Over 'Onklare taal'

'Onklare taal' is de verzamelnaam van diverse tekstprojecten van mijn hand. Dit is de afdeling columns en microstories daarvan. In 2017 bracht ik 'In de vorm van een vogel' uit, een bundeling van de beste 99 teksten van dit genre tot op dat punt, netjes geredigeerd en per seizoen geordend. Je kan die antologie gratis downloaden als je Patron wordt. De weg een beetje kwijt? Mijn eigenlijke website, die ook 'Onklare taal' heet, verwelkomt je.

vrijdag 31 december 2010

Luctor et emergo

Elk ogenblik en elke seconde eindigt en begint er ergens een periode, een episode of een jaargetijde. De woede is nog niet op. Ik doseer ze als drug, om opnieuw te gebruiken als acupunctuurtherapie op momenten dat ze van pas komt. Eén mens heeft maar zoveel energie te verspillen om kwaad te zijn over alles, en uiteindelijk levert het niks op als de inspanning niet gericht is, en helemaal niet als die onterecht is. Een goed mens proberen te zijn is niet makkelijk. De maanden achter me zijn gesmolten en dan gestold tot indrukken van scharnieren, of wankele bruggen over vulkanen. De afstand van teleurstelling is afgelegd. Ik ben niet bezig met verkruimelde relaties of de centrifugale vernielzucht van anderen, noch met geld en macht. Verlicht zal ik dan wel niet worden, maar aan het dok van een nieuw januari sta ik met een zak bagage die een stuk minder zwaar weegt dan voorheen.

Het is een jaar geweest van verwarring en van hebzucht. Voor wie het wilde zien, vielen de poppenspelers en marionetten enkele malen uit hun rol - de grootbanken, de oliereuzen, de nijvere industrie van de nut- en vetvoorzieningen, van de koppigste politicus tot de gladste aal die zelfs het homohuwelijk zou kunnen verkopen aan een neonazi. Het is allang geen nieuws dat rijkdom een fetisj is van het Westen. Het is wel nieuws dat zelfs nadat de keizers van de wereld zonder kleren zijn gezet door economische rampen, ecologische catastrofes en perslekken, de meeste mensen in deze wereld de schouders blijven ophalen. Zolang de kachel brandt, de auto rijdt en de dertiende maand netjes uitbetaald wordt, kijken velen de andere kant op.

Ik vervolg een pad dat ik al jaren geleden gekozen heb. Hoe vaker talen zich laten schilderen, beeldhouwen of rauw opdienen, hoe meer ik erken dat woorden maar relatieve krachten zijn of zelfs valse richtingaanwijzers in een overbelicht landschap. Het zijn niet de letters of waarheden die tellen, maar wat ik zeg tegen jou als één op één. En het is zelfs niet eens het geluid dat uit onze monden komt dat er toe doet. Het is de lichaamswarmte eerst, dan de nabijheid, dan het idee dat de cultuur, de taal, het zelf en uiteindelijk het idee zelf een noodzakelijk kwaad is dat al te snel overwoekert wat we echt zouden kunnen en moeten voelen. Dus zet dat glas neer. Duw die sigaret uit. Hier komen we terug tot woorden als waarheid, woorden als waardeloos en tenslotte ook als het beste wat we hebben om een cirkel te trekken rond die waarheden. De clichés zijn uitverkocht dit jaar, en ook in de koopjesperiode zal ik niet meer overtollig berichten over hoe ik niet ik ben maar jij, en wij in principe elkaar zouden kunnen zijn, geweest zijn en dat ook in de toekomst weer zullen worden, omdat we mensen zijn.

Laat ons dus voor één keer de ogen opslaan en aanvaarden dat een boom een boom is, een straat een straat en dat we het in deze wereld vooral moeten redden met elkaar. Het is echt zo eenvoudig als het lijkt. En intussen, naast dat reusachtige, verpletterende inzicht dat we als kruimels stof op een stofbol in een onvoorstelbaar koud universum voortdurend in en uit elkaars bellen en sferen ademen en die alleen samen vormen, mogen we niet vergeten dat alleen wij een einde kunnen proberen stellen aan de piramidale structuur van slaven en meesters. Ik verwacht niet dat we zullen stoppen dat er vannacht ergens een man zijn vrouw in elkaar slaat. Ik verwacht eveneens niet dat er morgen een baby misschien niet van honger zal omkomen, en ik verwacht zeker niet dat men de week nadien plots niet meer zal voortrazen aan driehonderd per uur in de tegengestelde rijrichting. Maar ik verwacht wel dat ik zal proberen om ergens een verschil te maken. Een nieuwe wissel te bedenken in de sporen. Of gewoon om door daden te laten spreken wat woorden niet kunnen - mensen doen branden om bij elkaar te zijn.

donderdag 2 december 2010

Vinson Massif

Er is al heel wat inkt gevloeid over de verstilde poëzie van sneeuw, en we kunnen er niet genoeg van krijgen. Het is een seizoen van terugtrekking en contemplatie, blauwwit in een vogelvrije hemel of net van een onbegrensd witgrijs dat camera's en definities tart. Het is ook altijd hetzelfde. Ook in 1910 hadden mensen rode neuzen van de kou en kloegen boeren over strenge winters. En toch vervult het aanbreken van elk seizoen dat al miljoenen jaren de revue passeert iedereen weer met een gevoel van nieuwheid, vergeet men tijdens de zomer hoe kil en bar een winter kan zijn, en heeft men midden in januari geen idee meer van hoe plakkerig smeulend heet een hondsaugustus met zomeronweren alweer was. We hebben foto's, maar die zeggen doorgaans niet erg veel. Lagen kalven af. Het denken is een spiraalvormige bezigheid. Ik keer steeds terug in vergelijkbare patronen, en ik heb het al allemaal gezegd, mijn kennis atomair gesplitst en weer samengevoegd, en toch steeds opnieuw andere manieren gevonden om met zesentwintig letters en een beperkte taal nieuwe vormen te bepalen voor memetische inhoud die niet van mij afkomstig was, mij zal overleven en toch niet zonder mij zou kunnen bestaan.

Antarctica lonkt. De uitgestrektheid, het onveranderlijke en vooral ook onmenselijke van het continent spreken tot de verbeelding. Eén kleine man die verloren gaat tegen een overweldigende achtergrond van wit op wit, of hoe vanop afstand diezelfde man niet meer is dan een ingekleurde sneeuwvlok in een eindeloos gordijn van witte sneeuw. Sommige observatiestations op zee of onder water vangen geluiden op van schuivende ijsplaten of langzaam brekende ijsschotsen. Alles is er trager, dieper en ook extremer. Het idee van Antarctica is het idee van de grote verdwijntruc, het oplossen in het alomtegenwoordige nergens, met slechts één duidelijk referentiekader, net als oneindig staren naar een leeg schilderij dat een hele muur inneemt. Ook in de winter zie ik de zaken groot - we denken al klein genoeg.

Er is een zekere welwillendheid gekomen in de voetgangers die ik tegenkom, net als ik onvast en hoogpotig door de sneeuw ploeterend. En al zegt men dat vrouwen er beter uitzien in de zomer, kan men niet ontkennen dat de winter het koninkrijk is van de mensen met een mooi gezicht, aangezien het het enige is dat je in lagen sjaals, jassen en verfrommelde broeken kan onderscheiden. Ik ben gelijktijdig subject, object en de grote bezieler, een circusdirecteur en tevens het verstandelijk gehandicapte kind dat komt kijken naar datzelfde circus. Het is gedaan met het postmoderne, alleen beseft men dat nog niet voldoende. Of is het dat ik me met te veel mensen omring die net als ik die die Saturniaanse moloch beu zijn en in de plaats daarvan verlangen naar authenticiteit die noch een bij voorbaat mislukte terugkeer is naar een ingebeeld verleden, noch een groteske invulling van fragmentarische subculturen?

Het zijn grote woorden allemaal voor iemand die met een loopneus en op pas herstelde laarzen moet oppassen dat hij niet uitglijdt over een oprit. Daarom niet minder waar, maar geen letter en geen zin doen er iets toe bij het besef dat ik dezelfde koude, scherpe lucht in- en uitadem als alle anderen. Het is belangrijker te weten wat we delen dan onze tegenstellingen op scherp te stellen, en wie zich liever bezighoudt met het laatste, vecht een op voorhand verloren gevecht dat er in de loop van de eeuwen toch niet toe doet. En ik denk dat ik wel een ijsberg zou willen zijn, een majestueuze homp bevroren water, blauw gekristalliseerd, tegelijk een vertrouwd beeld en een volslagen vreemde. Een waarschuwing voor een open, vijandige en mensenloze wereld. De Johannes De Doper van de onontgonnen fysieke leegte die een mens mogelijk weer kan doen beseffen wat het betekent om met weinig te zijn, om alleen te zijn, om te waarderen wat basiscomfort, warmte en pragmatiek betekenen.

Ik heb ooit ergens gelezen dat sterven van de kou in eerste instantie geen aangename ervaring is, met de knetterende, bijtende pijn van de zenuwuiteinden en verkilde vingers, neuzen en oren die doodvriezen, maar dat het daarna erg stil en warm wordt. Als ik dan toch op een opzienbarende manier aan mijn einde moet komen, laat het dan op die manier zijn. Ik denk eraan om een grote witte doos om te toveren tot een miniatuurtheater en daar mijn Antarctica van te maken, net als toen ik als kind met dinosaurussen en G.I. Joe's speelde op de witte badrand en me moeiteloos kon voorstellen dat het ijsschotsen en sneeuwvlaktes waren. In dat universum stierf nooit iemand echt. Seizoenen werden er aan- en uitgezet als een lichtschakelaar, en van overspannen postmodernisme was geen sprake. Het is beter in mijn herinnering. Het wordt terug beter in de toekomst, hoewel we er allemaal aan gaan. Het wordt hopelijk ook een winter waarin we beseffen dat sneeuw maar een gegeven is, en er dankbaarder voor zijn dat we elkaar verlegen kunnen toelachen, stuntelend op straat, in plaats van te vloeken in de auto of te vergeten hoe warm de zomer was. Deze winter eis ik op als mijn zomer. Deze dag belis ik dat ik een naïeve ijsberg mag zijn. Laat de boten maar komen.

dinsdag 2 november 2010

La Résistance

Ze herinnert zich de natte ochtendgeur van potgrond, de bitterzoete geur van tomaten in de zomer, zelfgemaakte bessenconfituur, of de wellustig rotte geur van verstikte gewassen in dichtbegroeide bossen. Westkant: kasseien, koeien, distels. Oostkant: straten en oprukkende verstedelijking. In het intussen afgebroken huis daartussenin: de ijzige herinneringen aan repressie. Langzaam verlaat ze het scheepswrak van die herinneringen, en gaat ze langs braakliggende terrein naar beneden, naar een strook niemandsvallei waar geen hond komt. Er is niets verkeerd met een poging om de zaken objectief te bekijken. Er is iets verkeerd met de zwetende koortsdroom om alles voor die lens te krijgen, en objectiviteit zelf te gaan opeisen uit naam van kille misleiding. Het gras is groen, maar wanneer is het te lang voor mensen met een korte nek?

Met die mensen is het voor haar onmogelijk om een diepere band te vormen, omdat ze zich altijd verborgen houden in hun bijeengespaarde kastelen van banaliteit. Met heeft ze Vlaanderen mee uitgespuwd. Soms is ze ziekelijk jaloers op gezonde Vlaams-nationalisten, die pragmatisch en vlijtig komen aandraven met allerlei statistieken, en diep in zich nog ergens de romantische vervlechting voelen met een mythisch Vlaanderen dat nooit bestaan heeft. "De leeuw van Vlaanderen" was het eerste serieuze boek dat ze ooit te lezen kreeg, en ze leeft lang genoeg om te weten dat de Vlaamse beweging relevant was, ontvoogdend en even divers als de bloemen en planten waar ze als kind van wist of ze ze kon eten, moest plukken of gewoon links moest laten liggen.

Voor opgesloten zielen is het volksgevoel het laatste dat ze kunnen stelen om geen individuele gevoelens, conflicten of kwetsbaarheid te moeten tonen. Een collectieve vuist is sneller gevormd dan een uitgestrekte hand en een open blik. Men zegt dat het allemaal zo eenvoudig niet is, om vervolgens met even houterige simplismen aan te komen draven. Men lacht met belgicistische onnozelaars die zich beroemen op dat potsierlijke Atomium, maar teert tegelijk op het al even idiote slachtofferidee dat Vlamingen altijd mismeesterd werden door de geschiedenis. Ze rookt gulzig een sigaret, waarvan de geur zich vermengd met de dampende Scheldedauw.

Het kon niemand wat schelen. Ridderromantiek, een intense band met het land, de streek, de talen en de geschiedenis. Het grotere idee, dat volledig ontbrak. Men playbackte de liturgische liederen in de kerk zonder enig idee te hebben wat oprechte naastenliefde infeite was, en men respecteerde gevierde artiesten zonder er een moment bij stil te staan dat zij dergelijke mensen in principe minachtten. Ze kweekten een gepolariseerde generatie van vijanden, mensen die de wereld zagen in breedbeeld of op smalband, vrouwen zoals zij, met een beweeglijke, smaakvolle tong, of andere vrouwen die avatars gingen worden van de centrifugale dictatuur van onelegante luchtigheid. En mooi, maar terugwijkend.

Het is erger om genegeerd te worden dan om aangevallen te worden. Men berispte haar ouders omdat zij oorspronkelijk van plan waren om haar niet meer de streektaal te leren, maar het is alleen een bittere taal die ze leren spreken heeft, met honderd synoniemen om schande, spot en minachting aan te duiden, maar geen enkel lief woord of een uiting van oprechte emotie. Zij erfde via genen en opvoeding exact dezelfde talent voor kille sluipmoord met woorden, en rekent postuum af met hen, de ultieme, collectieve Tarquinius Superbus wiens hoogmoed intussen gemeengoed geworden is. Steunen op de spade in hardvochtige Vlaamse grond, maar met wantrouwen tegenover de standaardtaal. Met wolfskelen declameren dat iedereen Engels kan en dat dat Duits toch maar voor moffen en malloten is, en tegelijk een verbeten knieval maken voor het gehate Frans. Ze beweren dat ze altijd zo open waren tegenover vreemdelingen, maar het is hun eigen onverschilligheid en trots die die vreemdelingen mee heeft helpen inzien dat Vlamingen doorgaans op zijn best gereserveerd waren, en op zijn slechts wantrouwige klompenburgers met een geknakte eigenwaarde en een vitriolische passieve agressie. Het ergste is dan nog dat rurale, van tussen hun geiten getrokken Marokkaanse families op veel vlakken weinig verschillen van hun ingemetselde drijfmesttegenhangers in Vlaanderen, maar men liet hen niet toe. Men laat niemand toe. Iedereen moet alleen zijn en zijn eigen kruis dragen. Zelfs de enige artiest in de familie draagt altijd de grime van het verdovende cynisme. Acteur en rol zijn al zo lang met elkaar versmolten dat men nauwelijks nog kan spreken van ironie.

Ze is altijd op zoek naar menselijkheid. Naar mensen die niet zwijgen, maar weten en vergeven. Mensen die net als zij ook zouden willen opstaan om terug te nemen wat van hen is - dit land, dit Vlaanderen, dit België, dit hele Europa in een oceaan van wanhoop. Een land met woelige kusten waar men nooit accentloos spreekt en opeengehoopt het liefst van alles door iedereen met rust gelaten wordt. Een klotsend spreekkoor van versnipperde bossen en steden waar migranten praten met een zwaar stadsaccent en de Kerk meer een triest rariteitenkabinet is dan een vals beleefde pilaar van een dood geloof. Dat land is er nooit geweest, want het is een idee dat al te vaak getorpedeerd geweest is door eenzijdige opportunisten. Franstalige Vlamingen die neerkeken op boeren, particularistische boerse volksmenners die prat gingen op hun ongezond verstand, of postimperialen die hardkennig vastgeketend waren aan het teloorgegane prestige van hun eigen taal. Natuurlijk is dit idealisme en romantiek, maar wie zal haar tegenhouden om naar buiten te keren wat wil exploderen als tricoloor vuurwerk? Of, uiteindelijk, dat zij zij is? Het antwoord is al te vaak een stilte uit lafheid. Geef mij mijn hart terug. Laat mij en de mijnen jullie allemaal begraven. Het schijnt dat ze verre aangetrouwde familie is van Guido Gezelle. Het schijnt ook dat Anton Voloshin niet haar echte naam is.

dinsdag 19 oktober 2010

Dirigent

Onlangs heb ik ergens gelezen dat een buitenlichamelijke ervaring een fout is in de hersenen die het lichaam doen geloven dat het zich elders bevindt. Er zit iets in. Er zit een kwart teleurstelling dat we nu nog zekerder zijn dat de ziel niet bestaat, een kwart verheldering over hoe een mysterie ontrafelt wordt, en een helft koffie en vergetelheid die me dit feit zou doen vergeten als het niet interessant genoeg was om nog eens olie op het vuur te gieten dat brandt tegen new age en bijgeloof.
"Wat vond jij van de uitspraken van aartsbisschop Léonard?" vraag ik aan Teodor. De aartsbisschop heeft het bestaan te beweren dat AIDS een vorm van goddelijke rechtvaardigheid was. Moeten we geschokt zijn omwille van zo'n domme uitspraak, die overigens gebraden werd in datzelfde bijgeloof waar ik enkele ogenblikken eerder mee gespot heb?
"Wat wil je? Die man is bejaard. Hij komt uit een andere tijd. Zijn adviseurs zullen hem misschien wel zeggen dat hij dat niet kan zeggen, maar dat vind ik nonsens. Hij verdedigdt hiermee een standpunt dat de dogmatische Kerk veel nauwer aan het hart zal liggen dan de ambiguïteit waar zijn voorganger zich steeds in wentelde."
Ik ben het daar volledig mee eens.
"Het is meer dan uit een andere tijd komen, natuurlijk," zei ik, "Het feit is dat de Kerk over een pak zaken manifest verkeerd is. Maar ik heb liever dat de kaloten uitkomen voor hun meningen, en met open vizier het debat aangaan, in plaats van rond de pot te draaien."
Teodor haalt zijn schouders op.
"Ik snap ook niet waar iedereen wakker van ligt. Wie luistert nog naar die man?"
Ik kan hem geen ongelijk geven, en moet denken aan mijn broer Boria, die zich opwond over het feit dat men van de aartsbisschop een schietschijf maakte voor progressief België, maar dat datzelfde België radicale imams links laat liggen. Het is waar, de wilde publieksjustitie meet met twee maten en gewichten. Toch kan men geen interview lezen met moslimjongens zonder dat de vraag ergens passeert hoe ze denken over vrouwen en homo's, terwijl ik niet verder moet wandelen dan Nieuw Gent om over die onderwerpen rare meningen te horen uit de mond van blanke autochtonen.
"Hoe valt dat Russisch mee?" vraagt Teodor, die eigenlijk niet graag praat over grote sociale thema's. Ondanks het feit dat die thema's mij veel meer interesseren, blijken we er toch altijd hetzelfde over te denken, en dat is niet zo boeiend.
"Ik kan me nog maar nauwelijks voorstellen. Het is niet gemakkelijk."
Niks dat de moeite waard is, is echt makkelijk. Gelukkig vraagt hij me niet om iets te zeggen in het Russisch. Niet dat ik een podium uit de weg zou gaan, maar het is er niet de avond voor. Het is een avond om met spaarzame slokken weg te drinken, een avond die balanceert tussen een droomravijn enerzijds en koudopen, paarsblauwe hemel met enkele heldere sterren anderzijds. Is afdalen in melancholie een optie? Een glas maakt rondjes in mijn handen en neemt terug vaste vorm aan.
"Zie je dat meisje in de andere hoek, aan de toog?" vraag ik. Ik weet aan zijn blik dat hij haar al gezien heeft.
"Een verbeterde versie van Ksana," zegt hij zonder verpinken.
"Ja. Volledig mijn type, ook. Daarnet kwam ik haar tegen in het toilet. Ze zocht iemand, denk ik, want terwijl ik bij de urinoir stond opende ze de deur van het mannentoilet. Ze excuseerde zich toen ze eigenlijk al buiten beeld was, en ik denk dat ik zei dat het niks was toen ze me misschien niet meer kon horen. Vrij ongemakkelijk."
Mijn kleingeestige nieuwsgierigheid wilde wel weten wat ze daar precies had gezocht. Een verloren vriend die misschien weggevlucht was van een afspraakje met haar, gezegd had "ik ben even naar het toilet" en nooit meer teruggekomen was. Zulke dingen gebeuren in films. Maar onlangs las ik dat er effectief twee broers aan hun eind kwamen in Amerika, de één dag op dag één jaar later dan de ander, aangereden op hetzelfde kruispunt, door dezelfde taxichauffeur die dezelfde passagier vervoerde. Toeval is een fascinerend ding. En alles is soms dermate vergeven van ironie dat de ironie compleet haar betekenis verloren heeft. Intellectuelen of koudhuidigen lachen schamper met pathos, de Weltschmerz, onverklaarbare melancholie of brutale uitingen van emotie, niet omdat ze zo overdreven en onsubtiel zijn, maar omdat ze zo oprecht zijn. Een gedicht van een vijftienjarige met liefdesverdriet is stilistisch natuurlijk evenmin een gedicht als dat een zeepkist een auto is, maar de kern is waarachtig in al zijn emotie. Niks ervan werd bedoeld als leugen, en uit elke overtollige letter in zulk een gedicht spreekt niks meer dan het hart dat explodeert van verlangen, verdriet en razernij.
"Inderdaad," beaamt Teodor, "Dat is vreemd."
Hij is erg gevoelig aan gênante situaties, en ziet er dus ook het geestige van in.
"Stel nu dat dat de vrouw van mijn leven is, als je even wegdenkt dat ik daar niet geloof. Dan hebben we al één leuk verhaal om te vertellen."
Ik werp een tersluikse blik op het onbekende meisje. Het is zo één van die blikken waar je van denkt dat niemand het gezien heeft, maar die overduidelijk is. En waarom niet? Binnen een kwartier ga ik toch naar huis.
"Er zijn ergere manieren om iemand te leren kennen. Ik gaf onlangs les aan de verkeerde groep mensen. Het was hun eerste les, ik had ook de verkeerde papieren gekopieerd, en even later zat de kopiemachine zonder papier. Dat moet ook een goeie eerste indruk gemaakt hebben."
Ik moet wolfachtig lachen, en trek me weg van het ravijn.
"Het is niet zo erg als het farting-verhaal."
Een collega van Teodor had de uitspraak "partying hard" van een student die erg nasaal en overgeaffecteerd Engels sprak namelijk verkeerd begrepen als "farting hard" en had dit voor het verzamelde auditorium herhaald. Komedie is tragedie plus tijd - één van Oscar Wildes erg zeldzame uitspraken die er mee door kunnen, omdat ze gewoon waar is.
"Ja."
Teodor steekt nog een sigaret op. Zelfs zijn ultradunne Marlboro's roken doet hij met een reptielachtig gevoel voor verfijndheid waar een lomperd als ik nog iets van kan opsteken. Ook een sigaret, om me maar te bedienen van een onorigineel zeugma. Ik steel één van zijn sigaretten. Bedroevend laag nicotineniveau. Maar Teodor waarschuwde me er al voor. Een verwittigd man die niet luistert is een idioot of een genie, afhankelijk van de uitkomst van zijn koppigheid. Zuig daar maar een traliepunt aan, Wilde.
"Maar goed. Hoe is het écht nog met jou?" vraag ik. Voordien heb ik al uitvoerig zitten berichten over mijn zielstoestand, met Teodor als mijn blanco blad waarik elk detail nauwkeurig op nalaat. Het verstikt het onvermijdelijke schrijven, en verandert opnieuw de bouwstenen in mijn hoofd. Alleen als ik geen blanco papier vind in de vorm van de vertrouwde gastenboeken van vriendenhoofden, kom ik terecht voor de schrijftafel. Intussen vertelt Teodor over zijn reis naar Oost-Europa, waarin opnieuw het Russisch enkele malen ter sprake komt, ontmoetingen met stundenten van overal ter wereld, waaronder een kennelijk perfecte Noorse en een Kameroense die er net als de aartsbisschop erg vreemde ideeën op nahield over AIDS. IJs smelt weg in standaardcocktails.
"En ik heb ook een geweldige huisgenoot," zegt Teodor even later, waarop hij haar Gentse accent met veel gretigheid imiteert, "Dus het gaat best goed met mij."
Hij heeft afstand genomen van wat recent drama, net als ik. Het leven lijkt weer wat meer rock en roll en minder blues. Maar dat zijn ook zulke uitvloeibare termen. Voor sommigen is hier zitten al rock en roll genoeg. En voor anderen - wel, ik hoorde onlangs verhalen over een vage kennis die naar verluidt vroeger een zware crimineel was. Ik viel niet omver van verbazing, omdat ik het wel kon projecteren op zijn aangename directheid, hint van agressie en dat nodige modicum aan charme dat elke interessante crimineel moet hebben, maar ik kon me voorstellen dat deze plek en dit gesprek voor hem de allure moest hebben van een bejaardentehuis.
"Ja, het zijn interessante tijden."
Ik wil tijd kunnen uitrekken en samenvloeien. Deeg of plasticine. De sigaret die nooit opgerookt raakt, of een nummer dat pas na een kwartier vijf minuten lang te spelen voorbij is. Elke seconde moet alles zich aanpassen aan mijn emotionele stemmingen. Intussen nemen we afscheid. Het ravijn is opgeklaard als een droom waaruit ik ontwaak binnen een andere droom.
"Tot één dezer."
En we menen het. Het komt er zo vreemd uit, precies omdat het gemeend is. De beste redenaars zijn de beste leugenaars als hun hart te klein is, dicht de vijftienjarige in mij.
Op weg naar huis, in de verte, bij een videotheek, zie ik een zwerver strompelen. In Gent is hij bekend als Zakman, vanwege het halve bedoeinenkamp dat hij steeds met zich meezeult. Zijn lange, zwalpende schaduw is treurig scherp gedefinieerd tegen het kunstlicht van de videotheek. Hij doet zijn dagelijkse routes. Geen mens die weet waarom, al bestaan er vele verhalen over de man. Zakman is vertrouwd deel van het decor in de wijk, deels legende, deels dorpsidioot. In Gent kan je met idioten alle cafés en koffiehuizen van de stad bevolken, en nog zou je plaats te kort komen om ze te stapelen. Ik zou er niet één van zijn. Ik zou hun buitenlichamelijke dirigent willen zijn.

zondag 10 oktober 2010

Thalassa (Thalassa)

Er is een anekdote over Marcel Proust, die naar verluidt altijd erg geïnteresseerd was in wat mensen deden in het dagelijkse leven, over een gesprek tussen hem en een man ergens op een feestje. De man in kwestie antwoordde in een zin of drie op de vraag waar hij zich op een doordeweekse dag mee bezighield, maar dat was niet naar Prousts zin, die maar bijvragen bleef stellen, en zijn gesprekspartner steeds verzocht om trager, omstandiger en gedetailleerder te gaan, allicht tot op subatomair niveau van alle banaliteiten. Moet een vervelende man geweest zijn, die Marcel. Maar aan de andere kant is dat ook één van de essenties van literatuur: het stilstaan, meer dan het vooruitgaan. Zeker in poëzie. Het stilstaan is een heimelijk verlangen naar de eeuwigheid, ook. Of niet zo heimelijk, zoals Horatius pochte over zijn dichtkunst die "duurzamer dan brons" was en dus de tijd zou trotseren. Tot hier toe heeft hij gelijk gekregen, maar iedereen beseft ook sinds het tijdperk van de relativiteit dat eeuwigheid een relatief gegeven is, en dat zelfs relatieve gegevens relatief zijn. Je kan overigens tijd ook niet helemaal opdelen. Er bestaat geen subatomaire tijd. Zoals zelfs de oude Grieken al wisten, is dat een filosofisch probleem, omdat je uiteindelijk terecht komt bij afzonderlijke momenten van volslagen stilstand, waardoor beweging logisch gezien iets erg onlogisch is.

Toch bewegen we. Toch gaan we vooruit en achteruit, beweegt de tijd zich in geweldige stromen om ons heen, verdrinken we erin en komen we er weer uit, aan de oevers, om te rusten en ons af te vragen wat er allemaal voordien gebeurd is, waar we nu zitten en wat we moeten doen om verder vooruit te raken. Luctor et emergo. Ik droom vaak over liften. Liften met glas, waardoor ik alles wel kan zien, maar geen snars begrijp van de escheriaanse architectuur die zich voor mijn beperkte perspectief ontspint (treinstations, luchthavens, winkelcentra). Of liften die op hol slaan en door het dak naar buiten vliegen. Eerst de angst, en dan de bevrijding van de val. Was het ook dat, wat de astronauten voelden toen de Challenger of de Columbia opbrandden in de atmosfeer? Of waren ze al in coma? Men zegt dat de geest sneller gaat werken in omstandigheden van doodsangst en extreme stress. De instincten nemen het over, en tijd wordt een brakke poel. Er zijn verhalen over politie-agenten die op die manier kogels zagen aankomen en zelfs het merk op de kogel konden lezen. Of een heroïsche moeder die met bovenmenselijke kracht een drie ton wegende kraan optilde om haar geknelde kind te bevrijden. Het is de eeuw van het anekdotische, het amusante. Grote theorieën zijn te onhandig geworden om alles aan op te hangen, en wie dat nu doet (christelijke fanatici, moslimterroristen, kale sekteleden) is een mens die in principe zegt dat hij er genoeg van heeft, de witte vlag laat wapperen en zich maar liever terugtrekt in een ingebeeld verleden of een infantiel toekomstbeeld. Maar eerlijk is eerlijk, als één van die profeten gelijk heeft, en morgen komt God om zijn oordeel te vellen, dan ben ik binnen enkele ogenblikken een zwarte Pompeii-mens, kruimelig en verdraaid in al zijn diepmenselijke tragikomedie.

In mijn dromen kwamen soms heiligen voor. Nu al lang niet meer. Ik heb nooit met Jezus in de lift gestaan, en de laatste keer dat religie een rol van betekenis speelde, was toen ik in een veel te heet Griekenland op temperatuur was gebracht met alcohol. Toen meende ik Dionysos te ontwaren, grijnzend. De volgende dag scheet ik mijn broek vol. Opnieuw dat anekdotisme. Maar wat zegt dat, wat betekent het over ons, over ik en over jou, en over het zijn als mens in deze wereld? Het is niet veel meer dan een bescheiden viering van het voorbijgaan van de zaken. Door ouder te worden leert een mens loslaten. Ik kan moeilijk verstaan waarom zoveel mensen vasthouden aan verbittering. Of zoals een betere woordscultpeur dan ik zei: "For all the people whose worthless ambivalence / Only leads to frustration and self-obsessed anger." Loslaten en passie sluiten elkaar niet uit (weinig sluit elkaar uit, in principe). Was de lift die door het dak knalde een uiting van dat gevoel? Dat is een brug te ver, allicht. Bovendien zou Freud zeggen dat het een metafoor was voor de ejaculerende oerman, of zelfs het proces van conceptie, want als ik zelf in die lift zit, ben ik een spermacel. Vergelijk en oordeel over feit en fictie. Er is veel dat ik losgelaten heb. Erg veel daarvan wilde ik ook loslaten. Niet om iets te bewijzen, of om te ontsnappen, maar omdat ik vond dat de zaken op die manier minder gecompliceerd gingen liggen. Loslaten van voorbije vijandschappen. Oude liefdes uitzwaaien en opbergen in een schoendoos. Of vaarwel zeggen aan plaatsen wier betekenissen intussen uitgeput waren. Ik hoop steeds dat me dat een beter mens gaat maken. Het is in elk geval de moeite waard om het te proberen - meer dan erover te schrijven.