Over 'Onklare taal'

'Onklare taal' is de verzamelnaam van diverse tekstprojecten van mijn hand. Dit is de afdeling columns en microstories daarvan. In 2017 bracht ik 'In de vorm van een vogel' uit, een bundeling van de beste 99 teksten van dit genre tot op dat punt, netjes geredigeerd en per seizoen geordend. Je kan die antologie gratis downloaden als je Patron wordt. De weg een beetje kwijt? Mijn eigenlijke website, die ook 'Onklare taal' heet, verwelkomt je.
Posts tonen met het label neoliberalisme. Alle posts tonen
Posts tonen met het label neoliberalisme. Alle posts tonen

donderdag 14 augustus 2014

Een toast op de revanche

Het is ongeveer twintig na acht ’s avonds, en enkele uren geleden is het langverwachte verlof in gegaan. Eigenlijk zou ik bezig moeten zijn met koffers pakken, nog een laatste opruimsessie uitvoeren op het appartement en in bad moeten liggen met een boek, maar ik kan het niet. Ik moet schrijven, want anders ga ik met een wilde blik de straat op en begin ik voorbijgangers slecht gestencilde pamfletjes in de handen te drukken. Het zonlicht dat reflecteert in de vensters van de nieuwbouwkoten achter de achterkant van m’n eigen kamer, met daar dwars doorheen de regen van een laat zomeronweer, zijn een mooie (goedkope) metafoor voor de toestand waarin de wereld zich lijkt te bevinden, zowel buiten als binnenin.

Er is heel veel woede. Veel mensen zijn boos op de Vlaamse regering, die nu zoals volledig te verwachten viel, het mes zet in allerlei uitgaven waarvan ze denkt dat ze die nog het beste kan missen, en het meest van al de zo geroemde gewone m/v in de straat treffen. Ik denk niet dat Geert Bourgeois en co wakker liggen van dat protest, vaak aangevuld met opiniestukken waarin benadrukt wordt dat er achter die ‘besparingen’ menselijke verhalen schuil gaan. Hier is mijn opinie: het kan hen eigenlijk niet alleen niet zo veel schelen (hoe lang zou het geleden zijn dat de gemiddelde minister een arme van dichtbij zag), ik denk dat sommige neoliberale coryfeeën er zelfs van genieten.

Dat is een zware beschuldiging, en een mens kan zich afvragen of dat geen olie op het vuur gieten is, maar misschien is er effectief nog wat meer olie nodig als we ons niet willen blindstaren op enkel de symptomen. Sommige rechtse politici en hun kiezers zijn revanchisten – mensen die al jaren lang rondlopen met een chronische wrok tegen het systeem. Ik herinner me nog goed de eerste keer dat ik Bart De Wever op tv zag, zo rond 2004. Toen al was duidelijk dat hij een meester was van de snedige comeback en niet alleen niet bijzonder sympathiek was, maar daar nog prat op ging ook. Wat me toen ook opviel was hoe kwaad die man mij leek, een kil soort kwaadheid die met de jaren gecultiveerd en bijgesneden was. Dat ben ik nooit vergeten.

Ik maak me even los van mijn computerscherm en ga de trap af naar m’n auto, want die moet volgetankt worden. Het regent heviger nu. Onderweg bliksemt het zelfs, en kom ik op m’n pad weer wegenwerken tegen die er voordien niet waren. Het lijkt wel alsof Gent bevolkt wordt door autonome von Neumann-machines, die zichzelf onder de vorm van werven blijven dupliceren. Waarvan toch die bouwijver altijd? De Ierse komiek Dylan Moran zag er in de woeste Vlaamse bouwnijverheid een vorm van therapie in waarin we ons afreageerden, omdat het volgens hem niet kon dat een volk op straat zo wellevend was. Ze moesten hun negatieve emoties toch ergens in kwijt?

Veel mensen geloven dat er aan de basis van de wereld een natuurlijke orde ligt, en dat die orde dient gerespecteerd te worden. Neoliberalisme presenteert zich als zo’n orde: werk hard, en je komt er vanzelf. Vreemd dan, dat de allerrijksten in de maatschappij bijna allemaal oude blanke mannen zijn die al in rijke middens opgroeiden. Zeker, er waren er bij die uit armoedige omstandigheden kwamen, maar de verzorgingsstaat van de jaren ’60 werkte anders dan nu. Velen zijn de ladder opgeklommen, beschrijft psycholoog Paul Verhaeghe, om daarna te helpen ze omver te duwen voor wie na hen kwam. Want: “ik heb ook hard gewerkt”. Joseph E. Stiglitz beschrijft in zijn boek ‘De prijs van ongelijkheid’ dat ongeveer 50 jaar tussen 1930 en 1980 anomaal waren in de wereldgeschiedenis, waarin de kloof tussen de haves en de havenots verkleinde. Die anomalie heeft bij sommige mensen diepe sporen nagelaten.

Reactionairen van allerlei slag bedienen zich dan ook vaak van de slachtofferretoriek. Alleen zo kan je verklaren dat een ongelooflijk dom opiniestuk als “Heette ik maar Fatima” het daglicht kon zien. De moordpartij van Anders Breivik was gebaseerd op het waanidee dat mensen als hem “onderdrukt” werden door het socialisme, en shooting spree killer Eliot Rodgers haatte minderheden en vrouwen omdat de eersten hem “het recht” zouden ontzegd hadden op de laatsten. Ik stel idiote opinieerders, terroristen, moordenaars met haatmotieven en rechtse politici niet op één lijn, maar er loopt wel een rode draad door: de genoegdoening. N-VA wijst Walen en socialisten met de vinger voor alle problemen, en veel mensen stappen daar in mee. Nee, het kan niet de schuld zijn van een waanzinnig veeleisend neoliberaal systeem – door Bleri Lleshi treffend een “strafstaat” genoemd – dat veel mensen ongelukkig, depressief en boos zijn, het is ofwel hun eigen schuld, of de schuld van de buurman die te lang aan de tepels mocht zuigen van moeder staatskas. De echte schuldigen blijven onzichtbaar en buiten schot, want zij vertegenwoordigen de natuurlijke orde. Comme il faut. Intussen is m’n auto volgetankt en wel, na gepruts met de slang en de stang, en een voorbijgaande gedachte dat het systeem op een rare manier voelt als een penetratie: ik moet geen luik openen, gewoon de slang erin rammen. Waarom heb ik mijn auto ook Evi genoemd? Gelukkig heb ik geen ex-partner die zo heet.

Een goede vriend van mij is al jarenlang actief in het onderwijs voor kansarmen en jongeren die overal al buiten gegooid zijn. Gebroken gezinnen, gedragsproblemen, laaggeletterdheid. Soms lijkt die klasse mensen onverbeterlijk hopeloos, en vragen we ons af waarom we daar met z’n allen geld en middelen in blijven investeren. De laatste jaren merkt die vriend dat de randgevallen in die groep – wat ze in het Engels ‘the precariat’ noemen, één stap verwijderd van de marginaliteit – niet meer mee kunnen. Normaal waren dat de mensen die ze nog net kwijt konden in beschutte werkplaatsen of die ze semi-zelfstandig konden laten wonen. Alles moet harder, sneller, bewezener. Er is een groeiende klasse werkende armen, overal in het Westen, en langzaam gaan we weer terug naar af. Der Untergang des Abendlandes, inderdaad, maar niet zoals Oswald Spengler het zich voorgesteld had. Ik vind parkeerplaats, maar blijf even staan omdat ik aan het luisteren ben naar de live-uitzending van Pukkelpop op Studio Brussel.

Na een tijdje komt Netsky op, met zijn nieuwe hit waarvoor Beth Ditto de stem leverde. Het is compromisloze, dramatische drum & basspop, en ik zet het knalhard. Muziek is catharsis. Ik sluit m’n ogen en voel me even een beetje opgetild worden uit die poel aan regenwater. Het verlof is begonnen, en één van de gewichten die aan mijn armen en benen hangt, is nu voor even weg. Het oordeel is echter onverbiddelijk: binnenkort moet ik weer in therapie. M’n depressie is weliswaar geen gevolg van onze Vlaamse gerontocratische regering, maar ze helpt zeker niet. Ik ben één van die mensen die in de ogen van hun soort weinig genade vindt: onhandig, links, literair, en niet behept met het talent om bullshit zomaar voor waar aan te nemen omdat iemand in een politiek dwergenlandschap een retorische reus is.

De ironie van het gebrek aan goede redenaars op onze politieke Bühne is dat één van de enige momenten van oprechte welbespraaktheid van Tobback Jr. hem tijdens de verkiezingen enkel maar spot opleverden. Sociaaldemocraten hangen al meer dan 20 jaar in de touwen in West-Europa, onmachtig om antwoorden te formuleren, vaak ook medeplichtig aan hun eigen ondergang. Zoals Tony Blair, DSK of Gerhard Schröder.

De kans is belachelijk groot dat ik net tot mijn ouders zal eindigen in de lagere middenklasse, als ik dat bruine geluk al vind. De barrières die de Thatchers, Reagans, Bushes, Ruttes, Berlusconi’s en Bourgeois van deze wereld opwerpen, dienen om die ‘natuurlijke orde’ in ere te herstellen. Het gespuis had nooit iets te zoeken in universiteiten. Jambon Jr. werd niet teruggefloten voor zijn uitspraken dat een hoger inschrijvingsgeld bij hoger onderwijs goed was omdat het zou bijdragen tot een betere elitevorming. Dat was geen aberratie of een jeugdige overdrijving: het is de kern van het neoliberale, revanchistische discours van de N-VA en de rechtervleugels van de Open Vld en de CD&V.

Daar wordt een saus overgegoten van “individuele verantwoordelijkheid” en “hard werken”, maar ik vraag me af hoe mensen als Alexander De Croo, Matthias De Clercq en al die andere zonen en dochters van (Vandenbossche, Tobback, Detiège, Michel, Wathelet, Daerden) dat met een ernstig gezicht kunnen zeggen, gepriviligeerd als ze zijn. Als individuele verantwoordelijkheid dan toch zo belangrijk is, waar zijn al die processen tegen oplichtende topbankiers, graaimanagers en grootfraudeurs? Zodra die tegen het licht gehouden worden, staat rechts op z’n Republikeins hysterisch te schreeuwen over stalinisme en communisme, en mogen rijke, wereldvreemde blanke mannen badinerende opiniestukjes leveren waarin ze zichzelf namens andere ondernemers als zwartepiet portretteren. Alsof de kleine ondernemer hen ook iets kan schelen. Die zitten in dezelfde kookpot van het precariaat, de arbeiders en de slinkende middenklasse. Ik stap uit en de radio valt onmiddellijk stil. Er is enkel de regen en wat lamlendig voorbijgaand verkeer.

Uit verstrooidheid neem ik de trap en bots ik op de nieuwe buren, die druk aan het verhuizen zijn. Ik stel mezelf even voor en vertel hen in één adem dat ik me vermorzeld voel door het idee dat niets van wat ik ooit zal doen of zeggen, goed genoeg is om écht te voldoen aan mijn eigen idealen, en dat ik me bovendien langs alle kanten belaagd voel door een veel te luide, intense wereld die verstoken lijkt van rechtvaardigheid. De nieuwe buren knikken begrijpend en we zingen samen Kumbaya. In werkelijkheid zeg ik gewoon m’n naam, vertel ik hen dat ze mijn kat wel zullen tegenkomen als die op muizenjacht is in de omgeving, en dat ze jammer genoeg niet altijd (nooit) kunnen rekenen op de syndique, die het appartementsgebouw ziet als een simpel wingewest. Het zijn vriendelijke mensen, die nieuwe buren.

De kat in kwestie blijkt onder het bed gekropen te zijn als ik binnen kom. Hij is bang van bliksem en donder. Ik lok hem vanuit zijn schuilplaats met droge brokjes voeding, een gongslag die hij niet kan weerstaan. “De maatschappij is geradicaliseerd, kleine vriend,” zeg ik hem, en hij luistert niet echt. Hij is gewoon blij met de aandacht die hij krijgt. Ik streel hem alsof je een hond zou strelen, en hij laat me zelfs aan zijn wat te dikke buikje komen. Daarna laat ik hem op zijn gemak eten, want zeg nu zelf, niemand wil onder het eten geaaid worden. Ik denk terug aan al die boze mensen die op onze huidige regering gestemd hebben, en allicht ook liefhebbende eigenaars zijn van honden, katten, parkieten of vissen. Is zeggen dat ze misleid werden, paternalistisch? Of kan ik hen mee verantwoordelijk houden voor de penibele situatie waarin ze nu duizenden Vlamingen gaan brengen?

Robin Williams is al twee dagen niet meer onder ons. Van zijn melige tearjerkers moest ik niet weten, maar met zijn standup comedy en zijn serieuzere rollen bezorgde hij de wereld blijvende geschenken. Comedy en depressie, die gaan samen als ongestrafte topbankiers en omheinde villa’s met zwembad. Als tiener wenste ik niets liever dan te zijn als al de rest en ook op zo’n pad terecht te komen naar ongekende weelde en macht. Het was niet voor me weggelegd. Ondanks alles heb ik dat toch al aanvaard.

Ik grijp weer terug naar muziek. M’n favoriete over-the-top dramatist Chris Corner van IAMX mag de omkadering verzorgen, en uitvergroten wat ik voel zonder dat ik er iets meer voor hoef te doen dan te luisteren. Een rilling trekt over m’n rug, armen en nek. Het is de soundtrack voor een emotionele post-apocalyps. Er bestaan mensen die daar naar streven – accelerationisten – die bewust stemmen op de meest extreem neoliberale kandidaten, in de hoop dat het systeem sneller ten val komt, en dat uit de asse daarvan een rechtvaardigere, betere wereld zal oprijzen. Ik denk dat dat een laf idee is. Ik wil blijven vechten. Om een beter persoon te worden. Om gelukkig te zijn. Om op zijn minst één keitje te kunnen verleggen in de enorme rivierbedding van de geschiedenis, en er voor te zorgen dat de wereld van morgen één tint warmer kan kleuren dan de wereld van vandaag.

zondag 13 maart 2011

De gezellige demon

Ik sta even stil in een smalle, slecht onderhouden straat waar langs weerszijden landbouwgronden liggen, bollend en glooiend als brood in een middagzon. Een koe kijkt op naar de auto, vanuit de verte, wantrouwig als een boer uit de Balkan.
"Die koe heeft geen idee wat er gebeurt," zegt Inna. Ze neemt een foto. Ik kijk naar de putten in de weg.
"Ik kwam hier vroeger vaak fietsen," zeg ik. Niet dat dat eigenlijk relevant is, of dat het mijn herinneringen kan overbrengen op een persoon die hier nog nooit geweest is. Maar ik ben blij dat ze alles open in zich opneemt. Ze neemt een foto van de andere kant. Het is een mooi landschap, moet ik ook toegeven, en ik had het voordien nog nooit gezien als iets dat de moeite waard was om een foto van te nemen omdat ik het al haast dertig jaar in onveranderende toestand gekend heb.
"Bij die bunker daar," leg ik uit terwijl ik met een genoeglijke traagheid verderbol over de weg, langs nog meer weilanden en enkele losstaande huizen in omgebouwde, kneuterige fermettestijl, "ging ik soms ook spelen. Erg leuk om er oorlogje te spelen. Het lag er ook altijd vol vuil en sigarettenpeuken. En porno."
Inna tuurt naar de bunker in de verte.
"Bosporno," zegt ze. Ze kent het fenomeen.
"Inderdaad."
Ik zwenk traag langs een familie op zondagswandel. Een oude foto doemt terug op uit mijn albumgeheugen. Ik zit in een buggy, ergens omtrent mijn eerste verjaardag, en de hele familie doet een korte wandeling langs een heuvelachtige kasseiweg die in de zomer altijd rook naar rottend gewas en te dicht opeen groeiende, vochtige bomen. Een de laag hangende klinkers en ingeslikte syllaben van de streektaal, die onlosmakelijk verbonden is met de plaats, een gemeenschap van zijn. Als ik een kind had, denk ik, zou ik het soort goedbedoelende maar uiteindelijk mogelijk pretentieuze vaderfiguur zijn die wil dat zijn kind opgroeit met verschillende talen.
"In de jaren '60 was hier nog haast niks," zeg ik, alsof ik het zelf allemaal heb meegemaakt, "Je ziet het aan de huizen: allemaal gebouwd in de jaren '70 of zelfs later."
Ik sta er niet bij stil dat ik over deze straten en deze velden al eerder geschreven heb. Dat daar moorden gebeurden, dat er geweld was. De waarheid is veel erger dan de groteske fictie en de ontaarde bebouwdekomwaanzin die ik in grove penseelstreken neerschilderde, want een boosaardige aanwezigheid heeft zich deel gemaakt van onze levens.
"Een erg dichtbevolkt land," zegt Inna.
"Bijna elf miljoen mensen op zo'n kleine oppervlakte, wat wil je."
Minder lintbebouwing, misschien, beantwoord ik mijn eigen retorische vraag. Misschien zou dat ervoor zorgen dat de landschappen terug opener worden, dat onze blik minder vernauwd is en we en we die boosaardige aanwezigheid met een ontstellende helderheid zullen kunnen zien.
"Dit land is echt mooi."
Ik haal de schouders op. Ik ben het hier gewoon, en dat klinkt arroganter dan het bedoeld is. Je hoort ze het vaak zeggen, expats die na lange tijd terug dit tochtgat aan de Noordzee opzoeken, dat we het hier zo goed hebben en dat het zo'n rustig land is. Ik begrijp dat wel.
"Ja, we mogen zeker niet klagen," zeg ik nog, terwijl de auto terug de baan op rijdt richting Gent, in een omgekeerde Stef Hertmans-beweging, "Er zijn erg veel historische gebouwen bewaard, en als je ze weet te vinden, zijn er erg mooie landschappen te vinden. Je moet er voor zijn, natuurlijk, die romantiek van dikke grijze wolken boven donkergroene weilanden. Of een warme koffie drinken in een verlopen tearoom aan de dijk, met zand nog in je haar en in je schoenen."
Ik merk dat ik er zelf lyrisch van word. Is het dat gevoel waar Jacques Brel over zong? En is het ook niet zo dat elke persoon, waar ook ter wereld, met zijn eigen streek en volk verwikkeld is in een haat-liefdeverhouding? Inna kent dat gevoel zeker. Op haar paspoort staan de verblindende sterren en strepen en de bombastische uitspraken over vrijheid van de Founding Fathers.
"Ik ben een beetje een volksverrader, weet je. Het wij-zijn-maar-een-klein-volkje-gevoel waaruit zowel een minderwaardigheidscomplex als een dwangmatige valse bescheidenheid spreekt, is een voortdurende bron van irritatie voor mij," zeg ik. De demon waar ik eerder aan dacht, is eindelijk uitgesproken.
"Ik heb er al eerder over geschreven," orakel ik door, "en het is niet dat ik denk dat ik er veel aan kan veranderen door me er aan te blijven ergeren. Maar hier hangt het ook samen met die zieke machtsgreep van rechts."
"Dat ken ik maar al te goed," zegt ze schamper. In mijn hoofd zie ik natuurlijk onmiddellijk beelden van permanent kwade presentatoren op Fox News, de homohaat van fundamentalistische christenen of het verwrongen realiteitsperspectief van sommige Republikeinse kopstukken. Onlangs bestonden ze het een idee te lanceren waarbij het nog moeilijker zou worden verkrachting te vervolgen. Men had het over 'gedwongen verkrachting', waaruit de zoveelste poging spreekt van de patriarchie van blanke oude mannen om vrouwelijke seksualiteit aan banden te leggen.
"Ja, het is niet alleen hier of in de Verenigde Staten zo," geef ik toe, "Het omspant de hele wereld. De krachten van rechts lachen al jaren met de 'linkse kerk', die zogezegd fout was in het migratiedebat, die te goedgelovig en naïef is als het aankomt op misdaadbestrijding, en die niks kent van economie. Dat, terwijl er geen grotere en naïevere religie is dan blind geloven in neoliberale dogma's, die nergens hebben gezorgd voor meer welvaart bij de bevolking. De kloven tussen arm en rijk zijn alleen maar gestegen, solidariteit wordt geassocieerd met een profitariaat, en de haat tegenover de socialezekerheidsadel is een bliksemafleider voor het feit dat grote bedrijven jaarlijks veel meer stelen van de belastingsbetaler dan die minderheid aan marginalen die sociale vangnetten probeert uit te buiten."
Ik besef dat ik klink als een linkse agitator, en dat zint me niet. Ik zucht. We rijden door Ledeberg, het oorsmeer van Gent.
"Aan de universiteit waren de meeste van mijn vrienden links."
"Ah, vaag links."
"Precies. Nu ze werken, zijn de meesten onder hen rechts. Ze zijn volledig meegestapt in die logica van de rechtse kerk, dat armen, migranten en Walen voortdurend op de loer liggen om hun belastingen op te souperen."
"Jullie betalen hier wel veel belastingen."
"Dat is waar. Maar dat is een andere kwestie."
De plompe, betonnen brug van de E17 doemt op. Het is een dag waarop het zou kunnen gaan regenen, maar het maar niet doet. De wolken zijn onmachtig. Het is ook lente, en in de lente kan alles. Ik trommel met mijn vingers op het stuur terwijl ik wacht aan het rode licht.
"Mijn vader werd ook alleen maar linkser met ouder worden," zeg ik, "Ik denk dat ik gedoemd ben dat te volgen. Gaan werken na de universiteit heeft me niet blind gemaakt door geld, of ontvankelijker voor neoliberale praatjes. Ik zie alleen steeds meer onrechtvaardigheid."
Maar ik ben geen kruisvaarder. Ik rol de Gentse binnenring op met mijn vuile auto.