Over 'Onklare taal'

'Onklare taal' is de verzamelnaam van diverse tekstprojecten van mijn hand. Dit is de afdeling columns en microstories daarvan. In 2017 bracht ik 'In de vorm van een vogel' uit, een bundeling van de beste 99 teksten van dit genre tot op dat punt, netjes geredigeerd en per seizoen geordend. Je kan die antologie gratis downloaden als je Patron wordt. De weg een beetje kwijt? Mijn eigenlijke website, die ook 'Onklare taal' heet, verwelkomt je.

zondag 30 januari 2011

Dulce et decorum est

Ik zit alleen te eten, voor het venster van een fastfoodketen. Als kind vond ik mensen die alleen zaten te eten steeds enorm zielig. Ik heb het intussen nu al zo vaak gedaan dat ik daar absoluut niet bij stilsta, ook al omdat een fastfoodrestaurant per definitie een zielige plek is, of je er nu bent met vrienden of alleen. Ze zijn gemaakt om mensen niet te willen laten blijven plakken. Ik heb altijd een intens medelijden met de mensen die er moeten werken. God weet dat ze het gezicht van hun medemens gezien hebben, en dat dat gezicht vaak niet mooi is, tanden mist en stinkt naar onwelvoeglijkheid. Wat ben ik? Een man. Geen man is een eiland, zei John Donne. Waar is mijn eiland?

Er speelt een onbekende remix van "Mad world" van Gary Jules op de achtergrond. Een vreemde muziekkeuze om fastfood bij op te eten. Maar het blijft wel overal hetzelfde - McDonald's, Quick, Burger King of KFC zijn de rustige vastheden van het globale bestaan waar christendemocraten nog een puntje aan kunnen zuigen. Culturistos richten graag hun pijlen op dit soort symbolen van nivellering, omdat ze alles in zich verenigen wat zij haten - de snelle hap, het consumerisme, de grootste gemene deler en de massabudgetten die dagelijks door de kassa's van dergelijke giganten vloeien. Maar als mensen plots zouden beslissen van er niet meer te komen, zouden die bedrijven allicht ook hun strategie veranderen. Het verzet is zwak. Intussen brandt Egypte en wankelt het regime van de farao. En België blijft barsten met het tergende slow motion van twee continentale platen die elk jaar een paar millimeter verschuiven.

Ik zou zeggen, denk ik, terwijl ik mijn vette vingers afveeg aan een stuk papier, dat mijn zorgvuldig gecultiveerde en op temperatuur gebrachte kamers waar het aangenaam verblijven is met vrienden, mijn vaderland vormen, mijn eiland. Anderen klampen zich met de moed der wanhoop vast aan de romantiek, de nederlagen en de ongetwijfeld glorieuze, toekomstige overwinningen van hun stam. In de neotribale samenleving zullen er ook nog platte symbolen van globalisering zijn. Het is zelfs één van de redenen dat dit land ondanks alles blijft draaien. Er staat nog geld op de rekening, bedrijven werken verder en agenten schrijven nog steeds geestdriftig bekeuringen uit. Maar waarheen gaan we nu echt? Ik ga op zoek naar kleren (confectie, dat spreekt), en België weet eigenlijk niet eens waar het naar op zoek is.

Misschien word ik volgend jaar of binnen tien jaar wakker in de Republiek Vlaanderen. Ik zal het niet vieren. Ja, velen zullen zich in de handen wrijven dat we verlost zijn van het Waalse profiariaat en het vreselijk knullige Nederlands van Elio Di Rupo, maar het was voor beide landsdelen al jaren een gemiste kans tot verrijking. Nee, ik geloof niet in het oude België met zijn hang naar francofilie en affairisme, maar in het zelfgenoegzame, volgevreten Vlaanderen met zijn schrille burgermannetjes geloof ik al evenmin. Ik ben alleen maar Vlaming omdat anderen dat zo willen zien. En uiteindelijk ben ik zelfs ik niet, maar dit is geen dag voor ontologie. Ik betaal voor mijn sweaters en duik de kou in van de drukke Veldstraat.

Opnieuw zie ik al die vertrouwde winkels de revue passeren. Allemaal zijn het filialen van kledings- en mediagrootmachten, en dit zijn hun koloniale uitposten waarmee ze de inboorlingen lokken. De mannenmode voor het voorjaar wordt blijkbaar gedomineerd door pulls met enorm grote knoppen, en ik vind het lelijk, maar mijn eigen logica getrouw hou ik daar maar beter mijn mond over want ik heb van moderne mode al evenmin verstand als een cementeerder iets zinnigs te zeggen heeft over poëzie. De media lieten zich erg schamper uit over het volksprotest uit machteloosheid, want ja, datzelfde radeloze volk had er in de eerste plaats voor gezorgd dat die vermoeide en vermoeiende politici aan tafel moesten gaan zitten. Maar het waren ook de media die de verkiezingen mee gestuurd en bepaald hebben, en de kans die er misschien jaren geleden geweest is om beide landsdelen naar elkaar te laten toegroeien, veronachtzaamd hadden. Wiens schuld is het? Is het belangrijk?

Alles is gedistribueerd en verspreid - schuld, consumptie, verantwoordelijkheid en frietvet voor standaardhamburgers. We geloven niet in God die eindredacteur of aanstichter kan spelen. De zak met kleren weegt zwaar. Het is vaak erger om slecht na te denken dan het helemaal niet te doen, denk ik, en in diezelfde gedachten is er een klein kind dat stil een rouwproces houdt voor het idee van een vaderland.

dinsdag 11 januari 2011

500m naar nergens

Ik wandel met een fles in de hand door een straat waar niemand is. Dat is verdomd poseuristisch. Ik passeer langs de vitrines van een lederwarenwinkel, het koude licht van een nachtwinkel waarvan ik weet dat de uitbater een tulband draagt, en café "Bij Roosje", waar iedereen bij binnenkomst automatisch een nekmatje krijgt en een willekeurige tand mist. Op deze platitudes bouw ik mijn wereld.

Ergens is er de vage hoop dat mijn pad vannacht zal gekruist worden door een menshoge, pratende kater. Ik lees te veel. En ook te weinig, beweert Fyodor. Ik ben het er mee oneens dat je de hele canon en alle literaire referentiekaders moet kennen voordat je je kan wagen aan literatuur. Het helpt enorm, zoveel is zeker, maar het heeft uiteindelijk niks te maken met wat een schrijver maakt tot schrijver, en dat is een instinctieve koude fusie van instincten, bloed en kil verstand. Hoe meer ik drink, hoe zoeter alles smaakt. En echt liefhebben is ook mee aanvaarden dat dat verlangen wortelt in pijn en terug uitmondt in pijn, want wat eindigt nog gelukkig en in volstrekte harmonie? Liefde is geen balsem of een medicijn, maar tezelfdertijd het meest weerloze ding dat er is, van een vreselijke schoonheid en van een ontzagwekkende wreedheid. Is een mens gemaakt om dit aan te kunnen? Hij moet. Het kan niet anders.

Soms wilde ik dat mijn mond maar een kleine, nauwe streep was, een kier waar alleen het hoogst noodzakelijke uit zou komen, om te benadrukken dat zorgvuldig gekozen, weinige woorden van een veel grotere waarde zijn dan het praten in luchtballons en zeppelins waar ik me anders mee bezig hou. Niemand zit te wachten op mijn mening over het ruimtevaartprogramma van de Sovjets, de falende regeringsvormingen of waarom ik nu precies brunettes verkies boven blondines en dat dat uiteindelijk ook geen moer uitmaakt. Maar we kunnen niet altijd gesprekken voeren met oneindige dieptes, zelfs als we in een onsterfelijke toestand naar de idealen van Habermas' eindeloosheid in geest en taal zouden proberen leven.

Ik kom aan een spoorwegbrug. Verkeerslichten geven rust in al hun regelmatigheid, en het enige hoorbare geluid is van iemand (ik) die zijn neus optrekt en tast naar een sigaret. Het pakje is leeg, maar daar komt spoedig een oplossing voor. Bovendien is met een fles in de hand een nachtwinkel binnenwandelen niet bepaald het toppunt van gratie. Deze vlakke wereld, behept met de grandeur van komisch falen en de verzachting van spaarzame vriendschap, staat op het punt te exploderen. Op welk droomniveau zitten we intussen? Is dit een droom waaruit een mens wel kan wakker worden? Er dendert een trein over de brug, door Maxi Jazz beschreven als "conceding defeat with a low moan". Het hoofd is een kamer vol heen en weer rennende ratten. Soms is het ook een koele bergruimte waarin alles zijn plaats kent.

De reis gaat terug langs een opgeknapt beluik en een pitabar waar ik nog nooit iemand zien binnen zitten heb. Het schijnt dat dit vroeger een mondaine, drukke winkelstraat was, maar ik heb het liever zo, in dit vertraagde tempo, waarin elke indruk van deze hutsepot aan lelijke gebouwen en lelijke mensen zich afzonderlijk laat wegen en samensmelten tot een prikkelend eenpansgerecht. Nee, zeg ik tot man en fles, voor depressie heb ik geen tijd en ik ben nooit een cynicus geweest. Maar de slijtage van dit bestaan is voelbaar. Ook dat is niet erg, omdat het me eraan herinnert dat ook ik behoor tot die almachtige mensheid, waarvan vele telgen niet de luxe hebben om hier doelloos rond te wandelen, te kijken en na te denken, laat staan dat alleen te doen.

Het kruispunt nadert weer, en de lucht ruikt naar een nabije regenbui. Ik heb honger. Ik wil alles, maar ik heb niets te eisen omdat er ook niks af te dwingen valt van het leven. Je kan alleen maar proberen telkens terug te komen naar die plaats van onvermijdelijkheid van passie, van brandende zenuwuiteinden in de vingers en het spreken van woorden die al lang overbodig zijn voor de mensen die ze moeten horen. Ik wandel met een lege fles in de hand door een straat ergens in mijn hoofd. Dat is eigenlijk wel raar.

vrijdag 31 december 2010

Luctor et emergo

Elk ogenblik en elke seconde eindigt en begint er ergens een periode, een episode of een jaargetijde. De woede is nog niet op. Ik doseer ze als drug, om opnieuw te gebruiken als acupunctuurtherapie op momenten dat ze van pas komt. Eén mens heeft maar zoveel energie te verspillen om kwaad te zijn over alles, en uiteindelijk levert het niks op als de inspanning niet gericht is, en helemaal niet als die onterecht is. Een goed mens proberen te zijn is niet makkelijk. De maanden achter me zijn gesmolten en dan gestold tot indrukken van scharnieren, of wankele bruggen over vulkanen. De afstand van teleurstelling is afgelegd. Ik ben niet bezig met verkruimelde relaties of de centrifugale vernielzucht van anderen, noch met geld en macht. Verlicht zal ik dan wel niet worden, maar aan het dok van een nieuw januari sta ik met een zak bagage die een stuk minder zwaar weegt dan voorheen.

Het is een jaar geweest van verwarring en van hebzucht. Voor wie het wilde zien, vielen de poppenspelers en marionetten enkele malen uit hun rol - de grootbanken, de oliereuzen, de nijvere industrie van de nut- en vetvoorzieningen, van de koppigste politicus tot de gladste aal die zelfs het homohuwelijk zou kunnen verkopen aan een neonazi. Het is allang geen nieuws dat rijkdom een fetisj is van het Westen. Het is wel nieuws dat zelfs nadat de keizers van de wereld zonder kleren zijn gezet door economische rampen, ecologische catastrofes en perslekken, de meeste mensen in deze wereld de schouders blijven ophalen. Zolang de kachel brandt, de auto rijdt en de dertiende maand netjes uitbetaald wordt, kijken velen de andere kant op.

Ik vervolg een pad dat ik al jaren geleden gekozen heb. Hoe vaker talen zich laten schilderen, beeldhouwen of rauw opdienen, hoe meer ik erken dat woorden maar relatieve krachten zijn of zelfs valse richtingaanwijzers in een overbelicht landschap. Het zijn niet de letters of waarheden die tellen, maar wat ik zeg tegen jou als één op één. En het is zelfs niet eens het geluid dat uit onze monden komt dat er toe doet. Het is de lichaamswarmte eerst, dan de nabijheid, dan het idee dat de cultuur, de taal, het zelf en uiteindelijk het idee zelf een noodzakelijk kwaad is dat al te snel overwoekert wat we echt zouden kunnen en moeten voelen. Dus zet dat glas neer. Duw die sigaret uit. Hier komen we terug tot woorden als waarheid, woorden als waardeloos en tenslotte ook als het beste wat we hebben om een cirkel te trekken rond die waarheden. De clichés zijn uitverkocht dit jaar, en ook in de koopjesperiode zal ik niet meer overtollig berichten over hoe ik niet ik ben maar jij, en wij in principe elkaar zouden kunnen zijn, geweest zijn en dat ook in de toekomst weer zullen worden, omdat we mensen zijn.

Laat ons dus voor één keer de ogen opslaan en aanvaarden dat een boom een boom is, een straat een straat en dat we het in deze wereld vooral moeten redden met elkaar. Het is echt zo eenvoudig als het lijkt. En intussen, naast dat reusachtige, verpletterende inzicht dat we als kruimels stof op een stofbol in een onvoorstelbaar koud universum voortdurend in en uit elkaars bellen en sferen ademen en die alleen samen vormen, mogen we niet vergeten dat alleen wij een einde kunnen proberen stellen aan de piramidale structuur van slaven en meesters. Ik verwacht niet dat we zullen stoppen dat er vannacht ergens een man zijn vrouw in elkaar slaat. Ik verwacht eveneens niet dat er morgen een baby misschien niet van honger zal omkomen, en ik verwacht zeker niet dat men de week nadien plots niet meer zal voortrazen aan driehonderd per uur in de tegengestelde rijrichting. Maar ik verwacht wel dat ik zal proberen om ergens een verschil te maken. Een nieuwe wissel te bedenken in de sporen. Of gewoon om door daden te laten spreken wat woorden niet kunnen - mensen doen branden om bij elkaar te zijn.

donderdag 2 december 2010

Vinson Massif

Er is al heel wat inkt gevloeid over de verstilde poëzie van sneeuw, en we kunnen er niet genoeg van krijgen. Het is een seizoen van terugtrekking en contemplatie, blauwwit in een vogelvrije hemel of net van een onbegrensd witgrijs dat camera's en definities tart. Het is ook altijd hetzelfde. Ook in 1910 hadden mensen rode neuzen van de kou en kloegen boeren over strenge winters. En toch vervult het aanbreken van elk seizoen dat al miljoenen jaren de revue passeert iedereen weer met een gevoel van nieuwheid, vergeet men tijdens de zomer hoe kil en bar een winter kan zijn, en heeft men midden in januari geen idee meer van hoe plakkerig smeulend heet een hondsaugustus met zomeronweren alweer was. We hebben foto's, maar die zeggen doorgaans niet erg veel. Lagen kalven af. Het denken is een spiraalvormige bezigheid. Ik keer steeds terug in vergelijkbare patronen, en ik heb het al allemaal gezegd, mijn kennis atomair gesplitst en weer samengevoegd, en toch steeds opnieuw andere manieren gevonden om met zesentwintig letters en een beperkte taal nieuwe vormen te bepalen voor memetische inhoud die niet van mij afkomstig was, mij zal overleven en toch niet zonder mij zou kunnen bestaan.

Antarctica lonkt. De uitgestrektheid, het onveranderlijke en vooral ook onmenselijke van het continent spreken tot de verbeelding. Eén kleine man die verloren gaat tegen een overweldigende achtergrond van wit op wit, of hoe vanop afstand diezelfde man niet meer is dan een ingekleurde sneeuwvlok in een eindeloos gordijn van witte sneeuw. Sommige observatiestations op zee of onder water vangen geluiden op van schuivende ijsplaten of langzaam brekende ijsschotsen. Alles is er trager, dieper en ook extremer. Het idee van Antarctica is het idee van de grote verdwijntruc, het oplossen in het alomtegenwoordige nergens, met slechts één duidelijk referentiekader, net als oneindig staren naar een leeg schilderij dat een hele muur inneemt. Ook in de winter zie ik de zaken groot - we denken al klein genoeg.

Er is een zekere welwillendheid gekomen in de voetgangers die ik tegenkom, net als ik onvast en hoogpotig door de sneeuw ploeterend. En al zegt men dat vrouwen er beter uitzien in de zomer, kan men niet ontkennen dat de winter het koninkrijk is van de mensen met een mooi gezicht, aangezien het het enige is dat je in lagen sjaals, jassen en verfrommelde broeken kan onderscheiden. Ik ben gelijktijdig subject, object en de grote bezieler, een circusdirecteur en tevens het verstandelijk gehandicapte kind dat komt kijken naar datzelfde circus. Het is gedaan met het postmoderne, alleen beseft men dat nog niet voldoende. Of is het dat ik me met te veel mensen omring die net als ik die die Saturniaanse moloch beu zijn en in de plaats daarvan verlangen naar authenticiteit die noch een bij voorbaat mislukte terugkeer is naar een ingebeeld verleden, noch een groteske invulling van fragmentarische subculturen?

Het zijn grote woorden allemaal voor iemand die met een loopneus en op pas herstelde laarzen moet oppassen dat hij niet uitglijdt over een oprit. Daarom niet minder waar, maar geen letter en geen zin doen er iets toe bij het besef dat ik dezelfde koude, scherpe lucht in- en uitadem als alle anderen. Het is belangrijker te weten wat we delen dan onze tegenstellingen op scherp te stellen, en wie zich liever bezighoudt met het laatste, vecht een op voorhand verloren gevecht dat er in de loop van de eeuwen toch niet toe doet. En ik denk dat ik wel een ijsberg zou willen zijn, een majestueuze homp bevroren water, blauw gekristalliseerd, tegelijk een vertrouwd beeld en een volslagen vreemde. Een waarschuwing voor een open, vijandige en mensenloze wereld. De Johannes De Doper van de onontgonnen fysieke leegte die een mens mogelijk weer kan doen beseffen wat het betekent om met weinig te zijn, om alleen te zijn, om te waarderen wat basiscomfort, warmte en pragmatiek betekenen.

Ik heb ooit ergens gelezen dat sterven van de kou in eerste instantie geen aangename ervaring is, met de knetterende, bijtende pijn van de zenuwuiteinden en verkilde vingers, neuzen en oren die doodvriezen, maar dat het daarna erg stil en warm wordt. Als ik dan toch op een opzienbarende manier aan mijn einde moet komen, laat het dan op die manier zijn. Ik denk eraan om een grote witte doos om te toveren tot een miniatuurtheater en daar mijn Antarctica van te maken, net als toen ik als kind met dinosaurussen en G.I. Joe's speelde op de witte badrand en me moeiteloos kon voorstellen dat het ijsschotsen en sneeuwvlaktes waren. In dat universum stierf nooit iemand echt. Seizoenen werden er aan- en uitgezet als een lichtschakelaar, en van overspannen postmodernisme was geen sprake. Het is beter in mijn herinnering. Het wordt terug beter in de toekomst, hoewel we er allemaal aan gaan. Het wordt hopelijk ook een winter waarin we beseffen dat sneeuw maar een gegeven is, en er dankbaarder voor zijn dat we elkaar verlegen kunnen toelachen, stuntelend op straat, in plaats van te vloeken in de auto of te vergeten hoe warm de zomer was. Deze winter eis ik op als mijn zomer. Deze dag belis ik dat ik een naïeve ijsberg mag zijn. Laat de boten maar komen.

dinsdag 2 november 2010

La Résistance

Ze herinnert zich de natte ochtendgeur van potgrond, de bitterzoete geur van tomaten in de zomer, zelfgemaakte bessenconfituur, of de wellustig rotte geur van verstikte gewassen in dichtbegroeide bossen. Westkant: kasseien, koeien, distels. Oostkant: straten en oprukkende verstedelijking. In het intussen afgebroken huis daartussenin: de ijzige herinneringen aan repressie. Langzaam verlaat ze het scheepswrak van die herinneringen, en gaat ze langs braakliggende terrein naar beneden, naar een strook niemandsvallei waar geen hond komt. Er is niets verkeerd met een poging om de zaken objectief te bekijken. Er is iets verkeerd met de zwetende koortsdroom om alles voor die lens te krijgen, en objectiviteit zelf te gaan opeisen uit naam van kille misleiding. Het gras is groen, maar wanneer is het te lang voor mensen met een korte nek?

Met die mensen is het voor haar onmogelijk om een diepere band te vormen, omdat ze zich altijd verborgen houden in hun bijeengespaarde kastelen van banaliteit. Met heeft ze Vlaanderen mee uitgespuwd. Soms is ze ziekelijk jaloers op gezonde Vlaams-nationalisten, die pragmatisch en vlijtig komen aandraven met allerlei statistieken, en diep in zich nog ergens de romantische vervlechting voelen met een mythisch Vlaanderen dat nooit bestaan heeft. "De leeuw van Vlaanderen" was het eerste serieuze boek dat ze ooit te lezen kreeg, en ze leeft lang genoeg om te weten dat de Vlaamse beweging relevant was, ontvoogdend en even divers als de bloemen en planten waar ze als kind van wist of ze ze kon eten, moest plukken of gewoon links moest laten liggen.

Voor opgesloten zielen is het volksgevoel het laatste dat ze kunnen stelen om geen individuele gevoelens, conflicten of kwetsbaarheid te moeten tonen. Een collectieve vuist is sneller gevormd dan een uitgestrekte hand en een open blik. Men zegt dat het allemaal zo eenvoudig niet is, om vervolgens met even houterige simplismen aan te komen draven. Men lacht met belgicistische onnozelaars die zich beroemen op dat potsierlijke Atomium, maar teert tegelijk op het al even idiote slachtofferidee dat Vlamingen altijd mismeesterd werden door de geschiedenis. Ze rookt gulzig een sigaret, waarvan de geur zich vermengd met de dampende Scheldedauw.

Het kon niemand wat schelen. Ridderromantiek, een intense band met het land, de streek, de talen en de geschiedenis. Het grotere idee, dat volledig ontbrak. Men playbackte de liturgische liederen in de kerk zonder enig idee te hebben wat oprechte naastenliefde infeite was, en men respecteerde gevierde artiesten zonder er een moment bij stil te staan dat zij dergelijke mensen in principe minachtten. Ze kweekten een gepolariseerde generatie van vijanden, mensen die de wereld zagen in breedbeeld of op smalband, vrouwen zoals zij, met een beweeglijke, smaakvolle tong, of andere vrouwen die avatars gingen worden van de centrifugale dictatuur van onelegante luchtigheid. En mooi, maar terugwijkend.

Het is erger om genegeerd te worden dan om aangevallen te worden. Men berispte haar ouders omdat zij oorspronkelijk van plan waren om haar niet meer de streektaal te leren, maar het is alleen een bittere taal die ze leren spreken heeft, met honderd synoniemen om schande, spot en minachting aan te duiden, maar geen enkel lief woord of een uiting van oprechte emotie. Zij erfde via genen en opvoeding exact dezelfde talent voor kille sluipmoord met woorden, en rekent postuum af met hen, de ultieme, collectieve Tarquinius Superbus wiens hoogmoed intussen gemeengoed geworden is. Steunen op de spade in hardvochtige Vlaamse grond, maar met wantrouwen tegenover de standaardtaal. Met wolfskelen declameren dat iedereen Engels kan en dat dat Duits toch maar voor moffen en malloten is, en tegelijk een verbeten knieval maken voor het gehate Frans. Ze beweren dat ze altijd zo open waren tegenover vreemdelingen, maar het is hun eigen onverschilligheid en trots die die vreemdelingen mee heeft helpen inzien dat Vlamingen doorgaans op zijn best gereserveerd waren, en op zijn slechts wantrouwige klompenburgers met een geknakte eigenwaarde en een vitriolische passieve agressie. Het ergste is dan nog dat rurale, van tussen hun geiten getrokken Marokkaanse families op veel vlakken weinig verschillen van hun ingemetselde drijfmesttegenhangers in Vlaanderen, maar men liet hen niet toe. Men laat niemand toe. Iedereen moet alleen zijn en zijn eigen kruis dragen. Zelfs de enige artiest in de familie draagt altijd de grime van het verdovende cynisme. Acteur en rol zijn al zo lang met elkaar versmolten dat men nauwelijks nog kan spreken van ironie.

Ze is altijd op zoek naar menselijkheid. Naar mensen die niet zwijgen, maar weten en vergeven. Mensen die net als zij ook zouden willen opstaan om terug te nemen wat van hen is - dit land, dit Vlaanderen, dit België, dit hele Europa in een oceaan van wanhoop. Een land met woelige kusten waar men nooit accentloos spreekt en opeengehoopt het liefst van alles door iedereen met rust gelaten wordt. Een klotsend spreekkoor van versnipperde bossen en steden waar migranten praten met een zwaar stadsaccent en de Kerk meer een triest rariteitenkabinet is dan een vals beleefde pilaar van een dood geloof. Dat land is er nooit geweest, want het is een idee dat al te vaak getorpedeerd geweest is door eenzijdige opportunisten. Franstalige Vlamingen die neerkeken op boeren, particularistische boerse volksmenners die prat gingen op hun ongezond verstand, of postimperialen die hardkennig vastgeketend waren aan het teloorgegane prestige van hun eigen taal. Natuurlijk is dit idealisme en romantiek, maar wie zal haar tegenhouden om naar buiten te keren wat wil exploderen als tricoloor vuurwerk? Of, uiteindelijk, dat zij zij is? Het antwoord is al te vaak een stilte uit lafheid. Geef mij mijn hart terug. Laat mij en de mijnen jullie allemaal begraven. Het schijnt dat ze verre aangetrouwde familie is van Guido Gezelle. Het schijnt ook dat Anton Voloshin niet haar echte naam is.