Over 'Onklare taal'

'Onklare taal' is de verzamelnaam van diverse tekstprojecten van mijn hand. Dit is de afdeling columns en microstories daarvan. In 2017 bracht ik 'In de vorm van een vogel' uit, een bundeling van de beste 99 teksten van dit genre tot op dat punt, netjes geredigeerd en per seizoen geordend. Je kan die antologie gratis downloaden als je Patron wordt. De weg een beetje kwijt? Mijn eigenlijke website, die ook 'Onklare taal' heet, verwelkomt je.

zondag 13 maart 2011

De gezellige demon

Ik sta even stil in een smalle, slecht onderhouden straat waar langs weerszijden landbouwgronden liggen, bollend en glooiend als brood in een middagzon. Een koe kijkt op naar de auto, vanuit de verte, wantrouwig als een boer uit de Balkan.
"Die koe heeft geen idee wat er gebeurt," zegt Inna. Ze neemt een foto. Ik kijk naar de putten in de weg.
"Ik kwam hier vroeger vaak fietsen," zeg ik. Niet dat dat eigenlijk relevant is, of dat het mijn herinneringen kan overbrengen op een persoon die hier nog nooit geweest is. Maar ik ben blij dat ze alles open in zich opneemt. Ze neemt een foto van de andere kant. Het is een mooi landschap, moet ik ook toegeven, en ik had het voordien nog nooit gezien als iets dat de moeite waard was om een foto van te nemen omdat ik het al haast dertig jaar in onveranderende toestand gekend heb.
"Bij die bunker daar," leg ik uit terwijl ik met een genoeglijke traagheid verderbol over de weg, langs nog meer weilanden en enkele losstaande huizen in omgebouwde, kneuterige fermettestijl, "ging ik soms ook spelen. Erg leuk om er oorlogje te spelen. Het lag er ook altijd vol vuil en sigarettenpeuken. En porno."
Inna tuurt naar de bunker in de verte.
"Bosporno," zegt ze. Ze kent het fenomeen.
"Inderdaad."
Ik zwenk traag langs een familie op zondagswandel. Een oude foto doemt terug op uit mijn albumgeheugen. Ik zit in een buggy, ergens omtrent mijn eerste verjaardag, en de hele familie doet een korte wandeling langs een heuvelachtige kasseiweg die in de zomer altijd rook naar rottend gewas en te dicht opeen groeiende, vochtige bomen. Een de laag hangende klinkers en ingeslikte syllaben van de streektaal, die onlosmakelijk verbonden is met de plaats, een gemeenschap van zijn. Als ik een kind had, denk ik, zou ik het soort goedbedoelende maar uiteindelijk mogelijk pretentieuze vaderfiguur zijn die wil dat zijn kind opgroeit met verschillende talen.
"In de jaren '60 was hier nog haast niks," zeg ik, alsof ik het zelf allemaal heb meegemaakt, "Je ziet het aan de huizen: allemaal gebouwd in de jaren '70 of zelfs later."
Ik sta er niet bij stil dat ik over deze straten en deze velden al eerder geschreven heb. Dat daar moorden gebeurden, dat er geweld was. De waarheid is veel erger dan de groteske fictie en de ontaarde bebouwdekomwaanzin die ik in grove penseelstreken neerschilderde, want een boosaardige aanwezigheid heeft zich deel gemaakt van onze levens.
"Een erg dichtbevolkt land," zegt Inna.
"Bijna elf miljoen mensen op zo'n kleine oppervlakte, wat wil je."
Minder lintbebouwing, misschien, beantwoord ik mijn eigen retorische vraag. Misschien zou dat ervoor zorgen dat de landschappen terug opener worden, dat onze blik minder vernauwd is en we en we die boosaardige aanwezigheid met een ontstellende helderheid zullen kunnen zien.
"Dit land is echt mooi."
Ik haal de schouders op. Ik ben het hier gewoon, en dat klinkt arroganter dan het bedoeld is. Je hoort ze het vaak zeggen, expats die na lange tijd terug dit tochtgat aan de Noordzee opzoeken, dat we het hier zo goed hebben en dat het zo'n rustig land is. Ik begrijp dat wel.
"Ja, we mogen zeker niet klagen," zeg ik nog, terwijl de auto terug de baan op rijdt richting Gent, in een omgekeerde Stef Hertmans-beweging, "Er zijn erg veel historische gebouwen bewaard, en als je ze weet te vinden, zijn er erg mooie landschappen te vinden. Je moet er voor zijn, natuurlijk, die romantiek van dikke grijze wolken boven donkergroene weilanden. Of een warme koffie drinken in een verlopen tearoom aan de dijk, met zand nog in je haar en in je schoenen."
Ik merk dat ik er zelf lyrisch van word. Is het dat gevoel waar Jacques Brel over zong? En is het ook niet zo dat elke persoon, waar ook ter wereld, met zijn eigen streek en volk verwikkeld is in een haat-liefdeverhouding? Inna kent dat gevoel zeker. Op haar paspoort staan de verblindende sterren en strepen en de bombastische uitspraken over vrijheid van de Founding Fathers.
"Ik ben een beetje een volksverrader, weet je. Het wij-zijn-maar-een-klein-volkje-gevoel waaruit zowel een minderwaardigheidscomplex als een dwangmatige valse bescheidenheid spreekt, is een voortdurende bron van irritatie voor mij," zeg ik. De demon waar ik eerder aan dacht, is eindelijk uitgesproken.
"Ik heb er al eerder over geschreven," orakel ik door, "en het is niet dat ik denk dat ik er veel aan kan veranderen door me er aan te blijven ergeren. Maar hier hangt het ook samen met die zieke machtsgreep van rechts."
"Dat ken ik maar al te goed," zegt ze schamper. In mijn hoofd zie ik natuurlijk onmiddellijk beelden van permanent kwade presentatoren op Fox News, de homohaat van fundamentalistische christenen of het verwrongen realiteitsperspectief van sommige Republikeinse kopstukken. Onlangs bestonden ze het een idee te lanceren waarbij het nog moeilijker zou worden verkrachting te vervolgen. Men had het over 'gedwongen verkrachting', waaruit de zoveelste poging spreekt van de patriarchie van blanke oude mannen om vrouwelijke seksualiteit aan banden te leggen.
"Ja, het is niet alleen hier of in de Verenigde Staten zo," geef ik toe, "Het omspant de hele wereld. De krachten van rechts lachen al jaren met de 'linkse kerk', die zogezegd fout was in het migratiedebat, die te goedgelovig en naïef is als het aankomt op misdaadbestrijding, en die niks kent van economie. Dat, terwijl er geen grotere en naïevere religie is dan blind geloven in neoliberale dogma's, die nergens hebben gezorgd voor meer welvaart bij de bevolking. De kloven tussen arm en rijk zijn alleen maar gestegen, solidariteit wordt geassocieerd met een profitariaat, en de haat tegenover de socialezekerheidsadel is een bliksemafleider voor het feit dat grote bedrijven jaarlijks veel meer stelen van de belastingsbetaler dan die minderheid aan marginalen die sociale vangnetten probeert uit te buiten."
Ik besef dat ik klink als een linkse agitator, en dat zint me niet. Ik zucht. We rijden door Ledeberg, het oorsmeer van Gent.
"Aan de universiteit waren de meeste van mijn vrienden links."
"Ah, vaag links."
"Precies. Nu ze werken, zijn de meesten onder hen rechts. Ze zijn volledig meegestapt in die logica van de rechtse kerk, dat armen, migranten en Walen voortdurend op de loer liggen om hun belastingen op te souperen."
"Jullie betalen hier wel veel belastingen."
"Dat is waar. Maar dat is een andere kwestie."
De plompe, betonnen brug van de E17 doemt op. Het is een dag waarop het zou kunnen gaan regenen, maar het maar niet doet. De wolken zijn onmachtig. Het is ook lente, en in de lente kan alles. Ik trommel met mijn vingers op het stuur terwijl ik wacht aan het rode licht.
"Mijn vader werd ook alleen maar linkser met ouder worden," zeg ik, "Ik denk dat ik gedoemd ben dat te volgen. Gaan werken na de universiteit heeft me niet blind gemaakt door geld, of ontvankelijker voor neoliberale praatjes. Ik zie alleen steeds meer onrechtvaardigheid."
Maar ik ben geen kruisvaarder. Ik rol de Gentse binnenring op met mijn vuile auto.

dinsdag 22 februari 2011

1989

Ik zit in een woonkamer hoog in het noorden van Engeland het nieuws te lezen. Een golf van revoluties overspoelt de islamitische wereld. De dictators van Tunesië en Egypte zijn gevlucht, Libië is in de koortsachtige greep van een revolutie, Jemen blijft onversaagd de straat op trekken, en her en der kan ik zelfs vanuit mijn comfortabele zetel voelen hoe de angst regeert in de paleizen van despoten, koningen en andere heersers die zich nauwelijks raad weten met zulk een explosie aan volkswoede. Het volk wil werk. Het volk wil een bestaan zonder corruptie en vernedering. Het volk wil kunnen kiezen hoe het geregeerd wordt. Op de achtergrond van mijn lezen speelt, ondanks de bittere, felle kou buiten, melancholisch-romantische kizomba, een genre geboren in het verscheurde Angola, maar gekenmerkt door een teder soort levensvreugde dat zich diep onder de huid nestelt. En in de keuken maakt Inna pannenkoeken. Kan het leven beter zijn dan zoiets banaals? Het is een snapshot van een intens welbevinden met de wereld, en dat is zeldzaam genoeg om te koesteren.

Wordt 2011 het 1989 van het Midden-Oosten? 1989 roept bijzondere herinneringen bij mij op. Ik was zes jaar toen, en besefte dat er dingen gebeurden in de wereld die haar nooit meer hetzelfde zouden maken. Ik wist dan misschien niet waar Berlijn was en waarom die Muur er ooit had gestaan, maar op televisie zag ik alleen maar euforische mensen die die Muur sloopten en elkaar in de armen vielen. Ik herinner me ook dat ik de executie zag van Ceaucescu, en nauwelijks een jaar later in de kinderafdeling van de bibliotheek een charmant klein boekje meenam over onze nieuwe, Oost-Europese vrienden die het juk van het communisme van zich hadden afgeschud. Dat die stemming van hoop en vrede al in 1991 de grond in geboord werd door de brutale, beestachtige burgeroorlog in het verkruimelende Joegoslavië kan die herinneringen niet temperen. Het is uiteindelijk een rechtstreeks gevolg van die revoluties in Oost-Europa dat de Europese Unie zich vandaag uitstrekt tot aan de Witte Zee en de Zwarte Zee, en al het pessimisme en immobilisme ten spijt dat eigen is aan een logge instelling als de Unie, denk ik niet dat iedereen voldoende beseft dat dit in het jaar dat ik geboren werd, ondenkbaar was. Men had het over de homo sovieticus, een eeuwig catatonisch soort mens die eeuwig de drukkende last van een totalitaire maatschappij zou kunnen verdragen. Vandaag heeft men het over de Arabische mentaliteit, die niks anders kent dan onderdrukking, dictatuur en piramidale corruptiesystemen. De cynici hadden het al fout in mijn tijd, en nu staan ze nog steeds aan de verkeerde kant van de geschiedenis.

In de keuken haal ik die herinneringen op. Erg goed kan ik die eigenaardige samenvloeiing van bitterzoete fragmenten uit mijn kindertijd, opflakkerende hoop in het heden en het aroma van pannenkoeken en muziek niet uitleggen, maar een oprechte aanraking is altijd welkom. Ik kauw op de intussen versteend clichématig geworden beeldspraak van Lester Burnham in American Beauty, die bekent dat de wereld heel soms zo’n mooie plaats kan zijn dat het voelt alsof je gaat imploderen onder dat verpletterende gewicht, en spreek die gedachte dan ook niet uit. Maar het is zo. Mensen vermoorden, verminken en verkrachten elkaar, en het is revolterend hoe verknocht men kan zijn aan zijn idiote materialistische principes, maar op momenten als deze staat er een deur op een kier naar een vorm van zachtheid die te grillig is om zomaar met enkele woorden te beschrijven.

In 1989 kreeg ik voor mijn verjaardag speelgoedauto’s die verkleurden als je ze in warm water onderdompelde. Intussen rolden tanks het Plein van de Hemelse Vrede op om het Chinese studentenprotest gewelddadig de kop in te drukken. Daar had ik geen weet van. Het is waar dat niet alles dat begint met hoop, goed zal eindigen. Misschien is mijn gevoel over de revoluties van 2011, uiteindelijk grotendeels veroorzaakt door zakelijke factoren als werkloosheid en exorbitante voedselprijzen, misplaatst en sentimenteel. Maar het doet geen afbreuk aan het feit dat, al was het maar voor even, de sluier van de onkenbare ander is afgescheurd en het gezicht dat eronder zit diepmenselijk is, even evenzeer wil vechten en sterven voor een waardig bestaan. Vrijheid is een veel te brede vlag geworden voor oorlogszaaiers en extremisten. Democratie is maar een woord. De bruten en monsters zullen blijven moorden, plunderen en verkrachten. Ik kijk uit het licht aangeslagen venster de straat in, waar papier rondslingert en waar fietsen tegen rode voorgevels staan. Gisteren was dit al zo, morgen allicht ook, en ook over volgende maand maak ik me geen illusies. Maar even adem ik mee met de wereld, en excuseer ik me absoluut niet voor het gevoel dat elke mens nog meer op elkaar lijkt dan dat hij denkt dat hij van een ander verschilt. Ik hoop dat dit 2011 ergens, in een andere woonkamer, het 1989 wordt waar ik zelf op terugkijk als een van zon doordrenkte foto.

zondag 30 januari 2011

Dulce et decorum est

Ik zit alleen te eten, voor het venster van een fastfoodketen. Als kind vond ik mensen die alleen zaten te eten steeds enorm zielig. Ik heb het intussen nu al zo vaak gedaan dat ik daar absoluut niet bij stilsta, ook al omdat een fastfoodrestaurant per definitie een zielige plek is, of je er nu bent met vrienden of alleen. Ze zijn gemaakt om mensen niet te willen laten blijven plakken. Ik heb altijd een intens medelijden met de mensen die er moeten werken. God weet dat ze het gezicht van hun medemens gezien hebben, en dat dat gezicht vaak niet mooi is, tanden mist en stinkt naar onwelvoeglijkheid. Wat ben ik? Een man. Geen man is een eiland, zei John Donne. Waar is mijn eiland?

Er speelt een onbekende remix van "Mad world" van Gary Jules op de achtergrond. Een vreemde muziekkeuze om fastfood bij op te eten. Maar het blijft wel overal hetzelfde - McDonald's, Quick, Burger King of KFC zijn de rustige vastheden van het globale bestaan waar christendemocraten nog een puntje aan kunnen zuigen. Culturistos richten graag hun pijlen op dit soort symbolen van nivellering, omdat ze alles in zich verenigen wat zij haten - de snelle hap, het consumerisme, de grootste gemene deler en de massabudgetten die dagelijks door de kassa's van dergelijke giganten vloeien. Maar als mensen plots zouden beslissen van er niet meer te komen, zouden die bedrijven allicht ook hun strategie veranderen. Het verzet is zwak. Intussen brandt Egypte en wankelt het regime van de farao. En België blijft barsten met het tergende slow motion van twee continentale platen die elk jaar een paar millimeter verschuiven.

Ik zou zeggen, denk ik, terwijl ik mijn vette vingers afveeg aan een stuk papier, dat mijn zorgvuldig gecultiveerde en op temperatuur gebrachte kamers waar het aangenaam verblijven is met vrienden, mijn vaderland vormen, mijn eiland. Anderen klampen zich met de moed der wanhoop vast aan de romantiek, de nederlagen en de ongetwijfeld glorieuze, toekomstige overwinningen van hun stam. In de neotribale samenleving zullen er ook nog platte symbolen van globalisering zijn. Het is zelfs één van de redenen dat dit land ondanks alles blijft draaien. Er staat nog geld op de rekening, bedrijven werken verder en agenten schrijven nog steeds geestdriftig bekeuringen uit. Maar waarheen gaan we nu echt? Ik ga op zoek naar kleren (confectie, dat spreekt), en België weet eigenlijk niet eens waar het naar op zoek is.

Misschien word ik volgend jaar of binnen tien jaar wakker in de Republiek Vlaanderen. Ik zal het niet vieren. Ja, velen zullen zich in de handen wrijven dat we verlost zijn van het Waalse profiariaat en het vreselijk knullige Nederlands van Elio Di Rupo, maar het was voor beide landsdelen al jaren een gemiste kans tot verrijking. Nee, ik geloof niet in het oude België met zijn hang naar francofilie en affairisme, maar in het zelfgenoegzame, volgevreten Vlaanderen met zijn schrille burgermannetjes geloof ik al evenmin. Ik ben alleen maar Vlaming omdat anderen dat zo willen zien. En uiteindelijk ben ik zelfs ik niet, maar dit is geen dag voor ontologie. Ik betaal voor mijn sweaters en duik de kou in van de drukke Veldstraat.

Opnieuw zie ik al die vertrouwde winkels de revue passeren. Allemaal zijn het filialen van kledings- en mediagrootmachten, en dit zijn hun koloniale uitposten waarmee ze de inboorlingen lokken. De mannenmode voor het voorjaar wordt blijkbaar gedomineerd door pulls met enorm grote knoppen, en ik vind het lelijk, maar mijn eigen logica getrouw hou ik daar maar beter mijn mond over want ik heb van moderne mode al evenmin verstand als een cementeerder iets zinnigs te zeggen heeft over poëzie. De media lieten zich erg schamper uit over het volksprotest uit machteloosheid, want ja, datzelfde radeloze volk had er in de eerste plaats voor gezorgd dat die vermoeide en vermoeiende politici aan tafel moesten gaan zitten. Maar het waren ook de media die de verkiezingen mee gestuurd en bepaald hebben, en de kans die er misschien jaren geleden geweest is om beide landsdelen naar elkaar te laten toegroeien, veronachtzaamd hadden. Wiens schuld is het? Is het belangrijk?

Alles is gedistribueerd en verspreid - schuld, consumptie, verantwoordelijkheid en frietvet voor standaardhamburgers. We geloven niet in God die eindredacteur of aanstichter kan spelen. De zak met kleren weegt zwaar. Het is vaak erger om slecht na te denken dan het helemaal niet te doen, denk ik, en in diezelfde gedachten is er een klein kind dat stil een rouwproces houdt voor het idee van een vaderland.

dinsdag 11 januari 2011

500m naar nergens

Ik wandel met een fles in de hand door een straat waar niemand is. Dat is verdomd poseuristisch. Ik passeer langs de vitrines van een lederwarenwinkel, het koude licht van een nachtwinkel waarvan ik weet dat de uitbater een tulband draagt, en café "Bij Roosje", waar iedereen bij binnenkomst automatisch een nekmatje krijgt en een willekeurige tand mist. Op deze platitudes bouw ik mijn wereld.

Ergens is er de vage hoop dat mijn pad vannacht zal gekruist worden door een menshoge, pratende kater. Ik lees te veel. En ook te weinig, beweert Fyodor. Ik ben het er mee oneens dat je de hele canon en alle literaire referentiekaders moet kennen voordat je je kan wagen aan literatuur. Het helpt enorm, zoveel is zeker, maar het heeft uiteindelijk niks te maken met wat een schrijver maakt tot schrijver, en dat is een instinctieve koude fusie van instincten, bloed en kil verstand. Hoe meer ik drink, hoe zoeter alles smaakt. En echt liefhebben is ook mee aanvaarden dat dat verlangen wortelt in pijn en terug uitmondt in pijn, want wat eindigt nog gelukkig en in volstrekte harmonie? Liefde is geen balsem of een medicijn, maar tezelfdertijd het meest weerloze ding dat er is, van een vreselijke schoonheid en van een ontzagwekkende wreedheid. Is een mens gemaakt om dit aan te kunnen? Hij moet. Het kan niet anders.

Soms wilde ik dat mijn mond maar een kleine, nauwe streep was, een kier waar alleen het hoogst noodzakelijke uit zou komen, om te benadrukken dat zorgvuldig gekozen, weinige woorden van een veel grotere waarde zijn dan het praten in luchtballons en zeppelins waar ik me anders mee bezig hou. Niemand zit te wachten op mijn mening over het ruimtevaartprogramma van de Sovjets, de falende regeringsvormingen of waarom ik nu precies brunettes verkies boven blondines en dat dat uiteindelijk ook geen moer uitmaakt. Maar we kunnen niet altijd gesprekken voeren met oneindige dieptes, zelfs als we in een onsterfelijke toestand naar de idealen van Habermas' eindeloosheid in geest en taal zouden proberen leven.

Ik kom aan een spoorwegbrug. Verkeerslichten geven rust in al hun regelmatigheid, en het enige hoorbare geluid is van iemand (ik) die zijn neus optrekt en tast naar een sigaret. Het pakje is leeg, maar daar komt spoedig een oplossing voor. Bovendien is met een fles in de hand een nachtwinkel binnenwandelen niet bepaald het toppunt van gratie. Deze vlakke wereld, behept met de grandeur van komisch falen en de verzachting van spaarzame vriendschap, staat op het punt te exploderen. Op welk droomniveau zitten we intussen? Is dit een droom waaruit een mens wel kan wakker worden? Er dendert een trein over de brug, door Maxi Jazz beschreven als "conceding defeat with a low moan". Het hoofd is een kamer vol heen en weer rennende ratten. Soms is het ook een koele bergruimte waarin alles zijn plaats kent.

De reis gaat terug langs een opgeknapt beluik en een pitabar waar ik nog nooit iemand zien binnen zitten heb. Het schijnt dat dit vroeger een mondaine, drukke winkelstraat was, maar ik heb het liever zo, in dit vertraagde tempo, waarin elke indruk van deze hutsepot aan lelijke gebouwen en lelijke mensen zich afzonderlijk laat wegen en samensmelten tot een prikkelend eenpansgerecht. Nee, zeg ik tot man en fles, voor depressie heb ik geen tijd en ik ben nooit een cynicus geweest. Maar de slijtage van dit bestaan is voelbaar. Ook dat is niet erg, omdat het me eraan herinnert dat ook ik behoor tot die almachtige mensheid, waarvan vele telgen niet de luxe hebben om hier doelloos rond te wandelen, te kijken en na te denken, laat staan dat alleen te doen.

Het kruispunt nadert weer, en de lucht ruikt naar een nabije regenbui. Ik heb honger. Ik wil alles, maar ik heb niets te eisen omdat er ook niks af te dwingen valt van het leven. Je kan alleen maar proberen telkens terug te komen naar die plaats van onvermijdelijkheid van passie, van brandende zenuwuiteinden in de vingers en het spreken van woorden die al lang overbodig zijn voor de mensen die ze moeten horen. Ik wandel met een lege fles in de hand door een straat ergens in mijn hoofd. Dat is eigenlijk wel raar.

vrijdag 31 december 2010

Luctor et emergo

Elk ogenblik en elke seconde eindigt en begint er ergens een periode, een episode of een jaargetijde. De woede is nog niet op. Ik doseer ze als drug, om opnieuw te gebruiken als acupunctuurtherapie op momenten dat ze van pas komt. Eén mens heeft maar zoveel energie te verspillen om kwaad te zijn over alles, en uiteindelijk levert het niks op als de inspanning niet gericht is, en helemaal niet als die onterecht is. Een goed mens proberen te zijn is niet makkelijk. De maanden achter me zijn gesmolten en dan gestold tot indrukken van scharnieren, of wankele bruggen over vulkanen. De afstand van teleurstelling is afgelegd. Ik ben niet bezig met verkruimelde relaties of de centrifugale vernielzucht van anderen, noch met geld en macht. Verlicht zal ik dan wel niet worden, maar aan het dok van een nieuw januari sta ik met een zak bagage die een stuk minder zwaar weegt dan voorheen.

Het is een jaar geweest van verwarring en van hebzucht. Voor wie het wilde zien, vielen de poppenspelers en marionetten enkele malen uit hun rol - de grootbanken, de oliereuzen, de nijvere industrie van de nut- en vetvoorzieningen, van de koppigste politicus tot de gladste aal die zelfs het homohuwelijk zou kunnen verkopen aan een neonazi. Het is allang geen nieuws dat rijkdom een fetisj is van het Westen. Het is wel nieuws dat zelfs nadat de keizers van de wereld zonder kleren zijn gezet door economische rampen, ecologische catastrofes en perslekken, de meeste mensen in deze wereld de schouders blijven ophalen. Zolang de kachel brandt, de auto rijdt en de dertiende maand netjes uitbetaald wordt, kijken velen de andere kant op.

Ik vervolg een pad dat ik al jaren geleden gekozen heb. Hoe vaker talen zich laten schilderen, beeldhouwen of rauw opdienen, hoe meer ik erken dat woorden maar relatieve krachten zijn of zelfs valse richtingaanwijzers in een overbelicht landschap. Het zijn niet de letters of waarheden die tellen, maar wat ik zeg tegen jou als één op één. En het is zelfs niet eens het geluid dat uit onze monden komt dat er toe doet. Het is de lichaamswarmte eerst, dan de nabijheid, dan het idee dat de cultuur, de taal, het zelf en uiteindelijk het idee zelf een noodzakelijk kwaad is dat al te snel overwoekert wat we echt zouden kunnen en moeten voelen. Dus zet dat glas neer. Duw die sigaret uit. Hier komen we terug tot woorden als waarheid, woorden als waardeloos en tenslotte ook als het beste wat we hebben om een cirkel te trekken rond die waarheden. De clichés zijn uitverkocht dit jaar, en ook in de koopjesperiode zal ik niet meer overtollig berichten over hoe ik niet ik ben maar jij, en wij in principe elkaar zouden kunnen zijn, geweest zijn en dat ook in de toekomst weer zullen worden, omdat we mensen zijn.

Laat ons dus voor één keer de ogen opslaan en aanvaarden dat een boom een boom is, een straat een straat en dat we het in deze wereld vooral moeten redden met elkaar. Het is echt zo eenvoudig als het lijkt. En intussen, naast dat reusachtige, verpletterende inzicht dat we als kruimels stof op een stofbol in een onvoorstelbaar koud universum voortdurend in en uit elkaars bellen en sferen ademen en die alleen samen vormen, mogen we niet vergeten dat alleen wij een einde kunnen proberen stellen aan de piramidale structuur van slaven en meesters. Ik verwacht niet dat we zullen stoppen dat er vannacht ergens een man zijn vrouw in elkaar slaat. Ik verwacht eveneens niet dat er morgen een baby misschien niet van honger zal omkomen, en ik verwacht zeker niet dat men de week nadien plots niet meer zal voortrazen aan driehonderd per uur in de tegengestelde rijrichting. Maar ik verwacht wel dat ik zal proberen om ergens een verschil te maken. Een nieuwe wissel te bedenken in de sporen. Of gewoon om door daden te laten spreken wat woorden niet kunnen - mensen doen branden om bij elkaar te zijn.