Over 'Onklare taal'

'Onklare taal' is de verzamelnaam van diverse tekstprojecten van mijn hand. Dit is de afdeling columns en microstories daarvan. In 2017 bracht ik 'In de vorm van een vogel' uit, een bundeling van de beste 99 teksten van dit genre tot op dat punt, netjes geredigeerd en per seizoen geordend. Je kan die antologie gratis downloaden als je Patron wordt. De weg een beetje kwijt? Mijn eigenlijke website, die ook 'Onklare taal' heet, verwelkomt je.
Posts tonen met het label België. Alle posts tonen
Posts tonen met het label België. Alle posts tonen

dinsdag 16 december 2025

Van hetzelfde laken een astronautenpak

Om één voor middernacht op 31 december 2025 zal ik kunnen terugkijken op een jaar waarin de buitenwereld zich heeft gedragen volgens alle grimmige voorspellingen die ik had gemaakt op het einde van 2024, en een persoonlijk leven waar totale onvoorspelbaarheid troef was. Had je me toen ik onder vrienden en clandestien bijgewoond vuurwerk toostte op 2025 verteld dat ik in het jaar dat eraan kwam slachtoffer zou zijn in twee verkeersongevallen, door twee pijnlijke revalidatieprocessen zou moeten lopen, twee keer naar Berlijn zou gaan, twee werkgevers zou kennen en geen enkele nieuwe publicatie zou maken, had ik je mogelijk wel geloofd maar zou dan depressief naar huis gegaan zijn. Voorkennis: not even once.

Hoog boven Europa heb ik op de achterste rij van een vliegtuig in stilte geweend. Ik wou dat ik kon zeggen dat het was om een heroïsche of tragische reden, maar het was een gewoon gebroken hart. Want ook gewone dingen zijn onverminderd pijn blijven doen in de kwartmijlpaal van deze eeuw. Maar het hart genas, net als mijn andere gebroken onderdelen (rug, dijbeen, knie). Sommige dingen zijn niet genezen, maar dat was nooit de hoop. Ik ben nog steeds chronisch ziek, omdat dat is wat “chronisch” betekent, en zo je al kan spreken van een ziel, is die nog altijd een dubieuze sterrennevel met wijd vertakte filamenten donkere materie. Mensenlief, als ik al niet meer pathetisch mag zijn, wat dan wel nog.

Mentaal ver (maar niet te ver) van deze verstopte regenwaterput die België heet heb ik het nieuws gezien als een paranoïde bejaarde die af en toe met z'n vingers twee strips van het rolluik open duwt om te verspieden welk krakeel nu weer. Het is zoals verwacht hetzelfde circus met dezelfde zieltogende circusberen geweest. De langste cafétoog ter wereld reikt comfortabel tot aan de ministerraden. En als je niet meer elke dag ingeplugd zit in wat moet doorgaan voor het publieke debat, is het vrij gemakkelijk om te doen alsof het er niet is. Dat is een privilege en ik weet het. Want ik ben ook maar een bumper verwijderd van het precariaat en dat kan je best letterlijk nemen. Het is trouwens niet alsof mijn mentale afstand ervoor zorgde dat onze nationale instituten hun interesse verloren in mij. Integendeel, ik mocht me verheugen in allerlei brief- en mailverkeer vol woorden en zinsneden die de sfeer opriepen van een luguber Sovjet-ziekenhuis of misvormde ambtenaren met grote hoornen brillen. In realiteit werd al die correspondentie wellicht semi-automatisch verstuurd door een Anja, een Karen, een Derk of een Matthias in een niet al te onaangenaam kantoor, wat het eigenlijk nog deprimerender maakte.

Rond de wereld cirkelend van hetzelfde laken een astronautenpak: af en toe stak ik eens een teen in het bruine rioolwater van het internationale nieuws en voorts weinig, maar dat betekende niet dat het internationale nieuws niet gewoon naar me toe kwam. Eén van mijn grote liefhebberijen, het Eurovisiesongfestival, werd voor het tweede jaar op rij opgeluisterd door een land dat haast schokkend openlijk genocide pleegt en hoopte via valsspelerij een schijn te wekken van legitimiteit binnen Europa. Ik heb nog niet beslist of ik in 2026 ga kijken. Maar ik vrees dat de volgende defensielijn wellicht evenzeer tijdelijk zal zijn. Wie weet komt op een volgend poëzie-evenement waar ik optreed ook een bloemlezing van de Discord-groep van Schild & Vrienden. Of komt er een loodgieter langs voor het jaarlijkse boileronderhoud een boompje opzetten over hoe misbegrepen Andrew Tate is.

Het woord “hoop” probeer ik niet uit te spreken voor 2026, uit schrik het tegendeel te sommeren. Noch wil ik me laten looien door nutteloze bitterheid. Ik heb ook geleerd dat ambities voor de poort van een nieuw jaar er eigenlijk weinig toe doen. Maak je de voornemens groot, ze verschrompelen of blijven hangen aan de eerste hinderpaal. Hou ze je bescheiden, dan gebeurt er vaak wel iets waar ze in verdrinken in de oneindigheid en ben je ze al vergeten bent nog voor januari uit is. Wel ga ik 2026 in met dezelfde sterke ploeg in mijn leven als die van het jaar ervoor - vrienden en medestrijders, dichte familie en kennissen. Op dat vlak beleef ik al jaren hoogdagen. En al minstens even veel jaren blijf ik verrast dat veel nieuwe mensen die ik ontmoet op mijn pad, me ondanks alles toch sympathiek lijken te vinden en ik hen. Nu nog een beetje geluk, en ik zal 2026 ook wel overleven. 

donderdag 8 september 2011

Wachten op eendracht

Omstreeks de nationale feestdag bracht ik een vriendin naar huis langs één van de lange, bochtige en lintbebouwde wegen die Vlaanderen rijk is. Voor ons uit was er plots een andere auto gestopt en was de chauffeur uitgestapt. Ik stopte ook en zag toen dat de Belgische vlag die op z'n auto gedrapeerd ging, er af gevallen was. Ik vroeg me af hoe het moest voelen om door te rijden en dwars over die vlag te rijden, en kreeg daar gek genoeg een erg verkeerd gevoel bij.

In mijn notitieboekje schrijf ik: men denkt al te vaak dat mensen die traag praten en gewichtige pauzes laten vallen, iets interessants te vertellen hebben. Ik heb een hekel aan dat weeë gedrag. Het cliché moet vermeden worden. "Jongeren die niet links zijn, hebben geen hart, en ouderen die links zijn, hebben geen verstand," luidt één van de varianten van een welbekend centrumrechts cliché. Als dat waar is, dan heb ik noch een hart, noch veel verstand. Hoe ouder ik word, hoe schaamteloos linkser ik word. Ik veronderstel dat sommige lezers me daarvoor alleen al zullen afserveren, zullen stoppen met lezen of net verder zullen lezen om zich te kunnen ergeren. Welnu, die lezers moeten ook weten dat ik voorstander ben van klassiek rechtse principes als een slanker regeringsapparaat, meer blauw op straat, fatsoen en respect, ontvoogdingsmaatregelen, strengere straffen voor bepaalde misdrijven en een aantrekkelijk ondernemingsklimaat.

Wat ik echter te weinig lees in het maatschappelijk debat van vandaag is een echte linkse stem. Alles wordt gedomineerd door de politieke krachten van rechts, en al vijftien jaar lang moet ik boutades aanhoren die vaak niet meer zijn dan fantasieën of groteske overdrijvingen. Dit wordt nog verergerd door de sociale sfeer van schrille, gefrustreerde krantencommentatoren op het internet, sensationele berichtgeving rond diverse maatschappijproblemen en een opgeklopte sfeer waarin men onder het mom van "ik ga maar even mijn mening geven" vaak de grootste onzin kan debiteren zonder er verantwoording voor te moeten afleggen.

Een voordeel aan werken in Brussel is dat je gedwongen in contact komt met Franstaligen. Tijdens de lunch wordt er krom Frans en Nederlands door elkaar gesproken, doorspekt met Engels. Een aanwezige Nederlander merkt met z'n typische flegma op dat hij vindt dat Walen en Vlamingen meer op elkaar lijken dan Nederlanders en Vlamingen, en hij krijgt gelijk. Brussel - het gehandicapte wonderkind in de baarmoeder van Vlaanderen. Ik bedenk me ook dat ik al meer geschreven heb over mijn land dan mij lief is.

In de lift kom ik vaak een zwarte man tegen die allerlei materiaal versleept met een onvermoeibaar enthousiasme en een gedienstigheid die me met verstomming slaat. Het begrip 'politieke correctheid' werd uitgevonden in de Verenigde Staten. Mensen die er zich op beroemen 'politiek incorrect' zijn, doen dat met een air alsof ze vrijbuiters zijn tegen het gevestigde establishment, en dat ze bovendien opkomen voor 'gewone mensentaal' die een soort buikgevoel moet verwoorden. Meestal is het echter een dekmantel om racistische, vrouwonvriendelijke of platvloerse uitspraken te doen die niet verkeerd zijn omdat ze 'politiek incorrect' zijn, maar die verkeerd zijn tout court.

Ik wandel door de regen naar de metro. Poolse loodgieters (letterlijk: ze spraken Pools en kwamen met z'n vieren uit een Poolse bestelwagen) hobbelen over het trottoir naar één van de duurdere appartementsblokken. Twee oude mannen, handen op de rug en de snor naar beneden gericht, passeren me. Nog een nota voor mijn boekje: luid praten wordt te vaak verward met interessant zijn. En kritiek met intelligentie. Terwijl ik de trappen afdaal naar de smeuige, in wafelsuiker gedrenkte metro, moet ik ook denken aan het slachtoffercomplex waar ik vandaag tegen uitgevaren was aan tafel. Mijn Waalse collega's beweerden dat dat ook leefde in Wallonië, maar zich vertaalde aan onvoorwaardelijke steun aan de oppermachtige socialisten. In Vlaanderen keert het zich net tegen links. Geen gelegenheid wordt onbenut gelaten om links niet alleen als dom, maar ook als gewelddadig af te schilderen.

Natuurlijk bestaat er randgroupuscules van wereldvreemde of zelfs gewelddadige extreemlinkse oorsprong, maar laat ons die vooral niet overdrijven. Bij gewelddaden en aanslagen die links geïnspireerd waren, is in België de laatste dertig jaar welgeteld één persoon omgekomen, en hard links stelt electoraal in België niks voor. Geweld van extreemrechtse signatuur daarentegen heeft helaas al meer mensenlevens geëist in België, en is angstwekkender omdat die principes ook een electorale voedingsbodem hebben.

Als ik terug opstijg uit de metro, een kwartier later, kruist een buis van De Lijn een bus van de MIVB. Te absurd voor woorden. Een echte Belgenmop, lacht m'n Nederlandse collega smakelijk in mijn hoofd. Moeten we dit eigenlijk erg vinden? Ik merk dat ik vaak afscheid neem van deze toestand. De wereldeconomie heeft koorts en klauwt wild om zich heen. Overal wordt driftig gesproken, geschreven en nagedacht. Het kan zijn dat België binnen tien jaar niet meer bestaat. Ik probeer mezelf op te kikkeren, weg van mijn kwaadheid over populisme en oneerlijkheid, en mik nog een laatste zin in mijn notabloc, als ik al op de trein zit: mensen die alles kapotrelativeren, worden al te vaak gezien als realisten.

zondag 13 maart 2011

De gezellige demon

Ik sta even stil in een smalle, slecht onderhouden straat waar langs weerszijden landbouwgronden liggen, bollend en glooiend als brood in een middagzon. Een koe kijkt op naar de auto, vanuit de verte, wantrouwig als een boer uit de Balkan.
"Die koe heeft geen idee wat er gebeurt," zegt Inna. Ze neemt een foto. Ik kijk naar de putten in de weg.
"Ik kwam hier vroeger vaak fietsen," zeg ik. Niet dat dat eigenlijk relevant is, of dat het mijn herinneringen kan overbrengen op een persoon die hier nog nooit geweest is. Maar ik ben blij dat ze alles open in zich opneemt. Ze neemt een foto van de andere kant. Het is een mooi landschap, moet ik ook toegeven, en ik had het voordien nog nooit gezien als iets dat de moeite waard was om een foto van te nemen omdat ik het al haast dertig jaar in onveranderende toestand gekend heb.
"Bij die bunker daar," leg ik uit terwijl ik met een genoeglijke traagheid verderbol over de weg, langs nog meer weilanden en enkele losstaande huizen in omgebouwde, kneuterige fermettestijl, "ging ik soms ook spelen. Erg leuk om er oorlogje te spelen. Het lag er ook altijd vol vuil en sigarettenpeuken. En porno."
Inna tuurt naar de bunker in de verte.
"Bosporno," zegt ze. Ze kent het fenomeen.
"Inderdaad."
Ik zwenk traag langs een familie op zondagswandel. Een oude foto doemt terug op uit mijn albumgeheugen. Ik zit in een buggy, ergens omtrent mijn eerste verjaardag, en de hele familie doet een korte wandeling langs een heuvelachtige kasseiweg die in de zomer altijd rook naar rottend gewas en te dicht opeen groeiende, vochtige bomen. Een de laag hangende klinkers en ingeslikte syllaben van de streektaal, die onlosmakelijk verbonden is met de plaats, een gemeenschap van zijn. Als ik een kind had, denk ik, zou ik het soort goedbedoelende maar uiteindelijk mogelijk pretentieuze vaderfiguur zijn die wil dat zijn kind opgroeit met verschillende talen.
"In de jaren '60 was hier nog haast niks," zeg ik, alsof ik het zelf allemaal heb meegemaakt, "Je ziet het aan de huizen: allemaal gebouwd in de jaren '70 of zelfs later."
Ik sta er niet bij stil dat ik over deze straten en deze velden al eerder geschreven heb. Dat daar moorden gebeurden, dat er geweld was. De waarheid is veel erger dan de groteske fictie en de ontaarde bebouwdekomwaanzin die ik in grove penseelstreken neerschilderde, want een boosaardige aanwezigheid heeft zich deel gemaakt van onze levens.
"Een erg dichtbevolkt land," zegt Inna.
"Bijna elf miljoen mensen op zo'n kleine oppervlakte, wat wil je."
Minder lintbebouwing, misschien, beantwoord ik mijn eigen retorische vraag. Misschien zou dat ervoor zorgen dat de landschappen terug opener worden, dat onze blik minder vernauwd is en we en we die boosaardige aanwezigheid met een ontstellende helderheid zullen kunnen zien.
"Dit land is echt mooi."
Ik haal de schouders op. Ik ben het hier gewoon, en dat klinkt arroganter dan het bedoeld is. Je hoort ze het vaak zeggen, expats die na lange tijd terug dit tochtgat aan de Noordzee opzoeken, dat we het hier zo goed hebben en dat het zo'n rustig land is. Ik begrijp dat wel.
"Ja, we mogen zeker niet klagen," zeg ik nog, terwijl de auto terug de baan op rijdt richting Gent, in een omgekeerde Stef Hertmans-beweging, "Er zijn erg veel historische gebouwen bewaard, en als je ze weet te vinden, zijn er erg mooie landschappen te vinden. Je moet er voor zijn, natuurlijk, die romantiek van dikke grijze wolken boven donkergroene weilanden. Of een warme koffie drinken in een verlopen tearoom aan de dijk, met zand nog in je haar en in je schoenen."
Ik merk dat ik er zelf lyrisch van word. Is het dat gevoel waar Jacques Brel over zong? En is het ook niet zo dat elke persoon, waar ook ter wereld, met zijn eigen streek en volk verwikkeld is in een haat-liefdeverhouding? Inna kent dat gevoel zeker. Op haar paspoort staan de verblindende sterren en strepen en de bombastische uitspraken over vrijheid van de Founding Fathers.
"Ik ben een beetje een volksverrader, weet je. Het wij-zijn-maar-een-klein-volkje-gevoel waaruit zowel een minderwaardigheidscomplex als een dwangmatige valse bescheidenheid spreekt, is een voortdurende bron van irritatie voor mij," zeg ik. De demon waar ik eerder aan dacht, is eindelijk uitgesproken.
"Ik heb er al eerder over geschreven," orakel ik door, "en het is niet dat ik denk dat ik er veel aan kan veranderen door me er aan te blijven ergeren. Maar hier hangt het ook samen met die zieke machtsgreep van rechts."
"Dat ken ik maar al te goed," zegt ze schamper. In mijn hoofd zie ik natuurlijk onmiddellijk beelden van permanent kwade presentatoren op Fox News, de homohaat van fundamentalistische christenen of het verwrongen realiteitsperspectief van sommige Republikeinse kopstukken. Onlangs bestonden ze het een idee te lanceren waarbij het nog moeilijker zou worden verkrachting te vervolgen. Men had het over 'gedwongen verkrachting', waaruit de zoveelste poging spreekt van de patriarchie van blanke oude mannen om vrouwelijke seksualiteit aan banden te leggen.
"Ja, het is niet alleen hier of in de Verenigde Staten zo," geef ik toe, "Het omspant de hele wereld. De krachten van rechts lachen al jaren met de 'linkse kerk', die zogezegd fout was in het migratiedebat, die te goedgelovig en naïef is als het aankomt op misdaadbestrijding, en die niks kent van economie. Dat, terwijl er geen grotere en naïevere religie is dan blind geloven in neoliberale dogma's, die nergens hebben gezorgd voor meer welvaart bij de bevolking. De kloven tussen arm en rijk zijn alleen maar gestegen, solidariteit wordt geassocieerd met een profitariaat, en de haat tegenover de socialezekerheidsadel is een bliksemafleider voor het feit dat grote bedrijven jaarlijks veel meer stelen van de belastingsbetaler dan die minderheid aan marginalen die sociale vangnetten probeert uit te buiten."
Ik besef dat ik klink als een linkse agitator, en dat zint me niet. Ik zucht. We rijden door Ledeberg, het oorsmeer van Gent.
"Aan de universiteit waren de meeste van mijn vrienden links."
"Ah, vaag links."
"Precies. Nu ze werken, zijn de meesten onder hen rechts. Ze zijn volledig meegestapt in die logica van de rechtse kerk, dat armen, migranten en Walen voortdurend op de loer liggen om hun belastingen op te souperen."
"Jullie betalen hier wel veel belastingen."
"Dat is waar. Maar dat is een andere kwestie."
De plompe, betonnen brug van de E17 doemt op. Het is een dag waarop het zou kunnen gaan regenen, maar het maar niet doet. De wolken zijn onmachtig. Het is ook lente, en in de lente kan alles. Ik trommel met mijn vingers op het stuur terwijl ik wacht aan het rode licht.
"Mijn vader werd ook alleen maar linkser met ouder worden," zeg ik, "Ik denk dat ik gedoemd ben dat te volgen. Gaan werken na de universiteit heeft me niet blind gemaakt door geld, of ontvankelijker voor neoliberale praatjes. Ik zie alleen steeds meer onrechtvaardigheid."
Maar ik ben geen kruisvaarder. Ik rol de Gentse binnenring op met mijn vuile auto.

dinsdag 2 november 2010

La Résistance

Ze herinnert zich de natte ochtendgeur van potgrond, de bitterzoete geur van tomaten in de zomer, zelfgemaakte bessenconfituur, of de wellustig rotte geur van verstikte gewassen in dichtbegroeide bossen. Westkant: kasseien, koeien, distels. Oostkant: straten en oprukkende verstedelijking. In het intussen afgebroken huis daartussenin: de ijzige herinneringen aan repressie. Langzaam verlaat ze het scheepswrak van die herinneringen, en gaat ze langs braakliggende terrein naar beneden, naar een strook niemandsvallei waar geen hond komt. Er is niets verkeerd met een poging om de zaken objectief te bekijken. Er is iets verkeerd met de zwetende koortsdroom om alles voor die lens te krijgen, en objectiviteit zelf te gaan opeisen uit naam van kille misleiding. Het gras is groen, maar wanneer is het te lang voor mensen met een korte nek?

Met die mensen is het voor haar onmogelijk om een diepere band te vormen, omdat ze zich altijd verborgen houden in hun bijeengespaarde kastelen van banaliteit. Met heeft ze Vlaanderen mee uitgespuwd. Soms is ze ziekelijk jaloers op gezonde Vlaams-nationalisten, die pragmatisch en vlijtig komen aandraven met allerlei statistieken, en diep in zich nog ergens de romantische vervlechting voelen met een mythisch Vlaanderen dat nooit bestaan heeft. "De leeuw van Vlaanderen" was het eerste serieuze boek dat ze ooit te lezen kreeg, en ze leeft lang genoeg om te weten dat de Vlaamse beweging relevant was, ontvoogdend en even divers als de bloemen en planten waar ze als kind van wist of ze ze kon eten, moest plukken of gewoon links moest laten liggen.

Voor opgesloten zielen is het volksgevoel het laatste dat ze kunnen stelen om geen individuele gevoelens, conflicten of kwetsbaarheid te moeten tonen. Een collectieve vuist is sneller gevormd dan een uitgestrekte hand en een open blik. Men zegt dat het allemaal zo eenvoudig niet is, om vervolgens met even houterige simplismen aan te komen draven. Men lacht met belgicistische onnozelaars die zich beroemen op dat potsierlijke Atomium, maar teert tegelijk op het al even idiote slachtofferidee dat Vlamingen altijd mismeesterd werden door de geschiedenis. Ze rookt gulzig een sigaret, waarvan de geur zich vermengd met de dampende Scheldedauw.

Het kon niemand wat schelen. Ridderromantiek, een intense band met het land, de streek, de talen en de geschiedenis. Het grotere idee, dat volledig ontbrak. Men playbackte de liturgische liederen in de kerk zonder enig idee te hebben wat oprechte naastenliefde infeite was, en men respecteerde gevierde artiesten zonder er een moment bij stil te staan dat zij dergelijke mensen in principe minachtten. Ze kweekten een gepolariseerde generatie van vijanden, mensen die de wereld zagen in breedbeeld of op smalband, vrouwen zoals zij, met een beweeglijke, smaakvolle tong, of andere vrouwen die avatars gingen worden van de centrifugale dictatuur van onelegante luchtigheid. En mooi, maar terugwijkend.

Het is erger om genegeerd te worden dan om aangevallen te worden. Men berispte haar ouders omdat zij oorspronkelijk van plan waren om haar niet meer de streektaal te leren, maar het is alleen een bittere taal die ze leren spreken heeft, met honderd synoniemen om schande, spot en minachting aan te duiden, maar geen enkel lief woord of een uiting van oprechte emotie. Zij erfde via genen en opvoeding exact dezelfde talent voor kille sluipmoord met woorden, en rekent postuum af met hen, de ultieme, collectieve Tarquinius Superbus wiens hoogmoed intussen gemeengoed geworden is. Steunen op de spade in hardvochtige Vlaamse grond, maar met wantrouwen tegenover de standaardtaal. Met wolfskelen declameren dat iedereen Engels kan en dat dat Duits toch maar voor moffen en malloten is, en tegelijk een verbeten knieval maken voor het gehate Frans. Ze beweren dat ze altijd zo open waren tegenover vreemdelingen, maar het is hun eigen onverschilligheid en trots die die vreemdelingen mee heeft helpen inzien dat Vlamingen doorgaans op zijn best gereserveerd waren, en op zijn slechts wantrouwige klompenburgers met een geknakte eigenwaarde en een vitriolische passieve agressie. Het ergste is dan nog dat rurale, van tussen hun geiten getrokken Marokkaanse families op veel vlakken weinig verschillen van hun ingemetselde drijfmesttegenhangers in Vlaanderen, maar men liet hen niet toe. Men laat niemand toe. Iedereen moet alleen zijn en zijn eigen kruis dragen. Zelfs de enige artiest in de familie draagt altijd de grime van het verdovende cynisme. Acteur en rol zijn al zo lang met elkaar versmolten dat men nauwelijks nog kan spreken van ironie.

Ze is altijd op zoek naar menselijkheid. Naar mensen die niet zwijgen, maar weten en vergeven. Mensen die net als zij ook zouden willen opstaan om terug te nemen wat van hen is - dit land, dit Vlaanderen, dit België, dit hele Europa in een oceaan van wanhoop. Een land met woelige kusten waar men nooit accentloos spreekt en opeengehoopt het liefst van alles door iedereen met rust gelaten wordt. Een klotsend spreekkoor van versnipperde bossen en steden waar migranten praten met een zwaar stadsaccent en de Kerk meer een triest rariteitenkabinet is dan een vals beleefde pilaar van een dood geloof. Dat land is er nooit geweest, want het is een idee dat al te vaak getorpedeerd geweest is door eenzijdige opportunisten. Franstalige Vlamingen die neerkeken op boeren, particularistische boerse volksmenners die prat gingen op hun ongezond verstand, of postimperialen die hardkennig vastgeketend waren aan het teloorgegane prestige van hun eigen taal. Natuurlijk is dit idealisme en romantiek, maar wie zal haar tegenhouden om naar buiten te keren wat wil exploderen als tricoloor vuurwerk? Of, uiteindelijk, dat zij zij is? Het antwoord is al te vaak een stilte uit lafheid. Geef mij mijn hart terug. Laat mij en de mijnen jullie allemaal begraven. Het schijnt dat ze verre aangetrouwde familie is van Guido Gezelle. Het schijnt ook dat Anton Voloshin niet haar echte naam is.