Over 'Onklare taal'

'Onklare taal' is de verzamelnaam van diverse tekstprojecten van mijn hand. Dit is de afdeling columns en microstories daarvan. In 2017 bracht ik 'In de vorm van een vogel' uit, een bundeling van de beste 99 teksten van dit genre tot op dat punt, netjes geredigeerd en per seizoen geordend. Je kan die antologie gratis downloaden als je Patron wordt. De weg een beetje kwijt? Mijn eigenlijke website, die ook 'Onklare taal' heet, verwelkomt je.
Posts tonen met het label ijs. Alle posts tonen
Posts tonen met het label ijs. Alle posts tonen

maandag 25 maart 2013

Protovision

Drie

Een ritmisch gekwetter vult de kooi van de wagen. Een gesprek helt over en weer en springt van onderwerp naar onderwerp terwijl de grijze hemel bij mondjesmaat sneeuw uitstrooit over de E40 richting Brussel. Een versie van een links cliché wil dat je drie progressieven bij elkaar moet zetten om een splinterbeweging te genereren, maar niks is minder waar. Van Gent tot Wetteren wordt gewikt en gewogen of de auto wel normaal rijdt, van Wetteren tot Aalst worden lezingen en panelgesprekken besproken, en voorbij Aalst zitten we in het domein van de psychopathologie.

Het is het soort ritten dat absoluut geen muziek nodig heeft als achtergrond omdat niemand zich onbetuigd laat in een gesprek. Lichten worden gezwind genomen, afslagen gaan als vanzelf en ook de smerige tunnels van Brussel worden er op de koop toe bij genomen. Brussel: altijd ambigu, soms springlevend, soms dreigend, hier en daar een glimp van grandeur, daar weer het ranzige broertje van Parijs, maar nooit minder dan imposant in zijn negentienvoudige schizofrenie. In achteruitkijkspiegels valt evenveel te beleven als door de voorruit. Het is treffend dat we de auto achterlaten in een hippe buurt waar een vervallen slager slechts door een steeg van een hip café gescheiden wordt, en waar een Vlaamse cultuurtempel gestut wordt door tippelende prostituees.

Twee

Ondanks de muziek, die zich met elektrische voelsprieten voorzichtig naar boven en achter beweegt door de kleine wagen, is alles om ons heen bevangen van stilte. Of beter: het is een moment om stil van te worden. Aan dertig kilometer per uur, niet meer, door een sneeuwtapijt rollen terwijl de vlokken als een onderbroken gordijn van zijde de auto tegemoet blijven komen. Er is nauwelijks licht, buiten wat schijnt uit het wit. De kaarsrechte straten, geflankeerd door keurige burgerhuizen, zijn verlaten. Dit zou het einde van de wereld kunnen zijn zoals afgebeeld op postkaarten. Maar naar wie zou je zo'n kaartje sturen?

Omgeving Leuven. Tankstations rijzen op langs beide zijden van de weg. De sneeuw heeft een statige loper uitgerold voor vermoeide reizigers. Het zijn momenten om elk apart stil te zetten, en de weinige woorden die gewisseld worden, lijken dat alleen maar te onderschrijven. Warp20, de verzamel-cd, doet zijn werk als dialoog met het landschap al voldoende. En wij zitten naast elkaar, van traag bewegend door rechte lijnen tot stilstaand in het duister. Een lampje brandt: er moet getankt worden.

Eén

De woede van de goden is nog niet gaan liggen. De E314 is een zwarte piste, en alleen de radio houdt de verloren chauffeurs hier nog onvermoeibaar gezelschap. Bruggen worden uitdagingen, de weinige andere sherpa's die door deze hels witte nacht moeten, zijn potentiële Ötzi's, obstakels en sneeuwmannen. Om de seconde moet er bijgestuurd worden om niet weg te glijden en als een stalen sneeuwbal ergens langs een vangrail te schrapen, en ik denk aan de berghut met benzine die nog op me wacht.

Aan het tankstation buiten Brussel dient weinig gezegd te worden door de bemutste en bejaste overlevenden van het spektakel van een late winter. Sneeuw danst en springt nog steeds onbekommerd voort, en ik heb mezelf beloond op proviand. Na het tanken trekt de auto eerst nukkig tegen, dan voorwaarts, dan zijwaarts en dan toch weer huiswaarts. Als een grijze pijl, een wazige vlek in een ruisnacht, schiet ik over vorst en hevig wit. En ik weet: vannacht zijn er geen doden gevallen en zullen er ook geen meer vallen. We zijn allen veilig en verwarmd.

zaterdag 13 februari 2010

Godin

Het is een koude vrijdagnacht, en Gent, de verweerde, stenen godin van zo vele generaties studenten, arbeiders, volksmenners, hoerenlopers, onnozelaars en marginalen, is ons mild gezind. Terwijl ik voel hoe mijn tong dikker wordt van de alcohol, denk ik aan verleden en toekomst. Hoe het verleden ons onterecht kneedt tot de personen die we zijn in het voor altijd voor ons uit snellende heden en hoe we dat gebruiken als excuus om nooit te hoeven veranderen (terwijl we dat constant doen), en hoe de toekomst de ideale droomplek is waarin we eindelijk die persoon in de spiegel zullen zien de we altijd al hadden willen zijn. Ik kom een dronken Rotterdammer tegen die er op staat elkaar te begroeten met een joviale vuistslag. De Overpoort loopt vol idioten, en een oude man in een grijze oliejas wandelt met zijn miniatuurhond. Ik denk aan de lege plek in mijn bed, straks, die slechts voor de helft door mij zal opgevuld worden. En het ijs op het trottoir. Het is geen avond voor schrijvers, zoveel is wel duidelijk. Taxi's zigzaggen zich een weg door het volk. De bushaltes zijn aggluttinerende klompen mens geworden - pubers die nog laat zijn blijven hangen na hun laatste les, soms nog met hun uniformen aan, of ouderen die hun longen vol rook en hun bloed vol alcohol gepompt hebben maar morgen nog op bezoek moeten bij familie (koffie, taart, thee). Het zou me kunnen of zelfs moeten deprimeren, maar het lukt niet.

In mijn vertrouwde stamcafé ademt het hout een verwelkoming uit. Er is gepraat met de barman over reusachtige flessen vodka en hoe ik daar aan zou raken. Ik herinner me dat liefde ook loslaten is, dus drink ik traag. Er wordt gesproken over het verenigingsleven. Over toenemend professionalisme, ook. En ook over S, die altijd op mijn tong ligt. Kennissen en vrienden komen en gaan in het café, dat het decor vormt van een verjaardagsfeestje voor een bevriend koppel, beiden verstokte West-Vlaamse immigranten die aan de slippen van Gent zijn blijven kleven. Wie kan hen dat ook kwalijk nemen. Het is een avond die infeite over niets gaat. De muziek die zich een weg baant dwars door de gesprekken en de rooklucht heen, heeft al vaak dienst gedaan als notenbehang voor moeilijk verstaanbare gesprekken. Ik drink nog een glas. Het is zeker niet het laatste van de avond, zo veel is wel duidelijk. En onder al dat gezwem van stemmen en meningen denk ik met het ijle verlangen van een gerateerd schrijver aan wat ik nog moet zeggen dat er toe doet op Valentijn, dat er binnenkort aankomt. Men kan wel heel wat afzeiken over het naakte winstbejag en de platgestampte clichépaden die op zo'n dag te bewandelen vallen, maar ik vind het tegelijk ook goed om op die manier na te denken over wat liefde betekent. Liefde bestaat in vele vormen.

Er is liefde in het café voor mijn geld, waarmee ik schaamteloos dronken kan worden zonder dat iemand er aanstoot aan neemt. In mijn hoofd en mijn vingers is er ook de liefde voor mijn vrienden, die altijd meer zullen betekenen dan dat ze zelf zouden kunnen vermoeden. En natuurlijk is er ook de liefde voor dat meisje met haar diepdonkere ogen, die allicht niet beseft dat ik zelfs van haar hou als ze aan haar lippen aan het pulken is als ze piekert en als ze praat over haar gewicht, haar boeken, haar verleden (opnieuw dat in het nu uitmondende deltaverleden) en haar haar en potentiële toekomst. Beiden zijn aanwezig in mijn nu. Dat verleden is een soort vreemde fictie, een vermenging van spookbeelden op een filmrol met een onverstaanbare klankband, en de toekomst, zelfs al is die morgen en speelt die zich af binnen een uur of tien, is altijd omringd door nevelige vraagtekens. Wie weet eten we morgen een pita, daar waar Overpoortmarginalen de nacht ervoor nog kotsten en in zichzelf dachten dat die Turken niet te vertrouwen zijn. Wie weet hebben we slaande ruzie terwijl we drinken en zware baslijnen door boxen schallen in een obscure feestzaal. Of zullen we naast elkaar zitten, hand in hand, terwijl de zon met dodelijke precisie opkomt en we daarin een teken zullen zien zoals zo vele duizenden koppels voor ons een teken hebben gezien.

Als ik besluit de vertrouwde moederschoot van het stamcafé te verlaten, en terug de kou in zal gaan, legt Gent weer haar nauwelijks merkbare, warme mantel om mijn schouders. Het zal wel gaan, lijkt ze te zeggen. Ik hoef me geen zorgen te maken. Er is al genoeg miserie in de wereld om ook nog eens mijn simpele beslommeringen er bij te nemen. Ik heb vrienden, ik heb liefde, en ik heb een familie die om me geeft. Uiteindelijk is er weinig dat een mens zich meer kan wensen om gelukkig te zijn. Dat denk ik, terwijl ik een vers pak sigaretten koop bij een nachtwinkeluitbater die gebrekkig Nederlands spreekt. En daarbij denk ik ook dat die man al vele zompige dronkaards heeft zien passeren, waarvan velen hem nooit meer zouden kunnen herkennen als ze hem op straat zouden tegenkomen. De man doet zijn werk. De klant koopt en betaalt. Kennen wij elkaar? Dat niet, nee. Elke stap brengt me dichter bij mijn bed. Nog steeds ligt daar een lege plek te wachten op mij, zacht en uitnodigend. Maar zij is er niet. Ik zal er haar bij moeten denken, vervlochten met mijn ronkslapende vorm, in in elkaar overvloeiende gestalten van een koude nacht met een warme kern. Ik steek een sigaret op. Ik adem de dood in en uit, op een nonchalante manier die intussen volledig de mijne is. Mijn sleutels roteren over mijn wijsvinger. De gedachten aan gisteren en morgen en al die mensen en wat ze allemaal zouden meemaken vannacht, laat ik van me af glijden. Ik weet dat ik niet ongelukkig ben, en heb berusting in wat morgen me zal voorschotelen. In de lift zing ik erg zacht en erg vals nog een lied, dat ik stiekem opdraag aan S. En niemand legt me ook maar een strobreed in de weg. Het is waarlijk een vreemde, erg gewone, kille vrijdagavond, maar daarom des te meer de moeite waard om over te berichten, omdat niemand anders het zou willen doen.