Over 'Onklare taal'

'Onklare taal' is de verzamelnaam van diverse tekstprojecten van mijn hand. Dit is de afdeling columns en microstories daarvan. In 2017 bracht ik 'In de vorm van een vogel' uit, een bundeling van de beste 99 teksten van dit genre tot op dat punt, netjes geredigeerd en per seizoen geordend. Je kan die antologie gratis downloaden als je Patron wordt. De weg een beetje kwijt? Mijn eigenlijke website, die ook 'Onklare taal' heet, verwelkomt je.

woensdag 19 november 2025

Sådan var våren om hösten

De aardas kantelt en de duisternis neemt elke dag toe, samen met de kou en de regen. De bladersterfte is haar hoofdfase ingegaan en weer zijn nutteloze bladblazers op pad om met irritant veel lawaai weg te blazen wat er bij de volgende sterke windbui toch weer zal liggen. Ik benijd de Sisyfussen niet die dit als job hebben, maar vechten we eigenlijk niet allemaal tegen entropie? Bij hen is het gewoon naakt, onverbloemd, terwijl ik werk aan een oeuvre dat zoals al de rest eveneens gedoemd is om ooit vergeten te worden. Maar dat raakt me niet echt. Een ander gevecht tegen entropie lever ik op de fiets, waar ik voor het eerst sinds twee maanden terug op mag rijden. Ondanks het regengordijn van de milde PTSD dat me vergezelt, voelt deze stap vooruit bevrijdend. Ik ben weliswaar nog geketend door vele kettingen, maar de fietsketting is er niet langer één van.

Ik rij terug van bij de fysiotherapeut, mijn bondgenoot tegen de entropie. Tevens ben ik ook in psychotherapie. In mijn verbeelding sta ik opgetild in een garage op een autolift en zijn dat de mecaniciens die aan me sleutelen, m'n olie helpen verversen, de deuken uit mijn carrosserie hameren en de software-updates downloaden. Af en toe mag ik uit de garage om een ritje te rijden, en die ritjes gaan steeds beter. Volgende week mag ik ook terug naar kantoor op diezelfde fiets. Ik ben weinig sentimenteel als het op collega's aankomt, maar het gaat toch deugd doen om hun gezichten terug te zien, terug samen te kunnen lunchen of samen rookpauzes te nemen met de jonge garde aan vapers en zelfrollers (ik ruïneer mijn longen nog op klassieke wijze, met peperdure pakjes die ik koop in de krantenwinkel of bij louche tankstations).

M'n jas en broek worden kou en nat van de regen, onder een hemel die velen zouden aanvoelen als terneerdrukkend, deprimerend, behept met een soort gereïficeerde Belgische malaise. Doorheen een mangeljaar als 2025 is er veel kapotgegaan, maar niet mijn hang naar complexe woorden en gedachten. Die gebruik ik overigens nooit om nodeloos te pronken, maar omdat ze me brandstof geven. Megan, die vorig weekend bij me gelogeerd heeft en die ik op sleeptouw heb genomen door het stadscentrum als de toeristische gids die ooit aan mij verloren is gegaan, toonde me gisteren een artikel waarin staat dat (meer)taligheid mensen jonger houdt. Alweer een tijdelijke nederlaag voor de entropie dus. 

Bij de supermarkt maak ik een tussenstop. In de winkel speelt 'Rehab' van Amy Winehouse, een jaargenote die haar strijd tegen de entropie jammer genoeg 14 jaar geleden al moest opgeven. Ik zou niet graag een jong gestorven held geweest zijn, maar ten andere zou ik dat niet eens weten als ik dood was. Na de dood denk ik niet dat er nog iets wacht op ons. Meer nog, het concept van als geest of ziel God weet waar eeuwig achter te blijven lijkt me een verschrikking. Hoe eeuwig is die eeuwigheid dan? Tot de Aarde geroosterd wordt door een almaar heter wordende zon? Totdat het universum uit elkaar getrokken wordt door donkere energie? Tot alles afkoelt naar het absolute nulpunt en tijd zelf stopt? We spreken hier over tijdschalen van miljarden tot centiljoenen jaren. Waar moet je je al die tijd mee bezighouden? 

Nee, dan liever deze vreemde lente middenin de herfst. Ik beleef die met een zekere zachtheid, met telefoongesprekken allerhande (als een soort inversie van de tomeloze tiran uit Luceberts 'Stand van zaken'), knus onder dekentjes en in het gezelschap van Reginald. Gisteren zat hij in al zijn zaligheid achter mij in de zetel, traag in- en uitademend, soezend tegen een paar kussens, terwijl ik werkte. Katten lijken het interessant te vinden als mensen arbeid leveren, zelfs geruststellend: “Aha, mijn baasje is weer aan het praten tegen een scherm en tikt met zijn poten op een rechthoek – dan is alles in orde.” Niet alles is in orde, natuurlijk. Ik sta nog steeds op de autolift in de garage, maar uit het oude wrak komt langzamerhand de herstelde wagen tevoorschijn. De reële ik rolt inmiddels de garage binnen met piepende remmen. Binnenkort gaat ook deze fiets nog eens binnen voor een onderhoudsbeurt, want ook hij is één van mijn vele bondgenoten tegen de entropie. 

woensdag 22 oktober 2025

Code oranje

Op de bus bedenk ik me niet voor de eerste keer deze ochtend dat op dagen dat ik niet hoef te werken, ik eigenlijk beter niet voor de middag afspreek met mensen, omdat het bioritme dat ik van nature aanneem me eigenlijk sterk in de richting duwt van slapen tot de middag. Je kan dat decadent vinden, maar ik heb even veel productieve uren op een dag als iemand anders, ik zit alleen langer op en hou ervan om te verpozen in het warme deken van de nacht, waar ik niet gestoord word door toeterende auto’s, schreeuwende kinderen, aanbellende pakjesbezorgers of de buurt bijeen blaffende honden. Wat dus nu wel het geval is. De buspassagiers tonen zich in al hun superdiverse marginaliteit. Dat riekt naar classisme en is tegelijk ironisch, want ik zit hier zelf ook, in mijn joggingbroek waarin de contouren van mijn beenbrace duidelijk zichtbaar zijn. Ik zit ergens halverwege mijn revalidatie na een operatie, en het is lastig om te dragen. Misschien daarom dat ik me zo veel sneller erger aan de ander, want ik zou dat ook wel willen, complexloos en schaamteloos zijn in mijn volslagen gebrek aan stijl, goede manieren of weigering om nog te doen alsof ik deze maatschappij iets wil betekenen. Maar het is niet anders.

Onderweg merk ik dat de opmars van de Engelse ziekte onverdroten verdergaat: “vis winkel”, “sfeer café”, “sleutel maker”. Ook veel kleine brolzaakjes die erin slagen kennelijk drie namen tegelijk te dragen, of in hun opschriften twee verschillende lettertypes combineren. Ik passeer de rijschool in de Brugse Poort die “NU SLAGEN” afficheert, wat voor iemand van Antwerpen of Brabant wellicht onbedoeld komisch overkomt. Maar weet je, liever dit soort semi-gereglementeerde kleine ondernemingen dan protserige petit bourgeois-huizen in fake fermettestijl met affiches in de voortuin waar zo’n snerende rechtse N-VA-smoel op staat. Want daar heb je er in de buurt waar ik woon al meer dan genoeg van. En de mentaliteit waar die vaak mee samengaat associeer ik met de ijskoude luchtstromen van de communicaties die ik de laatste weken weer mag ondervinden van verzekeringen, huisbazen en nutsmaatschappijen. Altijd weer die kille, haast robotische toon, afstandelijk vousvoyerend, verordenend, beschuldigend, eisend, afketsend. Nergens een vriendelijk woord. Gisteren schreef een verzekeraar zelfs m’n achternaam achteloos verkeerd. En er is niet eens kwade wil mee gemoeid: die mensen denken vast dat dat zo hoort. Wel, ik nodig hen uit eens door het proces te gaan van wat ik intussen zelf al 8 maanden moet doormaken, en ik zou dan willen zien hoe het gesteld is met hun goede luim.

Er zijn ook lichtpunten. Initieel zag ik enorm op tegen de kinesitherapie waar ik weer doorheen moest, maar de fysio is een aangename jonge vrouw met een wat ongepast gevoel voor humor waar ik goed op ga en is nog niet samengedrukt tot een bal bruine plasticine zoals zo veel andere mensen op deze wereld. De dame die ik even geleden aan de lijn had om m’n internet te fiksen toonde zich ook erg medelevend en menselijk – zoiets moet niet, het is niet verplicht, maar het maakt het aan mijn kant van de lijn allemaal zo veel draaglijker.

Ik word uit de bus gekieperd aan de Korenmarkt en stap dan naar de Wasbar aldaar, waar mijn brunchafspraak op me wacht. Ik probeer te letten op mijn postuur en wandelritme, beiden intussen misvormd door opeenvolgende revalidaties. Recht de rug en de nek. Hiel van de linkervoet eerst, niet de wreef. Het is niet al te druk en veel zaken zijn nog dicht. Weinig toeristen, ook. Ik sta er soms niet voldoende bij stil dat ik in een stad woon waar werelderfgoed huist omdat het voor mij al decennia gewoon het decor is waarbinnen mijn dagelijkse leven zich afspeelt, maar het is zeker een privilege. Net als, ondanks mijn bitterheid, in een land te mogen wonen waarin mijn gezondheidsproblemen geen enkele reis richting financiële ruïnering zijn. Als het lag aan de instanties die me nu zo belagen en bejegenen met de menselijkheid van een fascistische stationschef, zou dat wellicht anders zijn. Ik wil er niet aan denken. 

Ik vind de Wasbar, intussen al jaren een keten met vestigingen overal in Vlaanderen, maar initieel een Gents hipsterconcept waarvan het idee eigenlijk goed gevonden is, maar het was-gedeelte mettertijd verdwenen lijkt. Om een stom punt te maken had ik misschien wat vuil ondergoed moeten meebrengen. Ik zie opvallend veel mensen met oranje gekleurd haar op straat. Pas onlangs realiseerde ik me dat mensen die we roodharig noemen, eigenlijk oranje haar hebben, maar dat de term voor roodharigen ouder is dan de term voor de kleur oranje in onze taal. Ik heb zelf ook wat oranje in m’n baard, al beginnen de eerste grijze haren zich daar eveneens te tonen. En ik ga er vast nog een paar bij krijgen als ik nog vaak vroeg uit de veren moet op een dag dat ik niet hoef te werken, maar voor goede vrienden heb ik het er voor over. Als ik binnenstap, word ik op een brede, verwelkomende glimlach getrakteerd, en daar doet een mens het voor. Wel, en een grote kop koffie. 

maandag 25 augustus 2025

De meest humane executie ter wereld

Ik wenste dat ik niet zo veel voelde. Mijn hoofd gaat in en uit focus op het werk en ik ben misselijk. Ik sta op de rand van een hoge klif waar ik voortdurend over dreig te struikelen, het zwarte water in. Gisterenavond is het doek definitief gevallen over twee erg intense maanden met een persoon waar ik de hoop van had gekoesterd dat er iets duurzaams kon uit groeien - al van in het begin was het een riskante propositie, maar er bestaan ook bomen die tegen alle verwachtingen in kunnen groeien uit de kleinste barsten in beton en toch groot en sterk worden. Emotioneel exhibitionisme vind ik pathetisch en getuigen van weinig smaak, dus veel meer details over de persoon wil ik niet aan de publieke bühne toevertrouwen. Ik ga Nea nooit vergeten maar ik zal hen meer dan waarschijnlijk ook nooit meer zien.

Als ik naar buiten ga om te roken, gaat m'n zonnebril mee. Voor het eerst in een week moet ik weer nu en dan huilen. Ik wil het niet maar ik kan het niet tegenhouden.
 
Je kan je geen weg redeneren uit een gebroken hart en dat vind ik ontzettend frustrerend. Een afwijzing is geen discussie, geen kwestie van gelijk of geen kwestie van feiten en fictie: de afwijzing zelf IS het feit. Nea zei in essentie dat onze temperamenten te verschillend zijn. Aan de oppervlakte zou je nochtans zeggen van niet, want allebei ADHD-bijen met een biljoen interesses en een zin voor diepgang tot aan de aardkern. Maar ik denk dat ik hen eigenlijk al een beetje aan het uitputten was tegen dat we elkaar voor het eerst in levende lijve zagen. We zeiden zelfs tegen elkaar dat die enorme intensiteit van de eerste weken dat we contact hielden, op termijn nooit houdbaar zou zijn geweest en ons zou opgebrand hebben. Maar kennelijk beseften we toen nog niet dat het eigenlijk al te laat was. Of beter: het was te laat voor hen.

Misschien verklaart dat die curieuze holte die ik was beginnen voelen ongeveer twee weken voor we elkaar zouden zien. Alsof er iets uit de foto weggeknipt was. Ik weet het toen en ook op het moment dat die me een eerste keer afwees bij m'n bezoek aan het feit dat ik verliefd was en die niet. Maar misschien was het wat anders en misschien maakt het ook helemaal geen bal uit voor de gevoelens die de Grand Prix van Monaco door m'n lichaam en hoofd racen, rondje na rondje na rondje na rondje, zinloos, ziedend, onnozel.

En dan denk ik: "maar hoe kan ik nu te intens zijn als jij dat ook was?" Ik herinner me een dag waarop ik uit het niets meer dan 10 berichten had gekregen op diverse tijdstippen doorheen de dag. Of dat die een volledige playlist naar me gooide. Of nog volop voice notes zat te sturen om 4 uur 's ochtends. Ik zou m'n eigen intensiteit nooit zo opgeschaald hebben als Nea niet eerst begonnen was, want het was Nea die eerst suggereerde om op een app verder te praten, het was Nea die me eerst foto's stuurde, het was Nea die eerst voice notes stuurde en het was Nea die voor het eerst in mijn bijzijn huilde.

Maar ik geef toe dat er ook een ander aspect was aan Nea dat ik soms voelde als licht dat nu en dan flinterdun geschild van tussen dicht vergroeide boomkruinen kan komen. Nea was soms koel als een steen. Niet hard of ongevoelig, maar koel zoals veel mensen koel kunnen zijn. Ik denk dat ik dat niet wilde zien of beleven en bleef intussen zelf branden met de intensiteit van Betelgeuse zelf. Die had het vuur in me aangestoken en het ging. Gewoon. Niet. Meer. Uit. In m'n dagelijkse leven heb ik na meer dan vier decennia geleerd om dat te maskeren en te doseren. In m'n dichtste vriendschappen vertoont dat masker vaak barsten en m'n broers herinneren het zich maar al te goed: Matthias vroeg me ooit waarom ik altijd zo "relentless" was. En in liefde kan ik het simpelweg niet. Omdat het ook één van de meest intense emoties is die ik voel.

Wat ik me ook herinner is dat mijn relatie met Inna, nu 14 jaar geleden, in wezen opbrandde op een gelijkaardige manier, maar dan omgekeerd. Ik had haar toen al gevraagd niet meer alle kanalen te gebruiken voor ons contact (sms, Messenger, e-mail), maar na een tijdje gebeurde het toch weer opnieuw en hadden we allebei de onhebbelijke gewoonte snel op elkaars berichten te reageren, waardoor we op de duur weer aan tientallen berichten per dag kwamen maar geen ademruimte hadden om nog iets op te bouwen waar we effectief wat over te vertellen hadden.

Zo ging het niet bij Nea en we waren ook al niet samen. Ik dacht zelfs dat ik goed aan het doseren was. En luister, ik weet dat ik veel kan zijn, zeker voor mensen die een ontzettend groot verlangen in me weten aan te wakkeren. Het ging hier niet over zoiets banaals als berichtfrequenties, maar wellicht ook de volledige man die ik ben. Die man die ontzettend veel dingen voelt, de hele tijd, op elk moment, zelfs in de diepste droomtoestand. Soms verwonderen mensen er zich over hoe ik dat eigenlijk klaarspeel, gemiddeld op minder dan zes uur slaap een volledige werkdag afwerken, lezen, schrijven, nadenken, tijd maken voor vrienden en familie en er toch niet uitzien als een onverzorgde, half-verwilderde zonderling. Nea liet het ook eens vallen: "hoe ben jij zo productief?". Ik schampte dat ik gewoon niet veel beters te doen had maar eigenlijk is het gewoon een vloek.

Even later tank ik koffie en zit ik bij HR. Ik ben de vriendelijke werknemer met productieve ideeën. Het masker zit goed vast, het past bij me. Het is ook niet zo moeilijk - ik wil namelijk niet echt iets van deze dame, buiten hoe ik min of meer kan invullen wat die van me verwacht op het werk zodat m'n job niet in gevaar komt. Voor sommige mensen is dat vast al hachelijk genoeg en zoals Sia ooit zong hebben sommige mensen inderdaad echte problemen. Wat sneu voor me, al die gevoelens, die gevoeltjes, de dichter met hartzeer, de idioot die zich met wijdopen ogen te pletter smeet tegen een koele steen en zichzelf had wijsgemaakt dat het een verkwikkend bad zou worden. Als er al iemand is die me mag uitlachen, ben ik het zelf wel.

En Nea, ach Nea, wees me af op de meest vriendelijke, lieve en menselijke manier. Ik deed niks verkeerd, ik mag niet vergeten dat ik ook liefde verdien maar we gaan zelfs de platonische meubelen hier niet kunnen redden. Op het moment dat ik die woorden las was ik geraakt maar vooral door hoe hun laatste communicatie zo netjes was, zo genuanceerd en met zo veel mededogen geschreven. Ik denk niet dat ik ooit al op een liefdevollere manier ben afgewezen. Maar dat is natuurlijk ook wel wat als de meest humanitaire executie ter wereld. En dat voelde ik deze ochtend, het spinrag weggeblazen van hun woorden in de nacht. Tegen hen had ik de nacht zelf nog gezegd wat ik te zeggen had, hun bedankt voor een ongelooflijk mooie, intense periode van kennismaking, en geen spijt van het op z'n minst te hebben geprobeerd. Met iemand die heel, heel eventjes in m'n leven de mooiste persoon op Aarde was voor me. Ik wenste gewoon dat ik niet zo veel hoefde te voelen. 

zaterdag 9 augustus 2025

Graven

Aan de ingang van het werk is er een overhangend, vierkant afdak dat gestut wordt door dikke pilaren. Boven die pilaren bevindt zich een kantoorruimte, eveneens vierkant. Omdat de rokers niet mogen gezien worden bij de ingang zelf, moeten we een ruimte innemen om de hoek, waar het vuilnis staat en waar we dus kennelijk thuis horen als de gedegenereerden die we zijn. Maar daardoor sta ik ook telkens vlak onder de scheidingslijn waar de schaduw valt van de overhang en het kleine koertje dat nog mag genieten van zonlicht. Daarnaast is er de haag van een aanpalend bedrijventerrein, voorzien van een ook al hoekig, kortpittig kapsel. Als ik naar boven kijk, strekt de strenge lijn van de overhang zich vooruit de hemel in, wat een schilderachtig contrast geeft met de hemel en zijn wolken. Als ik de enige roker ben, is het een paar minuten meditatie van lijnen en lijnloosheid, leegte en vorm.

Over vormen gesproken: na drie weken knellen de vreemde contouren en rituelen van het nieuwe werk al niet meer zo. Sic semper corporatis. Adaptatie heeft haar limieten, maar er zit kennelijk nog rek in mijn neurale circuits. En in mijn gedachten ben ik altijd vrij. Ik denk eraan om een boek of een novelle te schrijven met de werktitel ‘Graven’ en omdat ik het openlijk heb neergeschreven dat ik dat heb gedaan, heb ik het wellicht vervloekt en ga ik het nooit schrijven. Voor een man waarvan velen geloven dat hij tamelijk intelligent is, betrap ik mezelf voortdurend op magisch denken. Misschien is dat nog een grotere zwakte dan roken. Maar ja, Tweelingen is een lucht-teken en wat past daar beter bij dan geloven in onzichtbare verbanden en rook inhaleren? Voor m’n werk-avatar in de diverse softwaretabernakels waar ik constant ingelogd hoor te zijn heb ik gekozen voor de ‘jera’-rune en ik hoop dat mensen daardoor niet denken dat ik een crypto-nazi ben. Het is gewoon een mooi teken, en zou symbool staan voor de wende, de verandering, de cyclus.

‘Graven’ zou kunnen gaan over momenten als deze, waarin ik graafwerken uitvoer in mezelf, of weken als deze, waarin voortdurend zaken opgegraven worden (gesprekken van jaren geleden, momenten die plots met elkaar verbonden worden als een lichtsnoer), of jaren als deze, waarin ik dingen juist afleg en ten grave heb gedragen. Dat hoeft niet negatief te zijn. Vele bitterheden zijn niet langer deel van mij en daar ben ik opgelucht over. Bijvoorbeeld de trauma’s van de eerste helft van mijn carrière liggen feestelijk onder een hoop lachende aarde samen met m’n eerdere werkzelven. Graven – ook het meervoud van de graaf, de oer-aristocraat en vampier, oneigentijds verfijnd tegenover de opgeblazen, hatelijke en domme kakistrocraten waar we vandaag mee opgezadeld zitten. Graven in hun meer gebruikte betekenis als plaatsen waar de doden liggen zijn dan weer overal, talrijker dan ooit, de oogst van brutale moordpartijen en genocides.

Ik zou er aanspraak op kunnen maken een zonderlinge melancholicus te zijn als ik ook niet soms zo’n belachelijk figuur zou zijn. Gisteren was bij m’n thuiskomst mijn rugzak doorweekt door tomatensaus die uit een opengescheurd pak gehaktballen in tomatensaus was gelopen. Het zag eruit alsof er een klein dier in mijn rugzak gestorven was, en tot nog een stuk in de nacht bleef de rugzak door mijn wasmachine en droogkast reutelen onder hevig protest. Hij ziet er nu wel nieuwer uit dan ooit, klaar voor zijn volgende samsara. Het is allemaal ontzettend lullig, afgewogen tegen de pretparkkar waar we allemaal samen in zitten en die bijna aan terminal velocity naar beneden aan het razen is. Daar heb ik niks betekenisvols meer over te zeggen, ik kan alleen maar doen wat in mijn macht ligt om de warmte (en de sigaretten) die ik heb met anderen te delen. En te delven, delven, delven zoals ik al van oudsher heb gedaan. Misschien vind ik zelfs goud. 

dinsdag 29 juli 2025

De vijfde dag

Op de vijfde dag van de Schepping zou God de wezens hebben geschapen die de hemel en de oceanen bevolken, en op mijn vijfde werkdag op de nieuwe job voel ik me ook een beetje alsof ik daar tussenin hang. Aan de ene kant wordt m’n hoofd door een overdaad aan nieuwe kennis uitgerokken tot in de wolken, aan de andere kant zijn mijn voeten verzwaard door de even grote overdaad aan nieuwe gewoontes en gezichten die naar me lonken vanuit een poel van waanzin. Als dat geen veel te barokke metafoor was, weet ik het ook niet. Je bent opgerezen uit katholieke klei of je bent het niet, ook al is de Kerk in dit land een holle crypte geworden vol oude griezels.

Ik trap al vijf dagen bijna 20 kilometer in totaal tussen thuis en kantoor, door groene fietslanen van de stad waarvan ik voorheen het bestaan niet eens wist. Ze zijn recent aangelegd en grotendeels netjes. Als een cybernetische bypass verbinden ze oude delen van de binnen- en buitenstad. Ik glij langs de idyllisch genoemde Vissersdijk maar moet daarna over een fietsersbrug die bedacht lijkt door iemand wiens breinkronkels enkel in hoeken van 90 graden liepen. Ik mag als een koning zweven over fietsersbruggen van waarop ik het verkeer kan zien op de Watersportbaan (dat in beide richtingen en aan beide kanten voor me moet stoppen!) maar ik moet ook sinistere bochten nemen waar zichtbaarheid een goede grap is en die er tegen het najaar wellicht ronduit naargeestig zullen uitzien.

Dan de werkplek. De fintech heeft me weer eens binnengehaald en ik ben er goed onthaald, ook. Omdat het middenin de zomer is, is het er laagtij, maar de uitbarstingen van zotte energie en het arsenaal aan tools, termen en trivia waarin ik moet bijbenen laat vermoeden dat het er op springtij een corporate rave is van ongeziene proporties. Het zit er ook vol zotten, maar ik ben er zelf ook één, ook al weten ze dat nog niet echt. Er wordt veel gevloekt ook en veel geclasht. Iemand zegt lachend dat hij de “anti-Zelensky” is, wat dat ook mag betekenen. Een ander heeft de foute leeuw van de Vlaamse strijdvlag zitten fotoshoppen in een LBGTQ+-vlag. Iemand aanziet me verkeerdelijk voor iemand van 33. Ik weet al het halve relationele leven van drie collega’s na amper drie gesprekken en zonder er naar te vragen. Toen ik op de tweede dag opmerkte dat het er best “neurospicy” was, kreeg een collega de slappe lach. De baas is een selfmade man, de zoon van een bakker, die elektricien werd. De koelkast opent aan de verkeerde kant. Maak je eigen metafoor maar.

Met elke volgende dag raak ik er een klein beetje meer van overtuigd dat ik deze job zal kunnen. Op vlak van wat ik allemaal kan en weet ben ik niet vals bescheiden, maar de overrompeling hier was reëel, en ik had het eigenlijk al kunnen weten door het intense sollicitatieproces. Het leven heeft niet de neiging te doseren. Rond m’n verjaardag zat ik vast op vliegenpapier na een revalidatie van een ongeval en het rioolputje van een opzegtermijn die ik niet langer uit hoefde te doen, met enkel een vage vlek aan de horizon. Nu ben ik aan hoge snelheid terug gelanceerd in de flipperkast van het werkleven, moet ik over twee maand onder het mes en ga ik over twee weken totaal onverwacht naar het buitenland voor een weekend. We zien dezer dagen terecht een schilder als Hiëronymus Bosch meer als een visionair dan pakweg de Renaissance-schilders met hun “realistische” perspectieven en hun strenge nabootsingen van klassieke lijnen en patronen.

Eén van de grappige dingen daaraan is dat die Renaissance-artiesten en vele generaties kunstenaars na hen met de grootste sérieux standbeelden namaakten in hagelwit, zuiver marmer zonder een spatje verf of kleurstof, terwijl de oude Grieken en Romeinen hen beschilderden in carnavaleske kleuren. Toegegeven, reconstructies van die kleuren zien er ook voor mij uit als wansmakelijk, maar dat die wansmaak doodsbange reactionairen boos maakt, is geweldig. Op die manier heb ik ook altijd al geweten dat gegevens als fietsbanen en fintech aan de buitenkant lijken als doordeweekse, zelfs relatief saaie zaken, maar binnenin vaak een constante explosie van contradictorische glitter zijn. Zoals een recente connectie die ik onverwacht maakte zei met een mengeling van berusting en amusement: “isn’t life… funny?”.