Over 'Onklare taal'

'Onklare taal' is de verzamelnaam van diverse tekstprojecten van mijn hand. Dit is de afdeling columns en microstories daarvan. In 2017 bracht ik 'In de vorm van een vogel' uit, een bundeling van de beste 99 teksten van dit genre tot op dat punt, netjes geredigeerd en per seizoen geordend. Je kan die antologie gratis downloaden als je Patron wordt. De weg een beetje kwijt? Mijn eigenlijke website, die ook 'Onklare taal' heet, verwelkomt je.
Posts tonen met het label 2026. Alle posts tonen
Posts tonen met het label 2026. Alle posts tonen

dinsdag 31 maart 2026

Hagalaz

Het is de tweede beurs op een maand tijd waar ik moet staan en praten met vreemden, en het is een grotere beurs, in een grotere hal, met meer mensen en meer standen en dus ook meer druk op m’n systeem. Ik ben hier vandaag met een HR-collega en de CTO. Ik moet bewust het geheel aan lawaai van alle stemmen, bewegingen, voetstappen en eventuele geluidseffecten van de standen buitensluiten om niet platgedrukt te worden. In tegenstelling tot de vorige beurs ontmoet ik hier geen prospectieve klanten, maar werknemers, en wel studenten die op het punt staan af te studeren. Het is enigszins bekend terrein. Als 21-jarige ben ik zelf naar zo’n “afstudeerbeurs” geweest, waar ik toen de indruk kreeg dat geen enkele werkgever zat te wachten op iemand met een diploma Taal- en Letterkunde, behalve bedrijven die me ontiegelijk saai leken, zoals banken en overheidsinstellingen. Voor mijn 21-jarige zelf werk ik nu wellicht ook voor zo’n bedrijf, maar in mijn carrière heb ik geleerd dat wat een bedrijf of organisatie precies aanbiedt of verkoopt er eigenlijk niet zo veel toe doet, zolang je een minimum aan geloof kan hebben in de kwaliteit ervan, de collega’s aangenaam zijn en je geen existentiële crises krijgt van het management. 

Vijf jaar geleden was ik hier ook, onder de vlag van Malendroit National, waar het grootste lokmiddel van onze stand gigantische lolly’s waren die we weggaven. Nadien vernam ik via via dat de grote baas van Corporate Marketing dat “vulgair” had gevonden. Dat zei meer over haar dan over mij. Maar vijf jaar geleden voelde ik dat de afstand tussen studenten en mij nog niet zo groot was als nu, wat ironisch is, aangezien veel vroege twintigers van nu zich kleden als volwassenen uit de jaren ’80 of middelbare scholieren uit de jaren ’90. De snor zonder baard is al jaren volledig terug acceptabel, alsof we Dutroux vergeten zijn. Zou die naam überhaupt nog iets betekenen voor jonge mensen die in 2005 geboren zijn? Misschien. Ik wist als tiener ook wie Freddy Horion was, hoewel hij zijn gruwelijke roofmoord had gepleegd in 1979.

Tussen 2014 en 2024 heb ik trouwens een aantal keren meegedaan aan een evenement van mijn alma mater zelf, waar laatstejaarsstudenten Taal- en Letterkunde aan tafels konden komen luisteren naar wat hun voorgangers nu zoal allemaal uitvraten in het werkende leven. Die trends die ik zie waren er enkele jaren geleden ook al, maar zijn nu heviger, en ik ben ouder, met minder voeling en ook minder zin om met dat jong geweld te praten. Maar ik moet. Ik gooi me door m’n eigen barrière en spreek mensen aan die aan onze stand passeren en even blijven staan of proberen om onze roll-upbanner te lezen om uit te vissen wat we precies doen. Op tafel speelt een video van vier werknemers die vertellen wat het zo fijn maakt om bij Onelock te werken, met brainrot-content erboven geplakt. Dat was een idee van mijn collega Selim, die ervan overtuigd was dat brainrot jongeren ging lokken of ging laten blijven staan. Maar de anekdotische observatie hier leert me dat het vooral de oudere bezoekers zijn die er naar staan te kijken. Misschien registreren de jongeren brainrot gewoon niet meer echt.

Op het dak van de expositiehal hagelt het.

Ik ga even de benen strekken van het lange en pijnlijke staan en verdwijn achter een zwart doek dat de grote hal in twee deelt, om de ruimte kleiner en gevulder te doen lijken dan ze is. Achter dat doek is er niets te zien buiten een lege helft van dit enorme gebouw. Waarschijnlijk hoor ik hier niet te zijn, maar niemand houdt me tegen. Ik zou hier doodgemoedereerd een sigaret kunnen roken of ergens tegen een muur pissen. Ik moet denken aan één van mijn weinige avonturen in urban exploration, toen ik met mijn broer Matthias in een voor de afbraak voorzien gebouw was terechtgekomen in het Citadelpark. Ook dat leek vroeger een expositiehal geweest te zijn. Het dak was er al uit en overal lagen brokstukken op de vloer. We namen enkele foto’s en draalden want rond als dwergen in een postapocalyptische schoendoos van beton. Er was niet zo veel interessants aan buiten de liminale sfeer die er hing.

Ongemerkt sluip ik terug de eigenlijke beurs binnen. Ik vraag me af hoe de studenten die hier rondwandelen tegenover hun eigen toekomst staan. De negende letter van het oude futhark-runenalfabet, hagalaz, betekende letterlijk “hagel” maar is symbolisch gaan staan voor een plotse, onafwendbare verandering, vaak rampspoed of verwoesting. Het dak hier beschermt ons tegen de letterlijke hagel, maar wie zal deze generatie beschermen tegen de figuurlijke kogels van bevroren regen? Ik moest pas tegen mijn late dertiger jaren ontdekken dat de meritocratische toekomst die me altijd voorafgespiegeld was, een leugen was. De jonge mensen hier hebben mogelijk altijd al geweten dat het een leugen was. Recent bleek uit een peiling dat één derde van de mannen van Gen Z nog conservatiever (lees: meer reactionair, “conservatief” is altijd een eufemisme) is dan zijn eigen grootouders. Misschien kijken ze hier niet op van ons breinrot, maar het is alleszins doorgesijpeld tot in hun hoofden via de almachtige algoritmes.

Terug aan de stand merk ik op dat hier vijf jaar geleden minder studenten waren die Nederlands niet als eerste taal hadden. Ik weet niet of we die een job kunnen bieden. In development en IT, misschien. In sales en marketing wellicht niet. Terwijl de HR-medewerker een plaspauze neemt, worden de CTO en ik geconfronteerd met een sjofele oude man die een trolley achter zich trekt en op elke stand balpennen komt verzamelen “voor de daklozen” (met een gelamineerd plakkaatje in vijf talen). Hij krijgt er eerst één, en na lang aandringen twee. De CTO en ik zeggen er niets over, ook niet als hij al lang buiten gehoorsafstand is. De CTO is geen man van de koetjes en kalfjes, of de roddel. 

Even later raak ik in gesprek met een jonge vrouw die gebrekkig Nederlands spreekt. Ze is lang, met diep-donkerbruine ogen en een jas met een goudkleurige voering. We switchen naar Engels. Ze heeft ervaring in de financiële sector en staat op het punt om haar tweede diploma te behalen. Oorspronkelijk komt ze uit Turkije. Ik geef haar het lokmiddel van onze stand – een logica-puzzel die studenten kunnen oplossen om onze kluis te kraken en een prijs te winnen. Tot hier toe zijn er nog maar twee prijzen gewonnen. De eerste door een groep studenten die met veel branie dacht freebies te komen scoren maar nadat ze herhaaldelijk het foute antwoord hadden, steeds serieuzer werden in hun ambitie om de kluis te kraken; de tweede door een innemend jong koppel. Mijn intuïtie zegt me dat deze Turkse vrouw de derde zal worden, maar dat zeg ik natuurlijk niet. Intussen is de pijn van het constante rechtstaan echt te veel geworden en begint de beurs op zijn laatste benen te lopen (die wellicht ook pijnlijk zijn, maar dat is vast projectie). Bovendien mag ik mijn afspraak niet missen bij de kinesiste, dus ik neem afscheid van de HR-collega en de CTO.

Onderweg naar de kinesiste hagelt het nog een beetje. De volgende dag, op kantoor, merken collega’s die altijd ergens in een tabblad onze LinkedIn-pagina volgen, dat we enkele vermeldingen hebben van studenten die op bezoek kwamen op onze stand. Eén post is van de Turkse vrouw die ik ontmoette – ze is inderdaad de derde en laatste persoon geworden die onze prijs wist te winnen door de code van de kluis uit te vissen. Ondanks alles blijkt mijn intuïtie, of zin voor connectie, toch niet helemaal dood.
 

dinsdag 16 december 2025

Van hetzelfde laken een astronautenpak

Om één voor middernacht op 31 december 2025 zal ik kunnen terugkijken op een jaar waarin de buitenwereld zich heeft gedragen volgens alle grimmige voorspellingen die ik had gemaakt op het einde van 2024, en een persoonlijk leven waar totale onvoorspelbaarheid troef was. Had je me toen ik onder vrienden en clandestien bijgewoond vuurwerk toostte op 2025 verteld dat ik in het jaar dat eraan kwam slachtoffer zou zijn in twee verkeersongevallen, door twee pijnlijke revalidatieprocessen zou moeten lopen, twee keer naar Berlijn zou gaan, twee werkgevers zou kennen en geen enkele nieuwe publicatie zou maken, had ik je mogelijk wel geloofd maar zou dan depressief naar huis gegaan zijn. Voorkennis: not even once.

Hoog boven Europa heb ik op de achterste rij van een vliegtuig in stilte geweend. Ik wou dat ik kon zeggen dat het was om een heroïsche of tragische reden, maar het was een gewoon gebroken hart. Want ook gewone dingen zijn onverminderd pijn blijven doen in de kwartmijlpaal van deze eeuw. Maar het hart genas, net als mijn andere gebroken onderdelen (rug, dijbeen, knie). Sommige dingen zijn niet genezen, maar dat was nooit de hoop. Ik ben nog steeds chronisch ziek, omdat dat is wat “chronisch” betekent, en zo je al kan spreken van een ziel, is die nog altijd een dubieuze sterrennevel met wijd vertakte filamenten donkere materie. Mensenlief, als ik al niet meer pathetisch mag zijn, wat dan wel nog.

Mentaal ver (maar niet te ver) van deze verstopte regenwaterput die België heet heb ik het nieuws gezien als een paranoïde bejaarde die af en toe met z'n vingers twee strips van het rolluik open duwt om te verspieden welk krakeel nu weer. Het is zoals verwacht hetzelfde circus met dezelfde zieltogende circusberen geweest. De langste cafétoog ter wereld reikt comfortabel tot aan de ministerraden. En als je niet meer elke dag ingeplugd zit in wat moet doorgaan voor het publieke debat, is het vrij gemakkelijk om te doen alsof het er niet is. Dat is een privilege en ik weet het. Want ik ben ook maar een bumper verwijderd van het precariaat en dat kan je best letterlijk nemen. Het is trouwens niet alsof mijn mentale afstand ervoor zorgde dat onze nationale instituten hun interesse verloren in mij. Integendeel, ik mocht me verheugen in allerlei brief- en mailverkeer vol woorden en zinsneden die de sfeer opriepen van een luguber Sovjet-ziekenhuis of misvormde ambtenaren met grote hoornen brillen. In realiteit werd al die correspondentie wellicht semi-automatisch verstuurd door een Anja, een Karen, een Derk of een Matthias in een niet al te onaangenaam kantoor, wat het eigenlijk nog deprimerender maakte.

Rond de wereld cirkelend van hetzelfde laken een astronautenpak: af en toe stak ik eens een teen in het bruine rioolwater van het internationale nieuws en voorts weinig, maar dat betekende niet dat het internationale nieuws niet gewoon naar me toe kwam. Eén van mijn grote liefhebberijen, het Eurovisiesongfestival, werd voor het tweede jaar op rij opgeluisterd door een land dat haast schokkend openlijk genocide pleegt en hoopte via valsspelerij een schijn te wekken van legitimiteit binnen Europa. Ik heb nog niet beslist of ik in 2026 ga kijken. Maar ik vrees dat de volgende defensielijn wellicht evenzeer tijdelijk zal zijn. Wie weet komt op een volgend poëzie-evenement waar ik optreed ook een bloemlezing van de Discord-groep van Schild & Vrienden. Of komt er een loodgieter langs voor het jaarlijkse boileronderhoud een boompje opzetten over hoe misbegrepen Andrew Tate is.

Het woord “hoop” probeer ik niet uit te spreken voor 2026, uit schrik het tegendeel te sommeren. Noch wil ik me laten looien door nutteloze bitterheid. Ik heb ook geleerd dat ambities voor de poort van een nieuw jaar er eigenlijk weinig toe doen. Maak je de voornemens groot, ze verschrompelen of blijven hangen aan de eerste hinderpaal. Hou ze je bescheiden, dan gebeurt er vaak wel iets waar ze in verdrinken in de oneindigheid en ben je ze al vergeten bent nog voor januari uit is. Wel ga ik 2026 in met dezelfde sterke ploeg in mijn leven als die van het jaar ervoor - vrienden en medestrijders, dichte familie en kennissen. Op dat vlak beleef ik al jaren hoogdagen. En al minstens even veel jaren blijf ik verrast dat veel nieuwe mensen die ik ontmoet op mijn pad, me ondanks alles toch sympathiek lijken te vinden en ik hen. Nu nog een beetje geluk, en ik zal 2026 ook wel overleven.