Over 'Onklare taal'

'Onklare taal' is de verzamelnaam van diverse tekstprojecten van mijn hand. Dit is de afdeling columns en microstories daarvan. In 2017 bracht ik 'In de vorm van een vogel' uit, een bundeling van de beste 99 teksten van dit genre tot op dat punt, netjes geredigeerd en per seizoen geordend. Je kan die antologie gratis downloaden als je Patron wordt. De weg een beetje kwijt? Mijn eigenlijke website, die ook 'Onklare taal' heet, verwelkomt je.

maandag 23 januari 2012

Ik, Westerse blanke man

Vandaag stond ik erg vroeg in de ochtend op om naar het werk te gaan - eerst met de bus, dan met de trein, dan de metro, en het laatste eindje te voet. Omdat het nog zo vroeg is, is het in termen van uitgaan tegelijk erg laat en daardoor kruis ik soms het pad van diehard-uitgaansvolk dat naar huis gaat of strompelt. Deze morgen trof ik weer zo'n paar exemplaren aan. Ze floten niet naar me of, godbetert, de kans dat ze me zouden betasten of smerige dingen naar het hoofd slingeren was zo goed als onbestaande (ik ben welgeteld ooit één keer in het passeren "homo" genoemd door een dwerg met een fetaal alcoholsyndroomgezicht in mijn uitgebreide carrière in het passeren van dronkelappen). Ondanks de enorme toestroom van volk aan de treindeuren kon ik moeiteloos als één van de eersten naar binnen omdat ik groter ben dan gemiddeld, jonger en behendiger. De conducteur kwam langs om m'n abonnement te zien. Als ik het niet had bijgehad, zou hij niet onmiddellijk gedacht hebben dat ik een fraudeur of marginaal was omdat ik een das draag en niet bruin ben. Niemand in het bijzonder staarde me aan of probeerde een conversatie met mij aan te knopen puur omdat ik een man was.

De trein stond een kwartier lang stil. De NMBS als grote gelijkmaker, dacht ik even, maar infeite was niks minder waar, want opnieuw drong het besef tot mij door dat ik een gelukzak was, toen ik informatie nodig had in het station. Iedereen was correct en professioneel tegen me, en als ze dat niet waren geweest, zou ik zeker niet gedacht hebben dat ze dat waren omdat ik een blanke man ben. Misschien omdat mijn Frans niet zo goed is (vive Bruxelles), maar ik had me zeker nooit beroepen op een Vlaams calimerocomplex.

Toen ik uit het metrostation tevoorschijn kwam, was de zon al aan het opkomen over een zeer drukke Tervurenlaan. De geur van regen gistte nog na over het trottoir en het oranjeroze van de ochtend joeg een pak grijze wolken voor zich uit. Ik passeerde enkele voorbijgangers, onder andere een jong meisje in een strakke jeans. Haar houding verstarde één seconde en ontspande weer toen ik voorbij was. Mogelijk dacht ze: "Je weet nooit wie daar zo snel achter je aan komt gestapt, het kan altijd een of andere foute vent zijn met rare bedoelingen" en het was iets waar ik me bijna nooit zorgen over hoef te maken, dacht ik dan weer. Dubbel privilege in de categorie "structuren van macht", Luc, voor €5000. Het meisje ontspande mogelijk ook omdat ik niet behoorde tot een groep mensen die door de media en perfide politici gebrandmerkt worden als potentiële criminelen.

Op het werk zat ik wat te suffen in een vergadering omdat ik me nog moe voelde, en tekende ik in mijn notablok een zeppelin. Mijn verstrooidheid werd me niet echt kwalijk genomen, en geen mens die eraan dacht mij etiketten als "leeghoofd" of "dom blondje" op te plakken. Toen ik even later over iets m'n mening gaf, was er niemand die m'n mening afdeed als "onnozele mannenpraat" of zat te denken dat ik mijn job te danken had aan hoe ik eruit zag. Nog wat later gaf ik ongezouten kritiek, en opnieuw niemand die me een "bitch" noemde.

Tijdens de lunch maakte iemand een grap die een paar homofobe connotaties had, maar dat raakte me niet omdat ik hetero was. Misschien had ik iets moeten zeggen, maar het leek zoeken naar spijkers op laag water en ik was er vrij zeker van dat geen één van mijn collega's actief homo's haatte. Ik vroeg me daarbij ook af of homohaters zichzelf zien als homohaters. Een kwart van de Belgen (Vlamingen én Walen) gaf ooit in een enquête toe tamelijk tot zeer racistisch te zijn. Daarover gesproken werd ik op de terugweg naar huis in de metro eveneens niet nageroepen of aangesproken door groepjes hangjongeren.

Op de trein naar huis viel ik in slaap en droomde ik niets in het bijzonder op een avond die al bij al ook niet erg bijzonder te noemen viel: koude bries, regenwolken, januari en het soort momenten waar je al professionele bezadigdaard voor moest zijn om er iets interessants uit te puren. Er was niemand die verder deuren voor me openhield uit goedbedoelde patriarchale opvattingen. Niemand die me zou veroordelen voor het aantal sekspartners dat ik al in mijn leven gehad heb, niemand die ervan uitging dat ik kwade plannen had, niemand die me als een idioot behandelde omdat ik een bepaalde leeftijd had, kortom niemand die me een strobreed in de weg legde. Aan het laatste verkeerslicht voor ik thuis kwam, stond ik naast drie andere mannen. Ze hadden het met stellige zekerheid over het feit dat het "feminisme toch wel te ver was gegaan". Het deed me alweer denken aan de reden waarom ik meestal vermijd om te praten over sociale en politieke kwesties.

zondag 15 januari 2012

Canon in G mineur

Langzamerhand raak ik uitgekeken op de stad. Ik voel het in mijn zich verwijdende inspiratie, de trottoirs waar ik al zo vaak dezelfde routes heb afgelegd, en de banen die ik ook nog stomdronken en stoned vanbuiten ken. Het is mooi geweest met de cafés waar ik al jaren kom, de mensen die ik al zo lang graag zie en de voorspelbare zekerheden van de weken en seizoenen. Maar wat moet ik dan doen? Als Schouwenaars in ballingschap gaan op het platteland? Ik weet hoe het er is want ik heb er twintig jaar gewoond en bovendien is het platteland waar hij over schreef al lang verdwenen. Ik zou naar het buitenland kunnen gaan, maar daar zou ik me mogelijk te ontworteld voelen, een permanente vreemdeling met een raar accent, die gedoemd is tot excentrieke oppervlakkigheid.

Kalmaan. Terwijl ik probeer te weerstaan aan de drang om een sigaret te roken, overweeg ik de opties, maar de conclusies zijn ontluisterend. Ontsnappen aan het systeem is gedoemd om te mislukken. De schokken van de eurocrisis, de excessen van het marktfundamentalisme in de Verenigde Staten en de expansie van China zijn overal even onontkombaar, tenzij je al obsceen veel geld had en op die berg kan gaan zitten terwijl de rest van de wereld wegbrandt. Ontsnappen aan mezelf is al even onmogelijk, want het is ook daar dat ik op uitgekeken ben. Voortdurend ervaar ik een verlangen naar rust, naar ergens wegdrijven op een opblaaskussen in de zee, of 24 uur aan één stuk slapen. Ik ben aan het desintegreren, zegt een pathetische stem, wild orerend als een Mussolini van het gevoel. Ik moet nog even blijven liggen en de zaken rustig aannemen voor wat ze zijn, zegt de stem van een Boeddha.

Schrijvers moeten ook lezers zijn. Dat zegt bijna elke schrijver, of die nu een beginner is of een gevestigde waarde. Andere schrijvers lezen inspireert, verrijkt, doet vergelijken en voedt ideeën. Dat is zo klaar als een klontje. Toch zijn er veel huis-tuin- en keukenschrijvers die dat niet echt nodig blijken te vinden en dan vaak komen aanzetten met erg amateuristische producten die alleen in een context van haast 'art brut' nog interessant te noemen zijn. Mijn vriend Fjodor moedigt mensen voortdurend aan om te lezen, ik zeg altijd dat ze vooral moeten blijven schrijven. Er valt voor beide benaderingen iets te zeggen.

Ik heb geen tijd om meer dan twee boeken per maand te lezen, en bovendien is mijn belangstelling te breed om te beperken tot het taalgebied van Claus en Mulisch. Ooit kreeg ik zelfs te horen dat ik moest ophouden met verborgen verwijzingen te weven naar oosterse filosofie of naar Amerikaanse science fiction omdat "niemand" dat kent. Wel ja. Ik zal even een geheim delen: de bredere Nederlandstalige literatuur en ik zullen nooit goede vrienden worden. Het is een feestje met verschillende kliekjes. Je hebt daar een hoop zelfreferentiële, pompeuze mensen die elkaar aftrekken in het snoeven, gnuiven en elkaar nog louter voor de vorm lijken te bekritiseren. Hier staat dan weer een kluit mensen die alles wat verschijnt krampachtig in een traditie wil gaan plaatsen. Je hebt tenslotte nog een paar schorre schreeuwlelijken die meer kabaal maken dan wat anders, zielige oude rockers eigenlijk. Ik ontsnap zelf niet aan die kritiek, veronderstel ik, maar ik neem er al genoegen mee dat ik literaire evenementen niet opvat als een verklede Waregem Koerse waar men komt etaleren hoe mooi gecultureerd men wel niet is. Ook daar zou ik maar wat graag aan willen ontsnappen.

Ik wil proberen stoppen met roken en een hartelijk vaarwel zeggen aan slechte gewoontes, maar dat gaat niet vanzelf, natuurlijk. De eerste maanden van het jaar liggen bezaaid met tweedehandsvoornemens en weinig verheffende zelfreflecties. Omdat ik naar de magische dertig toe aan het opschuiven ben, heb ik aanvaard dat verandering in stappen komt. Er komt waarschijnlijk geen enorme apocalyps van het systeem waar graag steentjes naar gooi. Ik zal niet morgen opstaan en een fonkelnieuwe, jonge gezonde god worden. Er is tijd voor nodig. De lawine is omgeruild voor de gletsjer. Misschien moet ik dan ook traag mijn grote ontsnapping plannen uit de stad die me steeds minder kan boeien. Elke dag een centimeter verschuiven. Elke euro die ik niet besteed aan roken, in een spaarfonds beleggen waarmee ik op termijn een schuiloord mee kan kopen elders. De vraag blijft waar. Londen of toch maar Antwerpen? Parijs, om het mezelf lastiger te maken, of Brussel, dat al buitenland is in eigen land. Misschien wordt het wel Berlijn maar strand ik onderweg in Bütgenbach. Ook goed.

De voorlaatste sigaret ligt uitgeduwd in de asbak, die straks terug in de kast gaat. Er is geen nieuw begin, geen closure. Maar diep vanbinnen ben ik afscheid beginnen nemen van mijn thuisstad, die er nu koud en verweesd bij staat. Letterlijk zei iemand me ooit dat ik "geen echte schrijver" was in vergelijking met iemand anders, omdat ik niet constant dronken was en geen marginaal was. Daarna had ik last van een acute esprit d'escalier, want ik had moeten zeggen dat iemand die zoiets zegt, "geen echte lezer" kan zijn. Wat wel waar is, is dat ik toch geen echte revolutionair ben, hoe graag ik er ook één had willen zijn. De dingen komen voortdurend, en ze komen traag. Dat is ok.

donderdag 1 december 2011

Sixtijnse discipline

Ik lig op de vloer van mijn appartement en staar naar het plafond. De verandering van perspectief doet me terugdenken aan neerliggen in hoog, nat gras en turen naar voorbijkabbelende wolken, mijn ogen beschermen tegen te helder zonlicht of op een koele lente-avond kijken naar de sterren als die niet aan het zicht onttrokken worden door wolken. Toch zie ik alleen mijn plafond, beige en bescheiden in zijn burgerlijkheid. Ik lig op de grond omdat ik situps probeer te doen - mijn eeuwige knipperlichtrelatie met het gevecht tegen de entropie. Ik ben ervan overtuigd dat het er idioot uit ziet, maar zoals Reve schreef over hoe hij alleen en dronken in zijn bed plaste en niemand het een bal kon schelen behalve God, denk ik ook niet dat dit een moment is dat de eeuwigheid zal in gaan.

Het appartement wordt bevolkt door vreemde geuren. Huisgenoot Natasha is soep aan het maken. De huiskater scharrelt neurotisch rond en wil zowel aandacht als eten, als een eeuwig mentaal gehandicapte peuter op vier poten met een staart en klauwen. In mijn haar en aan mijn huid kleeft nog opgedroogde regen, deodorant en de smaak van sterke instantkoffie op kantoor. Terwijl ik van beneden naar boven beweeg en mezelf bewust pijnig om situp per situp, dag na dag die bescheiden buik te zien wegsmelten (vijf kilo verliezen valt best mee, zou je denken), tuimelen al die indrukken over elkaar heen in mijn hoofd. Je zou soms momenten lang willen stopzetten om ze te blijven ontleden en lagen in te gaan ontdekken. Lagen van geuren, van stof, van over elkaar heen gedrapeerde kleren op stoelen en van broodkruimels die afkomstig zijn van een maaltijd met gebakken eieren. Banaliteit is een schatkamer aan ongezegde veelheden en herhalingen, en net daarom ook zo verwaarloosbaar.

Mijn buik begint tegen te spartelen. Dat is een goede zaak. Het doet me denken aan dat psychologische experiment dat men uitvoerde met vijfjarigen. Men legde een koekje voor hen op tafel. De onderzoeker zei dat ze het mochten opeten als ze wilden, maar als ze vijf minuten konden wachten, zou hij terugkomen en kregen ze twee koekjes. Jaren later bleken de kleuters met meer zelfbeheersing ook de meer succesvolle mensen in het leven: doctorandi, geslaagde zakenmensen, tevreden familieleden en productieve leden van de samenleving. Ik vraag me af hoe ik bij zo'n experiment zou gevaren hebben. Als iets de moeite waard is, kan ik mezelf beheersen, denk ik. Alleen is er weinig de moeite waard. Twintig, eenentwintig. We gaan naar de dertig situps, met gezwinde bewegingen, anatomisch correct en medisch verantwoord. Impulscontrole is een fascinerende zaak.

Plafond en muren kantelen bij elke opwaartse en neerwaartse beweging. Ik hoor de soep in de keuken stomen en laat me overweldigen door de kalme banaliteit van de avond. Dat kan. Dat moet af en toe. Je kan niet leven van hoogtepunt naar hoogtepunt. Ik denk aan een glas vodka, straks. Я не люблю водку, водкa я. Franse vodka wordt onderschat in Europa. Vijfentwintig, zesentwintig. Het lichaam moet in vorm gebracht worden. De leraar, zei Sloterdijk, is de figuur die wil dat ik wil, en ik probeer mijn eigen leraar te zijn. Aan de andere kant heb ik lak aan autoritaire figuren omdat ik er stiekem zelf één ben, en zo is elke mens op een bepaalde manier een eeuwige slang die zijn eigen staart aan het opeten is.

Dertig en stop even, rusten. De ogen sluiten en dan weer openen. Het beige plafond is onveranderd, maar ik had dan ook niet verwacht dat er plots schilderingen op zouden gekomen zijn in het genre van de Sixtijnse Kapel. Mijn huiskater komt aan mij snuffelen. Voor hem moet het absurd zijn dat zijn baasje op de vloer ligt en deze oefening doet. Het is tegelijk geruststellend en bevreemdend dat hij, als nauw verwant zoogdier, een aantal uitdrukkingen heeft die even diep ingeëtst zitten in mijn eigen dierennatuur als in de zijne - verbazing, angst, woede, walging, nieuwsgierigheid. Je ziet het ook bij honden, dolfijnen, paarden en olifanten. Ik kom terug in beweging. En octopussen. Zullen we ooit echt mens, ideaal mens, kunnen worden tegenover elkaar als we dieren blijven afbeulen en mishandelen? Er wordt wel eens gezegd dat men de kwaliteit van een maatschappij kan afmeten aan hoe de allerzwaktsten het stellen. Misschien kan men dat a fortiori beweren over de dieren.

Nu gaat het van links naar rechts, elleboog die knie aanraakt. Het einde van de oefening is in zicht. Zovele gedachten die met elke ademtocht uitgestoten worden, en ik besef dat het geen moer uitmaakt. Het brein draait voortdurend nutteloze overuren als een soort vergiftigd geschenk van de evolutie. Ik denk aan Einstein die naar verluidt zijn eigen schoenveters niet kon knopen. Of Franse existentialisten die na het samenstellen van enorm fijnbesnaarde intellectuele theorieën opgewonden werden van zich te laten insmeren met stront. Er zit poëzie in. Men vermoedt er een achterlijke karmische rechtvaardigheid achter. Veertien, vijftien aan de linkerkant. De zwakke kant. Rechtshandig, linksbreinig. Daar bestaan ook parapsychologische theorieën over. Natasha haalt de soep van het vuur en de kater verliest zijn interesse in me. Ik kijk uit naar mijn twee koekjes straks. Mijn voor het geestesoog zwevende glas vodka. Bitte, bitte, gib mir Gift.

dinsdag 15 november 2011

Therapie van eigen makelij

Dinsdag is de lamste dag van de week. Men zou hem vergetelheidsdag moeten noemen, en bij uitbreiding ook elke andere dag van de week een andere naam geven: burgerdag, vergetelheidsdag, middendag, hoopdag, raasdag, schreeuwdag en nietdag. In plaats van een schrikkeldag om de vier jaar, moet men die dag ook maar een speciale naam geven, zoals alleendag, een dag die men verplicht moederziel alleen moet doorbrengen. Het zou het gemoed deugd doen. En dat gemoed moet voortdurend verzacht worden. Therapie van eigen makelij helpt wel tegen het bulderende geweld van treinaankondigingen, reclameslogans, mensenmassa's en tikkende klokken: een goed gevuld glas vergif, bijvoorbeeld. Het helpt ook om te denken dat dit maar een voorportaal is naar een echtere, betere en meer op mijn leest geschoeide wereld, maar dat is uiteindelijk ook maar een placebo. De trein zet zich intussen in beweging en verlaat piepend, rammelend de omineuze, samengeknepen tunnels van Brussel Centraal, dat met zijn sinaasappelsap-, stroop- en lijfgeur zelf een artefact vormt van Belgisch surrealisme.

Toen we op school door de geschiedenis trokken van de Nederlandse literatuur en bij de Romantiek aanbelandden, werd als één van haar stijlkenmerken de "onheelbare gespletenheid" aangehaald. Dat was een onironische openbaring. Ik vind het erg dat ik er moet bij zeggen dat dat onironisch is, want behalve voor onderkoelde designers lijkt het alsof echte emoties er niet meer echt bij passen, tenzij die onmerkbaar meeglijden op een oliespoor van afgekalfde tradities. Ja, we weten het, we zitten met onszelf in de knoop in onze paleizen vol onmisbare technologie en exotisch eten. Wat luid is jaagt ons de gordijnen in. Een deel van me is voldoende burgerman om dat te beseffen en de zaken te bekijken met een vrome vorm van relativering. Het andere deel is een trouweloze pyromaan die zich nog het liefste dood zou drinken en de liefde zou uitschreeuwen tegen een nog onontdekt publiek. Welke dansende demon is dat toch, die mij uit mijn slaap houdt? Het is niets meer dan een afspiegeling van iets dat beleefd wordt maar niet bestaat.

Ik hou ervan om naar mezelf te kijken in de spiegel, niet omdat ik mezelf knap vind, maar omdat ik op die manier probeer te achterhalen of ik aan mijn hopeloos bevooroordeelde spiegelbeeld zou kunnen ontdekken wat ik echt voel en als dat kan, of mensen die naar me kijken dat ook echt kunnen zien. Ik heb er een hekel aan mezelf op video te zien of mijn stem te horen op een opname. Foto's kunnen er nog net mee door.

Het zelf bestaat toch niet, doceert de Boeddha steeds opnieuw. Het is makkelijk om daarin op te gaan als je uit een donker treinvenster probeert te staren voorbij die zelfreflectie. Alles is een strook van onbereikbaar verre lichten, bermen en straten. De kou van een vergetelheidsdag pal in het midden van november doet die inkrimpen en scherpere contouren krijgen als in een sinister diorama. Onheelbare - en vaak maak ik er in mijn hoofd onwillekeurig 'ondeelbare' van - gespletenheid in actie: de vertwijfeling van een onbegrensde nieuwsgierigheid naar wat voorbij het spiegelbeeld achter de lichten ligt en schuilgaat onder die talloze daken, gekoppeld aan de afschuw van een diepgeregeld leven waarin je 50 jaar lang dezelfde mensen zal zien en elke dag naast dezelfde persoon het licht aan en uit zal doen. Toch is er de ingebeelde rust van dat leven, een tevredenheid, een zitten aan oevers terwijl de rest losgelaten wordt, dat een magnetische kracht uitoefent op een professionele idioot als ik.

Bij het station ga ik nog even om sigaretten. Het is het moment van de dag dat ik niet kan wachten om dat kostuum uit te trekken, de vermomming af te leggen en de eerste rookwalm van de avond te creëren rond mijn zetel. Toch kan er nog vriendelijkheid vanaf. Het is zinloos om onbeleefd te zijn. Er ligt thuis een brief op me te wachten van een poëziewedstrijd. Niet gewonnen, maar niet getreurd. Er zit een boekje bij met de winnende gedichten. De winnende gedichten zijn erg keurig, een beetje burgerlijk, een beetje weemoedig en hier en daar een makkelijk op te pikken stijlfiguur voor een publiek dat al eens een boek leest. Dat klinkt godallemachtig arrogant, maar dat komt alleen maar omdat de kwaliteit van het meeste wat hier geschreven wordt zo middelmatig is. Ik kan me al niet meer herinneren wat ik zelf heb ingestuurd. Het is geen kaakslag voor de goede smaak, het is gewoon wat het is, en dat is een vrij gelige werkelijkheid. Buiten brandt kunstlicht - functioneel, nauwgezet en zonder haperen. Mist zwerft voorbij. Het is geen slechte avond, om een vergetelheidsdag te zijn.

woensdag 26 oktober 2011

Stresskubus

Ik ben niet beroemd en ik heb rugpijn. Ik knijp in een stressbal met het bedrijfslogo op - het is eigenlijk een kubus, maar een stresskubus klinkt nogal onhandig. Leven met chronische pijn is niet eenvoudig, dat zal iedereen je vertellen die in min of meerdere mate constant moet leven met pijn, en iedereen die dat niet doet, die kan dat maar moeilijk begrijpen. Laat ons er echter geen Olympische Spelen van Miserie van maken en onmiddellijk toegeven dat ik in een provinciale cafépijnploeg speel. De zwaarste pijnen worden elders op deze wereld geleden.

De laatste dagen wisselt chagrijn zich af met hoop. In grote wereldsteden bezetten mensen diverse pleinen en financiële centra uit protest tegen de ontzagwekkende ongelijkheid in macht en middelen, de vurige verlangens naar meer vrijheid in de Arabische wereld worden nog eens opgepookt en in eigen land is er eindelijk iets in zicht dat op een regering begint te lijken na meer dan vijfhonderd dagen limbo. Het chagrijn is afkomstig van mijn weerzin tegen de gevestigde elites die het contact met de realiteit verloren lijken te zijn, en mijn woede jegens elementen uit voorgaande generaties die niet alleen het kapitaal van hun ouders, maar ook dat van zichzelf en hun eigen kinderen hebben opgesoupeerd omdat ze maar één woord kenden: "nog".

Aan de vensterbank van mijn kantoorruimte rek ik m'n rug uit. Het appartement aan de overkant van de straat is nog steeds te huur. Romantische beelden van wonen in Brussel tussen de ambassades, met in het centrum de niet aflatende geur van restaurants, snackbars, hordes toeristen en opdringerige daklozen.

Ik wou dat mijn stressbal een afstandsbediening was waarmee ik woordbommen kon doen ontploffen, clustermegafonen die niemand nog kon negeren. De eerste bom zou ik leggen onder de media. Met als ergste uitwassen de Angelsaksische landen, zoals gewoonlijk, worden de protesten doorgaans benaderd met het uitgekiende cynisme van journalisten die al te lang in het vak zitten en zelf te veel afhangen van neoliberale broodheren. Net zoals de media laatdunkend deden over de optochten tegen het politieke immobilisme, wrijft men de huidige betogerstroepen van Occupy Wall Street aan dat ze niet echt een eis of een boodschap hebben (en dus zichzelf veroordelen tot irrelevantie). Of men pikt er de meest mediagenieke, verwarde of verwaarloosde betogers uit om de hele beweging te reduceren tot een misleid-linkse opstoot van luiheid. Nochtans is het allemaal haarscherp. Alleen door met de megafoon van de media elk antwoord preventief te gaan overschreeuwen met "Ik kan jullie niet horen! Waarvoor staan jullie?" kan dit beeld ontstaan.

De media hebben, net als bij de Belgische situatie enkele maanden terug, zelf schuld aan de onrust. Politici worden onder druk gezet om hun hele ideologie te reduceren tot een soundbyte, of worden uitgenodigd om hun zielige vetes publiek uit te vechten. Mijn franstalige maar erg goed Nederlands sprekende baas vraagt me intussen hoe je dat zegt in het Engels, 'Allerheiligen'. Dat is 'All Saints', en het is zijn beurt om te lachen om het voor de hand liggende, omdat ik hem deze ochtend vroeg wat 'Allerheiligen' is in het Frans.

Tot die media, denk ik, mijn stressbal opgooiend en opvangend, behoren nogal wat mensen van de voorgaande generaties die ik eerder aanhaalde. Zij groeiden op in de decennia tussen de jaren '60 en de jaren '80. Toen was de vermogens- en inkomensongelijkheid nog niet zo groot. Toen waren er meer kansen voor mensen om zich op te werken met het klassieke ethos van hard werk, ambitie en gedisciplineerd studeren. Velen onder hen zijn opgeklommen op de sociale ladder en hebben toen de ladder onder zich omvergeduwd. "Hoger springen! Je komt er wel!" roepen ze naar wie na hen komt. Toch ga ik ook die hele generatie niet veroordelen, net zoals er nog steeds voldoende knuppels zijn onder mijn generatie die aan tweehonderd kilometer per uur vooruitstormen door over de snelwegstrook richting niets ontziende rijkdom en bruin materialisme. Rechts is alle krediet kwijt. Na twee decennia de paradox in stand te houden van zich te beroepen op een slachtoffergevoel en tegelijk de hele politieke agenda gegijzeld te houden (vreemdelingen, profiteurs, uw centen!) en de wereld mee te sleuren in een neoliberaal dogma, staat er weer een keizer zonder kleren.

Ik moet niet zo kwaad zijn, hou ik mezelf voor, terwijl ik ergens een nota maak bij het lezen van een economische paper over hoger rendement dankzij bankensoftware. De nieuwe baas van human resources komt langs met snoepjes. Ik probeer altijd Frans te praten tegen haar, maar behalve de echt Nederlands-onkundige collega's lijkt iedereen me als doelwit uitgekozen te hebben om Nederlands mee te oefenen. Het veroorzaakt een zekere knagende schaamte. Vlaams-nationalisten zouden er een velddag mee beleven. Na bedankt te hebben voor het snoepgoed, kijk ik nogmaals uit het venster. Geen woedende betogers. En ik maak zelf ook niet onmiddellijk aanstalten om er bij te gaan staan - daarvoor ben ik te graag een Einzelgänger (wat zeg ik, ik wentel me er in) en heb ik nooit het gevoel gehad echt op te gaan in een groep of een massa. Ik moet een buitenstaander zijn, of net de baas. Anders gaat het niet. De stressbal wordt in de prullenmand gemikt. Ik hoop dat de protesten nog lang zullen doorgaan. We mogen niet zo cynisch zijn.