Over 'Onklare taal'

'Onklare taal' is de verzamelnaam van diverse tekstprojecten van mijn hand. Dit is de afdeling columns en microstories daarvan. In 2017 bracht ik 'In de vorm van een vogel' uit, een bundeling van de beste 99 teksten van dit genre tot op dat punt, netjes geredigeerd en per seizoen geordend. Je kan die antologie gratis downloaden als je Patron wordt. De weg een beetje kwijt? Mijn eigenlijke website, die ook 'Onklare taal' heet, verwelkomt je.

maandag 3 mei 2010

Eindhalte

“Impossible is nothing”. Ik hou erg van die slogan. Het ademt iets enorm simpel en voor de hand liggend uit, en net door de omkering van de gebruikelijke woordvolgorde, blijft hij hangen. Hij klinkt zwaarder door. Niets, nee niets is onmogelijk. Hoogstens onwaarschijnlijk. Als je erover nadenkt, verliest die stelling aan kracht als je ze doordrenkt met cynisme en pessimisme, maar in de grond, erg diep vanbinnen, ben ik een optimist. Laten we anders even rond het haardvuur gaan zitten, terwijl ik jullie vergast op een aantal waargebeurde verhalen.

In mijn eerste middelbaar ging ik Latijn studeren, omdat dat vanzelfsprekend leek vanuit mijn achtergrond als luie leerling die op het lager goede resultaten haalde met nietsdoen. Dat zal voor veel studenten vertrouwd overkomen. In dat eerste jaar ging ik echter genadeloos onderuit, en eindigde ik in de staartgroep van de klas, een vergaarbak geblutste leerlingen die de komende jaren allemaal van school verdwenen. Ik zette door en in al mijn hubris nam ik er volgende jaren nog Grieks bij ook. En ik haalde het, hoewel iedereen dacht dat ik het nooit zou kunnen, tot mijn eigenste moeder toe.

Door m'n hele carrière aan datzelfde middelbaar had ik maar weinig vrienden. Erg goede vrienden, toegegeven, maar weinig. We waren niet het soort mensen dat gevraagd werd om wilde feestjes op te leuken of om tot diep in de nacht in een lokale feesttent mee bier te hijsen. Toch trok dat woeste, dat nukkige en exuberante in het uitgaansleven me enorm aan. "Maar jij kunt dat niet," zei iemand me ooit. Die persoon heeft later zijn woorden mogen opeten.

In mijn eerste jaar aan de universiteit ging ik gebukt onder een zware tweede zit en had ik mijn vriendenkring van toen uit elkaar zien spatten. En opnieuw die woorden: "het zal niet lukken." Toen ik verloor als kandidaat-preses bij de oprichting van Filologica: "je kans is voorbij." Het moment dat ik mijn master-na-master wilde stopzetten: "je gaat niet aan een job raken."

Natuurlijk ben ik vaak grandioos mislukt. Het zijn de mislukkingen die ons dan ook lijken te definiëren, en een deprimerend perspectief bieden op alles wat ooit fout zou kunnen gaan. Maar mislukking is ook maar een perceptie. Iedereen doet enorm zijn best om geen loser te zijn, omdat mensen vaak geluk gaan zoeken in schuiloorden en bestemmingen waar het niet te vinden is. Waarom je best blijven doen voor een studie die je geen moer interesseert? Waarom zou je intens verlangen naar vrienden als je nooit buitenkomt?

De zenmeesters zeiden: "de bestemming is de reis zelf." En wat ik ook hoop dat ze erbij vertelden, is dat je je op die reis niet mag laten tegenhouden door mensen die altijd nee zeggen. De geschiedenis heeft keer op keer hun ongelijk bewezen.

zaterdag 1 mei 2010

Drie dichtbundels online beschikbaar

De drie dichtbundels 'Epicentrum', 'Synaeresis' en 'Subductie' staan sinds januari 2014 als gratis download beschikbaar op mijn homepage.

maandag 12 april 2010

Postkaarten

Zomerse groeten uit Regensburg

Best dat we niet alles onthouden. Het geheugen is evenzeer een zegen als een vloek. Wilde schreef dat het leven een komedie is voor denkers en een tragedie voor sentimentelen, en anders zal het allicht een tragikomedie of een groteske vertoning geweest zijn met een bittere pointe, maar dat was te veel gevraagd van zijn onnozele witticisms, die doorgaans nergens op sloegen. Het geheugen is een grafkelder vol levende doden. Ze praten in hun slaap en naaien elkaar andere armen of oren aan, tot de dag dat ze verkruimelen.

Wish you were here... from Brighton with love

De laatste tijd zie ik elke dag dezelfde dode kat liggen langs de kant van de E17 - aan de binnenkant, dus dat beestje weghalen is geen prioriteit voor de onderhoudsdiensten. In tegenstelling tot andere dode dieren, ligt ze er bijzonder waardig bij, niet opengereden of al aangevreten door aaseters, alsof ze slaapt. Het zicht van zo'n dood huisdier langs de kant van de weg, met het razende, zotte verkeer dat er in onbeschrijfelijk hoge aantallen en aan hoge snelheden langs raast, dat breekt mijn hart. Het moet iets zijn dat een mens zijn hart breekt; als het niet de sla is van Kopland, of het allesverwoestende liefdesverdriet van de beeldhouwer uit Turks fruit, laat het dan iets willekeurigs zijn als een dode, gestreepte kat langs de kant van de weg.

Zeg aan ma dat ik haar mis - Frank in het zonnige Nantes

Er is godverdomme zo veel om kwaad van te worden, om me aan te ergeren en met wegdraaiende ogen eeuwig te blijven exploderen in titanische razernij, maar uiteindelijk heb ook ik maar één paar longen en één tong en één hart en kan ik dat allemaal niet verdragen, constant kwaad zijn.

Greetings from the USA!

Ik verzaak voortdurend aan mijn zelfopgelegde plichten. Ik wil me wentelen in absurd zelfmedelijden en loskomen van de lamgeslagen ironie van leven in een welvaartsmaatschappij. Er is veel te willen. De armen en handen zijn geopend, met de blik op dat oneindig verre punt. De horizon van een horizon. Ultraviolet willen zien in een regenboog. Als ik mijn ambities maar absurd genoeg maak, zal ik mezelf misschien niet kunnen verwijten dat ik ze nooit kon waarmaken omdat ze simpelweg onmogelijk waren. Maar wat met al die papieren, die plannen en creatieve tijdverdrijverij? Ergens moeten die inpassen, ook al zijn ze al lang uitgewaaid en -gewaaierd over de kamer van mijn kop.

Season's greetings :)

Zeg me dat je me graag ziet.

het eten is hier raar papa

Dit land heeft ons zwak gemaakt, denkt men. Week en wit, niet bestand tegen het minste onheil, en te zeer gewoon aan de moederborst van de staat. We hebben het alleen maar aan onszelf te danken, en dat is de waarheid. Op een morgen worden we wakker en ontdekken we tot ons afgrijzen dat het onze eigen ingewanden zijn, waar we 's nachts in zitten klauwen hebben.

Groeten aan de familie uit Nepal

Alles is adem.

Een kaartje... zomaar

Ik hou me graag schuil in grote zaken. Mijn gedachten verdwijnen in het regelmatige wieken van enorme windmolens, of gaan op als onmerkbare vlekken in het wolkendek van een gasreus. Niemand die op me hoeft te letten, ook ikzelf niet. Er is geen mens die ik daar hoef te kennen.

zondag 28 maart 2010

Drie keer voor vijf frank

De Sinksenfoor omhult met zijn stalen tentakels opnieuw het Sint-Pietersplein in Gent. Alle beborsthaarde roedels jonge mannen, inspiratieloze gezinnen en dames met in van opzichtige prints voorziene broeken in de stad zijn uit hun schuilholen gekropen. Ook dit jaar laat ik de traditie niet aan mij voorbijgaan om een zak oliebollen te kopen. Een mens zou er kopen om het woord alleen al, dat inherent grappig is. Laat het rondrollen op de tong: "oliebol". Het is één van de weinige woorden in het Nederlands die me onmiddellijk kan amuseren, net als bijvoorbeeld "ploeterbadje" of "kabouter".

Vroeger ging een algemene studentenwijsheid dat als je nog niet aan het blokken was als de foor er stond, dat je slecht bezig was en het betekende dat je al met één been in de tweede zit stond. Nog vroeger was de kermis vooral het teken dat ik weer met grootmoeder eendjes mocht gaan vissen, of rondtoeren in cirkeltjes in een miniatuurwagen of een vliegtuigje. De laatste keer dat ik dat deed, werd ik hardhandig verwijderd uit de caroussel omdat de opzichtster me te groot vond en bang was dat ik iets zou kapotmaken. Je zou er het het noodgedwongen einde van een jeugd kunnen in zien, maar daar zijn wel interessantere voorvallen voor te bedenken.

Wat me nu vooral fascineert aan zo'n foor of kermis, is dat het toch volk blijft trekken. Rariteitenkabinetten en de man die zich voor vijf frank drie muilperen liet verkopen, verdwenen indertijd niet alleen omdat de publieke opinie gevoeliger werd voor het leed van gehandicapten, maar ook omdat de tv zorgde voor een onophoudelijke stroom aan freaks. Je hoefde er je huis niet meer voor uit. Nu zijn er ook megapretparken, kartingcircuits en 3D-cinema die stuk voor stuk superieur zijn aan een mottige, uitgeklapte kar met slecht getekende explosies en kometen op, maar de mensen blijven komen.

Is het nostalgie naar simpel vertier van weleer? Of is het misschien een van de laatste sociale gelegenheden waar hele wijken samenstromen zonder met wildvreemden een uur te moeten aanschuiven om in hun broek te kakken terwijl ze over de kop gaan in een roetsjbaan? Het kan ook zijn dat een kermis de enige plek geworden is waar je letterlijk een beer kan schieten voor je geliefde. Zelf zou ik graag geloven dat het is omdat de ruige macho's van nu, die er rondstruinen in merkkledij, loerend naar al wat vrouw is, het doen omdat ze stiekem wilden dat ze op eendjes konden vissen. Mij blijft het echter te doen om de oliebollen. Oliebollen para siempre.

zaterdag 13 februari 2010

Godin

Het is een koude vrijdagnacht, en Gent, de verweerde, stenen godin van zo vele generaties studenten, arbeiders, volksmenners, hoerenlopers, onnozelaars en marginalen, is ons mild gezind. Terwijl ik voel hoe mijn tong dikker wordt van de alcohol, denk ik aan verleden en toekomst. Hoe het verleden ons onterecht kneedt tot de personen die we zijn in het voor altijd voor ons uit snellende heden en hoe we dat gebruiken als excuus om nooit te hoeven veranderen (terwijl we dat constant doen), en hoe de toekomst de ideale droomplek is waarin we eindelijk die persoon in de spiegel zullen zien de we altijd al hadden willen zijn. Ik kom een dronken Rotterdammer tegen die er op staat elkaar te begroeten met een joviale vuistslag. De Overpoort loopt vol idioten, en een oude man in een grijze oliejas wandelt met zijn miniatuurhond. Ik denk aan de lege plek in mijn bed, straks, die slechts voor de helft door mij zal opgevuld worden. En het ijs op het trottoir. Het is geen avond voor schrijvers, zoveel is wel duidelijk. Taxi's zigzaggen zich een weg door het volk. De bushaltes zijn aggluttinerende klompen mens geworden - pubers die nog laat zijn blijven hangen na hun laatste les, soms nog met hun uniformen aan, of ouderen die hun longen vol rook en hun bloed vol alcohol gepompt hebben maar morgen nog op bezoek moeten bij familie (koffie, taart, thee). Het zou me kunnen of zelfs moeten deprimeren, maar het lukt niet.

In mijn vertrouwde stamcafé ademt het hout een verwelkoming uit. Er is gepraat met de barman over reusachtige flessen vodka en hoe ik daar aan zou raken. Ik herinner me dat liefde ook loslaten is, dus drink ik traag. Er wordt gesproken over het verenigingsleven. Over toenemend professionalisme, ook. En ook over S, die altijd op mijn tong ligt. Kennissen en vrienden komen en gaan in het café, dat het decor vormt van een verjaardagsfeestje voor een bevriend koppel, beiden verstokte West-Vlaamse immigranten die aan de slippen van Gent zijn blijven kleven. Wie kan hen dat ook kwalijk nemen. Het is een avond die infeite over niets gaat. De muziek die zich een weg baant dwars door de gesprekken en de rooklucht heen, heeft al vaak dienst gedaan als notenbehang voor moeilijk verstaanbare gesprekken. Ik drink nog een glas. Het is zeker niet het laatste van de avond, zo veel is wel duidelijk. En onder al dat gezwem van stemmen en meningen denk ik met het ijle verlangen van een gerateerd schrijver aan wat ik nog moet zeggen dat er toe doet op Valentijn, dat er binnenkort aankomt. Men kan wel heel wat afzeiken over het naakte winstbejag en de platgestampte clichépaden die op zo'n dag te bewandelen vallen, maar ik vind het tegelijk ook goed om op die manier na te denken over wat liefde betekent. Liefde bestaat in vele vormen.

Er is liefde in het café voor mijn geld, waarmee ik schaamteloos dronken kan worden zonder dat iemand er aanstoot aan neemt. In mijn hoofd en mijn vingers is er ook de liefde voor mijn vrienden, die altijd meer zullen betekenen dan dat ze zelf zouden kunnen vermoeden. En natuurlijk is er ook de liefde voor dat meisje met haar diepdonkere ogen, die allicht niet beseft dat ik zelfs van haar hou als ze aan haar lippen aan het pulken is als ze piekert en als ze praat over haar gewicht, haar boeken, haar verleden (opnieuw dat in het nu uitmondende deltaverleden) en haar haar en potentiële toekomst. Beiden zijn aanwezig in mijn nu. Dat verleden is een soort vreemde fictie, een vermenging van spookbeelden op een filmrol met een onverstaanbare klankband, en de toekomst, zelfs al is die morgen en speelt die zich af binnen een uur of tien, is altijd omringd door nevelige vraagtekens. Wie weet eten we morgen een pita, daar waar Overpoortmarginalen de nacht ervoor nog kotsten en in zichzelf dachten dat die Turken niet te vertrouwen zijn. Wie weet hebben we slaande ruzie terwijl we drinken en zware baslijnen door boxen schallen in een obscure feestzaal. Of zullen we naast elkaar zitten, hand in hand, terwijl de zon met dodelijke precisie opkomt en we daarin een teken zullen zien zoals zo vele duizenden koppels voor ons een teken hebben gezien.

Als ik besluit de vertrouwde moederschoot van het stamcafé te verlaten, en terug de kou in zal gaan, legt Gent weer haar nauwelijks merkbare, warme mantel om mijn schouders. Het zal wel gaan, lijkt ze te zeggen. Ik hoef me geen zorgen te maken. Er is al genoeg miserie in de wereld om ook nog eens mijn simpele beslommeringen er bij te nemen. Ik heb vrienden, ik heb liefde, en ik heb een familie die om me geeft. Uiteindelijk is er weinig dat een mens zich meer kan wensen om gelukkig te zijn. Dat denk ik, terwijl ik een vers pak sigaretten koop bij een nachtwinkeluitbater die gebrekkig Nederlands spreekt. En daarbij denk ik ook dat die man al vele zompige dronkaards heeft zien passeren, waarvan velen hem nooit meer zouden kunnen herkennen als ze hem op straat zouden tegenkomen. De man doet zijn werk. De klant koopt en betaalt. Kennen wij elkaar? Dat niet, nee. Elke stap brengt me dichter bij mijn bed. Nog steeds ligt daar een lege plek te wachten op mij, zacht en uitnodigend. Maar zij is er niet. Ik zal er haar bij moeten denken, vervlochten met mijn ronkslapende vorm, in in elkaar overvloeiende gestalten van een koude nacht met een warme kern. Ik steek een sigaret op. Ik adem de dood in en uit, op een nonchalante manier die intussen volledig de mijne is. Mijn sleutels roteren over mijn wijsvinger. De gedachten aan gisteren en morgen en al die mensen en wat ze allemaal zouden meemaken vannacht, laat ik van me af glijden. Ik weet dat ik niet ongelukkig ben, en heb berusting in wat morgen me zal voorschotelen. In de lift zing ik erg zacht en erg vals nog een lied, dat ik stiekem opdraag aan S. En niemand legt me ook maar een strobreed in de weg. Het is waarlijk een vreemde, erg gewone, kille vrijdagavond, maar daarom des te meer de moeite waard om over te berichten, omdat niemand anders het zou willen doen.