Over 'Onklare taal'

'Onklare taal' is de verzamelnaam van diverse tekstprojecten van mijn hand. Dit is de afdeling columns en microstories daarvan. In 2017 bracht ik 'In de vorm van een vogel' uit, een bundeling van de beste 99 teksten van dit genre tot op dat punt, netjes geredigeerd en per seizoen geordend. Je kan die antologie gratis downloaden als je Patron wordt. De weg een beetje kwijt? Mijn eigenlijke website, die ook 'Onklare taal' heet, verwelkomt je.
Posts tonen met het label appartement. Alle posts tonen
Posts tonen met het label appartement. Alle posts tonen

zondag 20 mei 2012

De dag haalt de schouders op

Bovenaan de brandtrap van het appartementsgebouw waar ik woon, kan je een groot stuk van het centrum van de stad zien liggen. De meest opvallende gebouwen zijn de enorme kubus van de nieuwste studentenhome van de hogeschool, de St.-Pieterskerk en de Boekentoren, zoals steeds metafoor voor de toestand van de letteren en de wijsbegeerte. Op een warme dag heb ik er nog al eens gestaan, met Sasha en een glas champagne, was dat. Ik hield me onopvallend tegen de muur gedrukt en probeerde niet te veel naar beneden te kijken. De reden waarom ik hoogtevrees heb, blijft verborgen in de nevel van mijn vroegste kindertijd, en ik denk zelfs dat als ik de reden zou kennen, dat het geen moer zou uitmaken.

Ik hou van dagen die nog echte dagen zijn, met bakken zonlicht en lome mensen op banken. Als boetedoening voor een gemiste afspraak met Boris en Reia zoek ik hen te voet op in het Guislainmuseum, een wandeltocht die me in volle zon ongeveer drie kwartier kost. De warmte, het zweten en het bewegen doen deugd. Het museum zelf houdt een tijdelijke tentoonstelling rond het kind als of het kind in gevaar. Morbide portretten van geboorte-afwijkingen worden afgewisseld met kitscherige schilderijen van verveelde aristocraatjes en de griezelige foto's van kinderen die opgetut zijn voor schoonheidswedstrijden. We kuieren wat rond. Alles is vrijblijvend, vandaag. Het weerzien met Boris is altijd ongedwongen op die manier. In het binnenpark rust ik met gesloten ogen op een bankje.

Als een dag een echte dag moet zijn, dan moet de nacht een echte nacht zijn. Die kwam voordien nog in golven. Tegen m'n verwachtingen in belandde ik in de Tijuana, waar ik eigenlijk altijd alleen maar tegen mijn verwachtingen beland. De plek zit afgeladen met kennissen. Is dit the state of the union van late twintigers in Gent? Zelfs onder de onbekenden zie ik vele gezichten die ik al op andere plekken gezien heb, maar in het van rook doortrokken licht kan iedereen misschien ook wel voor iemand anders doorgaan. Iemand viert zijn verjaardag. Iemand anders vraagt om me de groeten te doen aan Feodor. Ik maak ergens een gemene opmerking over opgeklopt drama en een dronken jongen slaat er praatje met me omdat ik alleen zit te roken en "niemand toch alleen wil zijn". De gesprekken worden er met het stijgen van de promille nonsensicaler en bruter op. Als ik huiswaarts ga, is de zon al op en schijnt er een vaal licht door de Veldstraat. Ik kruis slechts andere nachtwolven.

Er is met de stad een periode geweest van verwondering en nieuwsgierigheid, een idee dat een ander leven net binnen handbereik lag, toen ik voor het eerst op kot ging en mezelf moedwillig ontwortelde uit m'n provinciale bebouwde kom. Vanaf waar ik kijk, is er geen vierkante meter op straat die ik toen niet verkend heb, in die lange periode van zoeken, vinden en toevalligheden. Daarna kwam er een tijd van consolidatie, een besef dat ik ergens mijn plaats innam in de sociale, fysieke en psychologische orde van de stad.

Vanuit het museum nemen we dan toch de tram terug. Eindelijk een meidag met zon. Terrassen zitten afgeladen vol. Koppels slenteren door een slinger mensen. Ik besef dat ik niet zo veel nieuws te vertellen heb over mijn leven, maar je kan niet elke maand diepe nieuwe inzichten opdoen. Ik loop regelmatig nu, dat wel. In mijn hoofd teken ik een kaart waarop ik elke naam zet van mensen die ik ken. Clusters die bij elkaar horen, opposities, relaties. Onder elke naam komt een jaartal. Het is misschien te gezapig geworden, het doet het bloed sneller stromen door mijn hals en het doet een plek achter mijn ogen en voorhoofd jeuken van ongeduld. Daar is nog iets. Daar is nog een andere wereld. Of die nu voorbij het behang ligt, onder een riooldeksel of in een zaal waar ik nog nooit geweest ben, het maakt niet uit. Het is dat ongeduld, die knetterende nervositeit die me steeds verder drijft om dingen te bereiken.

Boris en Reia vervolgen hun weg naar een bushalte en ik trek recht de Sint-Pietersnieuwstraat door. Gisteren en eergisteren was ik ook al in deze buurt, op een zelfverklaard marginaal feestje dat buiten de aanwezigheid van mannen in marcellekes helemaal niet zo marginaal was. Ook toen eindigde de nacht pas in dat troebele licht van een ongewenste ochtend.

Ik sta terug helemaal bovenaan de brandtrap en catalogeer de schakeringen van daken, de kringen van afstand in ruimte en in tijd. Niet alles hoeft een betekenis te hebben, maar een plaats. Hoe zou het leven zijn als ik niet nieuwsgierig was? Wat als mensen nooit dachten aan hoe het anders had kunnen zijn? Logica eet zichzelf op. De slotsom is dat ik een goed leven leid, dat ik niet te klagen heb over mijn zegeningen en dat ik me geen zorgen hoef te maken over mijn oefeningen bij herhaling. De betorende skyline van Gent wordt gedoezeld door wolkenpatronen. De dag haalt de schouders op. Ik haal adem, zo diep als ik kan.

donderdag 1 december 2011

Sixtijnse discipline

Ik lig op de vloer van mijn appartement en staar naar het plafond. De verandering van perspectief doet me terugdenken aan neerliggen in hoog, nat gras en turen naar voorbijkabbelende wolken, mijn ogen beschermen tegen te helder zonlicht of op een koele lente-avond kijken naar de sterren als die niet aan het zicht onttrokken worden door wolken. Toch zie ik alleen mijn plafond, beige en bescheiden in zijn burgerlijkheid. Ik lig op de grond omdat ik situps probeer te doen - mijn eeuwige knipperlichtrelatie met het gevecht tegen de entropie. Ik ben ervan overtuigd dat het er idioot uit ziet, maar zoals Reve schreef over hoe hij alleen en dronken in zijn bed plaste en niemand het een bal kon schelen behalve God, denk ik ook niet dat dit een moment is dat de eeuwigheid zal in gaan.

Het appartement wordt bevolkt door vreemde geuren. Huisgenoot Natasha is soep aan het maken. De huiskater scharrelt neurotisch rond en wil zowel aandacht als eten, als een eeuwig mentaal gehandicapte peuter op vier poten met een staart en klauwen. In mijn haar en aan mijn huid kleeft nog opgedroogde regen, deodorant en de smaak van sterke instantkoffie op kantoor. Terwijl ik van beneden naar boven beweeg en mezelf bewust pijnig om situp per situp, dag na dag die bescheiden buik te zien wegsmelten (vijf kilo verliezen valt best mee, zou je denken), tuimelen al die indrukken over elkaar heen in mijn hoofd. Je zou soms momenten lang willen stopzetten om ze te blijven ontleden en lagen in te gaan ontdekken. Lagen van geuren, van stof, van over elkaar heen gedrapeerde kleren op stoelen en van broodkruimels die afkomstig zijn van een maaltijd met gebakken eieren. Banaliteit is een schatkamer aan ongezegde veelheden en herhalingen, en net daarom ook zo verwaarloosbaar.

Mijn buik begint tegen te spartelen. Dat is een goede zaak. Het doet me denken aan dat psychologische experiment dat men uitvoerde met vijfjarigen. Men legde een koekje voor hen op tafel. De onderzoeker zei dat ze het mochten opeten als ze wilden, maar als ze vijf minuten konden wachten, zou hij terugkomen en kregen ze twee koekjes. Jaren later bleken de kleuters met meer zelfbeheersing ook de meer succesvolle mensen in het leven: doctorandi, geslaagde zakenmensen, tevreden familieleden en productieve leden van de samenleving. Ik vraag me af hoe ik bij zo'n experiment zou gevaren hebben. Als iets de moeite waard is, kan ik mezelf beheersen, denk ik. Alleen is er weinig de moeite waard. Twintig, eenentwintig. We gaan naar de dertig situps, met gezwinde bewegingen, anatomisch correct en medisch verantwoord. Impulscontrole is een fascinerende zaak.

Plafond en muren kantelen bij elke opwaartse en neerwaartse beweging. Ik hoor de soep in de keuken stomen en laat me overweldigen door de kalme banaliteit van de avond. Dat kan. Dat moet af en toe. Je kan niet leven van hoogtepunt naar hoogtepunt. Ik denk aan een glas vodka, straks. Я не люблю водку, водкa я. Franse vodka wordt onderschat in Europa. Vijfentwintig, zesentwintig. Het lichaam moet in vorm gebracht worden. De leraar, zei Sloterdijk, is de figuur die wil dat ik wil, en ik probeer mijn eigen leraar te zijn. Aan de andere kant heb ik lak aan autoritaire figuren omdat ik er stiekem zelf één ben, en zo is elke mens op een bepaalde manier een eeuwige slang die zijn eigen staart aan het opeten is.

Dertig en stop even, rusten. De ogen sluiten en dan weer openen. Het beige plafond is onveranderd, maar ik had dan ook niet verwacht dat er plots schilderingen op zouden gekomen zijn in het genre van de Sixtijnse Kapel. Mijn huiskater komt aan mij snuffelen. Voor hem moet het absurd zijn dat zijn baasje op de vloer ligt en deze oefening doet. Het is tegelijk geruststellend en bevreemdend dat hij, als nauw verwant zoogdier, een aantal uitdrukkingen heeft die even diep ingeëtst zitten in mijn eigen dierennatuur als in de zijne - verbazing, angst, woede, walging, nieuwsgierigheid. Je ziet het ook bij honden, dolfijnen, paarden en olifanten. Ik kom terug in beweging. En octopussen. Zullen we ooit echt mens, ideaal mens, kunnen worden tegenover elkaar als we dieren blijven afbeulen en mishandelen? Er wordt wel eens gezegd dat men de kwaliteit van een maatschappij kan afmeten aan hoe de allerzwaktsten het stellen. Misschien kan men dat a fortiori beweren over de dieren.

Nu gaat het van links naar rechts, elleboog die knie aanraakt. Het einde van de oefening is in zicht. Zovele gedachten die met elke ademtocht uitgestoten worden, en ik besef dat het geen moer uitmaakt. Het brein draait voortdurend nutteloze overuren als een soort vergiftigd geschenk van de evolutie. Ik denk aan Einstein die naar verluidt zijn eigen schoenveters niet kon knopen. Of Franse existentialisten die na het samenstellen van enorm fijnbesnaarde intellectuele theorieën opgewonden werden van zich te laten insmeren met stront. Er zit poëzie in. Men vermoedt er een achterlijke karmische rechtvaardigheid achter. Veertien, vijftien aan de linkerkant. De zwakke kant. Rechtshandig, linksbreinig. Daar bestaan ook parapsychologische theorieën over. Natasha haalt de soep van het vuur en de kater verliest zijn interesse in me. Ik kijk uit naar mijn twee koekjes straks. Mijn voor het geestesoog zwevende glas vodka. Bitte, bitte, gib mir Gift.

zondag 7 december 2008

De anderen

Op het ogenblik van schrijven ben ik me aan het ergeren aan de knul die boven mij woont, die zoals gewoon ’s avonds zijn akoustische gitaar heeft bovengehaald, en daarbij ook zingt. Niet alleen heeft hij een zaagstem die zich leent tot de meest drabberige singer-songwriterballads, hij zingt ze dan nog eens vol overgave. Soms maakt hij er zelfs een heus duet van met zijn vriendin, en zingen ze samen mee met Shania Twain, nog zo’n popproduct waar ik een hekel aan heb. Ik kan me jammer genoeg niet van de indruk ontdoen dat hun appartement op dat ogenblik baadt in kaarslicht, nadat zij “iets gezond met pasta” heeft klaargemaakt en hij zei “dat het heel lekker was”, waarop ze beiden spontaan in een zangstonde uitbarsten waarbij clichématige pop het anker vormt van hun middelpuntvliedende paringsdans, die eindigt met wat “de liefde bedrijven” heet, ontdaan van alle dierlijkheid en weerhaken waar ik anders mijn bed nog voor uit zou komen, of beter gezegd, in voor zou duiken. Je ziet, ik ben een verzuurde jonge man, en ik beeld me graag in wat mijn bovenburen doen. Maar het kan bonter (dat kan het altijd).

Ik noch mijn huisgenoot hebben een auto, dus is onze plek in de garage leeg. Toen een vriendin van F onlangs was bestolen geweest na een optreden (achtervenster ingeslagen, autoradio en gps weg), mocht ze hem in onze garage laten schuilen, in plaats van het risico te nemen hem open en bloot voor haar eigen deur te parkeren. Een medebewoner van het appartementsgebouw nam hier aanstoot aan, legde klacht neer bij de politie, en parkeerde zijn eigen auto er vlak achter, want we hadden zijn plek ingenomen. Ik kan me voorstellen dat de man daarbij schuimbekte en vloekte, en bij het zien van een auto met ingeslagen achterruit misschien zelfs dacht dat het wel weer een vreemdeling was, een volksvijand en een profiteur die zijn plek had ingenomen. We hadden geluk dat hij er geen geurvlaggen had bijgeplaatst ook. Geen idee waarom het niet in hem opkwam eerst even bij de medebewoners te gaan kijken of die auto van hen kon zijn, en waarom die daar stond – er zijn maar negen appartementen in het gebouw. Daarbij ga ik voorbij aan de volkomen boersheid van de uitgang van de auto van F’s vriendin te blokkeren, terwijl er nog genoeg plaatsen waren in de garage waar hij zijn trouwe vierwieler had kwijtgekund.

Verder wordt dit gebouw geregeerd door een gepensioneerde dame, die middels gehypercorrigeerde brieven in de lift met de bewoners communiceert. Soms gaat het over herstellingswerken, soms kondigdt ze haar eigen komst aan om de waterstanden op te meten. Een zeer doortastende dame die, naar vermoed ik, groenfluwelen zetels heeft met een lap antimacassar erop, nieuws volgt van het vorstenhuis alsof het oude bekenden waren, en met een zekere meewarigheid aankijkt tegen de invasie van jeugdigheid die hier de laatste jaren heeft plaatsgevonden. Mijn pret zou niet op kunnen mocht ze plots een sprong in het absurde wagen, en mededelingen in de lift beginnen hangen als “mijn kut stinkt” of “vanaf heden dient elke bewoner te urineren op zijn/haar balkon” of ook nog “GEEN BLOTE NEGERS MEER IN DIT GEBOUW”. Maar ach, ik heb er geen problemen mee, en als ik haar was, dan zou ik mezelf misschien ook verdacht vinden.

De andere medebewoners zijn voor het grootste deel vage schimmen van komers en gaanders waar ik geen namen op kan plakken. Er zitten koppels tussen, studenten ook, mensen van middelbare leeftijd en ergens een Pool, die er in mijn fantasie precies zo uitziet als Waldek uit Thuis, en ook met hetzelfde accent spreekt. Mijn enige andere recente contacten bestonden eruit dat ik moest aankloppen bij de buren (twee zussen), omdat ik mijn sleutel vergeten was en moest binnenkruipen via het balkon, en dan als McGyver onder m’n bijna volledig neergelaten rolluik moest rollen om binnen te raken. Mijn kat keek stomverbaasd, in hoeverre dieren die emotie bezitten, dat ik kwam binnengerold langs de achterdeur, hoewel ik langs de voordeur vertrokken was. Beter een goeie buur dan een verre vriend, denk ik dan, voorals als ze je helpen in te breken in je eigen appartement. Daarom denk ik er nu aan, terwijl hierboven het zingen is opgehouden en het koppel kneuzen nu in elkaars armen ligt (zijn bril wat scheef, zij een traantje wegpinkend terwijl ze samen luisteren naar een Knuffelrock-cd), dat ik misschien eens een feestje zou moeten organiseren voor de medebewoners, dat zal uitblinken in gênante stiltes, afwezigheden en schuchtere pogingen tot contact. Als er weinig amusement is, moet je het zelf maar maken, ook al bestaat dat uit de ongezellige onderbuik van sociaal onhandige ervaringen.