Over 'Onklare taal'

'Onklare taal' is de verzamelnaam van diverse tekstprojecten van mijn hand. Dit is de afdeling columns en microstories daarvan. In 2017 bracht ik 'In de vorm van een vogel' uit, een bundeling van de beste 99 teksten van dit genre tot op dat punt, netjes geredigeerd en per seizoen geordend. Je kan die antologie gratis downloaden als je Patron wordt. De weg een beetje kwijt? Mijn eigenlijke website, die ook 'Onklare taal' heet, verwelkomt je.

zondag 28 maart 2010

Drie keer voor vijf frank

De Sinksenfoor omhult met zijn stalen tentakels opnieuw het Sint-Pietersplein in Gent. Alle beborsthaarde roedels jonge mannen, inspiratieloze gezinnen en dames met in van opzichtige prints voorziene broeken in de stad zijn uit hun schuilholen gekropen. Ook dit jaar laat ik de traditie niet aan mij voorbijgaan om een zak oliebollen te kopen. Een mens zou er kopen om het woord alleen al, dat inherent grappig is. Laat het rondrollen op de tong: "oliebol". Het is één van de weinige woorden in het Nederlands die me onmiddellijk kan amuseren, net als bijvoorbeeld "ploeterbadje" of "kabouter".

Vroeger ging een algemene studentenwijsheid dat als je nog niet aan het blokken was als de foor er stond, dat je slecht bezig was en het betekende dat je al met één been in de tweede zit stond. Nog vroeger was de kermis vooral het teken dat ik weer met grootmoeder eendjes mocht gaan vissen, of rondtoeren in cirkeltjes in een miniatuurwagen of een vliegtuigje. De laatste keer dat ik dat deed, werd ik hardhandig verwijderd uit de caroussel omdat de opzichtster me te groot vond en bang was dat ik iets zou kapotmaken. Je zou er het het noodgedwongen einde van een jeugd kunnen in zien, maar daar zijn wel interessantere voorvallen voor te bedenken.

Wat me nu vooral fascineert aan zo'n foor of kermis, is dat het toch volk blijft trekken. Rariteitenkabinetten en de man die zich voor vijf frank drie muilperen liet verkopen, verdwenen indertijd niet alleen omdat de publieke opinie gevoeliger werd voor het leed van gehandicapten, maar ook omdat de tv zorgde voor een onophoudelijke stroom aan freaks. Je hoefde er je huis niet meer voor uit. Nu zijn er ook megapretparken, kartingcircuits en 3D-cinema die stuk voor stuk superieur zijn aan een mottige, uitgeklapte kar met slecht getekende explosies en kometen op, maar de mensen blijven komen.

Is het nostalgie naar simpel vertier van weleer? Of is het misschien een van de laatste sociale gelegenheden waar hele wijken samenstromen zonder met wildvreemden een uur te moeten aanschuiven om in hun broek te kakken terwijl ze over de kop gaan in een roetsjbaan? Het kan ook zijn dat een kermis de enige plek geworden is waar je letterlijk een beer kan schieten voor je geliefde. Zelf zou ik graag geloven dat het is omdat de ruige macho's van nu, die er rondstruinen in merkkledij, loerend naar al wat vrouw is, het doen omdat ze stiekem wilden dat ze op eendjes konden vissen. Mij blijft het echter te doen om de oliebollen. Oliebollen para siempre.

zaterdag 13 februari 2010

Godin

Het is een koude vrijdagnacht, en Gent, de verweerde, stenen godin van zo vele generaties studenten, arbeiders, volksmenners, hoerenlopers, onnozelaars en marginalen, is ons mild gezind. Terwijl ik voel hoe mijn tong dikker wordt van de alcohol, denk ik aan verleden en toekomst. Hoe het verleden ons onterecht kneedt tot de personen die we zijn in het voor altijd voor ons uit snellende heden en hoe we dat gebruiken als excuus om nooit te hoeven veranderen (terwijl we dat constant doen), en hoe de toekomst de ideale droomplek is waarin we eindelijk die persoon in de spiegel zullen zien de we altijd al hadden willen zijn. Ik kom een dronken Rotterdammer tegen die er op staat elkaar te begroeten met een joviale vuistslag. De Overpoort loopt vol idioten, en een oude man in een grijze oliejas wandelt met zijn miniatuurhond. Ik denk aan de lege plek in mijn bed, straks, die slechts voor de helft door mij zal opgevuld worden. En het ijs op het trottoir. Het is geen avond voor schrijvers, zoveel is wel duidelijk. Taxi's zigzaggen zich een weg door het volk. De bushaltes zijn aggluttinerende klompen mens geworden - pubers die nog laat zijn blijven hangen na hun laatste les, soms nog met hun uniformen aan, of ouderen die hun longen vol rook en hun bloed vol alcohol gepompt hebben maar morgen nog op bezoek moeten bij familie (koffie, taart, thee). Het zou me kunnen of zelfs moeten deprimeren, maar het lukt niet.

In mijn vertrouwde stamcafé ademt het hout een verwelkoming uit. Er is gepraat met de barman over reusachtige flessen vodka en hoe ik daar aan zou raken. Ik herinner me dat liefde ook loslaten is, dus drink ik traag. Er wordt gesproken over het verenigingsleven. Over toenemend professionalisme, ook. En ook over S, die altijd op mijn tong ligt. Kennissen en vrienden komen en gaan in het café, dat het decor vormt van een verjaardagsfeestje voor een bevriend koppel, beiden verstokte West-Vlaamse immigranten die aan de slippen van Gent zijn blijven kleven. Wie kan hen dat ook kwalijk nemen. Het is een avond die infeite over niets gaat. De muziek die zich een weg baant dwars door de gesprekken en de rooklucht heen, heeft al vaak dienst gedaan als notenbehang voor moeilijk verstaanbare gesprekken. Ik drink nog een glas. Het is zeker niet het laatste van de avond, zo veel is wel duidelijk. En onder al dat gezwem van stemmen en meningen denk ik met het ijle verlangen van een gerateerd schrijver aan wat ik nog moet zeggen dat er toe doet op Valentijn, dat er binnenkort aankomt. Men kan wel heel wat afzeiken over het naakte winstbejag en de platgestampte clichépaden die op zo'n dag te bewandelen vallen, maar ik vind het tegelijk ook goed om op die manier na te denken over wat liefde betekent. Liefde bestaat in vele vormen.

Er is liefde in het café voor mijn geld, waarmee ik schaamteloos dronken kan worden zonder dat iemand er aanstoot aan neemt. In mijn hoofd en mijn vingers is er ook de liefde voor mijn vrienden, die altijd meer zullen betekenen dan dat ze zelf zouden kunnen vermoeden. En natuurlijk is er ook de liefde voor dat meisje met haar diepdonkere ogen, die allicht niet beseft dat ik zelfs van haar hou als ze aan haar lippen aan het pulken is als ze piekert en als ze praat over haar gewicht, haar boeken, haar verleden (opnieuw dat in het nu uitmondende deltaverleden) en haar haar en potentiële toekomst. Beiden zijn aanwezig in mijn nu. Dat verleden is een soort vreemde fictie, een vermenging van spookbeelden op een filmrol met een onverstaanbare klankband, en de toekomst, zelfs al is die morgen en speelt die zich af binnen een uur of tien, is altijd omringd door nevelige vraagtekens. Wie weet eten we morgen een pita, daar waar Overpoortmarginalen de nacht ervoor nog kotsten en in zichzelf dachten dat die Turken niet te vertrouwen zijn. Wie weet hebben we slaande ruzie terwijl we drinken en zware baslijnen door boxen schallen in een obscure feestzaal. Of zullen we naast elkaar zitten, hand in hand, terwijl de zon met dodelijke precisie opkomt en we daarin een teken zullen zien zoals zo vele duizenden koppels voor ons een teken hebben gezien.

Als ik besluit de vertrouwde moederschoot van het stamcafé te verlaten, en terug de kou in zal gaan, legt Gent weer haar nauwelijks merkbare, warme mantel om mijn schouders. Het zal wel gaan, lijkt ze te zeggen. Ik hoef me geen zorgen te maken. Er is al genoeg miserie in de wereld om ook nog eens mijn simpele beslommeringen er bij te nemen. Ik heb vrienden, ik heb liefde, en ik heb een familie die om me geeft. Uiteindelijk is er weinig dat een mens zich meer kan wensen om gelukkig te zijn. Dat denk ik, terwijl ik een vers pak sigaretten koop bij een nachtwinkeluitbater die gebrekkig Nederlands spreekt. En daarbij denk ik ook dat die man al vele zompige dronkaards heeft zien passeren, waarvan velen hem nooit meer zouden kunnen herkennen als ze hem op straat zouden tegenkomen. De man doet zijn werk. De klant koopt en betaalt. Kennen wij elkaar? Dat niet, nee. Elke stap brengt me dichter bij mijn bed. Nog steeds ligt daar een lege plek te wachten op mij, zacht en uitnodigend. Maar zij is er niet. Ik zal er haar bij moeten denken, vervlochten met mijn ronkslapende vorm, in in elkaar overvloeiende gestalten van een koude nacht met een warme kern. Ik steek een sigaret op. Ik adem de dood in en uit, op een nonchalante manier die intussen volledig de mijne is. Mijn sleutels roteren over mijn wijsvinger. De gedachten aan gisteren en morgen en al die mensen en wat ze allemaal zouden meemaken vannacht, laat ik van me af glijden. Ik weet dat ik niet ongelukkig ben, en heb berusting in wat morgen me zal voorschotelen. In de lift zing ik erg zacht en erg vals nog een lied, dat ik stiekem opdraag aan S. En niemand legt me ook maar een strobreed in de weg. Het is waarlijk een vreemde, erg gewone, kille vrijdagavond, maar daarom des te meer de moeite waard om over te berichten, omdat niemand anders het zou willen doen.

dinsdag 19 januari 2010

Sign o' the times

De Sumeriërs zijn het oudste bekende volk dat kon schrijven. Naar verluidt beklaagt een anoniem gebleven Sumeriër zich in één van die logge, in spijkerschrift opgestelde tabletten, dat de jeugd er niets van bakt. Hij beschuldigt hen van zedenverval, respectloosheid voor ouderen en algemene domheid. De schrijver was ervan overtuigd dat de wereld spoedig zou vergaan. Dat spijkerschrift nu niet bepaald even een blogtekst uit de losse pols schudden was, maar veel werk en voorbereiding vergde, toont aan dat de arme Sumeriër het best de moeite moet gevonden hebben om het op te schrijven.

Intussen zijn we zo'n zevenduizend jaar verder. De wereld bestaat nog altijd, en nog steeds is jongeren overladen met de zonden van Israel een populair tijdverdrijf. Ik zit nog niet op de derde tram en heb geen ring aan mijn vinger, maar ik voel ook al de zenuwen knetteren als een groep uitgelaten jonge honden op de trein te hard lacht, te oninteressante dingen zegt of zit te spelen met te luide mp3-spelers waar steevast te slechte muziek uit komt geschald. De jeugd is rotverwend, mondig maar zonder diepgang, seksueel losbandig maar liefdeloos, en allicht nog gewelddadig ook.

Als dat al allemaal waar is, dan hebben ze dat zeker niet alleen aan zichzelf te danken. Men wijst naar de ontzielde televisiecultuur die een eindeloze stroom voorverpakte banaliteit afvuurt op de onnozele kinderen. Of men zet een boompje op over de hyperseksuele muziekcultuur waarin alleen plaats lijkt voor de meest ge-airbrushte clichés van schoonheid en machismo. En dan die porno, en de gewelddadige games. Dat was er allemaal niet in de jaren '50. Nee, toen was het nog normaal om door een in een habijt geklede maagd van door de zestig slaag te krijgen om linkshandig te zijn. Toen was de dorpskermis, met een tent mismaakten, met DDT bespoten maaltijden en idioten die zich voor vijf frank een oplawaai lieten verkopen, nog het hoogtepunt van een jaar. In de jaren '50 wist men nog wat respect was, omdat men bang was om gestraft te worden.

Mensen die zich nog vaag herinneren of gebladerd hebben door oude foto's, zullen nu de vinger heffen en me tegenhouden nog enkele spijkers in dit tablet te staan. De autoritaire leefwereld was ook niet goed, maar zijn we nu niet te veel naar de andere kant doorgeslagen? Moeten we niet op zoek naar het compromis. Als iedereen de mentaal gehandicapte versie van Aristoteles wil uithangen door te pleiten voor een vage middenweg, dan belandt men vanzelf in het kielzog van verstokt links dat dweept met de late jaren '60. Wat een goede middenweg was dat, die hippieperiode. Men bereikte meer burgerrechten en homo's werden langzaamaan niet meer levend verbrand in het Westen, maar men maakte zich makkelijk af van de dekolonisatie door de Derde Wereld in een permanente staat van infantilisatie te houden (nog zilverpapier voor de negertjes, iemand?). En die brave hippies smoorden hun brein leeg, of besloten dan toch maar te gaan voor een rijhuis met hond en kinderen - bevrijd opgevoede jongeren die twintig jaar later met een nekmatje in Millet-jassen zouden rondlopen.

Laat me dus nog even verderspijkeren. Ik mag me graag ergeren aan slecht opgevoede etters, maar ik ben democratisch in mijn ergernis. Het klopt, klopletter ik, dat we allemaal tenonder gaan. Maar aan de overgediagnostiseerde, jeugdige jeugd die al te vroeg kan kijken naar de goorste porno, zal het niet liggen. Het zal liggen aan de mannen en vrouwen die elk twee auto's wilden, of vreemdelingen de schuld gaven van hun eigen problemen. En de generaties voordien, die systemen uitvonden om te discrimineren, te overorganiseren, om wolven in schaapsvacht te kunnen blijven en om excuses te blijven verzinnen waarom ze zelf de verantwoordelijkheden niet moesten dragen die ze met het gewicht van negenduizend ton hebben doen neerdalen op hun eigen nakomelingen. Het is niet van luide muziek dat ik bang ben. Het is van een korte hoofdknik van iemand in een veel te hoge toren, of het fervente staren van een paranoïde buurman. Nog leeft Sumer. Maar hoe lang nog?

zondag 20 december 2009

Lichtmis

De tijd van de bijtende kou, tranende ogen en de loopneuzen is weer aangebroken. De dag heeft zich nog maar net goed en wel aangekondigd, of hij eindigt alweer in een sombere stemming met een vroeg duister. De winter maakt specifieke herinneringen en verwachtingen los. Ik verwacht sneeuw, en krijg die vandaag ook. Met pakken valt ze uit de hemel, om troosteloze bebouwde kommen plots te omzwachtelen in een halo van pure romantiek. Dat langs de talloze donkergrijze wegen de sneeuw straks bruine ijsmodder, en op uitgesleten paden in het park glijbanen zal worden, kan niemand nu deren.

Ik denk terug aan de eerste winters die ik me kan herinneren, toen ik over landwegels hobbelde en mislukte pogingen ondernam om een sneeuwman te maken. Of dat ik nog nooit gaan skieën ben omdat ik er enerzijds nooit de middelen voor had, en het anderzijds ook niet echt wou vanwege mijn hoogtevrees. Ik ben een man van vele angsten, zoveel is duidelijk. Terwijl ik op de warme bus zit, glijd ik weg in een schemertoestand vol onafgewerkte gedachten. Ik denk aan het fluwelen bed dat ik twee uur geleden achterliet, of dat ik ijslucht in- en uitademend hijgend in mijn sjaal de trein nog haalde. Of gesprekken onder een glas van koning alcohol de nacht voordien. Intussen blijft het sneeuwen, en schept de plaksneeuw een nieuw landschap, een leeg blad waarin slechts stompen van muren, geparkeerde wagens en wilgen overeind blijven staan als donker contrast.

De hemel is van een egaal wolfsgrijs. Ik sluit de ogen en dommel opnieuw in. Meer gesprekken. Mijn vriendin die me aanmaant wakker te blijven, maar eens ik de ogen open, er niet blijkt te zijn. Een hondenslee met onverschrokken ontdekkingsreizigers en de nauwelijks verstaanbare geluiden van anderen die voortdurend wisselen van plaats en gezicht telkens als ik enkele seconden inslaap. Warmte binnen, koude buiten. Zo hoort het, en is in dit kleine universum alles even op zijn plaats.

Later kraakt de sneeuw gedurig onder mijn voetstappen. Ik kijk niet uit voor gras, borduren of greppels, en ben slechts geïnteresseerd in de langwerpige sporen die ik achterlaat, bevlekt met verse sneeuw op de schouders, in mijn haar en op mijn sjaal. Ik geef geen blijk van emotie, versteend als mijn gezicht is door de kou, maar diep vanbinnen gloeit een warme kachel vol waardering voor de verstildheid van deze winter. Voor het feit dat ik geen verwondering zou mogen voelen voor iets dat zich elk jaar herhaalt, maar het toch doe. En voor het feit ook, dat het goed is op die manier. Ik laat die stemmen in mijn hoofd onafgewerkt, en ik laat het gedurig snel donker en traag licht worden. Ik weet dat het licht waar ik me aan verwarm zich elders bevindt.


woensdag 2 december 2009

Het boek van Job

De schoonheid van vele dingen zit in hun eindigheid. Als kleuter wist ik al, terwijl ik met brandweerwagens speelde, in waterverf op school het Laatste Avondmaal schilderde, een kartonnen doos tot auto ombouwde waar ik in kon zitten en ik hardop droomde van een carrière als garagist, dat het ooit uit zou zijn met de pret en dat ik naar de grote school moest. Die grote school was bij nader inzien ook al een eindig werkstuk, een voorspel op de nog grotere school, waar pauzes nog schaarser waren, we de vrijdag niet vroeger stopten en waar ik voor het eerst echt moest studeren om er door te raken. Aan de andere kant maakte ik ook kennis met ideëen en mensen die me voorgoed veranderden. En dan was er dat eveneens eindige studentenleven, waarvan ik volop de mooie eindigheid bezong door lessen te brossen, halfbakken taken in te dienen en met een gaargemarineerd hoofd op het einde van de rit toch op de normale vier jaar tijd een diploma ontving. Wat daarna wachtte, leek me echter niet zo eindig: werken.

Toen ik jaren terug zelf voor een auditorium bomvol versgeboende eerstejaars stond, verkondigde ik met veel aplomb dat talen studeren aan de universiteit een éénrichtingsstraat richting stempellokaal was. Om de kritiek maar voor te zijn van mensen die weinig heil zien in het bestuderen van genderproblematiek in 19de-eeuwse Duitse literatuur of het achterhalen van een etymon van drie cognaten, lachte ik er zelf maar mee. Tegelijk had ik niet zozeer schrik voor de werkloosheid en alle geriefelijkheden die daar bij hoorden (zoals Cara Pils, klagen over het systeem en een rechtse zuurzak worden), maar mijn grootste angst was om te verzeilen achter een bureau waar ik langzamerhand een schim van mijn vorige zelf zou worden. Ik zou vast en zeker beginnen stinken naar koffie, alleen nog écrukleurige hemden dragen en tegen mijn vijfendertigste ofwel een trieste vrijgezel zijn, ofwel gevangen in een al even lamentabel huwelijk met twee kinderen die hard op weg zouden zijn om even ongelukkig te worden als hun vader. Dat schrikbeeld werd geen waarheid.

Net zoals ik de voordelen onderschatte van vlot lezen en schrijven toen ik nog maar net uit de pampers was, of ik nog geen idee kon hebben hoe Griekse filosofie mijn denken helderder kon kristalliseren, had ik ook niet de minste notie van de voordelen van werken. Bovendien waren mijn ideëen over werken grotendeels gebaseerd op steeds terugkerende tv-beelden van boze midlifers bij ontslagdrama’s of in schaamlachopwekkende sitcoms enerzijds, en mijn eigen vakantiejobs anderzijds, waarbij ik me na drie dagen al een aap voelde die steeds op dezelfde knop moest drukken. De waarheid bleek echter dat ik aan een job raakte die nog half zo slecht niet was. Ik mocht dan wel niet naar feestjes gaan waar we de Véronique De Kocks van deze wereld vinden, maar in de voorbije drie jaar ben ik wel al een paar nachten in Londen geweest, heb ik woorden van mijzelf zien verschijnen in kranten en vakpublicaties, of kon ik me verdiepen in onderwerpen waar ik voor mijn werkend bestaan geen flauw benul van had. En dan is er natuurlijk ook geld. Stinkend rijk zal ik allicht nooit worden, maar na jaren van creatieve zuinigheid en dronken spilzucht als student, is de gestage, gekanaliseerde stroom op de bankrekening een zacht hoofdkussen. Wie zegt dat geld niet gelukkig maakt, heeft misschien wel een punt (en doorgaans zeggen alleen rijke mensen dat, die niet weten wat het is om arm te zijn), maar het is alleszins verdomde handig.

Men wordt soms smartelijk bij het terugdenken aan de eigen studententijd, en men zegt dan zuchtend, achteroverleunend in de bureaustoel, dat het “de mooiste tijd van mijn leven” was. Maar ach, was die idyllisch beschermende wereld van de kleuterklas dat ook niet? Toen waren er geen examens, toen was er geen liefdesverdriet en hartverscheurende angst. In die tijd was succesvol naar de wc gaan al een overwinning. En terwijl ik terug vooroverleun op mijn bureau, me bedenk dat ik hier zo gek nog niet zit, tussen aangename mensen en met een nog steeds volle agenda thuis, had ik terug in de tijd willen gaan om mijn jongere zelf in te fluisteren dat piekeren over die sombere donderwolktoekomsten geen enkele zin had. Niet alleen omdat het onweer er van ver dreigender uit zag dan het was, maar ook omdat ik moest weten dat ik het leven altijd onvoorspelbaar zou houden.