Over 'Onklare taal'

'Onklare taal' is de verzamelnaam van diverse tekstprojecten van mijn hand. Dit is de afdeling columns en microstories daarvan. In 2017 bracht ik 'In de vorm van een vogel' uit, een bundeling van de beste 99 teksten van dit genre tot op dat punt, netjes geredigeerd en per seizoen geordend. Je kan die antologie gratis downloaden als je Patron wordt. De weg een beetje kwijt? Mijn eigenlijke website, die ook 'Onklare taal' heet, verwelkomt je.
Posts tonen met het label Gentbrugge. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Gentbrugge. Alle posts tonen

zondag 13 maart 2016

Zo vloeibaar en vluchtig mogelijk

Sinds korte tijd neem ik van en naar het werk buslijn 3 in Gent. Het is telkens een fascinerende rit, omdat lijn 3 aan haar uiteinden rustige, burgerlijke, zelfs voorstedelijk gekarakteriseerde buurten heeft waar gezinnen soms nog in losstaande huizen wonen, dwars door het verhipsterde en toeristische centrum van de stad gaat, en als tussenlaag slingert door de Dampoort en de Brugse Poort, buurten waar gegoede Gentenaars zelf een beetje vies van zijn. Het is waar, de Dampoort en de Brugse Poort bulken van de smoezelige telefoonwinkeltjes, Turkse cafés met TL-buizen, kromme oude ventjes en behoofddoekte moeders die een kasteel aan buggy’s voortduwen over uitgewoonde trottoirs. Maar je ziet er ook de Turkse ondernemersgeest, de grillhuizen waar mannen onder een dampkap druk vanalles zitten uit te leggen, of de kleurrijke Afro-shops die altijd “blessed” zijn. Beter alleszins dan die Afro-shop in Gentbrugge, dicht bij waar ik werk, die in grote letters “SOS Africa” kopt, alsof Afrika onveranderlijk synoniem is voor miserie, ziekte en honger.

Buslijn 3 geeft me een korte inkijk in het alledaagse leven van mensen die ik in mijn eigen sociale kringen zelden ontmoet. Ik herinner me uit mijn kindertijd dat we soms naar de pleegouders van mijn vader gingen en dat die mensen in Ledeberg woonden. Daar zag ik voor het eerst vuil op straat, m’n eerste verloederde huis en m’n eerste familie die duidelijk niet van Vlaamse afkomst was. Je kan je afvragen in wat voor melkwitte omgeving ik opgroeide, maar we spreken hier over de late jaren ’80, toen er nog geen Zwarte Zondagen geweest waren en terreur die het land kende, in hoofdzaak even blank was als het merendeel van de bevolking. Wat ik me herinner van door het venster van de auto te kijken naar die donkerder kindjes die op straat speelden en een man die er sjofel op zijn dorpel bij zat met een huid van bruin papier en een volle snor, is hetzelfde gevoel dat ik nu heb als ik door het busvenster binnen kijk in zo’n amateuristisch winkeltje. Daar zit een wereld waar ik niet thuis hoor, niet uit kom en allicht ook niet erg veel mee deel. Voor je denkt dat ik hier een beetje de oriëntalist uithang in eigen stad, nog dit: ik deel niet zo veel met het merendeel van mijn landgenoten. Sinds kort kijk ik wel weer tv en ik laat me altijd een goede pot voetbal smaken, maar wielrennen gaat aan mij voorbij, lekker koken interesseert me nauwelijks en er is geen enkele soap die ik volg. Maar bij die leefwereld kan ik me meer voorstellen want daar kom ik wél uit. Ik weet wat het is als grootouders, ooms en tantes schuine moppen tappen bij het kaarten en bij taart en koffie. Ik weet waar het hart van de wielertoerist sneller gaat van slaan.

Toen ik nog aan de Heuvelpoort woonde, dook ik ’s nachts soms onder in een andere wereld die als jongere vreemd en gesloten voelde. Dan ging ik relatief anoniem van café naar café en van club naar club. Ik wilde de gesprekken horen om vijf uur ’s ochtends op de Oude Beestenmarkt tussen veteranen van de nacht, of wilde toekijken hoe een straatgevecht ontstond in de Overpoort. Ik ben een cholericus dus er is iets voor nodig om me daarheen te brengen, omdat ik gruw van het idee ergens te zijn waar ik niet gewenst ben. Dus dronk ik een paar glazen en maakte ik me zo vloeibaar en vluchtig mogelijk. Als ik een vlieg op de muur geweest was, dan zou ik daar extatisch van geworden zijn. Zo luid en levendig als ik ben in mijn eigen sociale aquariums, zo stil en bedachtzaam werd ik bij het aanschouwen van een nieuwe, andere wereld.

Ex Emma zat niet graag op bus 3. De realiteit voor een jonge blonde vrouw is anders dan voor een vrij gewoon uitziende man van vooraan de 30. Het is een voorrecht dat ik me anoniem ergens kan bewegen. De toegang is me ook zelden geweigerd aan de deur van nachtclubs, tenzij misschien in échte m’as-tu-vugelegenheden. Die wereld van losjes over de schouders gedrapeerde golfsweaters en mocassins trekt me ook aan, maar niet in de mate dat de nachtbrakers, de migranten en de arbeiders mij boeien. Misschien is dat omdat ik, als ik pakweg te voet slenter door Nieuw Gent bij Zwijnaarde, iets lijk op te pikken dat dwars is, iets dat echt doorleefd is, hoewel zo snel weer vergeten. Wat moet ik met een snob die staat te pronken met een fles wijn van €80 op restaurant? Tegelijk ga ik nooit claimen dat ik een volksmens ben. Als er één mensensoort is die ik nog meer minacht dan de oranje gecrèmde, übergeföhnde Knokke le Zoute-mens, is het wel de hogere middenklasser die zich uit alle macht een volks imago probeert aan te meten. Denk liberale politici die stemmen ronselen op boerenmarkten. Denk middenstanders met een BMW en een Toyota die klagen dat ze het ook lastig hebben om rond te komen.

In een stad samenleven, het is niet simpel. Dat wisten ze ook al in Athene en Rome, met het typische cynisme van de sofisten en het sarcasme van satirici tot gevolg. Maar er schuilt ook altijd ruimte in voor verwondering. Als het niet was dat ik in Dublin in het midden van een plein een sociaal geval een drol zag leggen in zijn eigen handen, dan is het dat ik me stil afvraag waarom in Gent twee Turkse modewinkels aan weerszijden van de straat dezelfde naam hebben.

dinsdag 31 maart 2015

De laatste echte Belgen

Regen die bij dunne vlagen als stof uitgewaaierd wordt onder straatlichten. Niet veel verkeer op de baan in het niemandsland tussen Merelbeke en de Gentse deelgemeentes Gentbrugge en Ledeberg. Wat bij daglicht een meanderende slinger is aan middenstanders, grauwe rijhuizen, een begrafenisonderneming die er als een bordeel uitziet, een dozijn tankstations en enkele omheinde villa's, doorkruist door bruggen, is rond middernacht een grotendeels lege ader van beton en geparkeerde wagens. Ik ben onderweg naar huis en heb zopas Emma thuis afgeleverd, wat ik na een afspraakje meestal doe, enerzijds om haar de busrit en de bushalte te besparen, anderzijds omdat ik graag rij. Als kind had ik angstdromen over autorijden. Ik droomde dat ik de controle over het stuur verloor en dat de auto met mij aan de haal ging door te beginnen vliegen, aan hoge snelheid in een gevel te crashen of zich gewoon spontaan in het water zou storten. Sinds ik leerde rijden heb ik die droom nooit meer gehad.

Op de radio speelt een nummer van Katy Perry, één van de huidige avatars van de Amerikaanse popgeest. Ik betrek er onlogisch Saul Bellows 'Humboldt's Gift' bij, dat ik momenteel aan het lezen ben, waarin de genaamde Humboldt voortdurend kruisverwijzingen maakt tussen intellectuele theorieën, literaire figuren en massacultuur als sport, film en de geest van de democratie. De Amerikaanse geest, als er kan veralgemeend worden, is groots, luid en obees, een ding waar ik altijd vol verwondering naar sta te kijken. We zullen Katy Perry horen 'roaren' en even later zijn Kanye West en Jay-Z in Parijs, 'niggas' die het tot aan de sterren van het firmament geschopt hebben en hun ego meten met de Eiffeltoren. In Ledeberg zou zoiets niet passen.

Bellow diept in 'Humboldt's Gift' een anekdote op uit Wereldoorlog II, die zegt dat de Britten haast gek werden van de praatzieke Amerikanen, die voortdurend ongewild details van oorlogsplannen vrijgaven, maar dat de Duitsers die toch niet geloofden omdat ze dachten dat het opzettelijke misleidingen waren. De Europese geest, als ik die ook even mag veralgemenen, is er één die het gewicht torst van eeuwen van verraad. Wie op de juiste momenten z'n bek hield, die overleefde. Zelfs Odin zou dat advies al gegeven hebben in de håvamål, een codex met praktische adviezen voor de vikings, die onder andere stipuleerde dat je je geheimen maar best voor jezelf kan houden en dat je aan elke vreemde deur goed moet rondkijken om te zien of er geen vijanden op de loer liggen.

Hier zijn geen vijanden, in de veilige kooi van m'n auto. Ik raas langs een kerkhof. Ergens luidt toepasselijk een kerkklok, altijd brenger van onheil, maar het loden luiden verdwijnt mee met de volgende bocht, evenals het dodenakker. Ook over de dood had Odin het één en ander te zeggen: "Je veestapel sterft, je familie sterft, zelf sterf je ook - maar ik weet één ding dat nooit sterft: het oordeel over het leven van een overledene". Emma en ik hadden het nog over de dood, onlangs. Zij vreest de dood iets meer dan ik, maar waar ik liever mijn ouders zou overleven, zou zij het omgekeerde kiezen. Ik verlies liever dan verloren te worden, voor haar is verloren worden het minste kwaad. Er valt iets te zeggen voor respectievelijk het egoïsme en het altruïsme van beide stellingen. We hadden er geen oordeel over. Verschillen mogen immers bestaan.

Mijn wagen gaat onder een brug door, passeert een groezelige vzw en een schroothandelaar, en laat zich nogmaals ringen door een tweede brug, ditmaal een stuk lager en in een scherpe bocht. Tramsporen komen in zicht. Er zijn enkele cafés te zien, wegmarkeringen die zijn vervaagd, en verkeersborden waar geen enkele chauffeur ooit acht op slaat. Een collega van me die uit Binche komt, wilde me ooit eens "het echte Wallonië" tonen. Hij toonde een video van een parade langs los door elkaar heen gebouwde koterijen, bakstenen droefnishuizen en kneuterige beeldjes van uilen en Maria's op vensterbanken, die uiteraard allemaal rolluiken of gordijnen hadden. Ik moest hem teleurstellen en zeggen dat dat even goed in Vlaanderen had kunnen opgenomen worden. De belgitude der Belgen zit soms in de dingen waarvan we denken dat ze ons verdelen.

M'n ruitenwissers draaien overuren tot ik onder de flyover begin te rijden van de E17, die betonnen mastodont die de kern van Gent scheidt van haar belittekende onderbuik. Het middernachtnieuws is bijna klaar met de dieptepunten van de dag op te sommen. Ook de radio neemt 's nachts een andere vorm aan, intiemer, dieper, afgestemd op eenzamen die net als ik op een weekdag nog zo laat onderweg zijn naar huis. Heidegger vond de taal het huis van het zijn, maar ik geloof dat het eerder omgekeerd is: het huis is de taal van ons zijn. We zien onszelf in compartimenten, kamers, meubels, kelders. Jager-verzamelaars zouden hun geest nooit op die manier visualiseren. Al ons psychisch jargon is sedentair. We geven de dingen een plaats. We stoppen iets weg. Trauma's liggen begraven. Het geheugen is een archief.

Als een schaatser glij ik de bocht in die me op de binnenring brengt. Gebouwen worden hoger, rijvakken breder, en in de verte is al de Heuvelpoort in zicht, die al bij al bekeken op een bijzonder flauwe heuvel ligt. Misschien was hij vroeger hoger en is hij platgemalen door die talloze wielen die er overheen gereden zijn. Of misschien is hij vanzelf bescheidener geworden is alles behalve naam, gewoon door zich aan te passen aan zijn Belgische omgeving. In 'Waterland' schreef Graham Swift over de moeraslanden van het Engelse noordoosten als metafoor voor het verraderlijke, sombere en gesloten karakter van de mensen die er woonden, en Cyrus de Grote van Perzië meende dat zijn ruige land ruige, harde mannen gekweekt had. Wat kweken onze betonnen Gestalten, onze eindeloze werven en onze immer groeiende voorsteden? Ik zal voor één keer niet generaliseren, maar enkel voor mezelf spreken. Ze hebben me licht verloren gemaakt, maar altijd verwonderd. Ze hebben me geïrriteerd, maar leren beseffen dat je sommige verschillen moet nemen voor wat ze zijn. Ze leerden me dat ik me allicht nooit zal meten met het Empire State Building of een brullende leeuw zal zijn, maar dat ik in gedachten wel altijd kan schuilen voor de regen onder een lelijke flyover. Soms, in het holst van de nacht, denk ik dat ik bij de laatsten ben van de echte Belgen.