensen zal tegenkomen. Oranje licht en duisternis. Enkele sterren die er nog in slagen boven de grof gekorrelde mist van dimlichten uit te komen. Mijn gedachten koelen af. Achter me sleept nog de warmte van het café dat ik zonet verlaten heb, zo'n geval met een anarchistische mix aan hoge en lage tafels, een jazzbandje dat er voor niemand in het bijzonder speelde maar zich wel leek te vermaken, en een futuristische handendroogmachine in de toiletten. Er waren ook kaarsen. Noteer: bij zondag horen kaarsen.

Mensen zijn meer dan het volume dat ze uitsnijden in de ruimte - als mijn herinneringen van daarnet achter me aan komen als rook die van me wegdampt, dan gaat de anticipatie me fysiek enkele meters vooraf. Alle objecten in beweging doen dat. Atmosferen omringen het gesteente van werelden, en stralingsgordels gooien zichzelf tot ver voorbij de zon uit. Zelfs ons zonnestelsel maakt in het vacuüm een boegschok terwijl het aan ontzagwekkende snelheden door de leegte ploegt. Voor me uit, op de weg bergop langs gesloten restaurants, wordt de nieuwe week geanticipeerd. Dat de dagen weer langer zullen worden en dat er leuke dingen zullen komen.

Mijn weg is wrijvingsloos. Achter sommige vensters brandt licht en ik kan niet anders naar naar binnen kijken. Een jonge man kijkt tv maar lijkt niet geïnteresseerd in wat er op het scherm gebeurt terwijl zijn huisgenoot staat te oreren. Ik hoor zelfs door het venster het West-Vlaams. Buiten aan een afhaalpizzeria staat een groepje Turken luid te discussiëren. Het lijkt er op alsof de weinige mensen die zich buiten bevinden, er traag gestold gedropt zijn, met een onzichtbare muur tussen zichzelf en de anderen, alsof iedereen elkaar daardoor niet echt opmerkt. Ik vind dat goed zo.

De laatste rechte lijn wordt ingezet. Binnen vijfhonderd meter bereikt u uw bestemming aan uw linkerhand. Het doet me denken aan een anekdote over een ouder echtpaar dat dacht dat hun GPS slechte stemsoftware had, tot bleek dat ze hem per ongeluk in het Afrikaans gezet hadden. Ook dat soort verhalen past net zo goed bij een zondag als appeltaart. Ik ga bewust trager stappen om m'n gedachten beter de savoureren. Naar achteren strekken zich flarden uit van de gesprekken van zoëven, fragmenten over in slaap vallen op toiletten en wat het betekent als vrienden zich in een bunker van burgerlijkheid opsluiten. Naar voren reiken ideeën naar m'n bed en de warmte.

De zondagse verstilling van de binnenstad maakt nu plaats voor het kruispunt waar de eerste aanzet van de nieuwe week al gegeven wordt. LED-reclame probeert me er van te overtuigen natuursteen te kopen of ergens een pedicure te gaan ondergaan. Het zal niet voor komende week zijn, maar toch bedankt. Het veld vernauwt zich terug in de aanwezigheid van meer mensen op straat. Iemand laadt een zetel uit, ergens anders rolt een auto uit een garage, en verderop kijkt een nachtwinkeluitbater bedachtzaam uit zijn venster. 

Ik besef dat de routes die ik codeer en decodeer onderdeel moeten vormen van een bizar ritueel van ontweekending, want anders zou ik zo graag niet buiten zijn op zondag. De precieze betekenis ontgaat me. Maar daar is een zondag dan ook voor gemaakt; de dingen mogen ons al eens ontgaan.

vrijdag 11 januari 2013

Precessie

Deze is dan maar opgedragen aan mijn lieve vrienden, de onbekende wilden die m'n pad kruisen en al wie daar tussenin zweeft. Tot zo ver het pathos. Het is nacht, ik zit in mijn auto aan de kant van de weg en sluit de ogen. De stilte is absoluut. Het venster slaat aan van m'n adem. Ik besef dat ik hier in slaap zou kunnen vallen, maar dat is geen goed idee, dus open ik terug m'n ogen en zet ik de radio aan. Ik verlang bovendien niet naar de slaap, tomeloos en diep, een valkuil voor het reptielenbrein in elk van ons. Deze nacht was weer een Waterloo van ambities, maar het valt niet te zeggen op welk punt hij precies ontspoord is.

Het lijkt erop dat ik voortdurend probeer mijn gedachten terug op te rapen en samen te puzzelen op een manier dat ze iets meer betekenen dan wat ze zijn: opgeviste drek uit een ondiepe zee, afgebleekt plastic, zeewier en een paar gebroken schelpen. Ik schakel over van radio op cd. Het afgemeten meesterwerk 'Modus Operandi' vult de wagen, eine kleine Nachtmusik voor verbetenen. Er zit een geluid in het nummer '124' op die plaat, een achtergrondsignaal dat begint rond de zevenenveertigste seconde en het nummer nooit verlaat, dat me altijd doet denken aan donkere kamers met licht dat door blinders komt van straatlampen, rook die alleen zichtbaar wordt in datzelfde licht, en dromen.

De stad zit onder een laag winterstof. Ik maak rondjes over het ronde punt aan Sint-Anna, mogelijk het lelijkste ronde punt van heel Gent. Als kind ben ik ooit nog komen wandelen in dat minipark dat er ligt, nadat ik een hele namiddag opgesloten had gezeten in het ellendige roze appartement van een tante en had moeten kijken naar die ellenlange tekenfilm 'Fievel' in het Frans. Nooit meer, jamais. En zo voorspelbaar ook. Ik vond de antropomorfe kaart van Italië die in hun keuken hing interessenter. Bongiorno, bongiorno. Dantes neus en de botox van Berlusconi, plastiekgeworden vleeskarikatuur zonder schaamte. Een fietser zonder licht waagt haar leven door plots over te steken. Ik vraag me af of het mijn kansen op roem en professioneel succes zou verhogen als ik haar zou aanrijden en uit mijn schuldgevoel het magnum opus van mijn generatie zou schrijven.

Dit is hoe ik teksten construeer: ik bepaal het type steek en ga dan met naald en draad aan de slag, begin een patroon te vormen van dialoog en beschrijving, stilstand en vooruitgang, omgeving en interne monoloog. Drie korte zinnen volgen op een lange. Er wordt een motief gemaakt, een samenhang gezocht. En dan klaar. Schrijven is therapie. Autorijden is dat ook. Als ik me hoef af te vragen of ik in een fase zit van depressie of van hypomanie, is het bijna altijd hypomanie, want een depressie is eigenlijk zo vastomlijnd als een tekening van Jef Nys. De nacht is maanloos en elektrisch. Curves that blink in the night and swerve with every shifting gear.

Het is mooi om te zeggen dat we mooi en kwetsbaar zijn en wat ben ik daar zelf ook al lyrisch over geweest, maar de keerzijde van die kwetsbaarheid is dat verpletterende inzicht dat niet meer dan een misstap ons scheidt van de dood, en dan is de dood nog niet eens het ergste. En ik denk aan alle gruwel op deze wereld. Dat voorval in Henegouwen van die vent die dat meisje ontvoerde en allicht van plan was te doden en de terreur die ze moet gevoeld hebben en de dunne angst van de moordenaar in spe zelf toen hij betrapt werd en wist dat hij gezien was en de opluchting van de ouders en het trauma dat nog jaren lang een leven lang zou blijven meegaan, de dingen inkleuren, nee, een etsdruk worden. Dan de straat hiernaast waar zondag blijkbaar een Tsjetsjeen nog met een kogel in z'n kop naar het ziekenhuis kon rijden en hoe ik daar evengoed had kunnen voorbijlopen en compleet toevallig had kunnen delen in een kogelregen, afgemaakt voor niks in een buurt die anders niet bepaald bekend staat om zijn criminaliteit. De gruwel is ook een parade aan grauwe gezichten van uitgezakte ooms met okselvijvers op hun bleekblauwe hemden. Soms ben ik misselijk van onbehagen.

In regels tekst lijk ik kwader dan ik ben, maar je moet benzine hebben om te rijden. Ik heb al zo veel gelachen dat al m'n lachen me aan het gezicht is gaan kleven. Mensen zeggen me vaker dat ik er zeer vriendelijk uitzie. Dat zie je niet op foto's omdat ik niet fotogeniek ben. Iemand tikt tegen het venster. Mijn tijd is op. De boerenmilities komen me halen voor al mijn misdaden jegens het Vlaamse volk. Of nee wacht, het zijn verongelijkte communisten die me nog niet radicaal genoeg vinden. Of gewoon iemand die wil knokken. Hoeveel is het om te neuken, schreeuwt de raamtikker. Je noemt niemand een hoer tenzij die persoon werkelijk betaald wordt voor seks, je noemt niemand een slet tenzij het deel is van een soort dirty talk waar schuttingwoorden een magisch taboe doorbreken. Hoe dan ook verlang ik niet naar mannenlichamen en denk ik niet dat een dronken hoerenloper meerwaarde zal geven aan m'n nacht.

Ik weet niet wat er echt aan de hand is, maar ik denk dat ik het verleerd heb om iemand te kussen of om effectief te kunnen flirten. Ik ben letterlijk de San Andreas-breuk onder de persoonlijkheden, en krijg dat maar eens uitgelegd. Want ik geef je namelijk graag een mep in je gezicht omdat ik dat opwindend vind, maar geweld op zich vind ik vreselijk. Geweld met toestemming, quoi. Waarom denken mensen daar niet vaker over na? Praten over seks blijkt weinig sexy te zijn. Doe gewoon maar wat. Maar het is niet zo simpel. Niks is nog simpel. Ach wat, trek een zak over m'n hoofd, prop me in een zwarte wagen en maak me af ergens in een bos. Geen mens is me iets verschuldigd. Denk in slogans, laat het zelfstandige redeneren vervangen door alcohol, slaappillen of een oceaan aan memen op het internet. Lachen is gezond, zei de doodskop en ik moet op m'n onderlip bijten door het gevoel dat een absurde lachbui en een niet te achterhalen tristesse tegelijk naar boven wellen.

In spiegels brult iemand naar mij. Ik hou verborgen wat ik werkelijk voel. Gérard Depardieu verschijnt voor m'n geestesoog met z'n vette tronie. Het is onvoorstelbaar hoe iemand zo snel al m'n respect kon verliezen door op de vlucht te gaan voor belastingen en naar een land te gaan waarin hij eerder in z'n carrière al lang opgesloten of neergekogeld was geweest. Dames en heren, het privilege van de rijken. De spiegel keert om en toont me beelden van enkele uren voordien: ik wissel een blik uit met een meisje aan de bar. Zwart haar, ronde, zwarte ogen. Het lijkt er niet op dat het haar zou tegenstaan als ik met haar zou gaan praten, maar tegen dat dat besluit gevormd is, ben ik alweer in een gesprek verzand met een kale man en heeft er zich rond haar een dubieuze erehaag van dronken hipsters gevormd. C'est la vie, zegt Gérard, maar dan in het Russisch.

Je hebt zo van die gesprekken die nergens naartoe gaan, alsof je probeert een zandkasteel te maken van zulk fijn zand dat je als een hond maar wat rondwroet. Niemand die daar beter van wordt. Taalfilosofen buigen zich al eeuwen over de vraag hoe we elkaar überhaupt kunnen verstaan. Dat lijkt me geavanceerde materie als we niet eens onszelf begrijpen. Het één sluit ook het ander niet uit. Ik heb een vriendin die vanop afstand in anderen prachtig patronen kan herkennen maar niet in staat lijkt van verkeerde opvattingen over zichzelf los te komen. Rationalisatie is de vijand. Dat lijkt me iets wat Hitler ook zou kunnen gezegd hebben, maar Hitler reed niet rond door Gent om vijf uur 's ochtends.

Ik ben tot de fauna en flora van het nachtleven gaan behoren. Ik zou kunnen zeggen dat ik daar niet onverdeeld gelukkig mee ben, maar ik ben nergens onverdeeld gelukkig mee dus is dat een zinloze uitspraak. I'mworth a million in prizes, dat wel. Hoe kan het dat Iggy Pop nog steeds in leven is. Sommige mensen lijken nooit de prijs te moeten betalen voor hun opeenvolgende slechte beslissingen, anderen boeten voor een onbenulligheid hun hele leven lang. Soms denk ik toch wel dat mensen gedoemd zijn om te lijden onder de gevolgen van hun slechtste karaktertrekken. Een jaloerse man is veroordeeld tot bedrogen worden, een geheelonthouder tot verslaving en een ongeduldig persoon als ik moet buitengewoon lang in de wachtkamers van het leven blijven zitten.

In het nu leven, als in het moment, is verdomde moeilijk. Hoe doen ze het. Hoe durven ze. De straat is één lange bar geworden van beton, de stad kan er aanschuiven onder de bestofte straatlichten. Matig het gebruik van adjectieven. Je hebt dat stuk in 'Claustrophobic Sting' van The Prodigy waar een stem de zin 'My mind is glowing' blijft herhalen, van linkeroor naar rechteroor, en dat legt zich over de blikken drums en achterstevoren getrokken hi-hats van de muziek in de auto. Muziek, de hoogste aller muzen. Ik stel vast dat ik m'n blaas moet legen, dus het is niet alleen het verstand dat gloeiend heet staat. Verlossend pissen is één van de meest platvloerse genoegens van het leven. Als ik kan, ga ik zitten om dat te doen, het schijnt dat dat beter is voor de prostaat en bovendien is het ook iets dat andere gebruikers van het toilet weten te appreciëren. Het maakt minder spatten. De achterkant van m'n auto heeft een groene schram omdat ik twee en een half jaar geleden per ongeluk in achteruit tegen het paaltje van een notaris gereden was. Iedereen had het gezien.

De Oude Grieken hadden allerlei bijnamen bedacht voor hun goden. Hades noemde men soms 'Plouton', de rijke. Apollo werd bedacht met helende krachten hoewel hij ziektes verspreidde. Die bijnamen waren afwerend bedoeld, alsof men door hun goden mild te stemmen met ronkende titels, ook hun onheil zou kunnen afwenden. Apotropeïsch, dat is de juiste term, en wat een pracht van een woord ook, iets wat je over de tong laat rollen als een filet pur. Mijn tochten door de straten, nuchter maar dronken van vermoeidheid, zijn bedoeld om de slaap af te wenden. Mooie woorden heb ik er niet voor. Je kan het Wanderlust noemen, of het najagen van de dwaalsterren van m'n eigen verbeelding.

De auto staat weer stil, voor het gebouw waar ik woon. Sleutels draaien uit een slot en dan in een ander slot.

M'n huisgenote vindt me een paar uur later op m'n kamer, hoofd achterover in mijn kaduke bureaustoel. Soms vindt ze me zo. Soms herinner ik het me nog, soms ook niet. Ik schaam me daarvoor en het vervult me van vriendschap dat ze daar normaal mee omgaat, dat dat af en toe gebeurt, een man van bijna 30 in zijn peignoir halfnaakt en luid snurkend in een bureaustoel aantreffen. Het is alleszins al beter dan een ex van me die op de middag ooit een naakte Ecuadoriaan in haar keuken aantrof die stijf stond van de coke en blijkbaar de gast was van één van haar huisgenoten. Dat zo'n man zich niet te pletter schaamde nadien, dat verstond ik niet. Nog minder verstond ik waarom al die mensen vrienden met hem bleven nadat hij zich blijkbaar ook nog eens wat seksuele intimidatie veroorloofd had. Ik open intussen een blik cola en een document waaraan ik aan het werken was. Mijn mond smaakt als een ranzige asbak. Voordeel van single zijn: niemand die het wat kan schelen dat ik er op zondagochtend als een dakloze uitzie. Wat de buitenwereld betreft, ben ik nog steeds de jonge god van gisteren.

Als je 18 bent en er gaat een wereld open van schrijverij, bevolkt met rokerige zonderlingen, denk je hoe geweldig dat is. Dat liederlijke leven vol drama en opwinding. Maar het blijkt dat zo'n leven - en zelfs maar gedeeltelijk - vooral iets is als je dromen. Een kwart ervan is nachtmerrie en terreur, de helft onaangenaam, twintig procent is gewoon bizar en wat resteert zijn de klompjes goud in de berg kralen. Het liefste nog zou ik geblinddoekt worden en liefdevol aangeraakt worden door honderden handen tot ik van een toevloed van zoveel liefde m'n ogen uit m'n kop zou wenen en de blinddoek niets meer zou worden dan een vod. Handen die elk van mijn verhalen kennen en elke nuance verstaan zoals ze zou moeten verstaan worden. Die elke domme uitspraak van me gehoord hebben en me er om vergeven hebben, elk verkeerd ingegeven verlangen dat ik gehad heb ook. Wie weet is het die onmogelijk narcistische droom die ik rusteloos najaag door alle straten en blijf ik daarom blind voor wat kan komen als ik stil blijf zitten.

Ik kijk het venster uit. Een poes sluipt weg over een dak, haar wegen ondoorgrondelijk. Ik trek één gewond been op en laat er m'n ellenboog op rusten terwijl mijn blik verglaast op de daken buiten. De vibratie van de wereld is opnieuw onderdrukt door het daglicht en de mensen die dat licht voortbrengt achter vensters en aan tafels. Ik denk dat ik mezelf gelukkig mag prijzen.

maandag 24 december 2012

Neon arc

Het is na middernacht van 23 december, en het is intussen duidelijk dat de wereld is blijven draaien. Geen fatale zonne-uitbarstingen, magnetische ompolingen of een regen van brandende stieren. Ik sta buiten aan Sint-Jacobs en laat me de gewone, koele regen welgevallen. Hoe je het ook draait of keert, de nabijheid van een kerk alleen al is iets dat stemt tot nadenken, vooral als er in de buurt een café is dat in sierlijke neonletters het devies 'Alles van waarde is weerloos' draagt, die klinkende uitspraak van Lucebert.

Verderop, rechts, ligt de Vlasmarkt, het toneel van fantasmagorische ochtenden tijdens de Gentse Feesten, nu verlaten en doofstom. Die stomheid hoort bij de de winter als een naaldboom bij inpakpapier. Van buiten, in het café waar ik tegenaan leun, komt muziek die een ander seizoen doet vermoeden, maar ik voel geen nostalgie noch verlangen naar de zomer. De zomer is oververhit van verwachtingen die nooit ingelost worden, dagen van zweet en lelijke shorts. Misschien zeg ik dat ook maar alleen omdat ik de warmte niet goed kan verdragen, en dan liever ergens onder een boom lig met een boek.

Ik vraag me af wat de mensen die geloofden dat de wereld ten onder zou gaan, nu aan het doen zijn. Er zijn er vast die hun idee niet hebben bijgesteld - zij hadden geen ongelijk, maar de datum was niet volledig juist. Of ze hebben zich beroepen op het vaagste aller argumenten, de quantumonsterfelijkheid. Er zullen er ook zijn die met het schaamrood op de wangen uit hun bunker gekomen zijn. De mentaal echt zieken hebben zich mogelijk opgehangen. Het meeste tragische aan die hele affaire is dat om te geloven in zo'n onzin, er wel degelijk een vorm van intelligentie nodig was. Ik geloof dan ook van ganser harte dat de idiootste dingen in de wereld gedaan worden door de slimste mensen. Zwakbegaafden hebben niet de luxe om stil te staan bij complottheorieën, en het kan hen aan hun reet roesten wie de Maya's waren.

Er zijn mensen die het einde van de wereld zouden vieren in branderige orgieën. Ik durf ook wedden dat de Sint-Jacobskerk, nu een artefact van sacraal toerisme, weer vol zou zitten. Zelf heb ik geen idee wat ik zou doen. Alleszins niet hier zijn, dat is duidelijk. Rook vermengt zich van uit portieken met de regen die langs lichtstralen naar beneden valt. Wat een beeld. Guido Gezelle zou er vast raad mee geweten hebben, sentimentele pastoor dat hij was. Ik zou er een boog van gemaakt hebben, een brug als een monochrome regenboog waarin de stemmen van mensen die buiten praten, vermengd raken met de geuren van eten en drinken, tabak en stadsregen.

Ik duw het stompje van de sigaret uit in een Duvel-glas dat zich al gevuld heeft met een bodempje regen. Sisgeluid. Daarvan zal ik komend jaar afscheid nemen. Ook ik ben vatbaar voor verbetering, en aangezien ik al jaren loop te verkondigen dat ik voor m'n 30 ga ophouden met roken, kan ik me maar beter houden aan dat voornemen als ik m'n vrienden nog onder ogen wil komen. Indien niet, kan ik altijd wel voor een vriendenprijsje een verlaten bunker overkopen die een apocalyps kan doorstaan.

zaterdag 17 november 2012

De onrust groeit

God schrijft recht met kromme lijnen. Ik vlucht langs die lijnen weg. Noem het een vorm van wanderlust, of holtes opzoeken in de tijd. In de allerdiepste uren van de nacht, nadat ik vrienden en cafés achter me gelaten heb, glip ik soms binnen in andere bars, alleen. Ik drink er water en installeer me aan de toog. De herfstbladeren van dronkenschap laat ik naar beneden dwarrelen terwijl niemand me stoort en ik niemand lastig val. Als ik dan toch al in een conversatie beland, is ze van de allerlichtste soort, die niks verandert aan de traag golvende processie van gedachten en gevoelens die eronder ligt. Soms ga ik ook nog een rit maken met de auto, de binnenring rond en af, parkeer ik me waar ik niet mag staan en rook ik uit het venster een sigaret. Een krachtveld van verdenking dampt dan van me af en houdt nieuwsgierigen op een afstand. Wie me dan aanspreekt is allicht zelf verdacht, en dat besef is wederzijds geruststellend.

Geen mens in cafés waar ik alleen binnenwaai, zal me zich herinneren, en daar put ik een pervers genoegen uit. Het is de nachtzijde van mijn daggedrag, maar het gaat voorbij de goedkope paradox, want ook hier speelt een verlangen op opgestuwd te worden in de vaart van het volk, aan niks te denken, niemand te zijn, alle littekens te verdoven. Wat is m'n spontane standuproutine onder vrienden anders dan hetzelfde gebrek dat moet gevuld worden?

Ik druk het gaspedaal in. Het einddoel van Friederich Nietzsches Übermensch en de Boeddha was in wezen hetzelfde: alle limieten opheffen tussen zichzelf en de buitenwereld, uitgaande van het basisidee dat de in zichzelf begrensde mens een illusie is die opgelegd wordt voor de lieve vrede, door staat, kerk en ego. De Übermensch wist de grenzen uit door overal zijn wil op te leggen, door elke definitie van moraliteit te tarten. De verlichte keert terug naar een stand waarin ontsnapt wordt aan oorzaak en gevolg. Ik rem voor een kruispunt. Ook als nachtdier ben ik geen onbesuisde rebel.

Of er nu glas is tussen mij en de wereld of niet, van auto's of van korte drank, het nettoresultaat blijft hetzelfde: er zijn altijd barrières waar ik niet over kan. Ik stel me voor dat er kastelen en clubs zijn waar ik niet binnen mag omdat ik de juiste toverwoorden niet ken, en dat ergert me omdat ik overal wil zijn. Er zijn ook kringen die zich hoog boven of ver buiten me bewegen, die af en toe één van hen in de spots duwen van de media, de aandacht en de interesse van duizenden oppikken. Dorst naar roem wordt gezien als een stomme ambitie voor egomanen of een gevolg van diep verankerde menselijke onzekerheden, maar het is ook een wil tot macht.

Alleen ikzelf kan het glas breken. Als iemand anders zich er door heen wil slaan, zal er een nieuwe vesting verschijnen. De schrijver die zichzelf verdoemt, het blijft toch een betrouwbaar cliché. Ik ga zitten in de portiek van een buurthuis. Het wordt er al gauw koud. De mengeling van alcohol en nicotine danst cirkels om me heen, de wagons zijn opgesteld tegen een denkbeeldige aanval van indianen. Vierletterwoorden komen in me op, ik blader lusteloos door m'n adresboek. Waarom staat niet de hele wereldbevolking erin? Hoe komt het dat ik met een gigantische pijp en valse wenkbrauwen nog niet aan boord ben gehesen van een talkshow om verstandige meningen te verkondigen?

Een stomdronken nachtkever vraagt me om een sigaret. Dit scenario had zich op een andere manier voltrokken als hij of ik een vrouw geweest waren. Hoe is het mogelijk dat ik tegelijk mensen graag zie zonder uitzondering en toch altijd verdenk van een tweede plan, een rotte plek die ze ergens verborgen houden. Hij krijgt z'n sigaret niet aan en mompelt tegen zichzelf dat hij niet goed bezig is. Ik leen 'm mijn aansteker. De verlossende vlam komt er. Woorden blijven binnendruppelen met de regelmaat van het laag ruisende, nachtelijke verkeer. Ik ben er zeker van dat ik in elk van die auto's gesprekken zou kunnen gaan voeren, maar ook wereldroem als copassagier zou me geen mooier of beter mens maken.

Het is goed om deze uren te stelen van alle anderen. Niks hoeft nog, buiten ademen, omlijnd zijn door gedimde lichten, de blik naar beneden houden. Het is tijd om weer thuis te zijn.