Over 'Onklare taal'

'Onklare taal' is de verzamelnaam van diverse tekstprojecten van mijn hand. Dit is de afdeling columns en microstories daarvan. In 2017 bracht ik 'In de vorm van een vogel' uit, een bundeling van de beste 99 teksten van dit genre tot op dat punt, netjes geredigeerd en per seizoen geordend. Je kan die antologie gratis downloaden als je Patron wordt. De weg een beetje kwijt? Mijn eigenlijke website, die ook 'Onklare taal' heet, verwelkomt je.

maandag 22 juli 2013

Het zijn de zotten die hier koning zijn

Nadat ik mijn auto achtergelaten had in de momenteel nog doodse Machariuswijk, ging ik te voet naar het centrum van Gent onder een brandende namiddagzon. Voor de gelegenheid was m'n melkblanke zelf slechts gehuld in een lijveke en een pas verknipte jeans die verdachte gaten vertoonde rond de liesstreek. Ik had besloten de Gentse Feesten van 2013 zo veel als ik kon te mijden, omdat het een herhaling was geworden van hetzelfde ritueel, al sinds 2006: overdag drank stockeren, afspreken na zonsondergang met enkele welwillenden, en dan steevast eindigen in het Baudelopark in het vertrapte gras, dronken of anderszins onnozel en gesprekken zonder betekenis aanknopen met wildvreemden. Buiten een paar vage foto's en een gefaalde koppelpoging leverde het me nooit wat op, en bovendien was er de laatste jaren over de Feesten ook een sentiment neergedaald van latent liefdesverdriet. De zomer, zo had ik al jaren het gevoel, was eigenlijk iets voor andere mensen.

Maar nu was ik dus toch onderweg naar het epicentrum van de Feesten, en wel omdat ik zou optreden bij 'Dichters in 't raam', waar ik ook het jaar voordien van de partij was. Tegen optredens zeg ik nooit nee tenzij ik andere verplichtingen heb. Voorbij de lome schaduwen van het brutalistische Belgacom-gebouw sloeg de hete waanzin van de Feesten me vlak in het gezicht. Uit één café klonk een dolgedraaide Italiaanse ballade terwijl ik vanop het trottoir gekeurd werd door twee vrouwen van middelbare leeftijd en een oudere homo, terwijl een wilde kleuter bij een opgeblazen brasserie met een speelgoedpaard zijn stoeltje aan stukken trachtte te meppen. Groepen jongeren, ouderen en bruineren waaierden uit over de gehele straat. Vanop de Vlasmarkt pompten de beats me reeds tegemoet, de dappere inspanningen van een trio rockers met corpse paint niettegenstaande.

De Vlasmarkt zat vol, maar niet afgeladen. De hitte had de professionele dronkaards weggejaagd. Intussen moest ik m'n zonnebril af en toe terug naar boven schuiven omwille van het zweet dat uit m'n (net geknipte) haar liep. Overal waren er mooie mensen te bespeuren. Eigenaardig gevormde mensen ook. Mannen met korte dunne benen en een gigantische bierton, of vrouwen met een sensueel lichaam maar een gezicht dat er 20 jaar ouder uit zag. Aan een fruitstand probeerde iemand in de taal van Pierke Pierlala een verkoopster te imponeren. Ik zwom door al die dingen met de schoolslag van een ervaren warmteduiker.

Eens aangekomen bij Lottes Leescafé leegde ik een Duvel op wat een recordtempo moest zijn, terwijl ik m'n ogen uitwreef van het zweet en m'n materiaal (wat vellen papier, een fototoestel en een boek voor het geval dat, want als schrijver betrapt worden zonder boek is een doodzonde) op de bovenkamer afzette. Poëzie-evenementen, als ze al volk lokken, lokken niet zelden vreemde vogels. Om te beginnen zijn veel dichters zelf sociaal onaangepaste individuen, soms met een overschot aan weemoed of gevoelens die ze nergens kwijt kunnen en ergens in de weg zitten tussen henzelf en de rest van de wereld, soms ook met een elefantesk ego dat een triest protest lijkt tegen een wereld die onverschillig is voor poëzie, en dat vooral ziet als een hobby voor wufte marginalen en dronkaards. Er is iets van.

Voordat het evenement goed en wel van start kon gaan en ik schipperde tuseen twee Venijnige Broeders en bevriend volk dat was opgedaagd om me aan het werk te zien, was het eerste slachtoffer van de avond al gevallen: een technicus had in z'n vinger gesneden en werd terstond met een ambulance naar de spoedafdeling afgevoerd. De dichters en het aanwezige publiek overschouwden het met milde berusting. Overal op het trottoir lagen dikke spatten bloed. Het voegde een onbedoeld element toe aan de live-action painting die voor het Leescafé gaande was.

Godfather Frank, de organisator van 'Dichters in 't raam', was gerust op een goede afloop en regelde links en rechts overal zaakjes met baardige mannen en bleek dichtvolk. Intussen was de eerste dichter al aangetreden, een Nederlander die recht uit 1975 gekomen was en een carpet bombing van monosyllaben dropte op het aanwezige publiek. Hij was zo luid en expressionistisch (m'n kop eraf dat hij het niet als ekspresijonisties zou schrijven) dat op een zeker moment de Gentse flikken een kijkje kwamen nemen of hij niet op de lijst voorkwam van Gekende Zotten. Ze lieten hem begaan. Mijn vrienden en ik zagen het aan met ironie.

Na twintig minuten werd ik naar boven gesommeerd. Terwijl een andere dichter bedaard uit eigen werk voorlas en welwillend glimlachte naar het publiek beneden, joeg ik linten tekst door m'n hoofd. Ooit, als ik meer tijd heb, zat ik te denken, leer ik m'n gedichten uit m'n hoofd, want ik vind het rotvervelend om van een vel papier af te lezen. Ik denk altijd dat m'n ogen scheel draaien als ik van dat blad opkijk naar de konijnenspots van de zon of het publiek. Ik had 11 gedichten meegenomen en zou er 6 lezen.

Uiteindelijk verscheen ik voor het venster na een sympathieke introductie door Frank, een kei in het omgaan met de gedeukte zielen in de onderwereld van de Gentse dichterij. Je voelt dat. Ik ploegde door m'n pagina's. Tussen de gedichten door liet ik weinig pauze, wat het publiek weinig te applaudisseren gaf, maar voor het applaus deed ik het ook niet. Waarom ook? Een dichter is geen rockster en één goed gedicht schrijft zelfs de mottigste dichter ook wel eens per ongeluk. In m'n selectie zat ook een verkapte haatliefdesbrief aan de NMBS. Noblesse oblige (obliesje, zou de Nederlander uit '75 gezegd hebben) op nationale feestdag.

Vanuit m'n venster kon ik hier en daar de tricolores zien wapperen in de avondoven van de straten. Gent, bolwerk van dwars belgicisme. Het was geen toeval dat zowel premier Di Rupo als de uitzwaaiende Albert II Gent kozen om te bezoeken als respectievelijk eerste en laatste Vlaamse stad. Ik braakte intussen Engels en Frans uit en reeg de woorden aan elkaar. Achter mij hoorde ik af en toe een zucht van een andere dichter die in de coulissen zat, of gegrinnik om een trouvaille die zijn goedkeuring kon wegdragen. Rond de tien minuten klokte ik af. Bescheiden applaus was m'n deel. Godfather Frank en ik bedankten ons wederzijds, en m'n posse had honger. Het was sympathiek dat ze afgezakt waren.

Vier uur later lag ik op m'n rug in het gras in de buurt van de Portus Ganda als een lamme goedzak te kijken naar vuurwerk dat begeleid werd door breakbeats en hip gezang. Ik dacht aan het gevaar dat Gent erop afstevende langzaam een zelfgenoegzame stad te worden van hippe designbobo's, maar aan de andere kant, dat was nog altijd een beter alternatief dan het Antwerpen van De Wever en zijn kortebroeknationalisten. Daardoor moest ik ook denken aan Filip die de eed vandaag afgelegd had als zevende koning der Belgen. Het meest tekenende daaraan was zijn glimlachje nadien: "zie je wel, ik kan dit". Zijn vader stond aan de zijlijn "vive le roi" te roepen, alsof kleine Filip onstuimig een beslissende pass of tackle had geplaatst op het voetbalveld van FC Young Boys Laken.

Er waren weinig knopen in m'n gedachten. Er zaten tortilla's in m'n maag die ik opgegeten had met de bravoure van een ongemanierde zesjarige, maar dat liet ik niet aan m'n hart komen. Een vriend had fijntjes opgemerkt dat Oost-Vlaamse dialecten verdacht veel woorden hebben voor "niet kunnen eten", en hij had gelijk. Flitsende bloemen en bommen knalden door de lucht. Gillende keukenmeiden. Splinters van rood en groen. Ik dacht aan de sterren die achter dat geweld nauwelijks zichtbaar waren en slurpte van een plastic beker met vodka. Het weekend passeerde de revue. Voor de werkenden onder ons was het een absurd idee dat er morgen iets bestond als opstaan en achter een bureau gaan zitten.

En kijk: met ferm in het achterhoofd dat ik me zo weinig mogelijk ging aantrekken van les Fêtes Gantoises en dat dit niet de zoveelste zomer moest worden van dwaze verwachtingen, werd deze oefening in nietsdoen een bescheiden hoogtepunt in tevredenheid. Ik liet m'n hoofd leunen op m'n intussen verbrande armen, en terwijl het slotboeket de massa in vervoering bracht, en mogelijk enkele oorlogsveteranen PTSD-flashbacks, werd de vrede totaal.

Die stemming hield aan in de autorit naar huis, waarbij ik moest laveren tussen fietsers, voetgangers en andere auto's vol gezinnen die terugkeerden van het vuurwerk. En wat zag iedereen er mooi uit. Ritueel switchte ik tussen kanalen op de radio, die allemaal schadeloze muziek speelden. Geen nieuws. Ik dacht weer terug aan dat monkellachje van Filip, eindelijk koning. Wat mij betrof mocht er morgen een republiek geïnstalleerd worden, maar ik gunde hem zijn moment in het spotlicht. Ik wist dat thuis nog één blik cola en een lege asbak op me wachtten, en de noodzakelijke voorbereiding voor een nieuwe gruwelmaandag van openbaar vervoer en zweethitte, maar ik dreef die gedachten voor me uit, net zoals de nakende slaap niets meer was dan een theoretisch concept.

maandag 24 juni 2013

Maanrivier

Het heeft alles in zich om een lelijke zomer te worden. Het geeft experts in het koetjes- en kalfjesgesprek wel weer een uitgebreide voorraad munitie om de dag mee door te komen, dus dat we weinig zachte zomeravonden zullen hebben met klatergepraat en wijn, is misschien het einde van de wereld niet. Intussen draait het reuzenrad van emoties door, van de ijl makende hoogtes tot de mistige dieptes. Je moet meer adjectieven schrappen, zegt de fantoomredacteur die over m’n schouder meeleest. Je moet vooral je bek houden, zeg ik terug.

Ik ben in Brussel en neem opzettelijk niet de metro die ik normaal moet nemen, en wandel tot aan het volgende metrostation bij het Jubelpark. Brussel, stad van eters, heb ik ooit ergens gezegd, en het is waar. Met het aandikken van de tijd en al haar eenheden heb ik mezelf erop betrapt dat ik indrukken steeds minder opdrink. Is het dat de honger voorbij is? Of is het net dat ik de dingen onverdraaglijk scherp zie. Bijvoorbeeld: op de trein zat deze ochtend een dikke vrouw tegenover me, en die haalde een reep chocolade boven.

Los van het feit dat ik me gegijzeld voel door andermans eetgeluiden, besefte ik ook dat die vrouw weinig goeds kon doen in de ogen van anderen. Een dikke mens die iets gezond eet, daar zit iedereen met genoegen van te denken “ha, eindelijk op dieet!” en als die persoon zit te snoepen, dan heerst de verontwaardiging. Dik zijn, het moet niet bepaald prettig zijn. Maar bekijk het zo: binnen twintig jaar word ik misschien ingehaald door een gruwelijke vorm van kanker, en daar sta ik dan met m’n normale confectiematen.

Al te vaak probeer ik er mezelf van te overtuigen dat ik bepaalde zinnen of slierten woorden moet onthouden, omdat ik geloof dat ze iets zullen zeggen over de condition humaine of op z’n minst amusement zullen bezorgen aan wie ze lezen, maar tegen dat ik ze vergeet ga ik er eigenlijk van uit dat die woorden wel zo geweldig niet zullen geweest zijn. Ook dat hoort bij het minderen aan honger. Er valt minder te bewijzen. Niet dat ik de geweldenaars, brulkikkers en idioten van deze wereld niet graag nog eens een paar klappen zou verkopen, maar het hoeft niet zo nodig.

De fontein sproeit grijs water naar boven in een grijze lucht. Auto’s slingeren over de betonnen ringen van Saturnus, in en uit het groezelige tunnelnetwerk onder Brussel. Ook dat is België. Het wordt tijd dat het verlof is. Je ziet het aan de uitgelaten, gespannen scholieren die net nog wachten op hun resultaten, of de laatste troepen studenten die nog knarsetandend examens moeten afleggen over materie die ze binnen tien jaar niet meer zullen kennen. Het reuzenrad zal zijn revoluties blijven afleggen.

Misschien is het zo, denk ik bij het oversteken en het handopsteken naar een vriendelijke loodgieter die voor me gestopt is, dat ik vergeten ben dat ik honger heb en het daarom niet meer voel. Het is makkelijker om verlangens met stilzwijgen te begroeten dan om er door verteerd te worden (graag ‘Slechte metaforen in het werk van Anton Voloshin voor €5000, Luc!’). Beter om te denken dat het wel gaat zo, in m’n fijn gelegen appartement en m’n leuke vrienden, dan dat ik m’n tong op bankbiljetten vol cocaïne wil leggen en intussen met een geverfde dame TS Eliot wil deconstrueren in een jacuzzi.

Honger is een holle wachtkamer. Je merkt het ook aan die verguisde hangjongeren, rondlummelend op perrons, met weinig beters te doen dan dreigende blikken te schieten naar wat hen niet aanstaat. Wat als die energie in iets positief kon omgezet worden? Wat als ze hier in BXL die idiote 19 gemeenten zouden afschaffen? Wat als men niet meer aan allerlei goedbedoelend manvolk moest uitleggen waarom geweld tegen vrouwen ook hun probleem is? Dan leidde ik allicht het bestaan van een blij varken in een modderpoel. Het enige wat dat varken-zijn momenteel benadert, zijn m’n stampende laarzen over de trappen van Montgomery.

Terwijl het natte halfdonker van de metro zich over me heen buigt, probeer ik me voor te stellen dat de metrosporen veranderd zouden zijn in een wildwaterrivier. Dan kwam ik misschien een sympathieke slang tegen die me zoals het egeltje in ‘Jozjik v toemanje’ zou meevoeren tot bij m’n vriend de beer. Of naar het Wonderland van Alice, dat mag ook. Alle fictie is één groot boek verspreid over miljoenen ruggen.

Caligula zou ooit gezegd hebben: had het volk maar één nek. Ik denk: hadden we maar één bibliotheek, een rondwentelend gevaarte waarin alles wat men ooit neerschreef, bewaard was gebleven. Ze zouden me er van de kaften moeten wegsleuren als een halve gare fetisjist. De metro komt er aan gepiept. Ik ga me vanavond eieren bakken en ondertussen zal ik een boek lezen. Het duurt nog even tegen dat het reuzenrad weer begint aan z’n tocht naar boven, en het duurt nog even tegen dat ik zal dansen van de honger. Hopelijk zal ik nog op tijd zijn voor de hoofdschotel.

donderdag 23 mei 2013

Accusatief

Omdat ik de enige mens lijk die nu buiten staat tussen de windstille planten van het park en de zon net van achter een bult wolken gekomen is, voel ik me net een zonnewijzer. Hoe laat is het? Tijd om je leven te beteren. Dat zei mijn overgrootmoeder naar verluidt altijd. Ik vraag me af of die vaak gelachen heeft en draai een pirouette, want geen mens die het ziet. De zolen van m'n laarzen kraken in het stof en de al dorre bloesems. Bij de volgende tel is de zon weer verdwenen en is de indruk van de stille, marmeren vooruitgang van Romeinse uren ook opgelost. Alles verandert, behalve verandering.

Ik wandel het pad terug op dat me naar m'n werk zal voeren en laat in een daartoe niet bestemd rooster de peuk van een sigaret achter, de dubbele getuige van mijn onvolmaaktheid. Zoek er maar geen romantisering achter, want dat doe ik ook niet. Met het pad dat zich door een vierkante tunnel slingert, komt ook de hoofdweg in zicht, waar tussen het groen op elk moment van de dag eurocraten en bestelwagens laveren. Ik zie ook vaak zwarte mannen in onberispelijke pakken, onderweg naar de nabijgelegen ambassade van Nigeria. Ze komen me nooit spammail geven, maar vragen soms wel erg vriendelijk of ze al vlakbij hun ambassade zijn. Het moet hier verwarrend zijn voor hen, in Brussel. Wat een bizarre stad ook. Ik had een tijd terug een collega uit Engeland die voor zijn komst naar België besloten had om zich de taal eigen te maken. Hij keek op een kaart en zag dat Brussel in Vlaanderen lag, dus leerde hij een beetje Nederlands. Hij werd de zoveelste Engelsman die door de geslepen francofonie gevloerd werd.

Vandaag leerde ik ook dat men me op het vijfde verdiep wel eens 'die blonde Vlaming van het zevende' noemt, en ik weet niet wat ik daarvan moet denken. Buiten als ik zelf in het buitenland was, heeft men nog nooit naar mij verwezen aan de hand van mijn etnie of een of ander fysiek kenmerk. Of het moet al geleden zijn van toen ik vijftien was en bleek in een speedo langs de rand van het zwembad trippelde om niet uit de glijden. Dat berkenlichaam heb ik gelukkig niet meer, en ook de tijd van de speedo's is al voorbij. Ik staar nog even in de hemel voor ik de deuren openzwaai van de inkomhal. Het valt me nu plots binnen dat er vorig jaar wel iemand naar mij verwees aan de hand van m'n etnie: een zwerfster die ik niet te woord wilde staan maar uit m'n krachtig "non!" blijkbaar kon opmaken dat ik een "sale flamand" was. Bevreemdend.

Wij Vlamingen, wij jongleren alle dagen met dat Engels alsof het niets is, en intussen moeten Franstaligen, Turken en Marokkanen maar allemaal piekfijn Nederlands leren. Alsof we er zelf zo goed in zijn. Integendeel, die modderige bastaard van het Verkavelingsvlaams omarmen is meer dan ooit de taalkundige barak tussen de lintbebouwing, die dan wel lelijk mag zijn, maar het is verdomme wel onze barak en wie er kritiek op heeft, dat is een elitaire lul. Welnu, ik kom van een plek waar we zulke barakken van golfplaten hadden, en ben gepokt en gemazeld in de potgrond van een lokaal dialect, dus ken genoeg de voordelen van een standaardtaal om die ook te gaan gebruiken. Op m'n eigen manier. Natuurlijk, ook ik ontsnap niet aan de doe-het-zelf-mentaliteit van Rudi, Nancy en Freddy.

In de lift loop ik een delegatie projectmanagers tegen het lijf. Eén van hen lijkt op een versie van Liv Tyler die niet mis zou staan in een burlesque show, maar ik staar niet. Er wordt al zo veel gestaard in deze wereld - zonder dat er echt gekeken wordt. Het staren is misschien wel één van de ultieme uitdrukkingen van eindeloos egoïsme. Je louter iets toe-eigenen door er naar te staan gapen. Het geluid dat er bij hoort is een dikke steen die met een gulzige plons in een vijver valt en ringen maakt van ongenoegen. De delegatie projectmanagers stapt uit en we wensen elkaar een bon après midi en également. Er werken wel andere Nederlandstaligen hier, maar je weet nooit op het zicht wie wat spreekt. Een collega beweerde ooit dat je 't kon zien aan de kleren. Franstaligen zouden zich conservatiever kleden. Niet dat Vlamingen aan veel mode-experimenten zijn. Kop en kraag onder het maaiveld, graag. Voor een nationalist is dat de uiting van een gekrenkte volksziel die de herinnering aan onderdrukking in zijn cultureel DNA meedraagt, voor iemand als ik is het een reactionaire kramp die anderen moet tegenhouden van boven dat maaiveld uit te stijgen.

Op het zevende stapt de blonde Vlaming uit. Er sleept iets in m'n tred. Er hangen molenstenen rond mijn generatie. In de media is periodiek een steekspel tussen boomers en millennials, maar nuance is in dat debat niet welkom. Er zijn genoeg boomers die beseffen dat hun generatiegenoten het grandioos verknald hebben, maar er zijn evenveel millennials die zich ertoe hebben laten verleiden de verzorgingsstaat en onze verworven rechten te beschouwen als iets dat we moeten opofferen in naam van de welvaart. Wiens welvaart? Zullen de banken beter bestuurd worden als we ons langer uitputten voor hetzelfde loon? Zal nationalistische kortzichtigheid ophouden met bestaan als we die index loslaten? Of krijgen we allemaal gelijk een paar achterpoortjes toebedeeld in de belastingen, met schijnvennootschappen op Tahiti en in de Westhoek?

Ik zink neer in m'n bureaustoel, de troon mijner productiviteit. Beschuldigen, daar zijn we allemaal goed in. Publiek toegeven dat we verkeerd zijn, dat ligt lastiger. Je kan er boos over zijn dat een oliebedrijf de verantwoordelijkheid voor een milieucatastrofe vlot van de hand wijst of dat een oude politicus met losse handjes vindt dat hij tegen onthullingen over ongewenst gedrag recht heeft op een schadevergoeding van bijna één miljoen euro, maar het is een rode draad door de hele wereld, van Kamtsjatka tot Timboektoe. We kiezen de weg van de minste weerstand voor het ego, ook al leidt die recht tot in het hart van Absurdistan. Wel, ik heb in elk geval nooit genomen wat me niet gegeven werd. Ook dat is een beschuldiging en ook dat is makkelijk voor mij om te zeggen. Misschien kan ik beter maar eens écht stoppen met roken in plaats van zonnewijzertje te spelen in een Brussels park.

donderdag 2 mei 2013

Mayday

Is het dat ik vannacht elk uur heb zien passeren op de display van de wekkerradio? Is het de grauwheid van een doordeweekse donderdagochtend in wat een mooie lente had moeten zijn? Of is het de nasmaak van een lang weekend dat gestolen voelde, uitgehakt uit de rotsen van een strakke weekplanning? Wie zal het zeggen. Al wat ik werkelijk weet, is dat ik het liefste in een zetel zou hangen, de ogen zou sluiten en zou doen alsof de rest van de wereld niet bestaat.

De krant bracht nieuws dat uit een wereld kwam waar rede en redelijkheid moeite hebben om te overleven. Sabam heeft zichzelf nog eens overtroffen in cartooneske boosaardigheid door geld te eisen van internetproviders. Hebben die mensen geen PR-medewerkers die daarbij stilstaan en beseffen dat hun organisatie nu al bekend staat als een maffia? In Amerika zijn er CEO's die tot duizend keer meer geld binnenhalen dan de slechtst betaalde arbeiders van hun bedrijf. Ook dat hou je niet voor mogelijk, maar geen politicus die er wat aan wil doen. Intussen hebben de kredietbeoordelingsbureaus, meesters in de economische vogelpiek, nog maar 'ns een land gekelderd. Ik zou er satire over willen schrijven, maar wat voor zin heeft het om dat te gaan satiriseren als de realiteit zelf aan 200 kilometer per uur een ravijn in aan het storten is.

In de metro zit ik nog wat verder te lezen in Boons historische roman over Jan de Lichte, die zich afspeelt in een straatarm Vlaanderen onder de Oostenrijkers, een episode in onze geschiedenis die we liefst overslaan, tenzij het is om ze op te sommen in een lange lijst van vreemde mogendheden die ons slachtoffercomplex gevoed hebben. Wat opvalt is het homo homini lupus. Het is van alle tijden. Een rechtsstaat vormt de broze barrière die allicht velen ervan weerhoudt het monster in zichzelf de vrije hand te laten, maar zelfs nu vinden de wurgslangen en kwakzalvers die ons ervan proberen te overtuigen dat we harder moeten werken en meer moeten besparen, manieren om die staat naar hun hand te zetten.

Het lijkt soms zo zinloos, denk ik, terwijl ik een plaats zoek in de tram en een paar jongeren gadesla die binnen enkele jaren in een wereld losgelaten worden waar er voor een te groot deel van hen geen werk zal zijn. Waarom zou ik me inspannen om beter te leven en de zaken anders aan te pakken, als alles om me heen naar beneden schuift als een lawine in slow motion? Hoe zit het met de imperatief dat we het beste uit onszelf moeten halen als je ziet dat zo veel mensen er in slagen met middelmatigheid op te rijzen tot het firmament van de roem en het respect? Neem nu dat legioen opiniemakers en columnisten: de uitzondering niet te na gesproken, vraag ik me af wat hun meningen het de moeite waard maakt om gelezen te worden. Vinden mensen hen echt interessant? Zo ja, is dat bij gebrek aan beter? Doorgaans hebben ze weinig meer te zeggen dan wat bijeengeraapte, halfbakken ideeën en ongeestige observaties.

Het schijnt dat er in de wereld nog nooit zo weinig extreme armoede en honger geweest is als nu. Er zouden ook andere indicaties zijn dat dit best een mooie tijd is om in te leven. Dat zal wel zo zijn. Het is niet alsof dat de kwesties die ons langs alle kanten belagen, doet verdwijnen. Men wil perspectief bieden, maar eerlijk, de fucking pot op met je perspectief, we worden al zo vaak verondersteld de dingen te relativeren dat het gewoon een ander codewoord is om ervoor te zorgen dat we 's avonds voor tv blijven zitten en ons tevreden te stellen met wat we kunnen krijgen. Voor de nodige duiding en nuance sta ik zelf wel in.

Er zit nog vechtlust in me, op de bodem van de uitgebrande vuurkuil. De vraag is alleen of het soms geen strijd is tegen de bierkaai, want het is uiteindelijk ook een veldslag tegen mezelf. Indien we zouden geloven dat alle problemen zich buiten ons bevinden, vergissen we ons deerlijk. We zijn elk evenveel deel van het probleem als deel van een oplossing. Ik stap de lift in en trek m'n kostuumjasje recht. Laten we vandaag vooral niet te veel relativeren, denk ik. Laten we niet getemperd worden door aanmatigende beleefdheden van de rubbersmoelen van deze wereld. Soms mag dat, eens kwaad en verloren zijn.

maandag 8 april 2013

Imprint

Elke stad die groot genoeg is, heeft een eigen geur. Oostende is roest en zee. Antwerpen ruikt naar design en chauffages. In Brussel is het de mengeling van regenbuien die nooit verteerd werden, wafels en goten. Leuven, ontdekking van de laatste weken, heeft sporen van fruitsap door zijn straten zweven, net zoet genoeg om het te merken. Voor de rest: keurigheid. Al die geuren roepen associaties op die sporen terug trekken in m'n jeugd. Het is ongelooflijk als je er bij stil staat hoe veel patronen en codes er door onze lichamen en persoonlijkheden lopen.

We komen nog maar net ter wereld of we worden deel van een religie, een gemeenschap met eigen normen en waarden, en maken dingen mee die onuitwisbaar zijn, maar verborgen worden onder lagen en lagen gegevens die in onze hoofden geschreven worden met hete naalden. We staan vol tatoeages. Sommige markeringen zijn zichtbaar of zelfaangebracht. Weinig mensen weten dat we net als tijgers strepen hebben, maar ze zijn alleen maar zichtbaar onder infraroodlicht, maar ik zoek precies de dingen die niet waarneembaar zijn met gewone ogen en oren.

We zitten naast elkaar in het donker te kijken naar beelden van uitgekiende miniaturen die parlementen en insectachtige bloemen verbeelden. Aan de ene kant vertelt een Japanner een verhaal over een huwelijk en familiekwesties, aan de andere kant zegt een Ier ook iets, maar ik ben te druk bezig om me er van te vergewissen dat hij effectief een Ier is, dat ik niet luister naar wat hij zegt. Ik probeer samen te smelten met het nu. Geen makkelijke opdracht, omdat de imprint ter hoogte van mijn rug zegt: dit zijn de boodschappen uit het verleden, de dingen die niet zo maar weggaan als je je ogen dicht doet. Over mijn vingers staan tien andere zinnen geschreven, elk van hen onafgewerkt, zoekend naar ontbrekende zinsdelen.

Even later is er eten. Een koter loopt rondjes rond tafel. Ik kijk naar de persoon die tegenover me zit, en zie een gezicht dat niet kan liegen. Dat maakt conversaties zo veel makkelijker. Eerlijk zijn is de lagen afleggen. Een voor de hand liggende associatie is kleren laten vallen of pasgeboren of dood zijn, maar het is niets van dat alles. De lagen mens, verleden en hoop afleggen is geen kwestie van uitkleden of primitiviteit, maar rust. Observatie zonder oordeel. Een schematisch model van de mens opmaken als een wereld met geologische lagen die in elkaar overvloeien. De vergelijking is niet zo gek. Alles zit in een wereld, is een wereld en draagt werelden in zich. Het zou me niet verbazen als de pasta op haar bord een fractaal is, net als sommige schelpen en bloemen.

De wereld van elke mens heeft een middelpunt en dat is bij de meeste mensen verstoord. Ze beschrijven banen van het ene extreem in het andere, rusteloos zoekend, nu eens te ver van hun zon, dan weer te dicht. Bij het perihelium is de ene mens een hedonist of een sadist, bij het aphelium wordt hij een monnik en een masochist. Het is filosofisch gegoochel dat je ook wel kan vinden in talloze zelfhulpboeken, denk ik, terwijl ik later een paar kraaknette winkelramen in me opneem. Opnieuw fruitsap. Ik ken mensen die om de zo veel tijd zichzelf proberen heruitvinden, en dat is vermoeiend. Het is even vermoeiend om mensen te kennen die koppig weigeren hun volmaakt cirkelvormige banen te verlaten. Anderen blijven satellieten invangen, of worden er zelf.

Leuven en zijn netheid liggen nu achter ons, en het hinterland van Vlaamse lintbebouwing en industrie doemt op. Wat de horror is van het Amerikaanse suburbia met de witte tuinhekken, is fractaalversie van FC De Kampioenen voor het verkavelde Vlaanderen. Ook dat is een imprint, gebrandmerkt aan de onderkant van m'n tong: er zijn mensen die ik nooit zal begrijpen. Het maakt me hulpeloos. Aan de andere kant mogen we al van geluk spreken dat we onszelf begrijpen, en naast me zit iemand die die kunst ook lijkt te verstaan. We doen dat voorzichtig.

Hoe zou het zijn als ik alle lagen van alle dingen kon lezen door handoplegging? Vervelend, allicht. De meeste kennis is uiteindelijk banaal. Laat ik dus over middelpunten, kernen en para-zintuiglijke indrukken zeker ook niet te druk doen. Het is al wonderbaarlijk genoeg dat we ondanks de jaarringen die we allemaal hebben, met elkaar kunnen praten, en elkaar kunnen raken.