Over 'Onklare taal'

'Onklare taal' is de verzamelnaam van diverse tekstprojecten van mijn hand. Dit is de afdeling columns en microstories daarvan. In 2017 bracht ik 'In de vorm van een vogel' uit, een bundeling van de beste 99 teksten van dit genre tot op dat punt, netjes geredigeerd en per seizoen geordend. Je kan die antologie gratis downloaden als je Patron wordt. De weg een beetje kwijt? Mijn eigenlijke website, die ook 'Onklare taal' heet, verwelkomt je.

zondag 26 februari 2012

De kleinst mogelijke eenheid

.
Eerste bedrijf


Zoals de Spaceape mc't met zijn dreigende basstem, vol van ingehouden intellectuele woede: "As day becomes night, so much of our space evaporates from sight". Er is al heel wat gezegd over die overgang die elke dag plaatsvindt, als de aarde meridiaan per merediaan in of uit het zonlicht schuift. Het is niet zozeer dat de zaken verdampen, denk ik, als ik dwars door de stad wandel met Roman, maar dat de vage trekken van kunstlicht ervoor zorgen dat hun ware aard naar boven lijkt te komen. Oneffenheden verdwijnen of krijgen lange, artistieke schaduwen. Gedachten keren zich binnenstebuiten. Het is na middernacht en we zijn fors aan het doorstappen, maar het voelt niet alsof deze dag echt ten einde is (wat eindigt er ook ooit echt?). Roman ontwijkt een dronken man die naar ons roept in een mix van Engels en Arabisch. Ik ruik in de ene straat de volslagen afwezigheid van mensen, in de andere straat een geur van gefrituurd voedsel.

Op school leerden we ooit dat verhalen lopen volgens een patroon: aanvang, breuk, dynamiek, evenwicht en slot. Ik ervoer die reductie als een belediging en verknoeide opzettelijk de creatieve schrijfopdracht die ermee verbonden was. "Pak aan, katholiek onderwijssysteem!" zal ik vol trots gedacht hebben. Vandaag is het dan weer ok om af en toe eens een geijkt pad te volgen. Een ware rebel is een ware karikatuur. Roman en ik nemen afscheid. Hij gaat huiswaarts terwijl in zijn hoofd de stemmen nagisten van Del Naja en Fraser. "Flickering I roam, till daylight sends me home". Ik, van mijn kant, ga nog Georgy gelukwensen met zijn verjaardag. Kleine mensenclusters en oude bekenden zitten op het eind van het café opeengehoopt en halen hun beste bullshitkunsten boven. Het is één van mijn lievelingstaalspelen omdat het geen enkele persoonlijke betrokkenheid vergt. Van daaruit kan je nadien nog overstappen op ernstiger thema's. Niet deze nacht. De mensen zijn moe. Ik ben aan het extrapoleren.

Aldous Huxley dacht door zijn ervaringen met mescaline dat het brein een complex netwerk is aan sluizen. Bij baby's moet dit systeem zich nog ontwikkelen - vandaar dat ze beschikken over superkrachten als supergehoor, supersnel leren en het vermogen om lichaamstaal veel effectiever te lezen dan volwassenen. Hoe ouder we worden, hoe meer we onszelf afsluiten en opsluiten. Onze geestelijke gezondheid wordt erdoor bewaard. Huxley geloofde verder ook dat er bij religieuzen, zotten en artiesten iets scheelde aan die sluizen. Zo kernachtig had ik het nog nooit gelezen, maar het voelde aan als waarheid. In filosofie kan het net zo gaan: je leest iets dat je vanzelfsprekend vindt en hoewel het de eerste keer is dat je het ziet staan, lijkt het iets dat je zelf al lang wist. De mens is een brok steen waar een standbeeld in zit. Sommigen noemden dat uithouwen een vorm van autochirurgie, anderen duwden de mensklompen het onderwijs binnen om in serie gebouwd te worden. Huxley was er pessimistisch over - ik niet zo.

Tweede bedrijf

Er zit iets van subvocale poëzie in het geluid van een bos sleutels. De anticipatie, de geruststelling. Grote geluiden zijn alleen maar geweldig vanop afstand. Een trein rijdt voorbij, helemaal in de verte, veel te ver om te kunnen horen. Ook daar zitten mensen in, denkt een banaal deel van mezelf. Als ik nu over de reling val, ben ik mogelijk dood door shock nog voor ik de grond bereik. De ergste dood is de dood waar je maar een paar seconden voor krijgt om hem te beseffen. Ik blijf liever nog even leven.

Inspiratie is zo tastbaar dat ik maar m'n ogen en oren hoef open te houden om haar in me op te nemen. Het lijkt vanzelf te komen, maar het is het resultaat van een jarenlange conditionering. Aandacht voor de kleinst mogelijke eenheden van signalen, een intuïtie voor het grotere geheel. En toch gaat nog zo veel verloren. Het ligt niet aan de woorden die we links laten liggen of de onafgewerkte gedachten die we nooit meer kunnen terughalen, maar opnieuw aan indruk die boven indruk gestapeld wordt en tot één moeilijk te ontrafelen netwerk wordt aan gevoel, instinct en valse herinnering. Dat klinkt tragisch, maar is het niet. We kunnen niet anders, dus kunnen we er maar evengoed proberen het beste van te maken.

Tot vandaag wist ik niet dat er in Gent gebouwen waren die zo hoog reikten. Ik zie de hele westkant van de stad. Een sigaret brandt op tussen mijn vingers, tuimelt, rolt, verspreidt zijn lokroep. "All sparks will burn out," declameert Tom Smith in m'n binnenoor. Een goed nummer met waarheden die plat en cliché klinken als je ze loshaakt uit hun geluidscontext. Context is alles. Ik kijk in noordelijke richting, dan in zuidelijke richting. Er is weinig wind en de zon wordt tegengehouden door één grijze wolk. Niemand heeft dit ooit geschilderd. Wat als we één moment oneindig konden bestuderen en laag na laag blijven toevoegen tot dat ene kleine moment alle andere momenten in zich draagt? Het zou volstrekt ondraaglijk zijn. Kunst die te veel kunst is, is onmenselijk. Ook de volmaakt ethische mens is per definitie een onmens.

Ik draai me om maar laat het laatste eindje van de sigaret niet meedraaien. Roker met zijn instrument. De miniscepter van een koninkrijk van ongezondheid. Binnen is er nog koffie, en koffie is goed. Ik weet niet waarom caffeïne uit koffie een onmiddellijke impact heeft, en niet als het in andere dranken gesmokkeld zit. De zon schijnt in m'n rug. Het is geen dag om zwart te dragen, maar esthetiek heeft lak aan praktische bezwaren. Deze hele wereld lijkt er lak aan te hebben, maar het is nog te vroeg om me te wagen aan ideeën die de hele wereld willen omarmen. De kleine eenheden. Ik doof en plet de sigaret in een daarvoor bestemd bloempotje, en vind de enig overgebleven plek waar ik dat kan doen. Het triviaalste van alle successen.

Derde bedrijf

Teodor heeft een magnifieke woonkamer. Er staat een portret in van hemzelf als een soort dandy-Satan, met snor. Teodor is één van die mensen die erg goed is in kleine groepen, zoals vandaag. Het valt me op dat hij zijn mensen behandelt als kostbare wijn, met een mix van uiterste zorgvuldigheid en cynisme dat los uit de pols komt. Hoe kan je nu niet houden van hem? We zitten met vier mensen verspreid over zetels. Drie van ons werken in marketing en geven volop kritiek op de tv-reclame, maar er is geen race om de cleverste commentaar te geven. De kamer beweegt op een seesaw-ritme van conversatie naar conversatie, van observatie naar pointe. Teodor toont een filmpje op z'n smartphone van een beroemdheid die volledig opgefokt op drugs en eigenwaan een surreeël potje maakt van haar passage bij flegmaticus Jonathan Ross.

Opnieuw sijpelt Tom Smith mijn oor binnen, deze keer van de andere kant: "People are fragile things, you should know by now." Toen ik dat nummer voor het eerst hoorde, verstond ik de tekst verkeerd. Ik dacht dat hij zong: "People will laugh at you, you should know by now." Zeggen mondegreens iets over wie we zijn? Wij zijn niet echt, maar worden voortdurend, groeien en krimpen. Elke analyse is een opgeschort oordeel. Het gezelschap palavert over telefoons en junkfood en iedereen zit z'n eigen vergif te drinken. Ook hier bevind ik me weer op een balkon. Aan de overkant van de straat is het altijd dezelfde grote, groene poort die mijn aandacht trekt. Ik heb er nog nooit bij stilgestaan wat erachter ligt. Sommige dingen neem je gewoon aan zoals ze in de wereld geplaatst zijn.

Na middernacht, opnieuw een dag die eindigt na wanneer hij hoort de eindigen volgens de bevoegde overheden, koers ik terug door de straten. Het is te lang geleden dat ik gefietst heb, en het doet deugd. Anders gaat alles te voet, of met de auto. Bergaf is er tegenwind, bergop is er rugwind, en zo is deze kleine wereld, de kleinst mogelijk eenheid daarvan, even een rechtvaardige plaats.

donderdag 16 februari 2012

Parallelle levens

Het is een milde, natte februari-avond als ik naar buiten stap zonder sjaal. Meteorologisch gezien is het een doodgewone, zelfs saaie, miezerige dag. De avond doet geen recht aan de omwentelingen om ons heen, maar zo gaat dat nu eenmaal - de banaalste contexten kunnen de belangrijkste feiten in zich dragen. Hannah Arendt mag dan gesproken hebben over 'die Banalität des Bösen', ik hou persoonlijk meer van de fractaalachtige structuur die modernisten uit het banale wisten te puren. Tegen het aanstromende verkeer moet je met zulke lulkoek natuurlijk niet komen aanzetten, ook al is lullen mijn broodwinning. Aan de poorten van de appartementsgebouwen staan vuilzakken buiten als dikke vrouwtjes met een gele regenjas, ongracieus natgeregend. Ik snuif de lucht op. Dat doe ik vaak, alsof ik er mee zou kunnen aanvoelen wat voor sfeer de omgeving regeert.

In de hall van mijn appartement, waar ik me nu met elke volgende stap verder van verwijder, ligt een stapel bruine enveloppen te wachten op postzegels. Ik ben realistisch over mijn kansen bij uitgevers, omdat ik intussen weet dat ik kan schrijven, maar daar niet alleen van afhangt of je een uitgever vindt of niet, en ook omdat ik weet dat de kans klein is dat ik het stratosferische niveau zal halen van mijn eigen literaire helden. De ambitie is altijd groter geweest dan het resultaat. Net dat heeft me ook wel in staat gesteld uit te stijgen boven mijzelf. Uit een venster weerklinkt ruzie. Op straat staat een groepje West-Vlamingen rond een auto luid te praten over bier. De hemel zelf ziet er zompig uit. Zoals steeds word ik achtervolgd door muziek. Een grote auto rolt door de straat. Hij is wel tien meter lang, volledig groen geschilderd en op het dak staat een zwembad waar een harige travestiet in bikini in zit.

Overal lijk ik mensen te herkennen maar dat komt omdat het donker is, de verlichting schaars en ik elke dag ouder word. Een meisje met een strenge tred en een Frans uitziend kapsel doet me denken aan iemand die ik bijna alle dagen tegenkom in de metro en altijd kauwgom eet. Misschien om te proberen stoppen met roken. Misschien als bezigheidstherapie. Misschien is het qat. De slotsom van de vergelijking is dat niemand er een moer om geeft, en dat is ok. Aanvaarding is een deugd. Niet dat we niet meer aan onszelf mogen werken, maar wild in het rond blijven zwaaien met sloophamers is nooit een oplossing geweest. Aan een smeedijzeren hekken waar ik langs stap zit een leeuw die me indolent aankijkt, en ik krijg er zin van in een goeie lap biefstuk.

Ik ben onderweg naar een café (waar zou ik 's avonds anders nog te voet naartoe gaan als het geen sociale gelegenheid was) waarvan ik weet dat de baas soms last heeft van buien van razernij en al een keer zonder aanleiding met stoelen was beginnen gooien. Cafébazen zijn een soort apart. Een draad muziek kruipt terug naar omhoog langs mijn been - een droef-dreigende baslijn die elk moment kan muteren tot een gesmoorde, onverstaanbare stem die zich verliest in ruisende percussie. Woorden doen de werkelijkheid weer eens geweld aan. Op de hoek van de straat kruisen zes studenten mijn pad en ze vragen me om vuur. Van mijn kant verbaas ik me er om dat ik dat nog steeds bij me heb, hoewel ik probeer te stoppen met roken. Proberen stoppen met roken, bestaat dat wel? Je rookt of je rookt niet. Voorlopig niet, dan. Eén van de studenten steekt een enorme pijp aan en begint de brabançonne te zingen.

Is niet elke werkelijkheid inbeelding? Als we beseffen hoe vaak onze geheugens liegen tegen ons en het brein het lichaam naar zijn hand probeert te zetten, waar staan we dan met onze pogingen tot controle? De dingen gebeuren. Mijn favoriete artiesten hebben nieuwe muziek uit, ik heb een bundel af vol poëzie van twijfelachtig allooi, uitgevers zitten niet te wachten op mijn werk en rondom me lijkt iedereen zich voortdurend schrap te zetten tegen economisch noodweer. Het werk gaat hard, de slaap gaat harder. Om het hele leven te omvatten, zou ik nood hebben aan een constante buitenlichamelijke ervaring, maar wat heb je daar aan zonder de kans iets mee te delen over die ervaring? De ware observanten zijn gedoemd tot steen. De rest praat. Ik stap over de drempel en zwaai de deur van het café open. Er zit binnen een aap met een enorme bril op de luster, en een groep Italiaanse carabieneri viert de opening van een gat in de grond waarin mensen al hun slechte herinneringen, schuld en schaamte kunnen weggooien. Ik denk dat ik er een extra voorhoofdsrimpel bijgekregen heb.

maandag 23 januari 2012

Ik, Westerse blanke man

Vandaag stond ik erg vroeg in de ochtend op om naar het werk te gaan - eerst met de bus, dan met de trein, dan de metro, en het laatste eindje te voet. Omdat het nog zo vroeg is, is het in termen van uitgaan tegelijk erg laat en daardoor kruis ik soms het pad van diehard-uitgaansvolk dat naar huis gaat of strompelt. Deze morgen trof ik weer zo'n paar exemplaren aan. Ze floten niet naar me of, godbetert, de kans dat ze me zouden betasten of smerige dingen naar het hoofd slingeren was zo goed als onbestaande (ik ben welgeteld ooit één keer in het passeren "homo" genoemd door een dwerg met een fetaal alcoholsyndroomgezicht in mijn uitgebreide carrière in het passeren van dronkelappen). Ondanks de enorme toestroom van volk aan de treindeuren kon ik moeiteloos als één van de eersten naar binnen omdat ik groter ben dan gemiddeld, jonger en behendiger. De conducteur kwam langs om m'n abonnement te zien. Als ik het niet had bijgehad, zou hij niet onmiddellijk gedacht hebben dat ik een fraudeur of marginaal was omdat ik een das draag en niet bruin ben. Niemand in het bijzonder staarde me aan of probeerde een conversatie met mij aan te knopen puur omdat ik een man was.

De trein stond een kwartier lang stil. De NMBS als grote gelijkmaker, dacht ik even, maar infeite was niks minder waar, want opnieuw drong het besef tot mij door dat ik een gelukzak was, toen ik informatie nodig had in het station. Iedereen was correct en professioneel tegen me, en als ze dat niet waren geweest, zou ik zeker niet gedacht hebben dat ze dat waren omdat ik een blanke man ben. Misschien omdat mijn Frans niet zo goed is (vive Bruxelles), maar ik had me zeker nooit beroepen op een Vlaams calimerocomplex.

Toen ik uit het metrostation tevoorschijn kwam, was de zon al aan het opkomen over een zeer drukke Tervurenlaan. De geur van regen gistte nog na over het trottoir en het oranjeroze van de ochtend joeg een pak grijze wolken voor zich uit. Ik passeerde enkele voorbijgangers, onder andere een jong meisje in een strakke jeans. Haar houding verstarde één seconde en ontspande weer toen ik voorbij was. Mogelijk dacht ze: "Je weet nooit wie daar zo snel achter je aan komt gestapt, het kan altijd een of andere foute vent zijn met rare bedoelingen" en het was iets waar ik me bijna nooit zorgen over hoef te maken, dacht ik dan weer. Dubbel privilege in de categorie "structuren van macht", Luc, voor €5000. Het meisje ontspande mogelijk ook omdat ik niet behoorde tot een groep mensen die door de media en perfide politici gebrandmerkt worden als potentiële criminelen.

Op het werk zat ik wat te suffen in een vergadering omdat ik me nog moe voelde, en tekende ik in mijn notablok een zeppelin. Mijn verstrooidheid werd me niet echt kwalijk genomen, en geen mens die eraan dacht mij etiketten als "leeghoofd" of "dom blondje" op te plakken. Toen ik even later over iets m'n mening gaf, was er niemand die m'n mening afdeed als "onnozele mannenpraat" of zat te denken dat ik mijn job te danken had aan hoe ik eruit zag. Nog wat later gaf ik ongezouten kritiek, en opnieuw niemand die me een "bitch" noemde.

Tijdens de lunch maakte iemand een grap die een paar homofobe connotaties had, maar dat raakte me niet omdat ik hetero was. Misschien had ik iets moeten zeggen, maar het leek zoeken naar spijkers op laag water en ik was er vrij zeker van dat geen één van mijn collega's actief homo's haatte. Ik vroeg me daarbij ook af of homohaters zichzelf zien als homohaters. Een kwart van de Belgen (Vlamingen én Walen) gaf ooit in een enquête toe tamelijk tot zeer racistisch te zijn. Daarover gesproken werd ik op de terugweg naar huis in de metro eveneens niet nageroepen of aangesproken door groepjes hangjongeren.

Op de trein naar huis viel ik in slaap en droomde ik niets in het bijzonder op een avond die al bij al ook niet erg bijzonder te noemen viel: koude bries, regenwolken, januari en het soort momenten waar je al professionele bezadigdaard voor moest zijn om er iets interessants uit te puren. Er was niemand die verder deuren voor me openhield uit goedbedoelde patriarchale opvattingen. Niemand die me zou veroordelen voor het aantal sekspartners dat ik al in mijn leven gehad heb, niemand die ervan uitging dat ik kwade plannen had, niemand die me als een idioot behandelde omdat ik een bepaalde leeftijd had, kortom niemand die me een strobreed in de weg legde. Aan het laatste verkeerslicht voor ik thuis kwam, stond ik naast drie andere mannen. Ze hadden het met stellige zekerheid over het feit dat het "feminisme toch wel te ver was gegaan". Het deed me alweer denken aan de reden waarom ik meestal vermijd om te praten over sociale en politieke kwesties.

zondag 15 januari 2012

Canon in G mineur

Langzamerhand raak ik uitgekeken op de stad. Ik voel het in mijn zich verwijdende inspiratie, de trottoirs waar ik al zo vaak dezelfde routes heb afgelegd, en de banen die ik ook nog stomdronken en stoned vanbuiten ken. Het is mooi geweest met de cafés waar ik al jaren kom, de mensen die ik al zo lang graag zie en de voorspelbare zekerheden van de weken en seizoenen. Maar wat moet ik dan doen? Als Schouwenaars in ballingschap gaan op het platteland? Ik weet hoe het er is want ik heb er twintig jaar gewoond en bovendien is het platteland waar hij over schreef al lang verdwenen. Ik zou naar het buitenland kunnen gaan, maar daar zou ik me mogelijk te ontworteld voelen, een permanente vreemdeling met een raar accent, die gedoemd is tot excentrieke oppervlakkigheid.

Kalmaan. Terwijl ik probeer te weerstaan aan de drang om een sigaret te roken, overweeg ik de opties, maar de conclusies zijn ontluisterend. Ontsnappen aan het systeem is gedoemd om te mislukken. De schokken van de eurocrisis, de excessen van het marktfundamentalisme in de Verenigde Staten en de expansie van China zijn overal even onontkombaar, tenzij je al obsceen veel geld had en op die berg kan gaan zitten terwijl de rest van de wereld wegbrandt. Ontsnappen aan mezelf is al even onmogelijk, want het is ook daar dat ik op uitgekeken ben. Voortdurend ervaar ik een verlangen naar rust, naar ergens wegdrijven op een opblaaskussen in de zee, of 24 uur aan één stuk slapen. Ik ben aan het desintegreren, zegt een pathetische stem, wild orerend als een Mussolini van het gevoel. Ik moet nog even blijven liggen en de zaken rustig aannemen voor wat ze zijn, zegt de stem van een Boeddha.

Schrijvers moeten ook lezers zijn. Dat zegt bijna elke schrijver, of die nu een beginner is of een gevestigde waarde. Andere schrijvers lezen inspireert, verrijkt, doet vergelijken en voedt ideeën. Dat is zo klaar als een klontje. Toch zijn er veel huis-tuin- en keukenschrijvers die dat niet echt nodig blijken te vinden en dan vaak komen aanzetten met erg amateuristische producten die alleen in een context van haast 'art brut' nog interessant te noemen zijn. Mijn vriend Fjodor moedigt mensen voortdurend aan om te lezen, ik zeg altijd dat ze vooral moeten blijven schrijven. Er valt voor beide benaderingen iets te zeggen.

Ik heb geen tijd om meer dan twee boeken per maand te lezen, en bovendien is mijn belangstelling te breed om te beperken tot het taalgebied van Claus en Mulisch. Ooit kreeg ik zelfs te horen dat ik moest ophouden met verborgen verwijzingen te weven naar oosterse filosofie of naar Amerikaanse science fiction omdat "niemand" dat kent. Wel ja. Ik zal even een geheim delen: de bredere Nederlandstalige literatuur en ik zullen nooit goede vrienden worden. Het is een feestje met verschillende kliekjes. Je hebt daar een hoop zelfreferentiële, pompeuze mensen die elkaar aftrekken in het snoeven, gnuiven en elkaar nog louter voor de vorm lijken te bekritiseren. Hier staat dan weer een kluit mensen die alles wat verschijnt krampachtig in een traditie wil gaan plaatsen. Je hebt tenslotte nog een paar schorre schreeuwlelijken die meer kabaal maken dan wat anders, zielige oude rockers eigenlijk. Ik ontsnap zelf niet aan die kritiek, veronderstel ik, maar ik neem er al genoegen mee dat ik literaire evenementen niet opvat als een verklede Waregem Koerse waar men komt etaleren hoe mooi gecultureerd men wel niet is. Ook daar zou ik maar wat graag aan willen ontsnappen.

Ik wil proberen stoppen met roken en een hartelijk vaarwel zeggen aan slechte gewoontes, maar dat gaat niet vanzelf, natuurlijk. De eerste maanden van het jaar liggen bezaaid met tweedehandsvoornemens en weinig verheffende zelfreflecties. Omdat ik naar de magische dertig toe aan het opschuiven ben, heb ik aanvaard dat verandering in stappen komt. Er komt waarschijnlijk geen enorme apocalyps van het systeem waar graag steentjes naar gooi. Ik zal niet morgen opstaan en een fonkelnieuwe, jonge gezonde god worden. Er is tijd voor nodig. De lawine is omgeruild voor de gletsjer. Misschien moet ik dan ook traag mijn grote ontsnapping plannen uit de stad die me steeds minder kan boeien. Elke dag een centimeter verschuiven. Elke euro die ik niet besteed aan roken, in een spaarfonds beleggen waarmee ik op termijn een schuiloord mee kan kopen elders. De vraag blijft waar. Londen of toch maar Antwerpen? Parijs, om het mezelf lastiger te maken, of Brussel, dat al buitenland is in eigen land. Misschien wordt het wel Berlijn maar strand ik onderweg in Bütgenbach. Ook goed.

De voorlaatste sigaret ligt uitgeduwd in de asbak, die straks terug in de kast gaat. Er is geen nieuw begin, geen closure. Maar diep vanbinnen ben ik afscheid beginnen nemen van mijn thuisstad, die er nu koud en verweesd bij staat. Letterlijk zei iemand me ooit dat ik "geen echte schrijver" was in vergelijking met iemand anders, omdat ik niet constant dronken was en geen marginaal was. Daarna had ik last van een acute esprit d'escalier, want ik had moeten zeggen dat iemand die zoiets zegt, "geen echte lezer" kan zijn. Wat wel waar is, is dat ik toch geen echte revolutionair ben, hoe graag ik er ook één had willen zijn. De dingen komen voortdurend, en ze komen traag. Dat is ok.

donderdag 1 december 2011

Sixtijnse discipline

Ik lig op de vloer van mijn appartement en staar naar het plafond. De verandering van perspectief doet me terugdenken aan neerliggen in hoog, nat gras en turen naar voorbijkabbelende wolken, mijn ogen beschermen tegen te helder zonlicht of op een koele lente-avond kijken naar de sterren als die niet aan het zicht onttrokken worden door wolken. Toch zie ik alleen mijn plafond, beige en bescheiden in zijn burgerlijkheid. Ik lig op de grond omdat ik situps probeer te doen - mijn eeuwige knipperlichtrelatie met het gevecht tegen de entropie. Ik ben ervan overtuigd dat het er idioot uit ziet, maar zoals Reve schreef over hoe hij alleen en dronken in zijn bed plaste en niemand het een bal kon schelen behalve God, denk ik ook niet dat dit een moment is dat de eeuwigheid zal in gaan.

Het appartement wordt bevolkt door vreemde geuren. Huisgenoot Natasha is soep aan het maken. De huiskater scharrelt neurotisch rond en wil zowel aandacht als eten, als een eeuwig mentaal gehandicapte peuter op vier poten met een staart en klauwen. In mijn haar en aan mijn huid kleeft nog opgedroogde regen, deodorant en de smaak van sterke instantkoffie op kantoor. Terwijl ik van beneden naar boven beweeg en mezelf bewust pijnig om situp per situp, dag na dag die bescheiden buik te zien wegsmelten (vijf kilo verliezen valt best mee, zou je denken), tuimelen al die indrukken over elkaar heen in mijn hoofd. Je zou soms momenten lang willen stopzetten om ze te blijven ontleden en lagen in te gaan ontdekken. Lagen van geuren, van stof, van over elkaar heen gedrapeerde kleren op stoelen en van broodkruimels die afkomstig zijn van een maaltijd met gebakken eieren. Banaliteit is een schatkamer aan ongezegde veelheden en herhalingen, en net daarom ook zo verwaarloosbaar.

Mijn buik begint tegen te spartelen. Dat is een goede zaak. Het doet me denken aan dat psychologische experiment dat men uitvoerde met vijfjarigen. Men legde een koekje voor hen op tafel. De onderzoeker zei dat ze het mochten opeten als ze wilden, maar als ze vijf minuten konden wachten, zou hij terugkomen en kregen ze twee koekjes. Jaren later bleken de kleuters met meer zelfbeheersing ook de meer succesvolle mensen in het leven: doctorandi, geslaagde zakenmensen, tevreden familieleden en productieve leden van de samenleving. Ik vraag me af hoe ik bij zo'n experiment zou gevaren hebben. Als iets de moeite waard is, kan ik mezelf beheersen, denk ik. Alleen is er weinig de moeite waard. Twintig, eenentwintig. We gaan naar de dertig situps, met gezwinde bewegingen, anatomisch correct en medisch verantwoord. Impulscontrole is een fascinerende zaak.

Plafond en muren kantelen bij elke opwaartse en neerwaartse beweging. Ik hoor de soep in de keuken stomen en laat me overweldigen door de kalme banaliteit van de avond. Dat kan. Dat moet af en toe. Je kan niet leven van hoogtepunt naar hoogtepunt. Ik denk aan een glas vodka, straks. Я не люблю водку, водкa я. Franse vodka wordt onderschat in Europa. Vijfentwintig, zesentwintig. Het lichaam moet in vorm gebracht worden. De leraar, zei Sloterdijk, is de figuur die wil dat ik wil, en ik probeer mijn eigen leraar te zijn. Aan de andere kant heb ik lak aan autoritaire figuren omdat ik er stiekem zelf één ben, en zo is elke mens op een bepaalde manier een eeuwige slang die zijn eigen staart aan het opeten is.

Dertig en stop even, rusten. De ogen sluiten en dan weer openen. Het beige plafond is onveranderd, maar ik had dan ook niet verwacht dat er plots schilderingen op zouden gekomen zijn in het genre van de Sixtijnse Kapel. Mijn huiskater komt aan mij snuffelen. Voor hem moet het absurd zijn dat zijn baasje op de vloer ligt en deze oefening doet. Het is tegelijk geruststellend en bevreemdend dat hij, als nauw verwant zoogdier, een aantal uitdrukkingen heeft die even diep ingeëtst zitten in mijn eigen dierennatuur als in de zijne - verbazing, angst, woede, walging, nieuwsgierigheid. Je ziet het ook bij honden, dolfijnen, paarden en olifanten. Ik kom terug in beweging. En octopussen. Zullen we ooit echt mens, ideaal mens, kunnen worden tegenover elkaar als we dieren blijven afbeulen en mishandelen? Er wordt wel eens gezegd dat men de kwaliteit van een maatschappij kan afmeten aan hoe de allerzwaktsten het stellen. Misschien kan men dat a fortiori beweren over de dieren.

Nu gaat het van links naar rechts, elleboog die knie aanraakt. Het einde van de oefening is in zicht. Zovele gedachten die met elke ademtocht uitgestoten worden, en ik besef dat het geen moer uitmaakt. Het brein draait voortdurend nutteloze overuren als een soort vergiftigd geschenk van de evolutie. Ik denk aan Einstein die naar verluidt zijn eigen schoenveters niet kon knopen. Of Franse existentialisten die na het samenstellen van enorm fijnbesnaarde intellectuele theorieën opgewonden werden van zich te laten insmeren met stront. Er zit poëzie in. Men vermoedt er een achterlijke karmische rechtvaardigheid achter. Veertien, vijftien aan de linkerkant. De zwakke kant. Rechtshandig, linksbreinig. Daar bestaan ook parapsychologische theorieën over. Natasha haalt de soep van het vuur en de kater verliest zijn interesse in me. Ik kijk uit naar mijn twee koekjes straks. Mijn voor het geestesoog zwevende glas vodka. Bitte, bitte, gib mir Gift.