Over 'Onklare taal'

'Onklare taal' is de verzamelnaam van diverse tekstprojecten van mijn hand. Dit is de afdeling columns en microstories daarvan. In 2017 bracht ik 'In de vorm van een vogel' uit, een bundeling van de beste 99 teksten van dit genre tot op dat punt, netjes geredigeerd en per seizoen geordend. Je kan die antologie gratis downloaden als je Patron wordt. De weg een beetje kwijt? Mijn eigenlijke website, die ook 'Onklare taal' heet, verwelkomt je.

zondag 8 maart 2009

De witte kamer

Deze kamer is groot, vierkant en wit. Een breed venster toont langs één kant de stad, langs de andere kant de heuvels en de velden van het platteland. Er kan vanalles in die kamer: bedden, tafels, stoelen, biedermeiermeubels, kitscherige stillevens en bloemenbehang. Er kunnen ook muren in gezet worden die kleinere compartimenten van elkaar afschermen, ze kan omgebouwd worden tot een nagebootst binnenste van een ruimteschip, en ze kan ook leeg blijven met slechts een matras op de vloer en enkele half-opgegeten etenswaren die nog ruiken naar wanhoop. De kamer kan een oneindig aantal mensen bevatten, werkend, wonend, ademend, slapend, manifesterend, roepend, liefkozend, dromend. Er is plaats voor politiek, voor herinneringen, voor toekomstvisies en utopieën. Het is het volmaakte onbewoonde eiland, verankerd in een landschap waar het tegelijk deel van uitmaakt en tegelijk ook niet bij hoort. De buitenmuren kunnen afgebroken worden om de gehele kamer te maken tot een alziend oog over de wereld. Desgewenst kunnen die vensters langs één kan ondoorzichtig gemaakt worden, om te vermijden dat de wereld op haar beurt kan binnenkijken in die kamer. Langs één kant kan er licht zijn, langs een andere kant duisternis. Er kunnen deuren uitgehakt worden, of de muur kan verlucht worden met religieuze inscripties die zich richten tot de mensheid, tot een godheid of tot alle wezens, ingebeeld of echt, die daar tussenin zitten. Er is plaats voor lampen en boeken, voor jazz en voor de bonkende basdrums van minimalistische techno of loeiharde rave. Het kan ook een tijdmachine zijn naar een vervlogen vooroorlogse manier van leven, volledig met oude staklokken en bijgewerkte zwartwitfoto’s van statige overgrootouders wier blikveld in de kamer beperkter was dan dit, en die ook de kamer op hun eigen manier zouden ingevuld hebben. Vast tapijt of parket? Of gewoon de koude witte vloer, die zich niet laat vervullen van menselijke en dierlijke warmte? Grote olifanten kunnen erin: Jumbo, Dumbo en desnoods ook Dombo. Alles wat bezield is, heeft zijn plaats in een lang magazijn met een veelheid aan gangpaden, sommigen zo smal als een kinderhand, anderen zo breed als een viervaksbaan voor tientonners en monstertrucks. Maar bovenal is de kamer vervuld van stemmen: dreunende monotonen die spreken over plicht, eer, trouw, moeten moeten moeten. Flinterdunne echo’s van vervormde vrouwen- en mannenstemmen, flarden van conversaties die nadampen en –gisten van alcohol, beledigingen en kreten van verbazing, of ook wel moppen en weinig amusante anekdotes. Geschreven woorden: de muren stonden er al vol van, en worden uiteindelijk volledig zwart, zodat men terug met witte inkt kan beginnen schrijven. Zwart wit wit zwart dag nacht. Het is een podium en een parlement, een tribune en een rechtzaal waar men op abstracte wijze tot besluiten komt en veroordeelt. Of men schort er alles op om gezellig te gaan barbecuen tussen vliegen en uitgezakte familieleden. Men speculeert er over de eindigheid van het bestaan en fantaseert hardop over zijn uitvaart, de muziek die daarbij moet horen en de voorganger die vooral niet mag vermelden dat de dierbare overledene rust in de vrede van God. Ook God kan bevat worden door de kamer, zij het dan fragmentarisch en met dien verstande dat Hij zich zowel binnen als buiten bevindt, maar uiteindelijk toch meer binnen dan wat anders. Is de kamer deel van een netwerk aan kamers, of is de kamer de enige witte kamer die er bestaat? Kunnen we tot een conclusie komen? Welk merk hondevoer is ook eetbaar door mensen, en wat zit erin? Hoe komen al die mensen hier die we helemaal niet uitgenodigd hebben, en waarom ligt het hier altijd vol troep en rommel? Laden en kasten puilen uit van de prullaria en komen soms met donderend geraas naar beneden. Alle foto’s grijnzen ons toe. En voortdurend die muziek en die stemmen. We kunnen moeilijk slapen. Het is een gevangenis en een bevrijding tegelijk, een ritmische oefening in vertrouwdheid en het vreemde. Men weegt af hoeveel men van beide nodig heeft en verdragen kan, zoals men ook probeert sinds mensenheugenis lood in goud te veranderen. Bovenal is de witte kamer een onbetwistbaar gegeven, het moederaxioma van alle axioma’s en de bron van de euclidische wiskunde. Zij is echter niet zo vierkant als men denkt: in principe is zij rond. In principe is zij in principe.

maandag 16 februari 2009

Bange blanke man

Het is zondagavond en ik ben aan het uitbollen. Pas zondagavond, als de noodzaak van een volgende week zich weer onverbiddellijk aan me opdringt, nadat de hersenschade van een dronken vrijdagavond en de fysieke letsels van een driftige zaterdagavond geleden zijn, kom ik een toestand die men kan omschrijven als weekendgevoel. Rijkelijk te laat, natuurlijk. Op zondagavond ontstaat ook het merendeel van mijn goede voornemens en eindigen alle slechte gewoontes, die zich de week erop weer kenbaar zullen maken op onverstaanbare wijze. Zondag is doorgaans ook de dag waarop ik in de stemming ben om enkele woorden op papier te zetten, en ideëen die doorheen de week gerijpt zijn, hun neerslag vinden in zinnen en paragrafen.

In het gezelschap van een glas koele wijn (wit, uiteraard, want ik zal niet buigen voor het cliché dat men als man geen witte wijn kan drinken zonder daarbij in de boeten aan status, charisma en mannelijkheid) denk ik aan een man in New York die gisteren gearresteerd werd omdat hij z’n vrouw onthoofd had. Hij was oprichter van een tv-netwerk. En hij was ook moslim. Hier neemt de zaak een andere wending in het hoofd van de meeste mensen – een woordnetwerk wordt opgeroepen waarin naadloos bebaarde Taliban, vrouwenbesnijders en heethoofdige broers die eremoorden begaan in elkaar overvloeien, tot ze een dikke koek worden aan clichés. Het merkwaardige is tevens ook dat de man in kwestie zijn tv-netwerk juist had opgericht om bij te dragen tot minder extremisme onder moslims en vooral ook om de rest van de Amerikanen ervan te overtuigen dat de islam zich niet beperkt tot boosaardige fatwa-uitsprekende lieden en terroristen.

Zondag is een dag waarop ik ook probeer om negatieve gevoelens onder ogen te zien en waar mogelijk, los te laten. Ik overloop al die voorgenoemde beelden van ultraconservatieve imams die de vernietiging prediken van het Westen, de extreemrechtse propaganda die moslimjongeren als een zwaar maatschappelijk probleem beschouwt, en het algemene doemdenken aangaande interculturele dialogen en relaties. Het is een feit dat, hoezeer ik me ook verzet tegen stigmatiserend denken, ik ook anders reageer als ik ’s nachts op straat een groepje uitgelaten blanke meisjes kruis, dan als het gaat over een groep jongeren van Turkse, Marokkaanse of anderszins bruinere afkomst. Dat is allemaal bijzonder jammer. Racisme is latent aanwezig in elke mens, zoveel is zeker, maar de beeldvorming rond culturele en etnische minderheden in onze maatschappij heeft dat racisme de laatste jaren bij iedereen sterk gevoed. Ik gruw van de simplistische benadering die velen erop na houden als het aankomt op het debat rond multiculturalisme, en daarmee wijs ik elke partij in dit debat met de vinger. Nog meer wijs ik de media met de vinger, die steeds opnieuw jonge ‘allochtonen’ in een slecht daglicht stellen. Op het nieuws en in de kranten moet bij een crimineel feit steeds vermeld worden wat de origine is van de vermoedelijke dader. Is dit belangrijk? Heeft dit nieuwswaarde? Ik vind van niet. Maar het leidt er wel toe dat ik zelf ook al onmiddellijk enige scepsis voel als ik op straat aangesproken word door een bruinere medemens, of zelfs maar iemand die Nederlands duidelijk niet als eerste taal heeft.

Ik schaam me om die instinctieve reactie, die het gevolg is van indoctrinatie. Daarbij komt ook dat de vele problemen die er zijn rond het multiculturele vraagstuk, volgens mij niet zozeer cultureel of etnisch bepaald zijn, maar enorm veel te maken hebben met sociale kwesties. Ruwere, minder ruimdenkende normen en waarden, grotere kans om in de criminaliteit te belanden of makkelijker overgaan tot geweld zijn typische problemen voor kansarme klassen in de maatschappij, waar jammer genoeg vaak ook mensen toe behoren van vreemde afkomst. De islam, in hoeverre het zelfs maar mogelijk is die als één gegeven te benaderen, heeft even wijze als achterlijke dingen te zeggen als het christendom, het hindoeisme of de Joden. Ik begrijp niet hoe vele crypto-racisten in Vlaanderen over zichzelf denken dat ze tolerant en vrij zijn, terwijl anderen dat zogenaamd niet zijn. Het is zoals het bekende verhaal van mensen die bij hoog en bij laag beweren “niets tegen homo’s” te hebben, tot hun eigen zoon of dochter uit de kast komt.
Op zondag, in mijn poel van verpozing voor ik weer een week te lijf ga, zit ik geen allesomvattende oplossingen te bedenken voor maatschappelijke kwesties. Ik denk ook niet dat één man dat kan (en zij die het probeerden, hebben gefaald). Wat ik wel besef is dat ik zelf positiever kan bijdragen door niet alleen te erkennen dat er iets van al die drek die dagelijks uitgestort wordt over etnische minderheden in ons land, aan mij is blijven kleven. Dat ik soms ook irrationele angsten voel waar ik me achteraf over schaam. En dat ik daar iets aan kan doen. En tenslotte, dat er iets grondig verkeerds is aan de manier waarop deze gevoelens gevoed worden door de populaire media.

zondag 11 januari 2009

Alarum

De mens is een mengvat van vreemde indrukken, voorbijgaande gedachten en gevoelens die soms de vorm aannemen van plotse flikkeringen of lichtflitsen, en dan weer op de bodem rusten als uitgestrekte, vage vormen die traag vooruitbewegen. Terwijl ik uitgespreid op mijn bed lig als een dode, met in een uithoek van datzelfde bed mijn kater, die tevreden met zijn kopje op mijn enkel rust, probeer ik dat mengvat te reinigen.

We zijn weer een jaar vooruit gekomen sinds ik wakker werd met blauwe plekken en een gat in mijn geheugen, dat onder ons gezegd beter een gat gebleven was, omdat mijn feestelijke vrienden me natuurlijk hebben ingelicht wat ik in mijn stupeur et tremblement allemaal uitgekraamd heb. Het is twee jaar geleden dat ik op het punt stond de gewijde hallen te betreden van de bedrijfswereld, met al haar kantoorfauna, geleedpotige machines en vierkante blokken beton die voor eeuwig in de jaren '70 zijn blijven steken. Drie jaar terug studeerde ik een bijkomende opleiding die ik spoedig zou stopzetten. Ongeveer vijf jaar geleden leek ik warempel gelukkig, maar de herinneringen daaraan zijn schetsmatig en reeds overwoekerd door de scheve kijk op het verleden die eigen is aan een verbeten nostalgicus. Als we tien jaar terug in de tijd gaan, dan weet ik niet eens meer wat ik toen aan het doen was, maar het zal vast niet zo belangrijk zijn. Twintig jaar geleden woonde ik in een huurhuis met een steile trap en een wc buiten, en had mijn moeder een cake gebakken die onmiddellijk in brokstukken uit elkaar viel. En dertig jaar geleden was ik er niet - zelfs de gedachte aan mij bestond nog niet in de gedachten van de mensen die mijn ouders zouden worden.

Ik vraag me af wat dat is, niet bestaan, en besef dat daar geen zinnig antwoord op kan gegeven worden. Maar één ding is zeker - het moet kalm zijn, daar in die plek waar niets bestaat. Ik contempleer mijn eigen bestaan tegenover de eindeloze eeuwigheid, en tracht te beseffen dat de tectoniek van de emoties en gedachten die ik probeer te begrijpen, maar een zucht is in een orkaan, een plotse kuch van een man in een zaal die opstaat in een daverend applaus. Ik bekijk de angst, de hoop, de woede en de zachtheid. Vanuit mijn plek op het bed zit ik in het midden van een web, waarvan de onzichtbaar geweven draden lopen van mens naar mens, van man tot vrouw, man tot man, en man tot dier, koelkast, gemakkelijke fauteuil en ergens een bos sleutels waarvan ik vergeten heb waar ik hem ook al weer gelegd heb.

In dat enorme web ben ik weliswaar altijd al het centrum geweest, maar tegelijk ook de grootste blinde vlek. Terwijl de jaren gestaag voorbij zijn getrokken als een karavaan bedoeïenen, probeer ik een antwoord te vinden op de vraag of ik in al die tijd een beter persoon geworden ben, een aangenamer mens of een gelukkiger individu. En ik denk aan de anderen in dat web, of dat voor hen ook geldt. Ik zie links en rechts oude vrienden in wat de aanzet lijkt van het allesomvattende verhaal met een eigen huis, een kortgeknipte tuin en een blozend kind of twee. Ik zie ook mensen worstelen met het herfsttij van hun jeugd, en weer anderen zijn op de radar slechts veraf gelegen stippen geworden. Er zijn dagen dat ik wou dat het mogelijk was om op die manier ook mijzelf waar te nemen.

Ik open mijn ogen en tuur naar de kater, die zich behaaglijk tegen mijn lichaam opgekruld heeft. Als hij slaapt, droomt ook hij over mensen en dieren? Kent hij ook de verwarring die ontstaat als teveel indrukken zich tegelijk naar binnen willen wurmen door de trechter van zijn geest? Alsof hij die gedachte geraden heeft, opent hij zijn ogen en kijkt hij me eventjes aan, waarna hij ze traag weer sluit, op die manier die eigen is aan katten. Het is ok, zegt hij, het is allemaal ok. Ik moet glimlachen, en ik besluit om hem straks te trakteren op zalm.

vrijdag 26 december 2008

Quaero pacem

Ik ben niet zo'n grote fan van kerstkaarten, om niet te zeggen dat ik ze volledig nutteloos vind. Natuurlijk is het leuk te weten dat iemand enkele ogenblikken aan mij gedacht heeft, iets op een kaartje gekribbeld heeft en dat vervolgens in m'n postbus is komen schuiven, maar het is tegelijk ook een weinig originele manier om mee op te gaan in de grijsheid der feestdagen. Vandaar, omdat ik er niet van wil beschuldigd worden te cynisch te zijn om in deze dagen van vrede en vreten niet aan mijn medemens te denken, besloot ik dat het misschien een beter idee was enkele meer uitgewerkte schetsen en gedachten te wijden aan deze periode en de mensen die er toe doen, en me daarbij niet te bedienen van voorgedrukte tekeningen van konijnen, kerstmannen in bruin sfumato of brandende haardvuren met negentiende-eeuwse families.

De eindejaarsperiode is er één van lege straten en straatlantaarns waarvan de lichten tegelijk ongemeen hard en koud de donkere nacht verlichten, en tezelfdertijd ook iets diffuser worden omdat de kilte zelfs lichtbronnen half doet bevriezen, alsof je staat te kijken naar een wateroppervlak dat voor altijd stil is blijven staan op het ogenblik dat een steen die in dat water werd geworpen ringen maakt in het meer. Het is de periode van treurig kijkende mensen die aan uitgewoonde bars een sigaret roken, omkransd door een halo van neon en de gemoedelijke geur van goedkoop bier, kitscherige kerstverlichting en misschien een oude jukebox die fm-rock speelt uit de jaren '80. En het is, bij God, zeker ook de tijd dat sommige mensen zich afvragen, terwijl ze die lege straten afschuimen en somber door het venster kijken naar de binnenwereld van zo'n afgelegen café, of het allemaal nog wel zin heeft om in deze wereld hun licht brandende te houden als er niemand is om het te zien, of als er niemand is die er zich aan komt verwarmen.

Er zijn al dan niet religies geïnspireerde mensen die eenzamen onder hun vleugels nemen in deze tijd van het jaar, of die als vrijwilligers werken voor daklozen, opdat ook die mensen een vorm kunnen beleven van kerstwarmte. Terwijl ik met de handen diep in de comfortabele zakken over straat kuier en de wolken van mijn adem mijn komst aankondigen als een nevelige vlag, denk ik aan die mensen, en dat ik hen bewonder omdat ze zich op die manier inzetten voor deze scherven van mensen, die uiteindelijk net als iedereen ook gevoelens hebben en ook verlangens hebben. Kerst en nieuw doen me ondanks alle burgerlijke gewoontevorming en aantasting door marktdenken elk jaar opnieuw beseffen dat ik die luxe heb om op die manier rond te dwalen in mijn binnen- en buitenwerelden. Dat ik ervoor kan kiezen om onder vrienden te zijn, of om me terug even te wanen in de nestwarmte van het gezin, waar elke maaltijd iets is dat lekker is en waar aan alle behoeftes voldaan wordt.

De veel te korte weken vakantie op het einde van december, met haar korte, mistige dagen en lange, mysterieuze nachten die steeds vochtig en koud zijn, zitten ook vol van vuurwerk en oplichtende, veraf gelegen signalen die doen dromen over een beter jaar dan hetgeen geweest is. We kunnen de bladzijde weer omdraaien, we kunnen verdergaan. Ik word week vanbinnen, en laat mezelf er toe verleiden om mensen te gunnen wat ze wensen voor dat nieuwe jaar, ook al ben ik het er misschien niet mee eens of vind ik die wensen ridicuul of materialistisch. Maar uiteindelijk ben ik zelf ook de grootste farizeëer onder de vrijdenkers, want ook ik weet dat ik mijn geld aan het tellen ben, denk aan nieuw meubilair of bezig ben de ideale geliefde bijeen te puzzelen met alle vormen en maten en geplogenheden waar ik van droom.

Het is een periode waarin de scherven terug samenkomen, als een omgekeerd afgedraaide film van een glas dat terug samengevoegd wordt op de vloer in een volmaakte implosie, en naar boven springt op het aanrecht. Het is een tijd waarin ik jaaroverzichten vol negativiteit en verzuring mijd als de pest, en de knop omdraai als ik de zoveelste doodsklok hoor luiden over politiek en maatschappij. Ik probeer de blik scherper te stellen naar binnen, en ik probeer naar buiten toe dieper door te dringen in wat vrienden, vijanden en onbekenden drijft en voortstuwt om toch verder te blijven gaan, te drinken en te dromen. Ik probeer een beter mens te zijn.

zondag 7 december 2008

De anderen

Op het ogenblik van schrijven ben ik me aan het ergeren aan de knul die boven mij woont, die zoals gewoon ’s avonds zijn akoustische gitaar heeft bovengehaald, en daarbij ook zingt. Niet alleen heeft hij een zaagstem die zich leent tot de meest drabberige singer-songwriterballads, hij zingt ze dan nog eens vol overgave. Soms maakt hij er zelfs een heus duet van met zijn vriendin, en zingen ze samen mee met Shania Twain, nog zo’n popproduct waar ik een hekel aan heb. Ik kan me jammer genoeg niet van de indruk ontdoen dat hun appartement op dat ogenblik baadt in kaarslicht, nadat zij “iets gezond met pasta” heeft klaargemaakt en hij zei “dat het heel lekker was”, waarop ze beiden spontaan in een zangstonde uitbarsten waarbij clichématige pop het anker vormt van hun middelpuntvliedende paringsdans, die eindigt met wat “de liefde bedrijven” heet, ontdaan van alle dierlijkheid en weerhaken waar ik anders mijn bed nog voor uit zou komen, of beter gezegd, in voor zou duiken. Je ziet, ik ben een verzuurde jonge man, en ik beeld me graag in wat mijn bovenburen doen. Maar het kan bonter (dat kan het altijd).

Ik noch mijn huisgenoot hebben een auto, dus is onze plek in de garage leeg. Toen een vriendin van F onlangs was bestolen geweest na een optreden (achtervenster ingeslagen, autoradio en gps weg), mocht ze hem in onze garage laten schuilen, in plaats van het risico te nemen hem open en bloot voor haar eigen deur te parkeren. Een medebewoner van het appartementsgebouw nam hier aanstoot aan, legde klacht neer bij de politie, en parkeerde zijn eigen auto er vlak achter, want we hadden zijn plek ingenomen. Ik kan me voorstellen dat de man daarbij schuimbekte en vloekte, en bij het zien van een auto met ingeslagen achterruit misschien zelfs dacht dat het wel weer een vreemdeling was, een volksvijand en een profiteur die zijn plek had ingenomen. We hadden geluk dat hij er geen geurvlaggen had bijgeplaatst ook. Geen idee waarom het niet in hem opkwam eerst even bij de medebewoners te gaan kijken of die auto van hen kon zijn, en waarom die daar stond – er zijn maar negen appartementen in het gebouw. Daarbij ga ik voorbij aan de volkomen boersheid van de uitgang van de auto van F’s vriendin te blokkeren, terwijl er nog genoeg plaatsen waren in de garage waar hij zijn trouwe vierwieler had kwijtgekund.

Verder wordt dit gebouw geregeerd door een gepensioneerde dame, die middels gehypercorrigeerde brieven in de lift met de bewoners communiceert. Soms gaat het over herstellingswerken, soms kondigdt ze haar eigen komst aan om de waterstanden op te meten. Een zeer doortastende dame die, naar vermoed ik, groenfluwelen zetels heeft met een lap antimacassar erop, nieuws volgt van het vorstenhuis alsof het oude bekenden waren, en met een zekere meewarigheid aankijkt tegen de invasie van jeugdigheid die hier de laatste jaren heeft plaatsgevonden. Mijn pret zou niet op kunnen mocht ze plots een sprong in het absurde wagen, en mededelingen in de lift beginnen hangen als “mijn kut stinkt” of “vanaf heden dient elke bewoner te urineren op zijn/haar balkon” of ook nog “GEEN BLOTE NEGERS MEER IN DIT GEBOUW”. Maar ach, ik heb er geen problemen mee, en als ik haar was, dan zou ik mezelf misschien ook verdacht vinden.

De andere medebewoners zijn voor het grootste deel vage schimmen van komers en gaanders waar ik geen namen op kan plakken. Er zitten koppels tussen, studenten ook, mensen van middelbare leeftijd en ergens een Pool, die er in mijn fantasie precies zo uitziet als Waldek uit Thuis, en ook met hetzelfde accent spreekt. Mijn enige andere recente contacten bestonden eruit dat ik moest aankloppen bij de buren (twee zussen), omdat ik mijn sleutel vergeten was en moest binnenkruipen via het balkon, en dan als McGyver onder m’n bijna volledig neergelaten rolluik moest rollen om binnen te raken. Mijn kat keek stomverbaasd, in hoeverre dieren die emotie bezitten, dat ik kwam binnengerold langs de achterdeur, hoewel ik langs de voordeur vertrokken was. Beter een goeie buur dan een verre vriend, denk ik dan, voorals als ze je helpen in te breken in je eigen appartement. Daarom denk ik er nu aan, terwijl hierboven het zingen is opgehouden en het koppel kneuzen nu in elkaars armen ligt (zijn bril wat scheef, zij een traantje wegpinkend terwijl ze samen luisteren naar een Knuffelrock-cd), dat ik misschien eens een feestje zou moeten organiseren voor de medebewoners, dat zal uitblinken in gênante stiltes, afwezigheden en schuchtere pogingen tot contact. Als er weinig amusement is, moet je het zelf maar maken, ook al bestaat dat uit de ongezellige onderbuik van sociaal onhandige ervaringen.