Over 'Onklare taal'

'Onklare taal' is de verzamelnaam van diverse tekstprojecten van mijn hand. Dit is de afdeling columns en microstories daarvan. In 2017 bracht ik 'In de vorm van een vogel' uit, een bundeling van de beste 99 teksten van dit genre tot op dat punt, netjes geredigeerd en per seizoen geordend. Je kan die antologie gratis downloaden als je Patron wordt. De weg een beetje kwijt? Mijn eigenlijke website, die ook 'Onklare taal' heet, verwelkomt je.

dinsdag 10 februari 2015

De Hitler van de Sleepstraat

Mijn therapeut is een belezen vrouw (gouden tip voor literatuurliefhebbers, dat). Bij het verlaten van haar kabinet valt mijn oog op het boek 'Over normaliteit en andere afwijkingen' en ik moet lachen met de titel. Het is van Paul Verhaeghe, waar ik al eens een pamflet van gelezen heb. Als Verhaeghe iets te zeggen heeft, heb ik de neiging te luisteren, omdat hij veel zinnige dingen zegt. Dat is jammer genoeg een zeldzaamheid geworden. Ze ziet me kijken naar de kaft van het boek, en ziet ook dat ik wrang glimlach.
"Wat is dat, 'normaal', hé?" zegt de therapeut.
"Tja, het is een containerbegrip, zeker. Normaliteit is per definitie vaag, ook al is de norm welomschreven. Normale mensen zullen vast niet bestaan."

Even later, als ik richting auto wandel, bekruipt me niet de eerste keer dat angstige gevoel dat ik ben opgegroeid met één versie van normaliteit die vervangen is door een andere. Ik ben niet veranderd, maar de wereld wel. Het nulpunt ligt elders dan waar het werd gevormd in mijn jeugd.
Francis Wheen beschrijft in zijn boek 'How mumbo-jumbo conquered the world' de gestage opmars van onzin sinds de late jaren '70, in alle geledingen van de maatschappij. Het is als een pletwals gerold over de normen en waarden die we voor zinvol en consistent houden, zoals logisch redeneringsvermogen, bewijsvoering, solidariteitsdenken en pragmatiek.
Ik passeer langs een Turks café waar een groep oudere mannen in een kring zit te babbelen en af en toe naar tv kijkt, waar een sportwedstrijd bezig is. Het is één ding om te zeggen dat die mannen en ik andere werelden bewonen en bevolken, en over weinig gedeelde ervaringen beschikken. Het is een andere zaak wat er gemeenschappelijk boven onze hoofden hangt. Denkers en opinieerders proberen in uithoeken van de media die nog niet meegezogen zijn in het Nieuwe Normaal, dapper weerstand te bieden aan onze cultuur van socio-economische nonsens. Zij doen dat met logica, met empathie, met cijfers. Ik zeg: het haalt niets uit. De religieuze ijver waarmee deze generatie marktzeloten hun geloof belijdt, is compleet immuun tegen logica. Moedwillige irrationaliteit valt niet te bekampen. Niet de beestachtigheid van ISIS, niet de wetenschapsontkenners van Amerika, niet opeenvolgende regeringen die onschuldigen doen boeten voor de financiële misdrijven van een elite.

Gelaten wacht ik aan het zebrapad om over te steken. Het is weer een drukke avond hier in dit transitdeel van Gent, waar de buurt van de dokken verstrengeld raakt in de buurt van de Sleepstraat. Op het plein aan de overkant staat een frituur te puffen uit zijn rookpijpje. Er priemt door de smalle venstertjes licht, voor zover die vensters al niet beplakt zijn met advertenties voor allerlei vettigs. Het verkeer luwt en ik steek over. Een auto stopt en ik steek m'n hand op. Dat moet niet, maar hoffelijkheid kost geen cent. Behoort dat soort fatsoen nog tot het Nieuwe Normaal? Rechtse partijen zetten nochtans graag in op beleefdheid, ook al hebben hun volgelingen vaak een stuitend gebrek aan manieren. Meer nog: in de cenakels van de macht is ploertigheid vaak een tactiek om het debat te doen ontsporen.
Ons Nieuwe Normaal is een hydra met duizenden koppen. Nadat progressief gezinden zich jarenlang murw hebben laten slaan door de voorposten van het theatrale regionalisme en de nonsensicale "Derde Weg" insloegen, waren ze in feite al rijp voor de slachtbank. Para's in het straatbeeld? We kunnen niet anders. Dienstverlening van het openbaar vervoer wurgen? Gaat niet anders. De superrijken vragen om een proportioneel iets grotere bijdrage? Staat niet in het regeerakkoord. Dat regeerakkoord dat zomaar ergens uit het niets materialiseerde alsof Gabriel het zelf in het oor van BDW gefluisterd had. En nu ben ik toch weer bezig in de val aan het trappen van met logica te bevechten wat helemaal niet logisch is.

Ik begraaf m'n handen dieper in m'n jas en verschuil m'n neus onder m'n sjaal. In de verte staat de auto trouw te wachten. Toen ik hierheen reed, een dik uur geleden, waren andere chauffeers naar me aan het flitsen omdat ik per ongeluk zonder lichten rondreed. Pas toen ik kon parkeren, had ik tijd om uit te vissen hoe die lichten aan moesten (normaal gaan ze altijd automatisch aan). Hier, nog een metafoor uit de grabbelton: de koplampen van de tientonner van de onzin zijn zo fel dat veel mensen er verbaasd in blijven staan als een bevende ree. Ik wacht nog op de eerste mainstreamanalist die uit zijn verdoving wil ontwaken en rechtuit zegt: "Dit gebeurt allemaal opzettelijk, we leven nu in een wereld waar irrationaliteit terug de bovenhand heeft."
De ironie ontgaat me niet dat de auto die ik nu van het slot haal, een bedrijfswagen is en dat ik deel ben van het probleem. Maar laat dat soort passieve medeplichtigheid geen goedkoop mikpunt worden om m'n punt minder scherp te maken. Ik ben immers niet diegene die macht heeft. Ik moet bitter lachen als ik mensen zich hoor opwinden over een vermeende politiek correcte elite. Was het maar waar dat die bestond en machtig was, maar elitaire intellectuelen hebben feitelijk geen fluit te zeggen in deze maatschappij, tenzij hun wereldbeeld oplijnt met onze hegemonie.

De motor slaat aan, de lichten worden ontstoken, de radio vult de auto met een track van Caribou. Dat kon erger. Ik vertrek en rol voorbij een buurtcafé. Ik spied naar binnen door de aangeslagen vensters om te zien of Homans' imaginaire marginalen daar met hun kinderen het belastinggeld zitten op te zuipen van de modale Vlaming. "Ik ben verkeerd begrepen!" Sure. Hitler was ook verkeerd begrepen. Hoe durf ik iemand met Hitler vergelijken? Mijn verontwaardiging is tenminste echt. Hitler staat nergens meer voor, behalve de Hij Die Niet Genoemd Mag Worden in één of ander debat.
Ach, niemand denkt over zichzelf als een slecht persoon. Onze zelfverklaarde zalmen van De Morgen zitten eveneens vol goede bedoelingen, maar een racistische uitschuiver wordt ook snel met de mantel der liefde bedekt. Intussen ben ik al bij het ovale punt waar de Turkse bakkerij die simpelweg 'Den Türk' heet, de omgeving domineert. Een jong koppel danst een woning uit. Zij met zwart haar, verliefd opgeslagen ogen, hij stoer en zelfzeker, in een modieuze jeans. In het donker is het het raden naar hun etnie, en wat maakt het ook uit? Voor mij alleszins niets. Mijn eigen Normaal bestaat nog altijd, zij het sterk bedreigd en omheind binnen m'n eigen leefwereld, een plek waar superdiversiteit een gegeven is waar mee moet geleefd worden, waar mensen niet per se uit zijn op enkel het eigen gewin, en waar ik in de eerste plaats niet in therapie had moeten zitten omwille van de corrosie van deze maatschappij. Maar ik functioneer. Ik druk het gaspedaal in als het groen wordt, en schiet de binnenring op in één rechte lijn.

dinsdag 16 december 2014

Een oude jas

Omdat er intussen al twee knopen ontbreken aan m'n favoriete jas en ik zo niet langer de deur uit kan, zag ik me deze ochtend genoodzaakt een oude jas uit de kast te halen. Het is meer dan 10 jaar geleden dat ik die jas droeg, en met goede redenen. Het is niet dat het een lelijke jas is - hoogstens een beetje uit de mode, het soort jassen waar je verstrooide huisvaders in ziet rondlopen. Ik kocht hem toen ik in het laatste jaar zat van de middelbare school, en zelfs 13 jaar later is de jas nog altijd veel te ruim rond m'n schouders, is de kraag op mysterieuze wijze zowel te slap als te hard, en bolt hij naar onder toe op, wat me automatisch een forse buik lijkt te geven. Geen enkele sjaal past erbij, en het enige voordeel - de zachte binnenvoering - wordt een netto nadeel van zodra er ook maar ergens een zonnestraaltje is.

Ik moet toen gedacht hebben dat die jas me een volwassen aanschijn ging geven na jaren van frivole confectiejassen en een gefaald experiment met jeans. Wat wist ik op 18 ontzettend weinig over praktische aspecten van stijl en kledij. Ik kon je vlot de werken opsommen van Friedrich Nietzsche en met jou een boom opzetten over waarom ik precies dacht dat Jack Vance bagger-sf schreef, maar ik zou een mooie outfit niet herkend hebben al had je een pistool tegen m'n hoofd gezet. Niet dat kleren van zulk een primordiaal belang zijn, maar ze zijn deel van je visitekaartje.

Binnen een goede tien jaar hoop ik op mijn beurt terug te kunnen kijken naar mijn huidige lievelingsjas als een oude jas die getuigde van een dubieuze smaak, omdat het punt is dat ik niet op een dag wil wakker worden met het besef dat ik gestopt ben met evolueren. Om het met obscene beeldspraak te zeggen, vandaag voel ik me letterlijk evolueren in den vleze. Het gaat relatief goed. Ik sta op het punt van één appartement naar een ander te migreren, met de conditie gaat het scherper, en ik neem vlijtig de mij voorgeschreven medicatie. Die heeft me niet, zoals sommigen altijd vrezen van dat soort medicijnen, een catatonicus of een naargeestig vrolijke Frans gemaakt, maar heeft me dat laagje schubben gegeven dat ik anders moet ontberen. Een psychische jas, zo je wil.

Is het dan zo dat het voelt om meer te zijn als andere mensen? Dat is een prettige gewaarwording. En ik hoef er niet eens m'n donkerder kanten voor uit te wissen. Die zijn er nog altijd, maar weten zich beter verzorgd dan vroeger. Dat mag ook wel eens, met de feestdagen in het verschiet, feestdagen (veestdagen more like, am I right) die elk jaar aan persoonlijke betekenis inboeten. Ik ben al lang dankbaar als de tafelconversatie boeiend blijft tot na elf uur 's avonds en als ik de feestdis niet moet verlaten terwijl ik met opgetrokken wenkbrauwen iets moet neuzelen over een "interessante" voedselkeuze.

Voor een keer laat ik het uitslaand branden over de staat van de staat over aan anderen. Die zeggen dat tenslotte ook goed, en ik moet m'n bek niet altijd opentrekken van zodra er een zwart-geel gestreepte ploert in een Schoon Verdiep weer een schofterige beleidsmaatregel decreteert. De Sturm und Drang is wat afgenomen, en dat ter heil mijner ribbenkast.

Ik moet zeggen: hij zit wel vlotjes, die oude jas. Toen ik 18 was vond ik er mezelf een hele heer mee, al wilde ik toen nóg liever een langer exemplaar, liefst van leder, maar dat durfde ik me niet kopen omdat ik bang was dat mensen me (terecht) gingen uitlachen. Dat verstand had ik dan weer wel, na op die leeftijd geworsteld te hebben met foute keuzes als een cowboyhoed van vinyl en een broek die eigenlijk een damesmodel was. Maar ik was uniek en vond dat dat ook al iets waard was. Soms zie ik mannen die in dat unieke gelijk van stijl blijven vastzitten, en vreemd genoeg zien die er allemaal gelijkaardig uit: mannen van m'n eigen leeftijd met zachte babygezichten, vlammenhemden of vormeloze jeans. En altijd de ene "wacky" gast met een hoed.

Was die jas een poging om me iets aan te meten van mannelijkheid, dan is dit het tijdperk van het comfort en de ironische afstand waarin ik me zeker genoeg voel over mezelf van die jas opnieuw te dragen. Ironische afstand kan natuurlijk maar zo ver gaan, anders verval je in hipsterdom en is de eindhalte van die nieuwe stijlwedloop Witte Sportsokken-Centraal. Het is vreemd: zaken die er niet toe doen, worden vaak benaderd met de grootste sérieux (het seksleven van beroemdheden, sport, mode, wat bijna-gepensioneerde rijken te zeggen hebben), terwijl lichtzinnigheid troef is bij wat er wel toe doet - bijvoorbeeld die arrogante smiley van een zeker staatssecretaris die geheel toevallig een beetje de stijl heeft van een skinhead. Soms is het enkel een opbod van pure emotie.

Emotie is een slecht ersatz voor debat. Dat is nog een reden waarom ik dikwijls stilletjes achteruit trippel als ik een hoog oplaaiende discussie voel naderen rond maatschappelijke kwesties. Voor je het weet staat er iemand met overslaande stem boutades te citeren over onze bruinere medemens, en helpt de ander z'n zaak ook niet door bevend dierenleed ten berde te brengen alsof ik persoonlijk mechanisch zeugen insemineer voor mijn perverse plezier. We kunnen allemaal kalmte en reflectie gebruiken. Opnieuw: afstand. Dat wens ik mijn medemens toe. Een adempauze, een paar tellen serene reflectie. Moge iedereen die luxe even vinden.

donderdag 4 september 2014

Anton in Noorwegen - Dag 9, 10 en 11

Alpaca’s, new wavers en tante Julia

Tegen de ochtend blijkt het busje met de “three womens” al verdwenen. Ik ga de plaats inspecteren waar ze stonden, en ontdek een lege kauwgomverpakking waar ‘made in Uruguay’ op staat. Na het opbreken rijden we voorzichtig de grasheuvel af, om te zien of er nu toch niet iemand zit in het wachthuisje. Het is er nog altijd even doods. Omdat ik dat altijd al willen doen heb, brul ik “So long, suckers!” als ik het gaspedaal indruk en wegstuif van de weg, groener oorden tegemoet. Eén nacht in deze Mexicaans aandoende omgeving was meer dan goed genoeg.

Onderweg krijgen Jelka en ik een vlammende discussie over dieren die we langs de kant van de baan zien. Ik denk dat het geiten zijn (“ze waren klein en in allerlei kleuren!”) en Jelka houdt vol dat het hertjes waren (“geiten hebben geen gewei!”). Die discussie is snel vergeten als we later op de dag een weide met alpaca’s passeren. Jelka neemt uitgebreid foto’s. De dieren ondergaan dat laconiek.

Er zijn nog twee tussenstops voor we Oslo opnieuw bereiken, en voor elk van ons wat wils. De eerste stopplaats is de op de route geadverteerde Gardnos-krater. Het park rond de krater blijkt dicht (waar zitten al die Noren toch?) maar je mag er wel nog vrij rondlopen. Ongeveer 560 miljoen jaar geleden kwam hier een meteoriet neer die een krater sloeg van vijf kilometer doorsnede. De krater is al lang overgroeid, natuurlijk, maar we vinden wel een opgedroogde bergrivier die mooi de opgebroken terrassen kwarts nog toont. De heerlijke stilte in het kraterbos krijgen we er voor niets bij.

Jelka mag zich dan weer helemaal laten gaan in het Bjørneparken (“het Berenpark”), een uitgebreid en modern dierenpark met, hoe raad je het, beren. Er zijn niet enkel beren – die er overigens vervaarlijk uit zien, en lappen vlees in een rivier aan het kapotscheuren zijn terwijl we van op veilige afstand op een loopbrug toekijken – maar geitjes die spontaan mensen komen knuffelen en kopjes geven. We zien een jong hert en een jonge eland. De cavia’s zijn op vakantie, en de vos laat zich niet zien. Het is er een paradijs voor kinderen: overal staan speeltuigen, en bij enkele hekkens liggen emmers met wortels klaar om aan de dieren te voederen. Eén klein meisje huilt onbedaarlijk bij een eland. Elanden geven geen fuck, dat is duidelijk.

In Oslo zitten we weer in hetzelfde hotel waar onze reis begon, deze keer onder de grond. Na vier dagen kamperen en eten uit blik, voelt een bed al aan als een ongehoorde luxe. Buiten raak ik nog aan de praat met tweede oudere Engelse mannen die in een new waveband spelen en er ook zo uit zien (gelakt zwart geverfd haar, zwarte lederen jassen, koppen die veel gezien hebben). We hebben het over muziek, voetbal en het Schotse referendum voor onafhankelijkheid. De reis zit er bijna op.

In de voormiddag erop verkennen Jelka en ik elk apart een wijk in Oslo die ons aangeraden was door personeel van het hotel. Het blijkt een hipsterwijk te zijn met tal van tweedehandsboetiekjes, winkels vol snuisterijen, en kleine parkjes waar lokale, nog niet gegentrifieerde dronkenlappen en marginalen doen wat dronkenlappen en marginalen in parkjes overal ter wereld doen: onverstaanbaar roepen, onvoorspelbare bewegingen maken, en mensen lastigvallen voor sigaretten.

We eten in een gezellige tapasbar die de naam ‘Delicatessen’ draagt. Het is er voortreffelijk, en de dienster lacht meewarig met mijn poging de Noorse menu-items correct uit te spreken. Ik voel me een kleuter die net een beetje zindelijk geworden is.

Jelka koopt schoenen. Ik hou me gedeisd in een parkje. Er wandelen veel mannen alleen rond met kinderwagens. Is dat de geroemde Noorse emancipatie? Er is ook een lesbisch koppel dat complexloos hand in hand wandelt. Dat zou overal moeten kunnen. De wereld zou een betere plaats zijn. Slechts één dronkaard valt me lastig, maar druipt teleurgesteld af als ik “jag ikke snakke norsk” zeg.

Vanaf dan staat alles alweer in het teken van de reis huiswaarts. Het is opnieuw de ‘Stena Saga’ die ons terug zal brengen naar het Continent, deze keer met een overnachting. Omdat ik nog nooit op een boot geslapen heb, maak ik me kinderlijk blij in het idee eindelijk in een echte kajuit te kunnen slapen. Het is er klein en krap bemeten, maar proper, en bovendien belooft de nacht entertainment: er wordt omgeroepen dat DJ Gary de hele nacht feestenden zal bedienden in de discotheek met de beste dansmuziek. Dat wil ik niet missen.

Jammer genoeg blijkt het feestje daar pas van start te gaan als wij al willen gaan slapen. Het deert de intussen alweer dronken Noren en Denen niet. Mannen en vrouwen van makkelijk het dubbele van Jelka’s leeftijd en de leeftijd van mijn ouders dansen, zoeken duidelijk liefde voor één nacht, of staan wiebelend op de verschillende dekken te roken. Met de veel goedkopere (maar naar Belgische normen nog altijd dure) alcohol en sigaretten lijken de Scandinaviërs prima in hun nopjes. Maar onze wereld is het niet echt. Ik krijg nog een onvrijwillige slaapwel toegewenst van twee oudere dames die iets dronken tegen me zeggen in het Noors, terwijl de ene m’n haar vruchteloos probeert goed te leggen. Ik onderga het zoals het personage in Boudewijn De Groots nummer die kloeg over de borsten van zijn tante Julia die op z’n schouder rustten als ze zich over hem heen boog.

De ochtend doet pijn. Toch is de rit terug door Denemarken, Duitsland, Nederland en dan uiteindelijk België geen achteruitgespoelde opname van de heenrit. In Denemarken win ik tijd door als een dolleman te rijden, maar in Duitsland raken we vast in de regen, de file, de slechte worsten en mijn slechte richtinggevoel. Tot drie keer toe rijden we voorbij Osnabrück mis, en ik ben de wanhoop haast nabij als we dan toch na anderhalf uur tijd verliezen, in Roermond in Nederland raken.

In Gent is de avond al lang gevallen. We hebben er dan 13,5 uur rijden op zitten, en mijn hele lichaam is een gloeilamp van pijn. Jelka en ik hebben 11 dagen samen doorgebracht zonder elkaar fysiek aan te vallen, ruzie te krijgen (al blijf ik er bij dat we geiten zagen en geen herten) en zonder al te idiote toeren uit te halen. Geir Jensen heb ik niet ontmoet en ik heb niet in een fjord gezwommen, maar Jelka heeft vele dieren gezien, ik heb gevoeld hoe het ook alweer is om door niets dan stilte omgeven te worden, en we zijn boven de fucking poolcirkel geweest. Als dat niet cool is.

Anton in Noorwegen - Dag 8

Een landschap met een acute depressie

Bergen is mooi. Het is mooier dan Oslo, en ook een stuk toeristischer. Dat merk je aan de vele stereotype toeristen die zich overal verdringen: jongere en oudere koppels met een modebesef dat iets zegt over hun afkomst – Chinezen met lelijke petten, een Italiaans koppel waarvan zowel m/v een verblindend witte broek dragen, oude Duitsers met sokken in sandalen, en zo verder.

De architectuur doet soms aan Amsterdam denken, maar kleuriger, en altijd met de onmiddellijke hoogtes van rotsen en, nu ja, bergen, binnen handbereik. Ik bestijg een partij stevige trappen naar de Sint-Niklaaskerk, maar daar blijkt een dienst gaande. In een ander kerkje heb ik meer geluk. Het oude, wat ineengestampte kerkje herbergt enkel bejaarden die er aan het eten zijn. Waarom een parochiezaal bouwen als je in een kerk ook kan eten, moeten ze gedacht hebben? Ik drijf mee met de geur van vers gevangen en gebraden vis naar de vismarkt, waar ik het water in de mond krijg, en verken een kleine haven met dicht opeengepakte façades die een houten versie lijken van wat je ziet op de Korenmarkt in Gent.

Ik neem naar hartenlust foto’s en omarm mijn toeristische zelf volledig. Eén keer gaat het bijna mis als ik in een parkje een foto neem van het standbeeld van Edvard Grieg, waar een meisje op haar buik bij ligt te lezen, met haar derrière naar mij gericht. Bij het klikken van mijn camera kijkt ze plots beschuldigend om. Ik doe alsof ik het niet gezien heb. Geen enkele uitleg zou niet verdacht geklonken hebben.

Jelka en ik eten op de vismarkt, maar dat blijkt de eerste en enige toeristenval waar we ons in laten vangen op de reis. Het eten is weliswaar bijzonder vers, maar we moeten lang wachten aan een vuil tafeltje, en betalen in totaal meer dan €50 voor een assortiment krab, mossels, vis en walvis waarvan één element zelfs nooit arriveert. Maar het weer is goed en helder. Van regen is er geen enkel spoor meer. Dat goede weer blijft ons mee volgen als we Bergen verlaten, en een pauze nemen in een grasveld bij het water, waar het enige gezelschap van onze sigaretten en mopjes een enorme zwarte naaktslak is, die even hallo komt zeggen. Jelka houdt van dieren – ze krijgt haar dieren duidelijk op een dienblaadje aangeboden.

Na ons vertrek proberen we een plek te vinden die Steyn ons aangeraden heeft met de naam Mordalen. We vinden de plaats niet, maar belanden wel ergens diep in een bergdorp via een kiezelweg met de auto op de oprit van een koppel stomverbaasde, zonnende Noren. Zelfs vanachter hun zonnebrillen zie je ze denken “achterlijke toeristen”. Ik rij ook bijna een spoor op waar een slagboom net neer gaat.

In de namiddag bereiken we de streek rond Buskerud. Eensklaps is het uit met de landschapspret. De bergen zijn hier laag en van een hard bruin, met roestige begroeiing. Er zijn nergens tankstations, winkels of iets dat wijst op een teken van leven rond de zandwegen en de gesloten, donker geverfde huizen die zo nu en dan in losse clusters op de heuvelflanken liggen. De weg loopt haast kaarsrecht door het dal. Alles lijkt hier aan een acute depressie te lijden. Auto’s komen enkel van de tegenovergestelde kant, alsof niemand hier wil zijn en niemand hier hoeft te zijn.

Er zijn eveneens verdacht veel trucks op de baan. Ik heb misschien te veel thrillers gezien, maar een goed gevoel geeft het niet, vooral als er bij elke andere stopplaats zo’n tientonner op rust staat, met verduisterde cabine. We overwegen even om wild te kamperen op een hoog plekje dat beschut wordt door een paar struiken, maar dan blijkt dat we op een mestvaalt terecht zijn gekomen waar nog tractorsporen door lopen. Direct voorbij de mest ligt een metersdiepe kuil met onpeilbaar, groezelig onkruid.

Uiteindelijk vinden we na kilometers rijden, terwijl het al een fiks stuk donker aan het worden is, een camping. Er staan vijf huisjes op rij die allemaal leeg zijn, een paar trailers die dichtgetimmerd lijken, en een kantoortje dat overplakt is met allerlei mededelingen maar waar ook al geen levende ziel te bespeuren is. We wagen het erop en zetten de tent in de hoek van een grasveld op een klein plateau. Terwijl we ons voorbereiden op onze laatste kampeeravond (morgen lonkt Oslo alweer) komen twee donkere jonge mannen in het zwart het plateau op gewandeld. Jelka denkt eigenaars, ik denk problemen.

We hebben allebei ongelijk. Ze zijn net als ons verdwaalde toeristen, met een niet nader te bepalen Zuid-Europees accent, en hebben een busje “with three womens”. Ze vroegen zich enkel af of wij de eigenaars of exploitanten gevonden hadden, en lijken blij dat ze eindelijk levende mensen aantreffen in Buskerud die geen Poolse vrachtwagenchauffeurs zijn.

Na zonsondergang koelt het snel af. De sterren schijnen zoals die dat enkel kunnen in het gebergte, of in een creepy film waar mensen plots wakker worden onder geitenbloed.

Verder naar het laatste deel, tenzij je liever gelooft dat ik in m'n slaap de schedel ben in geslagen door een rondtrekken truckchauffeur met moordneigingen.

Anton in Noorwegen - Dag 7

Overal kaarsvet

Zoals vaak op vakantie, word ik vroeg wakker. Ik denk dat ik in het vakantiedorp, waar hooguit vijftig mensen zijn, als eerste persoon buiten rondloop. Ik lees een boek op een rotsblok en rook een sigaret terwijl Jelka uitslaapt. Nadien gaan we opwarmen in het toeristisch centrum, een gezellige houten barak met een haardvuur en enorme lekkere warme chocolademelk. Er zit een koppel sportieve Duitsers en een Noor met een dekentje over zijn benen. Er hangt de gewijde stilte van een tempel.

Tegen de middag breken we ons kamp op, en rijden we richting Bergen. Het is een rit van 300km, maar daar kijk ik onderhand al niet meer van op. Het landschap blijft onverminderd prachtig. Tunnels met rotsgewelven, soms zelfs kilometers lang, worden afgewisseld met nog meer lagunes, nog meer meren en nog meer filmische bergflanken, al dan niet voorzien van een houten vakantiehuis.

Terwijl we Bergen naderen, komt de beschaving ons terug meer tegemoet, met drukker wordend verkeer, kleine voorsteden en tenslotte de onvermijdelijke ronde punten, waar ze in Noorwegen dol op zijn. Het is intussen al te laat geworden om nog veel van de stad te kunnen profiteren, dus zoeken we opnieuw een kampplaats.

De camping in Fagernes was een luxe-oord, en de eenvoudige rust van het kampeergras in Eidsbugarden een idylle vergeleken bij waar we belanden: een drukke bijna-stadscamping waar ook enkele mensen permanent wonen. De uitbaatsters spreken moeizaam Engels, en her en der weerklinkt weemoedige Balkan-muziek of harde dance uit 1997. Onze buurman-voor-een-nacht blijkt een vaste bewoner te zijn. We lenen peper en zout van hem in ruil voor een paar Duvels, waar hij bijzonder opgetogen mee is. Het lege flesje zet hij naast zijn buste van Satan, die bovenop zijn trailer staat.

Terwijl we eten, komt hij ons gezelschap houden. Zijn naam is Steyn en hij is een groot deel van het jaar zeeman. Hij repareert lichten op eilandjes voor de kust van Bergen die enkel per boot bereikbaar zijn, en blijkt oorspronkelijk van de streek van Tromsø afkomstig te zijn. Hij staat vol tatoeages, en ziet er makkelijk 10 jaar jonger uit dan zijn eind de dertig hem zou mogen geven. We mogen zijn stopcontact gebruiken en hij geeft ons ook een blikje vis.

De rest van de avond houdt Steyn zich bezig met zijn playlist van trance, house en club-muziek van de hoge jaren ’90, en komt er voortdurend volk bij hem af en aan lopen. De korte duur van de visites doet ons vermoeden dat onze nieuwste vriend op de camping een handeltje draait in roesmiddelen. Hij maakte eerder op de avond al een vreemd mopje over ‘Hollandse waren’ die hij nog liggen had. Ons niet gelaten. Eén van zijn vermoedelijke klanten heeft een bijzonder mooie hond bij, en zowel hond als baasje komen ook even hallo zeggen.

Met kampeerstoofvlees nog op de maag, spreken Jelka en ik duchtig onze drankvoorraden aan. Ik mors overal kaarsvet: in het gras, op een boek, en overal buiten waar kaarsvet eigenlijk zou moeten liggen. ’s Nachts slaap ik de slaap van de onnozelen. De volgende ochtend bekent Steyn dat hij me tot in zijn trailer had horen snurken.

Verder naar deel zeven.