Over 'Onklare taal'

'Onklare taal' is de verzamelnaam van diverse tekstprojecten van mijn hand. Dit is de afdeling columns en microstories daarvan. In 2017 bracht ik 'In de vorm van een vogel' uit, een bundeling van de beste 99 teksten van dit genre tot op dat punt, netjes geredigeerd en per seizoen geordend. Je kan die antologie gratis downloaden als je Patron wordt. De weg een beetje kwijt? Mijn eigenlijke website, die ook 'Onklare taal' heet, verwelkomt je.
Posts tonen met het label Heuvelpoort. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Heuvelpoort. Alle posts tonen

dinsdag 15 oktober 2013

Onder onbekenden

We staan als bedelaars voor de werkdag aan de bushalte te verkleumen, met als enige afleiding het zich op gang trekkende verkeer op de Heuvelpoort, doorschoten van hier en daar nog een late uitgaander die glazig uit z’n ogen kijkt. De dovende lichten van de cafés en clubs sterven samen met de allerlaatste dronkenlappen of elkaar overeind houdende koppels. Wij staan als moai-beelden in weer en wind te wachten op de bus. Door routine herken ik de meeste gezichten, die elk in hun eigen gedachten gezonken zitten. Dat is goed zo. Het familiaire onbekende. Geen behoefte aan gesprekken.

Het is nog donker, maar in onze ruggen rijst alweer een grijze herfstochtend op boven de hoge daken die zich als een ketting verheffen tot over de Blandijnberg en het Sint-Pietersplein, en die opkomende zon zal straks een palet onthullen aan de donkergrijze regenwolken die al eeuwenlang over Vlaanderen regeren. Talloze schilders legden die wolken vast, met onder hun vorstelijke bedekking het landschap van weilanden, moerassen, laagstammige bossen en kromruggige boeren. Ik rook een sigaret en hoest, werktuigelijk.

Als de bus aankomt, trekken we ons op gang om op te stappen. Ook de meeste passagiers herken ik al van gezicht. Er zijn de drie Russische dames met boerengezichten die onder elkaar converseren, het slanke meisje met het aristocratische gezicht en de fijne ogen, de mysterieuze hipster met zijn perfecte baard, en de vrouw van rond de veertig die steeds een hypnotiserend strakke jeans draagt. Er is ook nog de jongen aan wie ik instinctief een hekel heb: hij draagt nooit een jas, nooit een tas, nooit een rugzak, altijd merkkledij, en zit iedereen letterlijk met open mond aan te gapen. Dat doet hij elke dag. Het moet zijn dat hij niet past in mijn Vlaamse pendelschildering, dat ik geen jas dragen onwelvoeglijk vind en dat ik het niet leuk vind in m’n ochtendburcht van rook en boeken begluurd te worden.

Regen zwiept tegen de vensters en laat de niveaus van inkt die de gevels en straten nog beheersen, door elkaar lopen. Het is een zegen voor vermoeide ogen. Ik bid dat de routine niet gebroken wordt door onnodig halt houden aan irrelevante bushaltes of zich over het voetpad tuimelende haastigen. Ik staar naar mijn handen in mijn schoot en denk aan iemand die me ooit vertelde dat je alleen aan iemands handen zijn werkelijke leeftijd kan zien. Ik verbaas me er ook telkens over hoe handen van andere mensen aanvoelen. Sommige handpalmen zijn natuurlijk sterk doorlijnd en droog, anderen hebben een vanzelfsprekende zachtheid die alleen verkregen lijkt door weinig te werken, hoewel dat niet altijd waar is. M’n vingers verstrengelen zich en trommelen dan een ritme tegen elkaar, als stomme versies van door elkaar gerammelde pophits.

De bus komt op het laatste rechte stuk richting station. In de verte weer licht, deze keer de toren van het Sint-Pietersstation die het baken vormt, als een volle maan die ingekapseld is door sprookjesbaksteen. We hangen achter een tram. We strompelen allemaal weer overeind, met de verhalen die ons nog achtervolgen van gisteren in lijf en leden. Dat is ook de ochtend, immers: onsamenhangende gevoelens en halve zinnen die als ijsblokken nog niet opgelost zijn in de menselijke soep, en dat we ons net als aan de stangen van de bus vastklampen aan de broodnodige routine om niet in slow motion de zonsopgang door te komen. Het geldt alleszins voor mij.

De deuren openen zich en met de deuren ook weer de Belgische hemel waar zelfs veroveraars als de Romeinen nooit echt aan konden wennen. Er wordt gerend door vloekende zakenmannen en schreeuwende schoolmeisjes. Stap voor stap voel ik me wakkerder worden en verleent de dag me meer focus. Tijd voor nog een sigaret. De Metro in één vloeiende beweging meegraaien en hopen dat ik geen twee exemplaren vast heb of zal staan sukkelen en andere mensen zal blokkeren. De ochtendspits mag niet vast komen zitten. Wie ik nog herken van op de bus, kan ik nu op één hand tellen, maar ik hang me aan hen vast, die onbekende vrienden, als verdwaalpalen op een strand van modder en vergeelde mozaïek.

Aan het getril van de sporen boven mijn hoofd voel ik als ervaren seismograaf dat ik nog net m’n trein zal halen en dat ik dus niet hoef te rennen, ook al omdat de roltrap werkt. De laatste rook blaas ik uit m’n mond als een IJslandse geiser die zich opmaakt om weer te gaan slapen, ik reinig m’n tanden met mijn tong, recht m’n rug, til m’n hoofd een klein beetje op en kies positie om met het juiste been te landen op het perron, en dat allemaal op twee seconden. Een vlaag wind slaat over het station en doet zowel jassen als krantenpagina’s wapperen als een herfstfeest.

De trein dendert binnen en harde geluiden weerklinken van overal. Er is de bouwput achter spoor 9, met lassers en slijpers, er zijn de onverstaanbare aankondigingen die evengoed in het Slovaaks hadden kunnen zijn, en het gegil van de stationsfluiten. Daartussenin, in de loopgraven van de sporen zelf, of aan de kiezeluiteindes van de perrons, hangt nog stilte. Het stilste van al nog zijn de mensen zelf, de passagiers die zwijgen en dankbaar zijn dat de dingen deze ochtend lopen zoals ze horen te lopen, of misschien niet helemaal zo horen te lopen, maar desondanks kiezen om de dag weer te dragen zoals hij gekomen is. Op een flard donkergrijze wolk. Op rookgordijnen. Onder onbekenden.

woensdag 12 september 2012

Voorherfst

Men spreekt over een nazomer en een voorzomer, soms eens over een vroege lente, of knarsetandend over een vroege winter, maar de begrippen voorherfst of nalente bestaan niet. Nee, de zomer is de zware jongen waar het allemaal om draait, prent de taal ons in. Onze maatschappij is ook op dat model gebouwd. Waren de zomermaanden vroeger oogstmaanden met dito feesten en hun gezwollen fruit, dan zijn ze nu het decor voor alcoholische escapades, bruin bakken aan God weet welk strand, of road trips in aftandse auto's. De winter heeft eveneens zijn passionele aanhangers, al ruikt het verdedigen van een seizoen vol doodsheid en sombere avonden een beetje naar contrair doen om contrair te zijn.

Persoonlijk ben ik de herfst gaan appreciëren, de laatste jaren. Die gedachte komt bij me op als ik terug naar huis slenter van een cafébezoek midden in de week. De weg is niet lang, maar omdat het al donker is en toch niet bijzonder koud, voelt hij langer aan. Aan de wegenwerken zie je dat het binnenkort verkiezingen zijn. Het academiejaar is nog niet begonnen, dus de straten die over enkele weken het terrein zullen zijn van legioenen studenten, liggen er een beetje onthutst bij, alsof ze bezoek verwachten dat al te laat is. Er zit alleen lokaal volk in de pitabars, en de geur van hamburgers en frieten wordt door de zwakke wind, in afwezigheid van geluidsgolven van volk, sterker gedragen dan anders. Het aroma is warm en nutteloos tezelfdertijd.

Poelen licht draaien overuren. Sommige cafés hebben hun uithangborden vernieuwd. Her en der zijn al kluitjes mensen die zich aan togen verzameld hebben. Ik zou het geen melancholie durven noemen, maar opnieuw waait een zeker gevoel van verlorenheid door wat ik denk als ik naar binnen kijk via het venster. Bastonen, glazen die neergezet worden, pratende mensen, een salvo aan noten popmuziek. Afstand op gezelligheid. Ik bedwing mijn nieuwsgierigheid om niet ergens binnen te stappen en me nog dieper te gaan onderdompelen in die schemersfeer van de laatste weekends van de zomer. Niet alleen heb ik niks bijzonders te vertellen, ik ben ook niet erg goed in zomaar ergens stilzitten tenzij ik dat grondig heb voorbereid. Meditatie is bewegen, wat mij betreft.

Ik kijk weg van de vensters naar het kruispunt van de Heuvelpoort dat opdoemt terwijl de straat breder wordt. Links van me is een oud studentenrestaurant in volle afbraak. Weinig is zo zichtbaar onzichtbaar als sluipende renovatie. Van alle cafés en voetpaden die ik daarnet passeerde, bestond meer dan de helft tien jaar geleden nog niet. Het verkeer van het kruispunt raast over die herinneringen heen op het ritme van oscillerende basdrums. Elk moment heeft zijn soundtrack, en dan is daar het moment dat het lijkt, vlak voor het zebrapad, of er in het gelijktijdig in- en uitademen van de binnenring, mijn longen en de verspreide terrasjesmensen achter en voor me, één ogenblik het gevoel dat alles precies in elkaar past zoals het hoort, ook als het vloekt en vecht. Alsof deze paar honderd vierkante meters in het hart van de stad één grote kathedraal zijn voor een god van terugtrekking. De sleep van de zomer die ruisend een verkoeling achterlaat. Al het haar op m'n armen en nek staat overeind.

Het is beter om verder niets meer te zeggen en te doen alsof m'n lippen aan elkaar genaaid zijn. Terwijl ik het kruispunt verlaat en nog maar op enkele meters van mijn huis ben, ebt ook het verlangen weg van over te steken en me daar te wijden aan het mysterie van alleen drinken in het gezelschap van onbekende mensen van wie ik nooit wat zal eisen (en omgekeerd). Vooruitgeschoven wolken beginnen over de in impressionisme gehulde daken te komen, en beloven regen. De stad anticipeert. De lichten springen op groen. In zelfhypnose, bedolven onder de lichtste en oppervlakkigste van indrukken, sluit ik af en ontsluit ik de deur.